Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Onderzoeksopdracht Vlaams wetenschappelijk onderzoek

Dovnload 0.74 Mb.

Onderzoeksopdracht Vlaams wetenschappelijk onderzoek



Pagina4/27
Datum04.04.2017
Grootte0.74 Mb.

Dovnload 0.74 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   27

1.2. De nieuwe mode van kennisproductie: een bemoeilijkte relatie tussen onderzoek en ontwikkeling


Kennis vandaag is een marktgoed, ‘a commodity’ (Gibbons & Wittrock, 1985) en is onderhevig aan de wetten van marketing en commercialisatie. Er zijn belangrijke parallellen te trekken tussen het onderzoek van industrieën en bedrijven enerzijds en dat van universiteiten en zogenaamde ‘onafhankelijke’ kenniscentra anderzijds. Beide opereren immers in eenzelfde marktplaats en ondervinden dat intense competitie in het centrum staat van de actuele vraag naar specialistische kennis (Porter, 1990). De ruimte voor kennisopbouw en -ontwikkeling is in toenemende mate gepolitiseerd en geëconomiseerd. Bruggen tussen industrie en wetenschap variëren van het leveren van onderzoeksfondsen door industrieën aan onderzoeksinstellingen tot de aanwezigheid van grote onderzoeksinstellingen binnen industrieën zelf (Marshall, 1992). De vraag die we hierbij minstens kunnen stellen is in hoeverre onderzoeksnoden nog gericht zijn op menselijke ontwikkeling, dan wel eerder op de ontwikkeling van de economie als zelfstandig subsysteem.

Ook ging de transitie naar de kennissamenleving gepaard met een verandering inzake het type kennis en onderzoek dat vandaag, om het letterlijk te stellen ‘in de markt ligt’. “Eén van de grote implicaties van het primaat van de economie, van het denken in deliverables, voor onderzoek is dat onderzoek vandaag bij voorkeur casuïstisch is. We moeten snoeien in de breedte -een (in de ogen van sponsors) herkenbare selectie maken uit het te onderzoeken materiaal- en in de lengte - onderzoeksprojecten beperken zich vandaag meestal tot een horizon van 4 jaar- van onderzoeksprojecten. Hierdoor wordt onderzoek tot een fundamenteel niveau en daadwerkelijk ingrijpen op ‘ontwikkeling’ haast onmogelijk, aangezien ontwikkeling zich voltrekt op het niveau van structuren en bijna per definitie generationeel is. Voor de sociale wetenschappen betekent dit dat we zeer weinig toegepast onderzoek kunnen uitvoeren. Het opleiden van een klein aantal literacy-experten in een ruraal gebied bijvoorbeeld, past niet in dit economisch onderzoeksparadigma, en zal niet als ‘onderzoek’ maar als een ‘project’worden bekeken.” (Blommaert, 2003).

UNESCO (2002) beschrijft de huidige situatie zelfs als een trendbreuk met het traditionele universitair onderzoek dat vrij en lange-termijnonderzoek kon zijn. “De huidige context prefereert andere criteria,” zo stelt men, “voornamelijk onmiddellijke toepassing en gediversifieerde subsidiebronnen. Het resultaat is een trend van academische kapitalisatie of privatisering van hoger onderwijs en onderzoek, waarbij kennis als verhandelbaar goed primeert.” Dat deze trendbreuk de relatie tussen onderzoek en ontwikkeling bemoeilijkt, wordt ondermeer door de UNDP in haar Human Development Report 2001 erkend. Ze duiden hierin bijvoorbeeld het probleem van het korte-termijnonderzoek, door te stellen dat “current politics and the short-term planning horizons of many bilateral and multilateral donor agencies limit investments in S&T and technology-based development programmes that require long-term experimentation before they show results.” (UNDP, 2001)

2. ONDERZOEK ALS POLITIEK-ETHISCHE
VERANTWOORDELIJKHEID


Met de beklemtoning van de toenemende betekenis van kennis voor ontwikkeling enerzijds en de bemoeilijkte condities waarmee aan kennisverwerving kan worden gedaan anderzijds, willen we erop wijzen dat de vraag naar ‘ontwikkelingsrelevant onderzoek’ geen objectieve maar een normatieve inhoud kent. We bevinden ons hiermee in een ideologische discussie en moeten in de eerste plaats een grondige visie vormen waarop we een duurzaam en ontwikkelingsgericht onderzoeksbeleid kunnen baseren. Deze visie is verwant aan vragen als ‘hoe begrijpen we ontwikkeling?’ en ‘in welke mate kiézen we voor het zuiden en zetten we onze eigen onderzoeksprioriteiten in bij onderhandelingen over onderzoeksnoden?’.

2.1. Ontwikkeling is meer dan economische vooruitgang


Veel landen in het zuiden hebben een economische ontwikkeling meegemaakt doorheen de laatste decennia, maar de verschillen tussen Noord en Zuid zijn vergroot en het aantal mensen dat in armoede leeft, is gegroeid (Nair & Menon, 2002). Ontwikkeling in zijn menselijke betekenis is dus meer dan economische vooruitgang, en toch worden ‘de markt’ en zijn afgeleiden nog steeds graag als metafoor voor ontwikkeling gebruikt. Men stelt de markt voor als een natuurfenomeen, als een geheel van verzakelijkte relaties waarop de mens geen invloed hoort uit te oefenen. Problematisch in relatie tot het ontwikkelingsvraagstuk is de ingebeelde gelijkheid waarop het marktprincipe is gestoeld (Doom, 2000) en die contrasteert met de feitelijke ongelijkheid op het wereldtoneel. Het resultaat van deze letterlijk irrealistisch werkende logica is dat, indien niet wordt gecorrigeerd, de bestaande ongelijkheid zichzelf reproduceert.

Ook de verspreiding van kennis wordt quasi exclusief bepaald via dezelfde principes van de markt die het wereldsysteem sturen. En de onvoorstelbare kloof die er een direct gevolg van is, sluit grote groepen buiten en reduceert hun autonome keuzes tot nul (Doom, 2000). Ontwikkelingsgericht onderzoeksbeleid mag de markt noch als enige voorwaarde voor (onderzoek wordt toevertrouwd aan landen en centra waar reeds onderzoekscapaciteit aanwezig is), noch als enige doel voor (onderzoek op grondstoffen voor een nieuwe gsm-microchip gebeurt misschien in ontwikkelingslanden, eventueel met lokale onderzoekscapaciteit, maar dient geen ontwikkelingsdoel alsdusdanig maar een marktdoelstelling) kennisverwerving hanteren.


2.2. Ontwikkeling bestrijdt structurele armoede


Eerder dan menselijke ontwikkeling te willen definiëren op basis van of tegenover economische ontwikkeling, lijkt het ons vruchtbaar voor een ontwikkelingsgericht onderzoeksbeleid zich te baseren op de realiteit van armoede. Binnen het kader van duurzame ontwikkeling neemt armoede sowieso een centrale rol in: niet alleen zal absolute schaarste op een onevenredige manier de meest kwetsbaren treffen, armoede zelf ondergraaft duurzaamheid (Doom, 2000). Actuele meetinstrumenten definiëren armoede multidimensioneel en zijn rechtstreeks bruikbaar om een beleid uit te tekenen. In de Human Development Index (HDI), die in 1990 door de UNDP werd geïntroduceerd, is armoede een combinatie van de pijlers inkomen, levensverwachting en opvoeding. Met de Human Poverty Index (UNDP, 1997) wordt dit ruime armoedebegrip en zijn implicaties voor ontwikkeling verder uitgewerkt: “The HDI measures progress in a community or a country as a whole. The HPI measures the extent of deprivation, the proportion of people in the community who are left out of progress”(UNDP, 1998, 25).

Naast deze genuanceerde meetschalen die armoede en ontwikkeling bruikbaar in kaart brengen, is het voor een beleid ook belangrijk op een fundamenteler niveau na te denken over armoede om politieke keuzes te verantwoorden. Het aanvankelijk overtrokken optimisme inzake het dichten van de ontwikkelingskloof -men sprak zelfs van “the developing decade”- werd met de ontnuchterende conclusie van de “widening gap” definitief in de kiem gesmoord (Robinson, 2002). Na de jaren ’70 en ’80 –waarin de ontwikkelde wereld z’n belangen steviger definieerde en de derde wereld voor ’t eerst ook op het politieke toneel verscheen- maakte men eind jaren tachtig opnieuw de rekening op en introduceerde men de nu nog steeds dominante armoedestrategie. In het wereldbankrapport “Poverty” (1990), dat voor dit gedachtengoed illustratief is, stelde men vast dat sinds 1960 “poverty has declined and the incomes even of those remaining in poverty have increased” en dat wat traditioneel als de derde wereld gold steeds verder gedifferentieerd is2. De herwerkte strategie van armoedebestrijding wordt een combinatie van “the productive use of the poor’s most abundant asset’s – labor” en “to provide basic social services”. Met andere woorden, de hoofdstroom van het denken rond armoede heeft de opvattingen rond structurele ongelijkheid verlaten. Op wereldvlak bestaan geen fundamentele antagonismen meer en dus is er enkel nog nood aan efficiënt management in een als ‘lineair’ gedefinieerde ontwikkeling (Doom, 2000).

Net deze structurele armoede en structurele ongelijkheid lijkt ons het onderwerp van een ontwikkelingsgericht (onderzoeks)beleid. Hoe kunnen we ongelijkheid bestrijden door ze (passief) te ontkennen? Verdienstelijke pogingen om permanente breuklijnen opnieuw op de agenda te plaasten worden o.m. ondernomen door Wallerstein -die als doel van z’n wereldsysteemanalyse wetenschappelijke ontleding ondergeschikt acht aan verandering- en in het debat rond duurzame ontwikkeling, al is de ecologische schaarste waarop het paradigma zich beroept alweer een gepolitiseerde zaak3.

1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   27

  • 2. ONDERZOEK ALS POLITIEK-ETHISCHE VERANTWOORDELIJKHEID
  • 2.1. Ontwikkeling is meer dan economische vooruitgang
  • 2.2. Ontwikkeling bestrijdt structurele armoede

  • Dovnload 0.74 Mb.