Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Oh en me: individu is een verbijzondering van een natuur  essentialisme

Dovnload 207.63 Kb.

Oh en me: individu is een verbijzondering van een natuur  essentialisme



Pagina1/3
Datum02.09.2018
Grootte207.63 Kb.

Dovnload 207.63 Kb.
  1   2   3

Oudheid

Inleiding


OH en ME: individu is een verbijzondering van een natuur  essentialisme

 mens = een onvolmaakte stoffelijke verschijning van een volmaakte onstoffelijke idee

 het individuele van de mens is eerder bijkomstig, enkel de betekenis, de zin en het doel van de ‘mens-in-het-algemeen’ is belangrijk.
Plato: extatische mensvisie (dualistische-spiritualistisch)

Aristoteles: dynamische mensvisie (monistisch-spiritualistisch)





  1. De extatische mensvisie van Plato

- Het authentiek menselijke = de ziel

- Echte wkhd en echte menselijkheid bevinden zich op geestelijk domein in de Ideeënwereld:

° de onstoffelijke, eeuwige en onveranderlijke oerbeelden

° te onderscheiden van de zintuiglijke wereld

° in hiërarchie met aan de top “de Idee van het Goede”.

- Extatische mensvisie WANT: de ziel is ‘eroos’ (verlangen, begeerte) naar de idee (= onvergankelijk) door het lichaam te proberen ontstijgen.
De ziel als een ‘op-zichzelf’:

Socrates: dood is bevrijding van de ziel uit het lichaam ( “filosofie is leren sterven”)

 de fysieke dood, maar dood in metaforische zin WANT de ziel zelf sterft niet.

Argumenten voor de onsterfelijkheid van de ziel:



  • “Het tegengestelde ontstaat uit het tegengestelde”: uit het levende ontstaat het dode dus ook omgekeerd

  • Anamnese: ziel herinnert zich iets van voor de geboorte.

  • Ziel behoort tot de dingen die niet kunnen verdwijnen, die op zichzelf zijn.  nooit met zintuigen waarnemen, wel met het verstand.

  • Lichaam hindert het zuivere denkproces

 het denken kan na de dood van het lichaam enkel maar geïntensiveerd worden.

DE ZIEL IS ONSTERFELIJK


De ziel als verlangen naar de Vormen (de Ideeën):

Ziel = ook het bezielende in de mens, de motor.

 Zorgt ervoor dat de mens streeft naar een ideaal (Waarheid, Rechtvaardigheid)

naar de ontplooiing van de ideale gedragspatronen (= ideale ethische Vormen, Ideeën)



Vormen, Ideeën:

  • op zichzelf : onafhankelijkheid t.o.v. het individu

  • eeuwig: ze sterven nooit 1

  • onaantastbaar: ze incarneren telkens opnieuw in stervende individuen

  • onuitroeibaar

  • = de volmaakte en eeuwige modellen van gedrag  goddelijk

  • Ziel streeft en verlangt (eroos) ernaar

  • Ziel is verwant met het goddelijke (de Vormen) want het streeft ernaar. Dit kan enkel door de dood van het egocentrisme.


De ziel is onsterfelijk: zielsverhuizing:

De ziel, de bezieling (de Idee, de Vorm Rechtvaardigheid) van Socrates is onsterfelijk en goddelijk.

 hij kan het filosoferen niet laten, dan verliest hij zijn bezieling (kan niet WANT = motor voor leven)

 Socrates = de plaats (het lich. in deze tijd en op deze plaats) waar Rechtvaardigheid verschijnt.


De bezieling, de ziel (= een op zichzelf) verhuist van het ene lichaam naar het andere.

Plato heeft geen rationele argumenten  gebruikt mythe van Er

 Ziel vergeet het leven in een lichaam, herbront zich aan de zuivere Vormen, Ideeën en verschijnt daarna (in verduisterde vorm) in een ander lichaam.

= de leer van de metempsychose2 (de ziel is een onpersoonlijk op zichzelf dat zich kan voortplanten door zijn inspirerende werking.)

Filosoof wil Ideeën, Vormen schouwen in zijn sterfelijke leven

 wordt dus onsterfelijk

 zoekt dus de dood en is goddelijk (door de Ideeën waarmee hij bezield is)



  1. De dynamische mensvisie van Aristoteles




materie: drager van de vorm en de ind. eigensch. van het zijnde

vorm: universele en kenbare element (door denken te abstraheren uit het zijnde), essentie van het zijnde



  • Dynamische toestand: zijnde = act en potentie  veranderlijkheid van de dingen wordt verklaard

Zijnde streeft naar verdere actualisatie van de potentie

Doel = alle potentie die omgezet is in actualiteit = entelecheia

 zijnde in entelecheia is volledig zichzelf

 het zijnde komt tot zijnsvolheid, authenticiteit, het ware zelf (alles wat in potentie aanwezig was is geactualiseerd)

= geluk/heil voor Aristoteles


  • Beweging gebeurt altijd volgens de richting van het doel (telos) die deze beweging motiveert

Doel = ‘volmaakte verwerkelijking’ van de vorm die deze richting geeft

= het wezen van het levende wezen in kwestie

 wezen = vorm = doel


  • Activiteiten = ontplooiing van het eigen wezen

= actualiseringen van de potentie

  • Verhouding ziel en lichaam bij de mens:

= toepassing hyleformisme en entelechisme

Ziel = organisatieprincipe van het levende wezen, vormprincipe, principe van leven, eigen aan alle levende wezens

Ziel zorgt voor de functies die een levend wezen kan uitvoeren

3 soorten levensfuncties  drie soorten ziel:

1. vegetatief: leven, groeien, krimpen, voedsel opnemen, afvalstoffen afscheiden

2. sensitief: zintuigen en zelfbeweging

3. rationeel: verantwoordelijk voor 1 en 2 + denken en rationeel willen

Mens: 1 ziel die drie functies uitoefent

Vorm valt niet helemaal samen met de functies: vorm = principe dat capaciteit tot functioneren bezit (nog niet zelf uitvoert!)

= primaire actualiteit van een levend wezen: het bevat de mogelijkheden, er is al iets in act, maar het is nog niet geactualiseerd

Alle verdere ontwikkelingen en actualisaties van deze vorm = de tweede actualiteit

 alle activiteiten van een levend wezen zijn in-werking-stellingen van de vorm in het levende wezen



  • Ziel = vorm van een potentieel levend, organisch lichaam met activiteiten: groeien, zint. waarnemen, verbeelden, denken en motiveren

  • Ziel valt niet samen met het lichaam maar staat er ook niet los van, kan erbuiten niet functioneren of bestaan

 ziel kan lichaam niet overleven, is dus sterfelijk zoals het lichaam waarmee het onlosmakelijk verbonden is.

  • Ziel is ook doel met hoogste geluk het denken (= hoogste activiteit)

Middeleeuwen


  1. Augustinus: de realistische illuminatieleer

Augustinus probeert Plato en Aristoteles te verzoenen

illuminatieleer: combinatie van de ideeënleer en de abstractieleer, in christelijke zin aangepast en aangevuld


  • De eeuwig volmaakte Ideeën van God zijn exemplaria: oermodellen van de geschapen dingen die van alle eeuwigheid in de goddelijke geest aanwezig zijn. Dit werd door God op onvolmaakte wijze verwezenlijkt in de schepping. De exemplaria denken zoals God kan niet, wel kan de mens enkele eeuwige waarheden kennen (vb. de wiskunde: we zien verschillende kenmerken (onstoffelijkheid, tijdlooshtie, universaliteit,...) die niet alleen moeten toegeschreven worden aan de verschijnselen, maar ook aan het licht waarin we ze zien: het goddelijke Licht dat geestelijk, tijdloos, universeel, noodzakelijk en volmaakt is. We komen tot inzicht in de eeuwige waarheden via een abstractieproces waarbij het goddelijke Licht de kenobjecten zichtbaar maakt.

 Proloog Johannesevangelie: Vader is de oorzaak van alle zijn en kennen dmv de Zoon die Woord is en als Licht in de wereld kwam

 Het goddelijke Licht is de noodzakelijke mogelijkheidsvoorwaarde van elke kennis





  1. Anselmus van Canterbury: het ontologische godsbewijs

1033 – 1109

 Platoonse traditie: benadrukt de transcendentie van God

 “Proslogion”: a priori godsbewijs: God is een extramentale existentie, Zijn niet-bestaan is ondenkbaar en dus onmogelijk


  1. God is datgene groter dan hetwelk niets kan worden gedacht: IQM = definitie van God

Iedereen weet wat IQM betekent. Dit kan een idee zijn waaraan geen wkhd beantwoordt: IQM1, of waaraan wel wkhd beantwoordt: IQM2

 IQM2 is groter dan IQM1 dus IQM1 kan geen echt IQM zijn. Als God werkelijk een IQM is, moet Hij IQM2 zijn: Hij moet niet alleen in de geest als idee bestaan, maar ook in de wkhd buiten de geest. Als God een IQM is, bestaat hij noodzakelijk.

MAAR Anselmus vooronderstelt het bestaan van God  a priori. Het godsbewijs gaat om de vraag in welke mate het eindige menselijke denken in staat is om kennis te verwerven omtrent het oneindige (God)
Hierna gaat Anselmus attributen toeschrijven: alwetendheid, almacht, barmhartigheid, rechtvaardigheid, onverstoorbaarheid, leven, onbegrensde oneindige eeuwigheid.

MAAR het rationele argument bevredigt het mystieke verlangen niet: hij is God nog niet gewaar geworden.  Men komt niet tot God door de ratio!




  1. God is IQM én hij is groter dan (wat) gedacht kan worden: MQC

Het is dus normaal dat we hem niet kunnen ervaren in het denken. MQC is een gevolg van IQM. God overstijgt het menselijk denkvermogen. We kunnen God toch enigszins denken: we denken zijn ondenkbaarheid: dat God groter is dan wat gedacht kan worden, is iets dat wel gedacht kan worden.
Anselus herhaalt de attributen, maar beklemtoont telkens Gods ontoegankelijkheid, onuitsprekelijkheid, onverklaarbaarheid, tijdelijke en ruimtelijke oneindigheid, onbegrijpelijkheid,...

Hij eindigt met de vreugde van de hoop: de zekerheid van de dingen die men niet kan zien.

 God begrijpen is begrijpen dat hij onbegrijpelijk is
Dit godsbewijs had een heel specifieke functie: geschreven voor gelovigen die God zoeken met de rede, maar hem niet vinden of ervaren. Het dat van God is ons zeker, maar het wat van God is onzeker.
IQM en MQC zeggen hoe we niet over God mogen denken, in plaats van wat we wel over hem moeten denken. Onze eindige geest kan deze oneindig volmaakte natuur niet vatten  deze weg is voor ons afgesloten...



  1. Thomas van Aquino: het thomistisch realisme


Kritiek op Plato:

Plato: de dingen waarover het denken denkt moeten onstoffelijk zijn omdat het denken zelf onstoffelijk is

↔ Thomas: niets in het intellect kan aanwezig zijn dat niet eerst in de zintuigen is geweest, het eigenlijke voorwerp van de menselijke geest is de onstoffelijke vorm in de stoffelijke verschijnselen

Plato: de waarheid ligt buiten de geest, in de eeuwige Vormen. Waarheid is dus ontologische waarheid

↔ Aristoteles: het oordeel is de plaats van de waarheid, dus logische waarheid.

Thomas: toch ligt de waarheid ook enigszins in de dingen (empirisch gematigd realisme)

 vult het in christelijke zin aan:

Analogieredenering:



  1. Artefacten zijn op twee manieren waar:

    1. Indien ze afhankelijk zijn van de geest van hun maker en hiermee volledig overeen komen = wezenlijk, primaire waarheid

    2. Voor zover ze in overeenstemming zijn met het beeld in de geest van de toeschouwer = bijkomstig, secundaire waarheid

  2. Natuurdingen:

    1. Gelijkend op de oerbeelden in de goddelijke geest (dit is hun eidos, hun natuur of essentie: de immateriële essentie van de materiële substantie) = primaire waarheid

    2. Gelijkend op het eidos van de dingen in de menselijke geest = secundaire waarheid

 waarheid bestaat 1. in de geest van God

2. in de essenties van de dingen (ontologische waarheid)

3. in de menselijke geest (logische waarheid)

 waarheid is een overeenkomst in de geest tussen het denken en de werkelijkheid


Naarmate het ding meer overeenkomt met zijn goddelijke exemplar, is het meer waar. Dit is de zin en de taak van zijn zijn. De ontologische waarheid van de dingen is het fundament van de logische waarheid. Waarheid bestaat dus met een dubbele overeenkomst: het ding met het goddelijke intellect (ontologisch), en menselijke intellect met het ding (logisch). = adaequatio rei et intellectus

 ook mens moet model zijn en zo volkomen de goddelijke geest trachten na te bootsen. De ziel moet er dus naar streven God te zien, dit is zijn geluk

 hiertoe enkel indirecte toegang via de schepsels en de kennis van hun essenties

 hoe meer logische waarheid de mens verzamelt, hoe meer hij zijn ontologische waarheid realiseert


God is niet enkel de mogelijkheidsvoorwaarde van alle waarheid, maar ook de Eeuwige Waarheid zelf. De transcententie van de waarheid ligt niet meer in de Ideeën (Plato) maar bij God!

De vijf wegen:

Eerste Oorzaak van het universum = toegankelijk in een ‘wetenschap omtrent het Eerste’

 Vijf a posteriori argumenten, met als vertrekpunt een kenmerk van de geschapen dingen waarvan de oorzaak is “wat wij God noemen”.

 Het is noodzakelijk de propositie “God bestaat” te bewijzen en het is mogelijk indien men a posteriori vertrekt vanuit de geschapen wkhd.

 Zelfde basisstramien: de geschapen dingen zijn contingent: niet noodzakelijk en door iets anders veroorzaakt. Indien deze oorzaak ook contingent is, moet ze door een andere veroorzaakt zijn. Telkens twee mogelijkheden: ofwel gaat de keten door tot in het oneindige, ofwel houdt hij ergens op. Het moet ergens stoppen want er is een beginoorzaak, als die er niet is zouden de dingen niet kunnen bestaan. Er moet dus een zichzelf veroorzakende beginoorzaak zijn, dit noemen we God.
Tot het bestaan van God komen door:


  1. Beweging bestaat en heeft een oorzaak: er is een Eerste Onbewogen Beweger = God.

  2. Gevolgen bestaan en hebben een oorzaak: er is een Eerste Onveroorzaakte Oorzaak = God.

  3. Contingente dingen bestaan niet noodzakelijk: er is een Eerste Noodzakelijk Zijnde = God.

  4. Er zijn graden van goedheid, schoonheid, waarheid, volmaaktheid in het universum. Deze vergelijkende oordelen kunnen we niet maken als er geen standaardnoties van het ‘absolute’ zou zijn. Er moet dus iets zijn dat zelf absoluut goed, waar, schoon en volmaakt is = God.

  5. Er is orde en richting, alles handelt omwille van een doel (entelechisme). Er moet dus een Eerste Intelligent Wezen zijn dat aan elk handelend subject zijn geëigende doel oplegt = God.

We kunnen het bestaan van God dus bewijzen, maar we kunnen ook zijn essentie aangeven: ex; 3,14: “ik ben die ben”: God is zuiver, wordt niet ingeperkt door een of ander wezen of natuur.

In de eindige zijnden begrenst de essentie (dit-zijn) de existentie (zijn) ↔ God is oneindig: zijn zijn wordt door geen enkele essentie ingeperkt, zijn essentie is dus niets anders dan zijn existentie: wezen en zijn vallen samen.

 God is het Zuiverste Hoogste Zijn. Alle andere zijnden hebben hier, voor zover ze zijn, deel aan.

 God staat niet buiten en boven het zijn, maar valt ermee samen
Over dit Eerste Zijn kan een wetenschap ontwikkeld worden die bewijzen geeft voor zijn bestaan en beschrijvingen van zijn natuur kan aangeven = mogelijkheid van de theologie

De Moderne Tijd


Het profiel van het moderne weten
1500 – 1850: nieuw klimaat op alle vlakken. Wetenschap: vele uitvindingen en ontdekkingen

 ≠ filosofen en wetenschappers kondigen de Moderniteit zelf aan

Nieuwe wetenschap = alternatief voor het scholastieke denken en het aristotelische wereldbeeld

 Radicaal andere verklaring voor de wereld en de dingen: differentiatie van het weten en de bijzondere rol van het subject

 Filosofie moet zichzelf herdefiniëren WANT de verhouding tussen de filosofie en de wetenschap is niet zonder problemen
Middeleeuwen: eenheid:


  • Diverse vormen van weten in een hiërarchische ordening

  • Hoogste vorm van weten (theologie) bevat de waarheid van alle andere vormen van weten

  • Er is een grote overkoepelende synthese waarin alles betekenis krijgt tegen de christelijke achergrond

↔ 16de eeuw: verzelfstandiging vande wetenschap, een nieuw soort weten

Eerst: wetenschap is gesitueerd binnen de filosofie

Later: koppelt zich hiervan los en ontwikkelt zich naast de filosofie

Einde 18de eeuw: splitsing tussen filosofie en wetenschap


Succes van de wetenschap stelt de mens in staat grotere domeinen van zijn natuurlijke omgeving te manipuleren en te beheersen en gelooft in de vruchtbaarheid van de wetenschappelijke methodologie en de ruimere toepasbaarheid ervan op andere domeinen

 kennis is wetenschappelijke kennis

 de filosofie moet zich herpositioneren
De dragende rol van het subject in de nieuwe wetenschappen:


  • De basis van alle kennis wordt in het subject gesitueerd

  • Menselijke geest = oorsprong en fundament van het weten

  • Alle verhoudingen tot de wkhd worden begrepen als ontstaan uit en gefundeerd in de menselijke subjectiviteit

Het subject constitueert kennis:

  • het moderne subject is oorsprong en fundament van de kennis in de mate dat het die kennis zelf voortbrengt, produceert

Vb.: de copernicaanse revolutie van Kant:

De mogelijkheidsvoorwaarden van een objectiviteit moet niet aan de kant van het object gezocht worden maar aan de kant van het subject. Uit een ongeordende hoeveelheid zintuiglijk materiaal schept het subject de objecten van kennis en brengt zo de kenbare wereld voort.



  • kennis is het resultaat van de activiteit van het subject, op grond waarvan de objecten van de kennis pas ontstaan

 Diepe kloof tussen het subject en het object van de kennis: subject ↔ object

= actief = passief

 Het subject is de instantie die het object met zijn redelijkheid bekleedt. Objecten zijn maakbaar, manipuleerbaar, het subject kan hen naar believen vorm en structuur geven.

Verlichting:


  • men ziet het subject-zijn als een opgave: de mens moet uit zijn onmondigheid treden en zelf zijn verstand gebruiken! (Kant) Ontvoogding van het denken, bevrijding van bevoogders op niveau van religie en politiek maar ook ovv wetenschap en techniek

  • vooruitgang in wetenschap en techniek brengt vrijheid tot stand



  1. Het rationalisme: René Descartes


Op zoek naar een nieuw en zeker uitgangspunt

Descartes (1596-1650) wil met de wiskundige zekerheid en helderheid ook zekerheid vinden in de filosofie.

? Hoe komt het dat wiskunde en fysica deze zekerheid en evidentie bezitten?

 door haar constructieve methode: op basis van zekere inzichten worden andere stellingen gebouwd en de weg van de vorige stelling naar de volgende is volledig doorzichting door synthese en analyse.

 Een absoluut zeker vertrekpunt is nodig! = mathesis universalis

 geen vooronderstellingen want het moet een fundament zijn voor alle weten

 Gebruik van de methodische twijfel: (doelbewust gekozen techniek die niet reëel maar theoretisch is, men begint met een schone lei, tabula rasa)


  1. Twijfel aan de traditie waarin tegenstrijdige meningen zitten en niemand wint

  2. Twijfel aan de zintuigen:

- illusie: de zintuigen kunnen ons bedriegen

- argument van de droom: ik denk waar te nemen terwijl het niet zo is



  1. Twijfel aan de wiskunde die afhankelijk is van de werking van onze geest. Het kan zijn dat de vooronderstellingen van onze geest niet overeenkomen met de wkhd (hypothese van le malin génie: de kwade geest die ons misleidt)

de twijfel heft zichzelf op: als ik al deze dingen in twijfel trek, kan ik slechts één ding niet betwijfelen, namelijk het feit dat ik twijfel.

 eerste uitgangspunt, zekerheid: “ik denk, dus ik ben” (cogito ergo sum)


Denken voor Descartes:

  1. mentale denkactiviteiten: nadenken, voelen, waarnemen

  2. het besef van die activiteiten: we kunnen denken dat we denken

Eerste zekerheid gaat over het bestaan van de denkactiviteit! De inhoud ervan doet er niet toe

 “Je pense donc je suis” = ik ben mij bewust van het feit dat, als ik denk, ik moet bestaan

 De activiteit en het bestaan van het denken vallen samen

 Het ‘ik’ bestaat in zijn denkactiviteit geheel en al op zichzelf, het is een denkend ding, een denkende substantie


Dit is een vertrekpunt voor de filosofie die overtuigingskracht uit zichzelf heeft.
Van het cogito naar de wereld:

Van uit die eerste zekerheid zoeken naar nieuwe zekerheden.

 Hoe? Wat zijn de kenmerken van deze eerste zekerheid?

Het is een klaar en welonderscheiden idee: une idée claire et distincte:

Klaar: uit zichzelf inzichtelijk, intrinsiek helder

Welonderscheiden: scherp afgelijnd tegenover alle andere ideeën

= criterium van zekerheid
Binnen het cogito zijn er allerlei ideeën, bewustzijnsinhouden:


  • claire et distincte: eigen aan het denken zelf: ingeboren ideeën (inneïsme), dit soort ideeën kan het cogito enkel in zichzelf vinden.

  • duister en verward: obscures et confusesvia de zintuigen

Descartes moet als wetenschapper en filosoof de buitenwereld bewijzen. Daarom plaatst hij binnen het cogito ook een andere inhoud, nl. de zintuiglijke voorstellingen die kennis kunnen leveren van de buitenwereld. Toch is dit slechts een afgeleide zekerheid.

Zintuiglijke ideeën hebben het idee van lichamelijkheid

 zijn onafhankelijk van mijn bewustzijn

 zijn duister en verward

 Ze zijn niet rechtstreeks door mijn bewustzijn veroorzaakt

 Ze moeten dus veroorzaakt zijn door een buitenwereld (principe van causaliteit)
Omweg voor dit besluit door het bestaan van God

= une idée claire et distincte van het cogito: de volmaaktheid.

 Deze volmaaktheid moet dus bestaan want ze zit in het cogito

A postriori godsbewijs:

Al wat is heeft een oorzaak die minstens even rijk is als haar gevolg

 Wat is de oorzaak van de idee van volmaaktheid in het cogito?

De menselijke geest is niet in staat om dit te doorgronden en te analyseren

 de idee van oneindige volmaaktheid kan niet door de menselijke geest ontworpen of veroorzaakt zijn

 het moet veroorzaakt zijn door iets buiten het bewustzijn

 de oorzaak van deze idee = de oneindigheid = God

 tweede zekerheid: het bestaan van God


Dit godsbewijs steunt op de afleiding van de oorzaak (God) uit het gevolg (de idee van volmaaktheid)

cogito als denkende substantie

 tweede substantie: God

 moet dus ook alle kenmerken van volmaaktheid bezitten

vb.: waarachtigheid: God kan dus onmogelijk een bedrieger zijn

zekerheid van de wiskunde


A priori godsbewijs:

Mathematische ideeën hebben betrekking op de essentie van de dingen, niet op hun existentie

 áls driehoeken bestaan, zullen ze noodzakelijk zó bestaan

1 uitzondering op deze regel: de idée claire et distincte van de Absolute Volmaaktheid:

- bestaan is volmaakter dan niet bestaan

- noodzakelijk bestaan is volmaakter dan contingent bestaan

 een volmaaktheid die niet noodzakelijk is of niet bestaat kan niet echt absoluut volmaakt zijn

Noodzakelijkheid én bestaan behoren tot de essentie van een Absolute Volmaaktheid

 een echte Absolute Volmaaktheid moet noodzakelijk bestaan
Dit godsbewijs gaat van het wezen van de idee naar het bestaan van de idee in gedachte

 van de logische orde naar de ontologische orde


Hoe zit het dan met onze zintuiglijke voorstellingen?

Als ik een zintuiglijke voorstelling heb van een witte deur dan is mijn idee enkel waar indien ze veroorzaakt is door een witte deur in de wkhd.

 er moet overeenkomst zijn tussen mijn idee en de wkhd, anders is het niet waar

Dit idee kan niet van God afkomstig zijn want als ik een andere kleur deur zie dan een witte zou God een onware idee veroorzaken wat niet kan want hij is volmaakt.

 derde zekerheid: de buitenwereld bestaat
God is de garantie voor de werkelijkheidswaarde van mijn kennis van de buitenwereld maar enkel voor de idées claires et distinctes: God garandeert alleen de waarheid van mijn kwantitatieve zintuiglijke voorstellingen: als die in overeenstemming zijn met de wkhd.

 God garandeert de waarheid van de fysica, want enkel zo is ware kennis van de wkhd mogelijk

 over de andere zintuiglijke voorstellingen is niets gegarandeerd
Slotbeschouwing:

Brug tussen het ‘ik’ en de wereld = mediaat realisme

Realisme: het bevestigt een wereld onafhankelijk van het subject

Mediaat: de zekere kennis van de buitenwereld wordt bemiddeld via de omweg van de bevestiging van het bestaan van God)


Kritische bedenkingen:

  • Descartes zoekt naar een onbetwijfelbaar uitgangspunt zonder vooronderstellingen, maar hij is ook geen tabula rasa, kent prefilosofische invloeden.

  • ‘ik denk’ wordt een substantie genoemd. Dit draagt een lange traditie van scholastiek in zich mee en maakt ook deel uit van ons natuurlijk verstaan van de wereld: we zien alles als bestaand uit autonome dingen.

Als het subject een substantie is, is het ‘ik’ autonoom en identiek voor zichzelf doorheen de verschillende denkactiviteiten, maar dat is niet bewezen.

  • Intellectualisme: het denken is ook een substantie die essentieel denkend is. Het is geen activiteit, maar de essentie. MAAR misschien heeft dit ‘ik’ nog andere kenmerken en is het denken enkel een toevallige eigenschap van het ‘ik’...

  • ‘ik’ ↔ ‘uitgebreidheid’ (= het lichaam): cartesiaans dualisme want de mens wordt begrepen als bestaand uit twee substanties. De eenheid van het menselijke wezen blijft onverklaarbaar voor Descartes.

 Verschillende vooronderstellingen: het cogito is een substantie die in essentie denken is, wat leidt tot een dualisme van lichaam en geest.

 Het is niet evident om via de methodische twijfel tot een zeker uitgangspunt te komen.


Fenomenologische kritiek:

Als het cogito een denkende substantie is, blijft er geen mogelijkheid over tot een relatie met een object

= gesloten bewustzijn die een buitenwereld ontkent

= het “probleem van de brug” tussen het ‘ik’ en de ‘wereld’

 Descartes mengt twee dingen die elkaar uitsluiten. Hij zou het bewustzijn moeten denken als een ‘open bewustzijn gericht op...’
Belang en invloed op de Westerse filosofie:

Het denkende subject zal voortaan het centrum zijn van waaruit alles begrepen en gededuceerd wordt

= algemene verschuiving, niet enkel ovv filosofie

 de filosofie herziet haar taak: het wordt een zoektoch naar een fundament voor het wetenschappelijke weten.

 kritiek op Descartes’ mathesis universalis en manier van filosoferen


  1. Het empirisme: John Locke en David Hume

 Zoektocht naar een fundament voor onze kennis (zoals rationalisten)

 Vraag naar de oorsprong, draagwijdte en zekerheid van de menselijke kennis
Empiristen: “no innitate ideas!”: het denken kan niet uit zichzelf en los van de ervaring tot kennis komen

 Alle kennisinhouden gaan terug op de ervaring


John Locke (1632–1704):

 Onze geest is bij de geboorte leeg als een onbeschreven blad (tabula rasa-idee)

 Geen vooraf ingegeven inhoud/methode

 Bewustzijn van onszelf en de dingen enkel door ervaring (experience) die bij iedereen ≠ is


2 soorten ervaring:

- Uitwendige: sensation: primaire kwaliteiten: grootte, vorm, aantal, plaats, beweging en rust

= kwaliteiten van de dingen: meet- en telbaar

 kennis hierover is mogelijk



secundaire kwaliteiten: niet meet- en telbaar  geen kennis mogelijk

- Inwendige: reflection: de innerlijke zelfwaarneming van mentale handelingen zoals willen en geloven


- Elementaire ideeën: simple ideas: rechtstreeks gegeven in de ervaring, enkelvoudige afbeeldingen van onze indrukken = bouwstenen van onze kennis

- Complexe ideeën: complex ideas: combinatie van elementaire ideeën waardoor het verstand complexe ideeën vormt die geen rechtstreeks equivalent meer hebben in de ervaring

Vb.: appel = groen, rond, zoet  in complexe voorstelling: appel

 zo ook begrippen als schoonheid, rechtvaardigheid,...  aansluitend bij het nominalisme


Substantie:

Van dingen nemen we alleen de eigenschappen waar, toch altijd dezelfde bundels van kwaliteiten

 Er moet een blijvende kern zijn

= datgene wat de veelheid van ≠ kwaliteiten duurzaam samenhoudt


 Wat is kennis dan?

De waarneming van de overeenstemming (of niet-overeenstemming) van onze ideas.

 Waarheid heeft enkel betrekking op uitspraken waarin de juiste verbinding tussen ideeën worden gelegd

 Ervaringskennis kan nooit absolute zekerheid opleveren


  1   2   3

  • De ziel als een ‘op-zichzelf’
  • De ziel als verlangen naar de Vormen (de Ideeën)
  • De ziel is onsterfelijk: zielsverhuizing
  • De vijf wegen
  • Op zoek naar een nieuw en zeker uitgangspunt
  • Van het cogito naar de wereld
  • Slotbeschouwing
  • John Locke (1632–1704)

  • Dovnload 207.63 Kb.