Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Onderzoeks- en informatievaardigheden Albert van der Kaap

Dovnload 0.97 Mb.

Onderzoeks- en informatievaardigheden Albert van der Kaap



Pagina4/5
Datum25.10.2017
Grootte0.97 Mb.

Dovnload 0.97 Mb.
1   2   3   4   5

Beoordelingsformulier bruikbaarheid website





Adres website:

http://

 


Titel van het artikel




Onderwerp:



Op welke vraag/ op welk aspect geeft dit artikel een (deel van) een antwoord






  1. Beoordelingsformulier betrouwbaarheid van een website





Adres website:

http://

 


 

 

Beschrijving

website:


Titel:


 

 

Onderwerp:


 

 

Deelrubriek

Vragen ter beoordeling van de website naar aanleiding van deze deelrubriek

Criterium relevant?

Jouw oordeel

Algemeen

Wanneer is het artikel gepubliceerd?

O

jaartal: /niet bekend




Wordt er een ‘last update’ vermeld?

O

ja/nee




Is de informatie actueel?

O

ja/nee/niet relevant




Werken de hyperlinks op de website?

O

ja/nee/gedeeltelijk




Is het taalgebruik correct.

O

ja/nee

Auteur(s)

Is duidelijk wie de auteur(s)/organisatie is/zijn?

O

ja/nee

Kun je in contact treden met de auteur(s)?

O




Is de deskundigheid van de auteur(s) duidelijk?

O

ja/nee

 


Soort informatie

Is de doelgroep duidelijk?

O

ja/nee




Is het doel van de website duidelijk?

O

ja/nee




Heeft de site een informatief karakter? 

O

ja/nee




Maakt de auteur duidelijk wat zijn bronnen zijn?

O

ja/nee




Maakt de site propaganda voor een bepaald standpunt?

O

ja/nee




Is de site van een organisatie die een bepaald belang heeft bij het onderwerp? 

O

ja/nee




Valt de tekst op door uitgesproken meningen?

O

ja/nee




Als de auteur anderen van zijn standpunt wil overtuigen, maakt hij dan duidelijk welk standpunt hij inneemt?

O

ja/nee




Worden er meerdere visies op het onderwerp gepresenteerd?

O

ja/nee




Is de geboden informatie feitelijk juist? Kun je de informatie nog op andere plaatsen opvragen?

O

 ja/nee/onzeker




Worden bronvermeldingen gegeven bij de aangeboden informatie? 

O

ja/nee




Bevat de site primaire bronnen of primaire informatie (bijvoorbeeld resultaten uit eigen onderzoek)

O

ja/nee/onduidelijk

Relevantie

Biedt de website relevante informatie voor het beantwoorden van hoofd- en /of deelvragen.

O

ja/nee
  1. Einddoelen onderzoeks- en informatievaardigheden

Bij de beschrijving van de eindtermen voor onderzoeks- en informatievaardigheden maken we onderscheid tussen attitude, vaardigheden en kennis. Voor deze volgorde is bewust gekozen. Een goede attitude is namelijk een voorwaarde om goed onderzoek te kunnen doen. Een voorbeeld ter illustratie: weten waarop je moet letten bij het beoordelen van informatie op betrouwbaarheid heeft weinig zin als je niet bereid bent aandacht te besteden aan de betrouwbaarheid van bronnen. De kennis over (aspecten van) onderzoek staat in dienst van het doen van onderzoek en staat daarom achteraan. In elke fase van het onderzoek is het belangrijk om te evalueren en te reflecteren. Om dit te benadrukken is een kolom ; reflectie' opgenomen.




Stappen

Attitude

Vaardigheden

Kennis

Reflectie




De leerling …

De leerling …

De leerling …

De leerling …

1. Taakdefinitie

heeft een nieuwsgierige, onderzoekende en kritische houding

kan een probleem herkennen en/of een opdracht analyseren en beschrijven.




is bereid kritisch te reflecteren op hoofd- en deelvragen of hypothese

is bereid reflecteren op het onderzoeksplan






is zich bewust van het belang van het kiezen van een onderzoekbare onderzoeksvraag

kan een beredeneerde keuze maken voor een vraagtype.

kent het verschil tussen:

  • beschrijvende vragen

  • vergelijkende vragen

  • verklarende vragen

  • voorspellende vragen

  • evaluatieve vragen




onderkent het belang van goede hoofd- en deelvragen

kan zelfstandig een onderzoekbare onderzoeksvraag – met deelvragen -formuleren

kent de eisen voor een goede onderzoeksvraag:

  • reproduceerbaar

  • specifiek

  • uitvoerbaar




onderkent het belang van een onderzoekbare hypothese

kan zelfstandig een onderzoekbare hypothese opstellen

weet wat een hypothese is




onderkent het belang van het vaststellen van de informatie behoefte

kan zijn informatiebehoefte bepalen,







onderkent het belang van een goed onderzoeksplan/logboek voor het doen van onderzoek

kan zelfstandig een onderzoeksplan een logboek opstellen

kent de verschillende fasen in een onderzoek




onderkent het belang van het kiezen van de juiste onderzoeksmethode

kan een onderzoeksmethode kiezen die past bij de onderzoeksvraag en deze keuze beargumenteren.

kent verschillende onderzoeksmethodes




is bereid een onderzoek volgens wetenschappelijke criteria uit te voeren

kan een onderzoek volgens wetenschappelijke criteria uitvoeren.

kent de eisen die aan een wetenschappelijk onderzoek worden gesteld:

  • verzamelen van gegevens/doen van metingen.

  • opstellen van een falsifieerbare hypothese

  • voorspellen van uitkomsten

  • controleren

  • evalueren







kan een onderzoek van anderen beoordelen volgens wetenschappelijke criteria.







kan omgaan met onzekerheid en twijfel.







Stappen

Attitude

Vaardigheden

Kennis

Reflectie




De leerling …

De leerling …

De leerling …

De leerling …

2. Zoekstrategie

is zich bewust van het belang van de juiste informatie(bronnen) en het kiezen van een goede zoekstrategie

kan een effectieve keuze maken uit potentiële informatiedragers (bijv. multimedia, database, website, audio/video, boek).

kent verschillende soorten informatiebronnen, zoals boeken, artikelen, vragenlijsten, brieven, interviews, experimenten.

Bekijkt geregeld kritisch of de vraagstelling rondom de oorspronkelijke informatiebehoefte niet verduidelijkt, herzien of verfijnd moet worden.








maakt een zoekplan dat past bij de gekozen methode van informatie verzamelen;

kent doeltreffende zoekstrategieën.







gaat na of de gewenste informatie ook werkelijk beschikbaar is en beslist over de noodzaak tot het uitbreiden van het zoeken in bronnen op andere locaties; (bijv. interbibliothecair leenverkeer; bronnen op hun locatie raadplegen; verkrijgen van plaatjes, video’s, tekst of geluid).










kan een kosten/baten afweging maken bij het verwerven van de benodigde informatie










Maakt een afweging van de voordelen en bruikbaarheid van verschillende methoden van informatie verzamelen.


kent in aanmerking komende methoden van informatie verzamelen; (bijv. laboratoriumexperiment, simulatie, veldwerk, literatuuronderzoek).







kan onderscheid maken tussen primaire- en secundaire bronnen

kent het onderscheid tussen primaire en secundaire bronnen en weet dat het gebruik en het belang daarvan per vakgebied kan verschillen.

Stappen

Attitude

Vaardigheden

Kennis

Reflectie




De leerling …

De leerling …

De leerling …

De leerling …

3. Verwerven van informatie

is bereid planmatig te werken bij het verzamelen en vastleggen van informatie

gaat bij het verwerven van de gewenste informatie planmatig te werk, met een goede tijdsplanning.

kent verschillende methoden om geselecteerde informatie vast te leggen.

vraagt zich af of de oorspronkelijke vraag dient te worden herzien

vraagt zich af of hij voldoende informatie heeft verzameld om conclusies te kunnen trekken









verzamelt effectief informatie, gebruikmakend van een verscheidenheid aan methoden







.

selecteert, noteert en beheert de informatie, en de gegevens over de bronnen waaruit deze zijn overgenomen.










stelt leemtes in de verzamelde informatie vast en besluit of de zoekstrategie gewijzigd dient te worden.










stelt de zoekstrategie bij als dat nodig is en herhaalt de zoekactie.







is bereid de bronnen kritisch te beoordelen op betrouwbaarheid, validiteit e.d.

toetst en vergelijkt informatie uit verschillende bronnen om de betrouwbaarheid, validiteit, relevantie, geloofwaardigheid, geldigheid en gezichtspunt of vooringenomenheid te beoordelen.

weet hoe je informatie op betrouwbaarheid kunt beoordelen.







herkent vooroordelen, misleiding en manipulatie.










vergelijkt nieuwe kennis met bestaande kennis om vast te stellen of er bij de informatie sprake is van toegevoegde waarde, tegenstrijdigheden en dergelijke.





Stappen

Attitude

Vaardigheden

Kennis

Reflectie




De leerling …

De leerling …

De leerling …

De leerling…

4. Verwerken van de informatie

onderkent het belang van het trekken van passende en betrouwbare conclusies en bekijkt deze kritisch.

ordent de gevonden informatie zodanig dat deze bruikbaar is voor de doeleinden en de vorm van het product; (bijv. overzichten, schets, verhaallijn).

kent verschillende methoden om informatie te verwerken (bijvoorbeeld, Excel en SPSS)

bekijkt de getrokken conclusies kritisch







kan passende en betrouwbare conclusies uit het onderzoek trekken.










kan het tot stand komen van het eindproduct kritisch bekijken.




5. Presentatie

is zich bewust van een, bij het onderzoek en doelgroep, passende presentatie

kiest medium en vorm die het best past bij het doel van het product én bij de beoogde doelgroep.




bekijkt of de presentatie past bij onderzoek en doelgroep







verantwoordt het gebruik van informatiebronnen middels een geschikte bibliografische stijl.

kent een geschikte bibliografische stijl




is bereid zich te houden aan de richtlijnen met betrekking tot plagiaat.

vermijdt plagiaat.

kent richtlijnen met betrekking tot plagiaat




is bereid zich te houden aan de richtlijnen met betrekking tot citeren en parafraseren.


maakt onderscheid tussen citeren en parafraseren.

kent richtlijnen met betrekking tot citeren en parafraseren



Stappen

Attitude

Vaardigheden

Kennis

Reflectie




De leerling …

De leerling …

De leerling …

De leerling …

6. Evaluatie

is zich bewust van het belang van het kritisch evalueren van proces en product

evalueert de totstandkoming van het product/gevolgde werkwijze (op consistentie, bruikbaraheid en effectiviteit), waarbij aandacht wordt besteed aan alle fasen van het proces.




Doet aanbeveling voor vervolgonderzoek en geeft daarin richting aan.








evalueert het resultaat van het onderzoek.










doet aanbevelingen ter verbetering van werkwijze en product.







houdt rekening met ethische aspecten van wetenschappelijk onderzoek

geeft argumenten voor de relevantie van het onderzoek in ethische en maatschappelijke context.















Voor het maken van bovenstaand overzicht is dankbaar gebruik gemaakt van de Information Literacy Competency Standards for Higher Education

van de Association of College and Research Libraries (ACRL), een afdeling van de American Library Association (ALA) en van de Nederlandse vertaling onder eindredactie van Albert Boekhorst: http://media.leidenuniv.nl/legacy/brochure-informatievaardigheid.pdf

  1. Opdrachten scan

Het is belangrijk om de moeilijkheidsgraad van een opdracht te kunnen beoordelen. In een eerder hoofdstuk hebben we al gezien dat de moeilijkheidsgraad van een opdracht sterk afhankelijk is van keuzes die voor elke stap van het onderzoeksproces zijn gemaakt. In onderstaande scan scoort de docent een opdracht op 17 aspecten die samen een indicatie geven van de moeilijkheidsgraad van de opdracht. Bij elk criterium maakt hij een keuze uit vier omschrijvingen die oplopen in moeilijkheiddgraad, omschrijvingen die corresponderen met de in hoofdstuk … beschreven vier fasen van een leerlijn. Na invullen van de scan is in een oogopslag duidelijk op welke onderdelen de opdracht moeilijk is en op welke onderdelen juist eenvoudig.


De scan kan gebruikt worden voor het scannen van bestaande opdrachten. Afhankelijk van de uitkomst kan men eventueel beslissen om de opdracht op bepaalde onderdelen eenvoudiger of juist moeilijker te maken, afhankelijk van de doelstlling en de doelgroep.
De scan kan echter ook gebruikt worden om vooraf bepaalde keuzes te maken met betrekking tot de gewenste moeilijkheidsgraad van bepaalde onderdelen.


 

scan complexiteit opdrachten

 

 

 

 

 

 

 

 

 

rubriek

 

Kies per rubriek het meest toepasselijk item, en kruis één item per rubriek aan.

 

 

 

 

 

1. Taakdefinitie

1.a probleem en product bepaling

de complexiteit van het probleem

1.a

De probleemstelling is gegeven en eenvoudig (enkelvoudig).

 

 

 

1.b

De probleemstelling is gegeven en complex (samengesteld).

 

 

 

1.c

De leerling moet bij een gegeven hoofdvraag zelf deelvragen formuleren.

 

 

 

1.d

De leerling formuleert zelf hoofd- en deelvragen.

 

 

 

 

 

 

 

type probleem

 

De probleemstelling betreft

 

 

 

2.a

een beschrijvende vraag (wat is kunstgras)

 

 

 

2.b

een vergelijkende vraag (moet je anders trainen op kunstgras dan op natuurlijk gras?)

 

 

 

2.c

een verklarende vraag (waarom krijg je op kunstgras eerder blessures dan op natuurlijk gras?)

 

 

 

2.d

een evaluatieve vraag (moet FC Twente overstappen op kunstgras?)

 

 

 

 

 

 

 

productspecificatie

3.a

De leerling werkt aan een voorgeschreven en duidelijk gespecificeerd eindproduct (voor een voorgeschreven doelgroep).

 

 

 

3.b

De leerling werkt aan een zelf gekozen eindproduct.

 

 

 

3.c

De leerling werkt aan een zelf gekozen eindproduct voor een voorgeschreven doelgroep.

 

 

 

3.d

De leerling werkt aan een zelf gekozen eindproduct voor een zelfgekozen doelgroep.

 

 

 

 

 

 

1.b omvang

slu's & looptijd

 

De omvang (in slu's) van de opdracht:

 

 

 

4.a

1-5 slu;

 

 

 

4.b

6-10 slu;

 

 

 

4.c

10-20 slu;

 

 

 

4.d

> 20 slu

 

 

 

 

 

 

1.c werkproces

stappenplan

5.a

De leerling werkt volgens een gedetailleerd, gegeven, stappenplan.

 

 

 

5.b

De leerling werkt volgens een globaal, gegeven, stappenplan.

 

 

 

5.c

De leerling werkt volgens een zelf ontworpen stappenplan, dat hij eerst ter goedkeuring aan de docent moet voorleggen.

 

 

 

5.d

De leerling werkt volgens een zelf ontworpen stappenplan.

 

 

 

 

 

 

 

evaluatie

6.a

De leerling evalueert, aan de hand van aanwijzingen in de opdracht of een aangereikte checklist, gedurende de opdracht regelmatig op de uitvoering en opbrengsten van de opdracht.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

6.d

De leerling evalueert regelmatig uit eigen beweging op de uitvoering en opbrengsten van de opdracht.

 

 

 

 

 

 

1.d samenwerking

aantal partners

7.a

De leerling werkt alleen aan de opdracht.

 

 

 

7.b

De leerling werkt met één medeleerling samen.

 

 

 

7.c

De leerling werkt met twee à drie medeleerlingen samen.

 

 

 

7.d

De leerling werkt met drie of meer medeleerlingen samen.

 

 

 

 

 

 

 

partnerkeuze

8.a

De leerling is volkomen vrij in de keuze van medeleerlingen met wie hij de opdracht uitvoert.

 

 

 

8.b

De docent bepaalt (uiteindelijk) wie met wie samenwerkt om de samenwerking zo goed mogelijk te laten slagen.

 

 

 

8.c

De leerling mag op aanwijzingen van de docent zelf zijn samenwerkingspartners kiezen. De aanwijzingen zijn erop gericht, leerlingen met verschillende interesses of capaciteiten met elkaar te laten samenwerken.

 

 

 

8.d

De opdrachtgever bepaalt met wie de leerling samenwerkt. Dat kunnen wildvreemden zijn of medeleerlingen met totaal andere interesses of capaciteiten, wat de samenwerking er niet gemakkelijker erop maakt.

 

 

 

 

 

 

 

onderlinge afhankelijkheid

9.a

De leerlingen verdelen de werkzaamheden voor de opdracht aan de hand van voorschriften of aanwijzingen.

 

 

 

9.b

De leerlingen maken zelf een taakverdeling, waarbij het mogelijk is dat zij onafhankelijk van elkaar kunnen werken.

 

 

 

9.c

De werkzaamheden voor de opdracht worden zó verdeeld, dat de leerlingen elkaar nodig hebben om tot een gemeenschappelijk resultaat te komen.

 

 

 

9.d

De leerlingen verdelen de werkzaamheden voor de opdracht zó, dat zij elkaar nodig hebben om tot een gemeenschappelijk resultaat te komen en waar elk van hen op aanspreekbaar is.

 

 

 

 

 

2. zoekstrategie

2. zoekstrategie

bronnenselectie

10.a

De leerling werkt met gegeven bronnen.

 

 

 

10.b

De leerling werkt met deels gegeven bronnen.

 

 

 

10.c

De leerling kiest en zoekt, aan de hand van aanwijzingen of een aangereikte checklist, zelf bronnen

 

 

 

10.d

De leerling kiest en zoekt zelfstandig bronnen

 

 

 

 

 

 

 

moeilijkheidsgraad van de bronnen

 

De bronnen waarmee de leerling werkt zijn, gezien het ontwikkelingsniveau van de leerling, te typeren als:

 

 

 

11.a

zeer eenvoudig (vlot leesbaar, gemakkelijk te begrijpen)

 

 

 

11.b

eenvoudig

 

 

 

11.c

tamelijk moeilijk

 

 

 

11.d

zeer moeilijk (academisch taalgebruik, specialistisch, abstract-theoretisch)

 

 

 

 

 

3. informatiever-werving en selectie

 

bruikbaarheid van informatie

12.a

De leerling selecteert bruikbare informatie in gegeven bronnen aan de hand van aanwijzingen of een aangereikte checklist

 

 

 

12.b

De leerling selecteert bruikbare informatie in gegeven bronnen

 

 

 

12.c

De leerling selecteert bruikbare informatie uit zelf gekozen bronnen aan de hand van aanwijzingen of een aangereikte checklist

 

 

 

12.d

De leerling selecteert bruikbare informatie uit zelf gekozen bronnen

 

 

 

 

 

 

 

betrouwbaarheid van informatie

13.a

De leerling selecteert informatie uit gegeven en dus betrouwbare bronnen

 

 

 

13.b

De leerling selecteert informatie uit gegeven bronnen die deels betrouwbaar, deels onbetrouwbaar zijn en beoordeelt zelf welke bronnen betrouwbaar zijn aan de hand van een aangereikte checklist

 

 

 

13.c

De leerling selecteert informatie uit zelf gekozen bronnen en beoordeelt de informatie op betrouwbaarheid aan de hand van een aangereikte checklist

 

 

 

13.d

De leerling selecteert informatie en beoordeelt deze zelf op betrouwbaarheid.

 

 

 

 

 

4. informatie-verwerking

 

informatieverwerking

14.a

De leerling verwerkt de gevonden informatie in een aangereikt format.

 

 

 

14.b

De leerling verwerkt de gevonden informatie in een eigen format: een samenvatting, een mindmap of een grafische weergave

 

 

 

14.c

De leerling verwerkt de gevonden informatie in een eigen format: een samenvatting, een mindmap of een grafische weergave en vergelijkt verschillende gegeven bronnen met elkaar en analyseert deze op overeenkomsten, verschillen en complementariteit.

 

 

 

14.d

De leerling verwerkt de gevonden informatie in een eigen format: een samenvatting, een mindmap of een grafische weergave en vergelijkt verschillende gegeven bronnen met elkaar en analyseert deze op overeenkomsten, verschillen en complementariteit en maakt een synthese van de informatie verkregen uit verschillende bronnen.

 

 

 

 

 

5. presentatie

 

presentatievorm

15.a

De leerling gebruikt een voorgeschreven en duidelijk gespecificeerde presentatievorm.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

15.d

De leerling kiest zelf een voor onderwerp en doelgroep geschikte presentatievorm.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De leerling moet de resultaten van zijn opdracht:

 

 

mondeling/schriftelijk

16.a

globaal presenteren

 

 

 

16.b

volgens een gegeven format presenteren

 

 

 

16.c

volgens een zelf bedacht format presenteren

 

 

 

16.d

volgens een wetenschappelijk format presenteren

 

 

 

 

 

6. evaluatie

 

summatieve evaluatie

17.a

De leerling evalueert aan de hand van aanwijzingen of een aangereikte checklist of de resultaten van de opdracht voldoen aan de vooraf geformuleerde eisen of verwachtingen.

 

 

 

17.b

De leerling evalueert uit eigen beweging of de resultaten voldoen aan de vooraf geformuleerde eisen of verwachtingen.

 

 

 

17.c

De leerling evalueert uit eigen beweging of de resultaten voldoen aan de vooraf geformuleerde eisen of verwachtingen en/of evalueert als afronding van de opdracht zijn persoonlijke groei in kennis en kunde.

 

 

 

17.d

De leerling evalueert uit eigen beweging of de resultaten voldoen aan de vooraf geformuleerde eisen of verwachtingen en formuleert persoonlijke ontwikkelpunten of leervragen voor zijn vervolgtraject.
1   2   3   4   5

  • Beoordelingsformulier betrouwbaarheid van een website
  • Einddoelen onderzoeks- en informatievaardigheden
  • Opdrachten scan

  • Dovnload 0.97 Mb.