Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Oefententamen 8SB00 – Endocrinologie en Metabolisme Vraag Groei

Dovnload 2.45 Mb.

Oefententamen 8SB00 – Endocrinologie en Metabolisme Vraag Groei



Pagina1/4
Datum09.08.2018
Grootte2.45 Mb.

Dovnload 2.45 Mb.
  1   2   3   4


Oefententamen 8SB00 – Endocrinologie en Metabolisme
Vraag 1. Groei

Voor een goede groei hebben we groeihormoon (GH) nodig. Veel van de effecten van GH komen tot stand via de vorming van insulin-like growth factor-I (IGF-I). IGF-I bindt in de circulatie aan IGF-bindende eiwitten (IGFBP’s).

A. Hoe worden de cellen in de hypofyse genoemd waarin GH wordt gemaakt, en in welk deel van de hypofyse zitten deze cellen?

Adenohypofyse / hypofyse voorkwab, somatotrofe cellen

B. Waar vindt de meeste IGF-I productie plaats?

In de lever

C. Welke soort complexen kan IGF-I vormen met IGFBP’s?

Binaire complexen. IGF-I met één van de 6 IGBP’s

Ternair complex. IGF-I met IGFBP-3 en ALS

D. Noem 3 effecten die deze binding (complexvorming met IGFBP’s) heeft op IGF-I.

Transport en opslag

Bescherming tegen afbraak: verlengen van halfwaardetijd in circulatie

Wordt veel groter molecuul: kan de endotheelwand niet passeren en blijft dus in de circulatie

Voorkomen van binding aan insuline receptor

Evt. ook: aanpassen van IGF-I activiteit

Er zijn in de wetenschappelijke literatuur 2 gevallen beschreven van een mutatie in het gen dat codeert voor IGF-I. In patiënt A bestaat die mutatie uit de deletie van 2 complete exonen. In patiënt B bestaat de mutatie uit een puntmutatie. Deze puntmutatie leidt ertoe dat IGF-I niet meer aan de IGF-I receptor kan binden.

Immunologische metingen wezen uit dat GH bij beide patiënten was verhoogd. IGF-I was bij patiënt A niet detecteerbaar, en bij patiënt B verhoogd ten opzichte van controle personen.

E. Verklaar deze bevindingen.



  • IGF-I is bij beide onwerkzaam en kan dus geen negatieve feedback uitoefenen op de hypofyse: GH is verhoogd.

  • Bij patiënt A ontbreekt een groot deel van het IGF-I molecuul, waardoor het niet meer door het antilichaam wordt herkend, of helemaal niet wordt uitgescheiden. Bij patiënt B wordt door de grote GH spiegel extra veel IGF-I geproduceerd, dat nog wel wordt herkend door het antilichaam (er is maar 1 aminozuur veranderd).

In de linker figuur staat het profiel van GH uitscheiding bij patiënt A tussen 8 uur ’s avonds en 8 uur ’s morgens. In de figuur rechts staat het profiel van een gezonde persoon, gemeten over de hele dag.

F. Zal behandeling van patiënt A met IGF-I injecties effect hebben op dit GH profiel? Zo nee, waarom niet? Zo ja, in welke zin zou het profiel veranderen?

Ja, pieken worden veel lager, en tussen de pieken wordt GH weer onmeetbaar laag (zoals het hoort). Dit komt doordat de negatieve feedback op de hypofyse is hersteld (ingespoten IGF-I reageert met de IGF-I receptor).

Patiënten met acromegalie hebben (meestal) ook verhoogde GH spiegels.

G. Beschrijf hoe de situatie bij acromegalie overeenkomt met of verschilt van die bij patiënt A. Betrek hierbij het profiel van de GH uitscheiding (piekenpatroon) en het effect van IGF-I behandeling hierop.

GH is constant hoog, er zijn geen pieken meer (GH wordt ongecontroleerd uitgescheiden door hypofyse tumor). IGF-I injecties hebben hier geen effect op.


Vraag 2. Schildklier, bijschildklieren en bijnieren

Zie vragen in map ‘Oefenvragen’


Vraag 3. Eiwitvertering, opname en synthese

Na inname van eiwitten worden deze in het verteringsstelsel afgebroken en opgenomen.



  1. Welke enzymen zijn hierbij betrokken en door welk orgaan worden deze uitgescheiden?

Pepsine (maag)  proteoses, peptones, polypeptiden

Trypsine (pancreas)  polypeptiden, aminozuren

Chymotrypsine (pancreas)  polypeptiden, aminozuren

Carboxypeptidase (pancreas)  polypeptiden, aminozuren

Peptidases (darm)  dipeptiden, aminozuren

B. Behalve peptiden en vrije aminozuren kunnen ook oligopeptiden vanuit het darmlumen in epitheelcellen opgenomen worden. Welke ionen zijn bij dit opnameproces betrokken en wat is hun functie? Maak een schets van de ionenfluxen en benoem welke ionencarriers daarbij betrokken zijn.





  1. Wanneer de vrije aminozuren opgenomen zijn vanuit het darmlumen, zijn er verschillende metabole omzettingen mogelijk. Beschrijf kort welke dit zijn.

  • Vorming van eiwitten door het covalent verbinden van aminozuren via peptidebindingen

  • Omzetten van het ene aminozuur in het andere via transaminering

  • Afbraak van overtollige aminozuren door deaminering (verwijdering NH3 via ureum naar de lever en uiteindelijk de nieren)

  1   2   3   4

  • Vraag 2. Schildklier, bijschildklieren en bijnieren

  • Dovnload 2.45 Mb.