Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Onderzoek naar de herkomst van huidige architectuurtermen met betrekking tot de kerkbouw Indeling

Dovnload 137.14 Kb.

Onderzoek naar de herkomst van huidige architectuurtermen met betrekking tot de kerkbouw Indeling



Datum10.06.2019
Grootte137.14 Kb.

Dovnload 137.14 Kb.

Werkstuk Onderzoekswerkgroep I Kathedraalbouw

docent: M. Hurx
Reinout Labberton

6383378

30/4/2012

Onderzoek naar de herkomst van huidige architectuurtermen met betrekking tot de kerkbouw

Indeling
1. Inleiding
2. Woorden

2.1. Arduin

2.2. Beuk

2.3 Oksaal

2.4. Steunbeer

2.5. Triforium

2.6. Venstertracering
3. Conclusie

Hoofdvraag
Waar komen veelgebruikte architectuurtermen vandaan met betrekking tot de kerkbouw?

1 Inleiding
Lexicons en woordenboeken staan voor de huidige onderzoeker en geïnteresseerde ten dienst om woorden en begrippen verklaren. De verborgen assumptie hierbij is dat voor elke zaak een woord bestaat. Kennen we dit woord, dan kunnen we zonder verdere informatie een begrip overbrengen op een ander die, mits hij of zij dat woord ook kent.
Er bestaan veel handboeken met bouwkundige termen, zoals het Bouwkundig Woordenboek van Zwiers, de Vak- en Kunstwoordenboeken uitgegeven door de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde en het veelgebruikte werk Bouwkundige Termen van Haslinghuis en Janse. Er zijn ook veel handboeken en overzichtswerken met een verklarende woordenlijst voor de lezer, zoals Gotiek in het Hertogdom Brabant van De Jonge et al of Jantzens De kunst van de gotiek.

De praktische handboeken zijn doorgaans incompleet en statisch, omdat ze geschreven als handig naslagwerk voor bijvoorbeeld ambachtslieden of historici. Hiertegenover staan filologische werken, zoals het Woordenboek der Nederlandse taal. Zulke werken geven een betere inkijk de herkomst van woorden en de datering, maar technische aspecten komen nauwelijks aan bod. Slechts een combinatie van beide aspecten zou voldoende aanknopingspunten kunnen bieden om een goed beeld te schetsen van de middeleeuwse gedachtewereld. Evenzeer voorkomt deze kennis om oude teksten verkeerd te interpreten. De betekenis van sommige woorden kan immers veranderd zijn.


In dit onderzoek wil ik van enkele bekende Nederlandstalige kerkelijke architectuurtermen voor middeleeuwse kerken nagaan of ze ook een middeleeuwse herkomst hebben. Voorts hoop ik te kunnen achterhalen uit welk spraakgebied ze komen en of er destijds hetzelfde mee werd bedoeld als nu.
Uitgangspunt voor de huidige betekenis en spelling vormt het Verklarend Woordenboek Bouwkundige Termen van E.J. Haslinghuis en H. Janse. Vergelijking werd grotendeels aangevangen met het Woordenboek der Nederlandse Taal (WNT). De kanttekening die hierbij gemaakt moet worden is dat het WNT meer betekenissen van nevenvormen van woorden verschaft dan etymologisch herleidbaar is.1

Spraakgebied.
De belangrijkste Nederlandse dialectgebieden zijn Frankisch en Saksisch. Deze gebieden worden geografisch gescheiden door de Rijn. Grofweg is de Rijn-IJssellinie de scheiding tussen de Saksische en de Frankische dialecten. Deze scheiding valt redelijk samen met de loop van handelsroutes en rijksgrenzen, hetgeen logisch is omdat taal zich verspreid door verkeer en deze grenzen natuurlijk waren.

De taalgrens tussen Hoogduits en Nederduits is politiek en valt samen met de grenzen van het Saksische en Frankische Rijk.2


Geschiedenis
De wetenschappelijke bestudering van architectuur nam een hoge vlucht in de negentiende eeuw. De grote verandering was het wetmatige verklaren van de bouwkunst.3 Met de zoektocht naar schoonheid, de waardering voor de nationale geschiedenis en de invloed van een natuurwetenschappelijke benadering in plaats van een esthetische joeg kon de bouwkunst op hernieuwde academische belangstelling rekenen.4
Vooral stijlonderzoek, zoals verricht door E. E. Viollet-le-Duc of E. H. Gugel, toonde de noodzaak aan voor een vast discours. Kunstgeschiedenis was in deze tijd ook een hulpwetenschap voor het ontwerpen.5 Zo ontstond een nieuw genre van lexicons en handboeken.6

De academische standaardisatie van bouwkundige termen gaf een hernieuwd discours.7 Het werd mogelijk correcte terminologie te verspreiden zodat andere academici, maar ook ambachtslieden er kennis van konden nemen bij hun onderzoek of werk. Dit discours voorkomt enerzijds verwarring, anderzijds biedt het de mogelijkheid zaken uiterst precies te duiden.


De handboeken zijn gemaakt uit de behoefte om ambachtswerk vast te leggen en als voor gebruik in de praktijk ‘van werkman en baas, van leeraar en leerling, al wie zich in het metselaarsvak wil bekwamen en van hem, die den bloei der Nederlandsche taal in het dagelijksche leven behartigt.’8

Enerzijds was er de behoefte nieuwe begrippen toe te voegen, anderzijds de behoefte oude begrippen vast te leggen. Het zijn lijsten die slechts groeien, want doorheen de geschiedenis van de architectuur ontstonden nieuwe vormen, constructies, materialen en bewerkingen die in taal gevat werden.


Niet alle bouwkundige termen met betrekking tot de kerkbouw zijn middeleeuws. Sommige termen waren niet uit eertijds gebruik ontstaan maar zijn juist later geïntroduceerd en verspreid door academici of andere geletterde personen. Het is lastig na te gaan of zulke termen ook destijds door leken werden gebezigd. Eveneens geldt dat wanneer een woord niet eerder genoemd wordt het nog niet betekent dat het niet reeds bestond.9 Voorts hoeft een woord niet volledig nieuw te zijn. Het kan ook een nieuwe samenstelling zijn van reeds langbekende woorden.

Evenmin mag men van incidentele verschijningen uitgaan dat ze kenmerkend zijn voor een streek. Een verkleurd beeld kan ontstaan doordat de meeste overgebleven vroegmiddeleeuwse teksten overwegend uit het graafschap Vlaanderen komen.10

In dit onderzoek wil ik me daarom beperken tot architectuurtermen voor gotische kerken tot 1600.

Spelling en betekenis
Eenduidige spelling is er in de middeleeuwen niet; standaardisatie ontstaat pas later. Onderwijl kan de spelling zo veranderd zijn dat de herkomst van een term niet meer te achterhalen is.
Betekenissen van woorden zijn makkelijk te achterhalen als de morfemen, de kleinste betekenisdragende eenheden, bekend zijn. Veel steensoorten zijn bijvoorbeeld naar uiterlijk of vindplaats vernoemd. Dit wordt metonymie en geonymie genoemd. Voorbeelden zijn blaeusteen11, of Hafflichen steen12.
Betekenisverandering trad regelmatig op. Zo is kelder – opslagruimte voor eten – nu een begrip voor een ruimte onder het maaiveld. Voorts zijn er verbasteringen, zoals arduin of windberg. Souderne, souduren13 is in de loop der eeuwen solderen geworden. Hier loert het gevaar voor volksetymologie – overhaaste conclusies over de herkomst doordat woorden op andere woorden zijn gaan lijken.

2 Woorden
De gekozen termen zijn op de meeste middeleeuwse kerken van toepassing. Aangezien er een veelheid aan bouwkundige termen bestaat is geselecteerd op wat belangrijke, maar uiteenlopende onderdelen van een kerk zijn. Een tweede reden is dat van de gekozen woorden de herkomst niet makkelijk zelf valt af te leiden, waardoor het vermoeden rees dat er een interessante geschiedenis aan verbonden zou zitten.

2. 1 Arduin
De term arduin wordt gebruikt voor blauwe hardsteen en sporadische nog voor kalk(zand)steen, ook wel witte arduin genoemd. Onderscheid hierin bestaat tussen Vlaamse en Brabantse arduin – Lediaans en Gobertangesteen.14

De oudste twee vermeldingen van ordunen komen uit 1291 te Brugge.15 Het betreft hier een ‘rekening over de werken uitgevoerd aan de infirmerie van het Sint-Janshospitaal te Brugge’16 meldende: ‘Jtem van steenen hut igheuen. ende van andren dinghen / van .iiij. ende lxxiiij voeten. ordunen .ix lb iiij s ix d.’17 en ‘Jtem van graden ende van ordunen .xiiij lb v½ s.’18


De term komt vermoedelijk van verder, namelijk uit het Oud-Frans of Picardisch, waar we ‘coperont a taille et a ordon’ vinden. of ‘et feront coper à taille et à ordon’19 uit 1307. Ordon betekent hier ‘van een zekere maat’. De Gentse professor Germaanse filologie Jozef Vercouillie (1857-1937)20 opperde daardoor verwantschap met Middellatijnse ordinaria, baksteen, of ordenen.21

Alfons Van Houcke, bouwkundig ingenieur, en zijn vriend Jozef Sleypen, ambtenaar,22 geven in hun lexiconVak- en Kunstwoorden – Het ambacht van de metselaar, eveneens aan dat geografische herkomst van arduin in Noord-Frankrijk ligt, bij de steengroeven van Hardouin, 23 Helaas is zelfs het bestaan van de plaats Hardouin twijfelachtig, waardoor de mogelijkheid dat arduin een geoniem is niet onderbouwd kan worden.


Betekenisverandering

Arduin wordt nu slechts gebruikt voor blauwe hardsteen, maar dit was vroeger anders. Kiliaans etymologicum van 1599 verwijst bij arduyn24 naar orduyn25, en geeft hiervoor de Latijnse vertaling ‘Tophus’, hetgeen tufsteen betekent. Kiliaans uitgangspunt was zijn eigen Brabantse dialect26.

De zestiende-eeuwse geleerde Kiliaan vertaalde in zijn Tetraglotton Tophus als tufsteen, zandsteen, morselsteen en Kouwenvrijfsteen – wrijfsteen. Morselsteen is bewerkte steen. Een wrijfsteen dient om te malen en krauwsteen is puimsteen. Deze vertalingen van Kiliaan zijn volgens de negentiende-eeuwse Belgische filoloog Stallaert onjuist.27 Wat hij echter niet wist is dat de er in de loop der tijden een betekenisvernauwing heeft plaatsgevonden. Onderzoek heeft immers uitgewezen dat arduin ook voor andere steensoorten werd gebruikt. 28 Ten tijde van Stallaert, rond 1900, maakte men in Gent nog onderscheid tussen witte en blauwe arduin.29


2.2. Beuk
Beuk horen we veelal in samenstellingen met een adjectief, zoals dwarsbeuk, kerkebeuk,30 middenbeuk en lichtbeuk. De twee morfemen in deze samenstelling staan in een productieve relatie, zodat ze een nieuw begrip vormen.

De beuken hebben verschillende synoniemen. De middenbeuk wordt ook wel grote beuk31 of schip genoemd. Voor dwarsbeuk is er het synoniem transept, hoewel negentiende-eeuwse en veel vroegere twintigste-eeuwse bronnen transep - meervoud transeps - noemen.32


Beuk verschijnt in de oudste bronnen als boke. Duidelijker wordt het met een bron als ‘Beschryving der stad Lier’. De schrijver, Van Lom, moet de oude Liersche kerkrekeningen hebben gebruikt, omdat hij ze grotendeels voor zijn kerkgeschiedenis heeft overgeschreven. Boke is na vier eeuwen ‘Buyk’ geworden33, waarmee duidelijk is dat beuk het beste als romp is op te vatten.

De beide de spellingsvarianten voor hetzelfde begrip moeten naast elkaar bestaan.34 Pas ergens in de zestiende eeuw zijn buik en beuk tot afzonderlijke woorden zijn gegroeid. Kiliaans Glossarium verwijst immers bij ‘buyck van de kercke’ naar ‘beuck’.35 wat als het middelste deel van de kerk wordt beschreven,36 terwijl baeck, beuck en buyck dezelfde aandacht krijgen als schrijfwijzen van huidige buik.

De vindplaatsen van beuk en varianten hierop zijn overwegend Vlaams en Brabants. Haslinghuis noemt buuc (1535, Hulst) en buyck (1594, ’s Hertogenbosch). Hierbij kunnen we het Lierse boke (1436-38)37 voegen. In tegenstelling tot wat Warnsinck in Proeve schrijft, is beuk dus geen ‘Oud Hollandsch’ maar een woord dat uit Vlaanderen komt.38

In het huidige Engels, Frans en Duits worden nave, neff en Schiff gebruikt voor beuk. Schip is Noord-Nederlands. De oorsprong van deze term ligt echter in Griekenland. Het Griekse woord voor tempel is namelijk ναός,39 wat in uitspraak (naos) op het Latijnse navis lijkt. Navis is Latijn voor schip.40 Schip is dus een leenvertaling, een analoge constructie op basis van een verbastering.

De zijbeuk werd in het Middelnederlands ook wel uitlaat genoemd, doch het woord kent meerdere betekenisvarianten. Vooreerst is het een uitbouw aan een gebouw, al werd het ook voor bijgebouwen en schuren gebruikt.41 Een andere bouwkundige betekenis is die van portaal of doorgang. In deze betekenis zijn attestaties bekend van de kerkrekeningen van de Grote of Sint Bavokerk te Haarlem.42 In de context van zijbeuk zijn er sporadisch attestaties bekend vooral veertiende-eeuws.43

Kil 685 uutlaat44

Spellingvarianten zijn onder andere utelaet, uutlaet, ulaet en hulaet,45, waarbij opvalt dat niet alle met het voorvoegsel uit- beginnen. De herkomst van uitlaet is onduidelijk. Vermoedelijk is er een verwantschap met het Teutoonse o(e)lent waarop uutlaet een volksethymologie is.46

2.3 Steunbeer
Om spatkrachten tegen te gaan hebben veel kerken en kerktorens steunberen. Het lijkt op een oud woord, maar de oudste attestatie van dit woord is pas uit 1845, uit de Overijsselsche Almanak.47
Steunbeer is negentiende-eeuws, maar beer, in bouwkundige zin, wordt al eerder gebruikt voor een waterkering.48 Simon Stevin in zijn Maniere van Sterctebou schrijft hierover, waarbij hij ook de naam duidt: ‘de steenen gestichten diemen inde Stadtsgrachten leght om Rivierkens tusschen beyden deur te loopen, ooc om ‘twater inde grachten op te houden, hebbende boven een scherpen kant ghel;ijc den rugge van een Swijn, ‘twelcmen gelubt zijnde, Beer noemt, zoo wordense Beeren geheeten: En wantse ooc gelijckenis hebben metten rugghe van een Ezel, zoo noemense Fransoysen Dodanes, dat is dos de asnes, beteyckenende Ezels rugghen’49
Stevins uitleg is aannemelijk, want dierennamen komen wel vaker voor in bouwkundige termen. Men denke bijvoorbeeld aan de hanenbalk, de ezelsruggen van een trapgevel of een varken in het metselwerk.
De herkomst van steunbeer lijkt Noord-Nederlands. Ten eerste hebben de twintigste-eeuwse dialectwoordenboeken van het Fries,50 het Westfries51, het Drents52 en het Stellingwerfs53 een lemma ‘beer’. Ten tweede is de oudstgevonden optekening Overijssels. De gebroeders Grimm citeren desondanks Frisch bij laatste betekenis van Bär, die stelt dat het woord van het Middellatijnse berum stamt.54 GMIL doet het tegenovergestelde en verwijst terug naar het Germaans Bær55. Tevens wordt er ook op bedum’56 gewezen, waterwerken die met de watertoevoer van molens te doen hebben.

Ongeacht de precieze herkomst stelt het WNT dat analoog met de beer als waterkant ‘de scherpe kant aanleiding tot de benaming [van de steunbeer] is geweest’57.


Steunen is al bekend vanaf de vijftiende eeuw58 De samenstelling steunbeer komt pas later in zwang dan het woord beer. Oudere handboeken, zoals Zwiers,59 en Warnsinck60 verwijzen immers steevast naar het Franse contrefort of schraagpijler. Het heeft er alle schijn van dat steunbeer pas in de tweede helft van de twintigste eeuw gemeengoed is geworden en zo de negentiende-eeuwse varianten als schraagbeer of konterforten verdrongen heeft.61
De mogelijkheid rijst dat steenen beer, zoals vermeld in de woordenlijst van Sleypen en Van Houcke uit 1897, een tijdelijke verwant van steunbeer is geweest. 62 De stenen beer steunt een draagmuur.63 De begeleidende afbeelding toont een doorsnede van een vierkant volume waartegen de stenen beer als een rechtbenige driehoek staat, met de lange zijde verticaal strekkende tot het bovenste punt van het volume, de korte zijde op de bodem en een steile schuine zijde. Een schorende functie wordt noch genoemd noch afgebeeld.

Bij steunmuur toont het boek wel twee afbeeldingen van wat we nu als steunbeer zouden aanmerken.64 Ook de twee jaar later verschenen versie van de gebroeders65 Van Keirsbilck toont een steunbeer met versnijdingen. Hij meldt wel schoormuur als een synoniem voor beer.66 De schoormuur dient om een gewelf te ondersteuen.67

Het gebruik van beer in deze context gaat
De betekenis van steunbeer heeft zich in de twintigste eeuw verbreed. Het is thans een gangbaar woord voor elke tegen de muur gemetselde uitspringing. De steunbeer, heeft twee functies, het verstevigen van een muur en het ‘schoren van de gewelven’, volgens Warnsinck 68 Ontbreekt deze functie voor de gewelven, dan betrof het geen schraagpijler, maar slechts een muraalpijler.69 Voorbeelden van muraalpijlers zijn te zien tegen stadswallen, want bij stadswallen hoeven geen krachten van een gewelf te worden weerstaan.


2.4 Oksaal
Het oksaal is de ‘hoge afsluiting tussen priesterkoor en lekenruimte’70. Bijzonder is dat het woord veel spellingsvarianten, zoals ocsael, ocksael, oecsael en oxael,71 en twee betekenissen kent, waardoor de herkomt verwarrend is. Enerzijds word er de koorafscheiding mee bedoeld, anderzijds de tribune boven de ingang van een kerk vanwaar gezongen wordt.

De oudste attestatie, als doxael geschreven is Brugs en dateert van 1276 .72 Voor de herkomst van het woord verwijst het WNT naar het Middellatijns woordenboek van Du Cange, wiens lemma op een naar de heiligverklaring van Herman Joseph73, die pas in 1629 aanving, gebaseerd is. Ergo, de Vroegmiddelnederlandse Brugse attestatie wordt verklaart middels een Middellatijnse van 350 jaar later.


Het verdwijnen van de d- in doksaal komt doordat latere schrijvers de d- ten onrechte voor een lidwoord hebben aangezien.74 Dit verklaart ook de volksetymologie hoogzaal, zoals we die al bij Kiliaan aantreffen.75 Latere schrijvers, zoals Warnsinck, hebben dit overgenomen.76 De zangersgaanderij werd hierdoor ook oksaal, hoogzaal, of zangzaal genoemd.
Het oksaal is dus allerminst een zaal. Doxale, dossale, dorsale, was juist een term gebruikt voor kleden en tapijten.77 Deze werden naar ouder gewoonte achter hooggeplaatste personen gehangen in het koor en aan de koorzetels.78 De liturgie veranderende echter in de dertiende eeuw, waarbij niet langer kleden gebruikt werden, noch in de koorbanken, noch om de ingewijde te verbergen voor de leken. De betekenis van oksaal veranderde hierdoor tot koorafsluiting.
De betekenisverruiming waarbij oksaal op meer dan een koorafsluiting duiden kon ontstond in de negentiende eeuw. Warnsinck weet: ‘De hoogzaal wordt tegenwoordig ook aan het eind van den beuk tegen den westgevel aangebragt, alwaar het orgel en het zangkoor tevens met haar zijn vereenigd. Dan vindt men daar eene orgelgalerij, muziek- of zanggalerij of wel eene van beide; veeltijds blijft men daaraan den naam van hoogzaal of okzaal geven, hoewel zij hare oorspronkelijke bestemming hebbe verloren.’79 Deze plek wordt ook wel aangeduid met zangersgalerij en waarschijnlijk komt de benaming hoogzaal uit het feit dat dit deel zich hoger bevindt.

2.5 Triforium80
De oudste attestatie van triforium in de Nederlandse taal is van 1850.81 Vijftien jaar later legt Van Vloten uit dat het hier origineel om tritsen ging, omdat het ‘zijpand kaal lag’ en om dit esthetisch te verbeteren bracht men er ‘werkelijke of schijnbare galerijen … aan.’82.
Deze zekerheid komt nu ijdel over. De herkomst van het woord triforium is namelijk verre van eenduidig. Haslinghuis stelt het, naar Jantzens De kunst van de gotiek, als ‘derde reeks openingen’.83 Binnen een vierdelige opstand is dit de reeks openingen boven de scheibogen en de zijbeuksgalerij, doch onder de vensters van de lichtbeuk. Jantzen gaat echter in het bovengenoemde boek niet in op de etymologie van ‘triforium’.
Drie openingen

Het voorvoegsel tri- kan ook letterlijk voor drievoud worden geïnterpreteerd. Triforium betekent in deze zin iets met drie deuren.84 Foris is namelijk Latijn voor ‘deur’85 of ‘buiten’86. Met dit in gedachte is het triforium iets met drie openeningen. Dit is aannemelijk, het woord ‘biforium’ is buiten Nederland gebruikelijk voor ‘tweelicht’, een venster met twee openingen naast elkaar.

Het voorvoegsel bi- slaat hier op het aantal openingen, terwijl tri- in de betekenis van Haslinghuis op de plaats in een reeks slaat. Triforia kunnen uit een herhaling bestaan van drie openingen en dan zou het woord pars pro toto voor elke reeks met n-ledige openingen toepasbaar raken.

De waarschijnlijkheid hiervan is klein. De oudste vermelding van Gervase van Canterbury, Tractatus de combustione et reparatione Cantuariensis ecclesiae87, heeft namelijk betrekking op een kathedraal waarvan het triforium niet drieledig88 is. Evenmin kent de kathedraal van Canterbury een vierledige opstand, net als veel andere kerken uit die tijd.




Verbastering

Een andere mogelijkheid is dat triforium een ‘clumsy latinization’ is van ‘thoroughfarium’89, zoals de Britse professor sterkteleer Robert Willis in 1848 oppert. Ook Francis Bond weer dat het eerder gebruikt wordt voor de ruimte achter de openingen dan voor de openingen zelf.90 Hiertegenover staat Jean Bony, die trifoire, als origineel ziet, hetgeen weer van het Latijnse ‘transforatum’ zou komen, betekenend doorboord. In ieder geval worden varianten van triforium

Volgens beide ideeën staat het voorvoegsel tri- los van ‘drie’. De Franse zeventiende-eeuwse filoloog Du Cange oppert daarom ook dat een oorspronkelijke betekenis meer zou moeten worden gezocht als ‘versierde band’.
Bezien als verbastering melden het Altfranzoesisch Woerterbuch91, Trésor de la langue francaise en Le Grand Robert92 het als een verbastering van ‘trifoire93’. Dit is oud-Frans voor ‘encrustation, ciselure’94; uitsnijding (ter versiering). Trifoire komt van het Latijnse word voor ‘percer a jour, ’transforare’, transpercer in het Frans. Deze notie komt van Du Cange.95
Betekeniswandel

De huidige betekenis is enger dan voorheen. Bond, naar Enlart, schrijft ‘So that originally it means any passage in the thickness of the wall as well as the passage provided by a triforium chamber’96. Het verwante ‘opus triforiatum’ werd niet eens gebruikt in de bouwkunde, maar is een decoratietechniek om figuren uit metaalplaat te stansen.97

De laatste mogelijkheid is dat elke theorie over de etymologie van triforium slechts tijdverspilling is. Waarom? Misschien omdat het een ongelukkige leesfout van het woord tribunum was, met verstrekkende gevolgen.98

2.6 Venstertracering.
Hoewel de associatie van gotiek bij velen verbonden is met spits toelopende vensters waarin glas in tussen sierlijke stenen vormen gevat is, is de herkomst der terminologie onduidelijk. Venstertracering is een recent woord. De vorm raamtraceering dateert van 1920, maar zowel ‘raam’ als ‘tracering’ zijn ouder. Raam is minstens dertiende-eeuws. Venster is van Latijnse oorsprong en kwam rond 1100 ons taalgebied 99

Traceren is jonger, en van Franse herkomst. Traceren betekent schetsen en opmeten. Hiermee wordt duidelijk dat we met traceren de handeling van een ontwerper bedoelen. De betekenis verschuift naar ‘regeling of distributie van sommige zaken of zekere ornementen’.100

Het ligt voor de hand om bij maaswerk te denken aan de mazen van een net, niet het achterliggende proces maar de verschijningsvorm; een samenspel van lijnen. Het Duitse ‘Maßwerk’ wordt daarentegen verklaard als meetwerk.101 Schuttermayers ‘Über die Fialen Gerechtigkeit’ meldt eind in 1486 eeuw al maswercks.102


In Duitsland werden Maßwerk en Messwerk gebruikt als synoniemen voor geometrie. Geometrie is een van de zeven vrije kunsten en betekent landmeting. De beoefening hiervan vereiste omgang met instrumenten als een rechte hoek en een passer. Dit in gedachte nemend is de duiding van maaswerk als zijnde meetwerk niet anders dan een Germaanse variant op traceren. Langs beide wegen wordt er namelijk geduid op de arbeid van de ontwerper, het meten en uittekenen.

3. Conclusie
Van de vermelde woorden over middeleeuwse kerken staat vast dat ze niet allemaal een middeleeuwse herkomst hebben. Evenmin kan hard worden gemaakt dat de verspreiding gelijk liep met middeleeuwse handelsroutes die belangrijk waren voor de kerkbouw. Sommige woorden zijn te generiek, zoals arduin en steunbeer, al kan dit ook van beuk worden gedacht. Verder onderzoek en een grote betrekking van bronteksten kan uitsluitsel geven over eventuele Duitse invloeden op specifieke kerkelijke architectuurtermen.

Wel is duidelijk hoe geleidelijk een eenduidig discours ontstond vanaf de negentiende eeuw waarbij regionale synoniemen verdwenen of slechts door dialectsprekers in leven worden gehouden. Ook opvallend is hoe korte tijd synoniemen ontstonden, zoals schraagbeer, die weer spoedig verdwenen.



Bronnen
Afkortingen van woordenboeken
4G – Tetraglotton

AFW - Altfranzösisches Wörterbuch 

CMT – Corpus Middelnederlandse Teksten (Corpus Gysseling)

ETL – Etymologicum Teutonicæ Linguæ

GR - Grand Robert

MNW – Middelnederlands Woordenboek (Verwijs en Verdam)

LLNM - Lexicon Latinitatis Nederlandicae Medii Aevi

OED – Oxford English Dictionary

SWW - Stellingwarfs Woordeboek

TGL - Thesaurus Graecae Linguae

TLF - Trésor de la langue française 

TLL - Thesaurus Lingua Latinae

WDD - Woordenboek van de Drentse Dialecten

WFT – Wurdboek fan de Fryske taal

WFW – Westfries Woordenboek

WNT – Woordenboek der Nederlandsche Taal



Anoniem, ‘Thesaurus Lingua Latinae’, Vol VI, Leipzig 1912-1926.
Anoniem, ‘Verslagen van de Konijnklijke Vlaamsche Acedemie voor Kunst- en Letterkunde’, 1908, via .
Günther Binding, Masswerk’, Darmstadt 1989.
E. Blanquaert, ‘Jozef Vercouillie’, Revue belge de philologie et d'histoire, 16 (1937), pp. 556-560, via .
Henk Bloemhoff, “Stellingwarfs Woordeboek’, 2004 Oosterwolde.
Francis Bond, ‘Gothic Architecture in England’, Londen 1906.
Petra Brouwer, ‘De wetten van de bouwkunst : Nederlandse architectuurboeken in de ngentiende eeuw’, Rotterdam 2011.
Johanne W. Fuchs et al. Lexicon Latinitatis Nederlandicae Medii Aevi Woordenboek van het Middeleeuws Latijn van de Noordelijke Nederlanden Vol IV F-G-I Leiden 1990.
Maurits Gysseling,Corpus van Middelnederlandse teksten (tot en met het jaar 1300). Reeks I: Ambtelijke bescheiden’, ’s-Gravenhage 1977.

Charles du Fresne, sieur du Cange, Glossarium mediae et infimae’, Niort (Frankrijk) 1883-1887.


E. J. Haslinghuis, H. Janse, ‘Bouwkundige Termen - Verklarend woordenboek van de westerse architectuur- en bouwhistorie’, Leiden 20055 (1997).
V. B. Henry, ‘Mémoires historiques sur la ville de Seignelay (Yonne)’, Avalon (Frankrijk) 1833, http://books.google.nl/books/about/M%C3%A9moires_historiques_sur_la_ville_de_Se.html?id=bkqBm-MC5_cC&redir_esc=y <27 februari 2012>.
Merlijn Hurx, gesprek op 26 maart 2012.
Paul Imbs (red), ‘Trésor de la langue française : dictionnaire de la langue du XIXe et du XXe siècle (1789-1960)’, Parijs 1971-1994.  
Herman Janse & Dirk Jan de Vries, ‘Werk en merk van de steenhouwer: het steenhouwersambacht in de Nederlanden voor 1800’, Zwolle 1991.
Hans Jantzen, ‘De kunst van de gotiek’, Utrecht/Antwerpen 1959.
Kiliaan (Corneel (Van) Kiel), ‘Dictionarium Tetraglotton – Het Tetraglotton van 1562 opnieuw uitgegeven met een inleiding door dr. F. Claes, F. De Tollenaere en J. B. Verbeek’, ’s-Gravenhage 1972.
Kiliaan (Corneel (Van) Kiel), ‘Etymologicum Teutonicæ Linguæ – Kiliaans etymologicum van 1599 opnieuw uitgegeven met een inleiding van dr. F. Claes, s.j.’ , Den Haag 1972.
G.H. Kocks, ‘Woordenboek van de Drentse Dialecten’ A – L, Assen, 1996.
A.A. Krebbers & D.J. Wesselo, ‘Transcriptie van de kerkrekeningen de annis 1661, 1662, 1663, 1664, 1665, 1666 zich bevindende in het Archief der Hervormde Gemeente te Pijnacker’, Pijnacker 1982.
Hertha Leemans, ‘De Sint-Gummaruskerk te Lier’, Antwerpen/Utrecht 1972.
M. C. Nieuwbarn, ‘Het Roomsche kergebeouw : leer der algemeene symboliek en ikonografie onzer Katholieke kerken’, Nijmegen 1909.

Jan Pannekeet, ‘Westfries woordenboek’, Wormerveer 1984.


John Henry Parker, A concise glossary of terms used in Grecian, Roman, Italian, and Gothic architecture’, Londen 18887.
Alain Rey (red.), ‘Le grand Robert de la Langue Française’, Parijs 2001.
Hans Schmuttermayer, ‘Fialenbüchlein’, Neurenberg 1489, via http://commons.wikimedia.org/wiki/Category:Schmuttermayer_Fialenb%C3%BCchlein <10 februari 2012>.
J. A. Simpson & E.S.C. Weiner (red.) The Oxford English Dictionary, Londen 19892.
Alain Salamange, ‘Construire au Moyen âge: les chantiers de fortification de Douai’, Parijs 2001.
Nicolien van der Sijs, Proefschrift ‘Etymologie in het digitale tijdperk : Een chronologisch woordenboek als praktijkvoorbeeld’, 2001.
Nicolien van der Sijs & Roland Willemijns, ‘Het verhaal van het Nederlands’, Amsterdam 2009.
Karel Frans Stallaert, ‘Glossarium van Verouderde Rechtstermen, Kunstwoorden en andere uitdrukkingen uit Vlaamsche, Brabantsche en Limburgsche oorkonden’, Leiden 1978 (1878).
Henrico Stephano, ‘Thesaurus Graecae Linguae’, Parijs 1842-1846.
Victor Stevenson (red), ‘Atlas van de Europese talen’, Londen, 1990.
Adolf Tobler (e.a.), ‘Altfranzösisches Wörterbuch’, Berlin 1915-...
Prudens Van Duyse, ‘Vaderlandsche Poëzy’ (eerste deel), Gent/Rotterdam 1840.
Alfons Van Houcke & Jozef Sleypen, ‘Vak- en kunstwoorden nr 4. Ambacht van den metselaar’, Gent 1897.
J. Van Keirsbilck & V. Van Keirsbilck, ‘Vak- en kunstwoorden nr 6. Ambacht van den metselaar’, Gent 1899.
Christiaan Van Lom, ‘Beschryving der stad Lier’, ’s-Gravenhage 1740.
Frieda Van Tyghem, ‘Het stadhuis van Gent - Deel II: Bijlagen’ , Brussel 1978.
K.F. van der Veen (red.) ‘Wurdboek fan de Fryske taal’, Leeuwarden 1984.
J. Vercoullie, ‘Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal’, ’s Gravenhage 1925, http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/arduin, <20 januari 2012>.
E. Verwijs en J. Verdam, ‘Middelnederlands Woordenboek’, ’s Gravenhage 1903.
Johannes van Vloten, ‘Nederlandsche aesthetika, of Leer van ’t schoon en den kunstsmaak, naar uit- en inheemsche bronnen’, Schoonhoven 1882.
I. Warnsinck, ‘Proeve eener Bouwknundige Terminologie’, Amsterdam 1850.
L. Zwiers, ‘Bouwkundig Woordenboek bevattende de beknopte verklaring van technische woorden en termen, betrekking hebbende op de bouwkunde, in ruimen zin genemen’, deel 1 & 2, Amsterdam 1916.



1 ‘Het standpunt van de WNT-redactie is date en woordvorm als nevenvorm opgevoerd mag worden als het strict etymologisch te vereenzelvigen is met de hoofdvorm, maar óók als het daarvan etymologisch te onderscheiden is […].’ Van der Sijs 2001.

2 Stevenson 1991, p. 131.

3 Brouwer 2011, p. 348.

4 Brouwer 2011, pp. 11-12.

5 Hurx, mondelinge mededeling 26 maart 2012.

6 Brouwer, p. 32.

7 ‘In de loop van de negentiende eeuw werd kennis van bouwmaterialen, constructiedelen en ornamenten in nieuwe termen, op een nieuwe wijze beschreven.’ P. Brouwer 2011, p. 44.

8 Van Houcken & Sleypen 1897, p. vi.

9 “Voor de oudste dateringen geldt, die van de dertiende eeuw of eerder, geldt dan meestal dat het woord al veel langer in het Nederlands voorkomt, later dan bijvoorbeeld het Duits of Engels.… ”Van der Sijs 2001 p. 30.

10 ‘Belangrijk om te onthouden is dat van de 2100 documenten die vóór 1300 werden geschreven 70 procent Vlaams was […].’ Van der Sijs & Willemijns 2009 p. 190.

11 ‘Tussen 1487 en 1502 leverden Genny en Jan die Myn (Min) van Namen en Jan en vooral Merten die bogge ‘blaeusteen’.’ Janse & De Vries 1991 naar Alberts.

12 ‘Het contract van het oxaal voor de Sint-Kathelijnekerk te Mechelen uit 1973 vermeldt: ‘..Hafflichen steen wel en reyn gehouden’. ’Janse & De Vries 1991 naar E. Neefs.

13 [1390-1391, f o iiic xxiv vo ] ‘item van 2 selverin ampulle te souderne’, Van Tyghem 1978, p. 42; ‘Binnen Delff betaelt voort souderen ende verreuijlen van eenige celeine parthijtjens aen deselve kroon…’ Krebbers 1982, pp. 12-13.

14 Janse & De Vries 1991 p. 11.

15 CMT I3 pp. 1567-1574.

16 CMT I3 p. 1567.

17 CMT I3 p. 1568 r 42-43.

18 CMT I3 p. 1569 r. 5.

19 ‘Accord entre les seigneurs de seignelay, de Reberceaux, de Vergigny, de Bouilly et l’abbaye de Pontigny, sur l’usage du bois de Contest, en 1307.’ Henry 1833 p. 263.

20 Blanquaert 1937 p. 558.

21 Vercouillie 1925, p. 234.

22 Verslagen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal en Letterkunde 1908, p.484.

23 ‘Het word dant zijn ontstaan aan de groeven van <<Hardouin>> in Fransch-Vlaanderen (Departement du Nord)’, Van Houcke & Sleypen 1897, p. 14.

24 ETL, p.19 Arduyn .j. orduyn.

25 ETL, p. 381 Orduyn/arduyn. Tophus.

26 ’De grondslag van Kiliaans Etymologicum vormde zeker zijn eigen Brabantse dialect […]’ naar p.2. in K. Heeroma Het Nederlands van Brabant uit gezien, in Brabant, 1969, nr. 2, pp.6-11. Claes in ETL p. 22.

27 ‘Kil. heeft Orduyn / arduyn. Tophus doch dit is een zachte steen.’ Stallaert 1978 p. 317.

28 ‘Le terme ordon est donc generique, car il qualifie aussi bien des pierres blanches que des pierres de Tournai et d’Ecaussines.’ Salamange 2001, p. 234.

29 Van Houcke en Sleypen 1897, pp. 13-14.

30 ‘En neèrboog in den kerkebeuk/Bij d’opgewalmden wierookreuk/’ Van Duyse 1840, p. 143.

31 […] die uitzigt heeft in den grooten beuk, koorbeuk of transeps, […]. Warnsinck 1850, k. 8.

32 Warnsick 1850, k. 7.

33 ‘In ‘t volgend jaer 1435. besteeden de Kerkmeesters aen zekere Goosen van den Eynden, de Pylaren staende in den Buyk van de Kerk, iedere voet te leveren tot 8. stuyvers grooten.’ Van Lom p. 309.

34 “Daarnaast bestond er vroeger variatie in spelling […] voor beuken: boken, bueken […].”Van der Sijs 2001. p 54.

35 ‘buyck van de kercke. j. beuk’. ETL, p. 75.

36: ‘beuck van de kercke. Aluus templi, medium templi,gremium templimediana basilicæ pars: basilicæ concavitas. vulgo capum’ 4G Kiliaan’

37 ‘van Jan de Cammer eenen balc ghecocht die boven opden boke wired ghelyt (id. fo 19)’ Leemans 1972, p. 31.

38 Warnsinck 1850, k. 8.

39 TGL Tomus V k. 1355-1356. Templum, Ædes sacra

40 WNT XIV 1936 k. 701: Als vertaling van lat. navis dat, al dan niet door misverstand, uit gr. ναός, tempel, is ontstaan, in toepassing op de hoofdruimte van een kerkgebouw, inzonderheid in onderscheiding van het koor.

41 WNT 17^3 1984 k. 955.

42 WNT 17^3 1984 k. 955: ‘Lage deur; portaal … Den ix dach in november a° lxxiiij dat wy de wtlaten besteden… [1474]”; “Item soe hebben wy kerckmeesters besteet een wtlaet J.W. op ten ij dach van september alt hoeit [hout] werck te maken … ende oeck al dat an die suyder wytlaet van hoeitwerck behoeftt … als van dat coer die wtlaten syn betere ende nyet argher… [1575]”.

43 MNW 8 1916 k. 957-958 ‘Dat men maecke eenen uutlaet … alzoo groot datter eene outaer binnen wesen mooge (1316)’ ‘[…] die hi maecte toot in den suderen wtlaet van den kerken […]’ (1388) […] dat oude krwswerc ende dat nye krwswerc ende de wtlaten. (1415).

44 Kiliaen p. 687 appendix ædificij

45 MNW 8 1916 k. 956.

46 MNW 8 1916 k. 956.

47 WNT XV: ‘Een gedeelte van dat muurwerk …, tusschen twee steunbeeren van lateren tijd, welke van baksteen zijn,   Overijss. Alm. 1845, 106.’ k. 1550

48 WNT II^2 1898 k.1323-1324 ‘Waterkeering, gewoonlijk van metselwerk’

49 WNT II^2 1898 k. 1324.

50 WFT 1 baarch II […] 1. paalwerk bij de zee. […] 2. waterkering in een sloot p. 164.

51 WFW beer […] Steunbeer, muurtje (o.a. dienend als waterkering). p. 32.

52 WDD I beer […] De muur verzakt, der moet een beer tegen metseld worden (Ro[der]w[olde]). p. 90.

53 SWW I beer […] 5. Muurstut, steunbeer Om een muur te verstevigen wodt d’r een beer tegenan metseld […] (B[les]die[-dij-ke], N[oord]w[olde], Ste[ggerda]). p. 277.

54 Bar, m. im festungsbau ein starkgemauerte querdamm mit scharfem rücken, franz. batardeau. soll aus einem mlat. berum stammen. FRISCH 62e.

55 Glossarium Du Cange I 1883 BERUM, An pro Bedum? Locus est in Batarium. p. 642.

56 sue palatium molendini, in tabulorio majore s. sergii. palorum scilicet series, quae ad continendam aquam, quo validius rotam torqueat, solet supra molendinum infigi. Hodie id Bonde vocant. At in Tabulario Conchensis Monasterii videtur significare ipsum rivi alveam: ibi enim stephanus miles de retuchon assensum praebet ut, cum curabunt bedum projiciant in utramque ripam pratorum suorum coenum. credo omnes res meas cum omne earum (aquarum) introitu vel regressu cum terminis et bedis eorum.

viget apud Lugdunensis et sebusianos consuetudo, ut qui habet Becium, lingua patria bief, sue echudium molendini, possit eum restaurare et mundare, atque lutum projicere in utramque partem becii sue echudii ad septem pedes dumtaxat: qui becium possidet id juris habere censetur. […] p. 617



57 WNT II^2 1898 k. 1325.

58 Van der Sijs 2001 p. 1086. (MNW)

59 ‘Contrefort … Steunbeer, schraagpijler, uitspringend bij het muurwerk, om dit te verstijven en den eventueelen druk van den tegengestelden kant, veroorzaakt door de gewelven, weerstand te bieden’   Zwiers 1917, 1, p. 251.

60 Warnsinck 1850, k. 21.

61 ‘[…]de forsche steun- of schoorpijlers, ook schraagbeeren of konterforten geheeten’ Nieuwbarn 1908 p. 44.

62 ‘De steenen beer is een steunmuur … die tegen eenen draagmuur … steunt om hem te versterken.’, Houcke & Sleypen 1897, p. 336.

63 S H p336 De steenen beer is een steunmuur (zie dit woord) die tegen eenen draagmuur (Fr. Mur de soutenehhment) steunt om hem te versterken.

64 Van Houcke & Sleypen 1897, pp. 349-350.

65 Verslagen van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde 1908, p. 1083.

66 gebr. Van Keirsbilck 1899, p. 23.

67 ‘Muur ter ondersteuning van een gewelf enz.’, gebr. Van Keirsbilck 1899, p. 269.

68 ‘Het is eene soort muraalpijler, die zich echter bijzonder daardoor onderscheidt, dat hij niet alleen de muren ondersteunt, maar meer bestem dis om de gewelven te schoren.’ Warnsinck 1850, k 21.

69 ‘Indien pilaren of pijlers tegen muren staan, zonder daarom schraagpijlers te zijn, (z. d. w.) dan heeten zij muraalpilaren of muraalpijlers.’ Warnsinckk. 20

70 Haslinghuis 2005, p. 332.

71 MNW 5 k72-73.

72 CMT I1: ‘Schepenen van Bruggen oorkonden dat Lambrecth die Wlf en Colard die Makellare […] een rente […] betalen[…].’; ‘Dit was ghe daen jnt tjaer hons heren als men scruet / mo . cco . lxxmo c sexto. sinte nichasis daghe. in sinte donaes kerke voer den / doxael’ p. 332, r. 16-20; r. 38-40.

73 Du Cange 3, p. 189.

74 ‘Een onregelmatige vormverandering is […] oksaal (1441) naast doksaal (1276). […] deze klanken verdwenen doordat ze (ten onrechte) werden opgevat als lidwoord een of de, een geval van metanalyse ofwel een verkeerde interpretatie van waar woord- of lettergreepgrens lag.’ Van der Sijs 2001, p. 60.

75 Door volksetymologie wordt het onbekende woord aangepast aan een ander, bekend woord’ Van der Sijs 2001, p. 58-59.

76 ‘Hoogzaal, Dokzaal, OKZAAL.’ Warnsinck 1850, p. 12.

77 Du Cange p 185

78 WNT X 1893 k. 107 ‘Het gold oudtijds (als spel. dosel) in den zin van een tapijt, eershalve achter den rug van hooggeplaatste personen opgehangen. […] Van die tapijten, waarmede men het koor en de koorzetels der kerke versierde, verkreeg allengs de dus versierde plaats den naam van dossale. […] Hier te lande werd het vreemde woord niet verstaan, en kreeg het weldra door eene volksetymologie, op den gelijkheid van den klank af, in Nederl. woord hoogzaal herschapen […].’

79 Warnsick, 1850 k. 12.

80 Een deel van de bronnen heb ik ontleend aan het werkstuk van Dotte Luinenburg.

81 WNT XVII^II 1979 k. 2792. naar Warnsinck 1850 k. 8 ‘Triforium. Nonnengang, Kerktrans … Eene galerij gelegen boven de zijbeuken …, die een uitzigt heeft in den grooten beuk, koorbeuk of transeps,  ,’.

82 ‘Intusschen bleef (in den Gothischen stijl), bij hooge kerken, het grootste deel der muren tusschen vensters en bogen, en waarachter het dak van 't zijpand lag, kaal, en bracht men er daarom òf werkelijke òf schijnbare galerijen van op zuiltjes rustende bogen op aan, die men triforiën (d.i. drie-gaten) noemde, omdat zij oorspronkelijk bij tritsen optraden, ’Van Vloten 1882.

83 Haslinghuis 2005, p. 486, naar het zaakregister uit Jantzen, ‘De kunst van het de gotiek.’ .

84 OED XVIII, p. 524.

85 TLL VI^1, pp. f 1057-1065.

86 LLNM 4, p. 2112, k. f307.

87 OED XVIII, p. 524: ‘Hic murus chorum circuiens in circinatione illa pilariorum in capite Ecclesiæ in unum conveniebat. Supra quem murum via erat, quæ Triforium appellatur, et fenestræ superiores, in quibus appositis clavibus et fornice facta, a turre majore usque ad pilarios prædictos, id est usque ad Crucem, Triforium inferius multis intexuit columnis marmoreis.’.

88 OED XVIII, p. 524.

89 the Oxford English Dictionary 1989 vol xviii p 524 “1848 Builder 8 July 328/2 A discourse was…delivered by Prof. Willis, on the triforium of ancient churches… The only ancient work in which such a term could be found… was a history of Canterbury (by Gervase), in which it occurred in three places… He [Willis] believed it was a clumsy latinization of ‘thoroughfarium’.”

90 OED XVIII: ‘the term is so often used, not of the arcade but the space at the back of the arcade.’ Bond 1905.

91 AFW, k. 656-657.

92 GR 6, p. 1485.

93 AFW, pp. 655-656.

94 TLF 16, p. 618.

95 AFW, TLF, OED.

96 Bond 1906, p. 519.

97 Willis however, points out that opus trifoiatum’ was applied to perforated work in lock plates, brass fenders, &c., in which figuresw of plants and animals were produced by piercing plates of metal.’ Bond 1906, p. 519.

98 ‘The Triforium, whether it be a corrupt reading of the last word (Tribunum) or not, means very much the same thing, namely, a gallery in a church.’, Parker 1888, p. 306.

99 Van der Sijs 2001, p. 223.

100 Warnsinck 1850, p 39.

101 ‚Das Masswerk, d.h. das gemessene Werk […]’. Binding 1989, p. 12.

102 ’Durch die gnade des almechtigen gots vmb das gebete vil erberger personen zupesserung vnd zyrungen den gepewen der heyligen cristenlichen kirchen zutrost vnd vntterweysung vnnserm nachsten vnd allen maisteren vnd gesellen die sich diser hohen vnd freyen kunst der Geometria geprauchen ir gemute speculirung vnd ymaginacion dem waren grunt des maswercks paß zuuntter werffen nach gedencken vnd ein zu wurtzeln.’ Schmuttermayer 1489, p. 1.

  • Hoofdvraag Waar komen veelgebruikte architectuurtermen vandaan met betrekking tot de kerkbouw 1 Inleiding
  • 2.5 Triforium 80
  • Bronnen Afkortingen van woordenboeken
  • baarch II […] 1.

  • Dovnload 137.14 Kb.