Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Onderzoeksopdracht Vlaams wetenschappelijk onderzoek

Dovnload 0.74 Mb.

Onderzoeksopdracht Vlaams wetenschappelijk onderzoek



Pagina5/27
Datum04.04.2017
Grootte0.74 Mb.

Dovnload 0.74 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   27

2.3. Ontwikkelingsrelevant onderzoek vangt aan bij de ongelijke machtsbalans inzake onderzoek


De dubbele evolutie inzake de betekenis van onderzoek voor ontwikkeling (zie 1) en het gebrek aan politieke visievorming over het thema gaf in het verleden meermaals aanleiding tot onduidelijke politieke impulsen. Een recent voorval op Europees niveau waarbij de Commissaris en administratie DEV (Ontwikkeling) en de Commissaris en administratie RTD (Onderzoek) de materie dan weer wel en dan weer niet naar zich toetrekken is hiervan een mooie illustratie.4 De beleidslijnen onderzoek en ontwikkeling kruisen elkaar wanneer we het hebben over ontwikkelingsrelevant onderzoek, zoals correct wordt aangevoeld door Unesco dat in z’n Rationale van het ‘Forum on Higher Education, Research and Knowledge’ (2002) stelt dat onderzoek vandaag moet bekeken worden in termen van kenniscreatie én z’n bijdrage tot ontwikkeling. Een centraal ontwikkelingsprobleem, zo stelt UNESCO is gerelateerd aan de aanwezigheid van onderzoek om een antwoord te bieden op de lokale ontwikkelingsnoden van ontwikkelingslanden. Onderzoek is noodzakelijk om regeringen te helpen cruciale problemen op een duurzame manier aan te pakken.

De ontwikkelingslanden bezitten zeer weinig onderzoekscapaciteiten en het door hen geproduceerde onderzoek is een peulschil in vergelijking met de onderzoeksacitiviteit in de geïndustrialiseerde wereld. Minder ontwikkelde landen participeren nauwelijks in het definiëren of formuleren van problemen en de huidige stroom van snel geproduceerde kennis is erg onevenwichtig gespreid over de wereld. Deze onevenwichtige situatie heeft, in het licht van het toenemende belang van kennis voor ontwikkeling, verschillende gevolgen, aldus UNESCO:



  • ontwikkelingslanden hebben onvoldoende toegang tot externe kennis en kunnen reeds bestaande kennis onvoldoende toepassen en bruikbaar maken voor problemen waarmee zij worden geconfronteerd; ontwikkelingslanden profiteren kortom onvoldoende van internationaal onderzoek.

  • Intellectuele eigendomsrechten en patenten vormen een bron van ongelijkheid, gezien Noord-Zuidonderzoekssamenwerking vaak werkt met onduidelijke richtlijnen hierrond.

  • Data keren onvoldoende terug naar het land waar ze verzameld zijn en er zijn te weinig mogelijkheden voor mensen in het Zuiden om te leren van onderzoeksprocessen.

Een consensus is gegroeid dat de ongelijke distributie van technische know-how en informatieproblemen in het zuiden obstakels zijn voor ontwikkeling en in het bijzonder hen treffen die in armoede leven (Nair & Menon, 2002). Een situatie waarin onderzoekskennis en -vaardigheden in handen worden gehouden door een elite heeft zich ontwikkeld. De ongelijke machtsbalans tussen Noord en Zuid inzake onderzoek is overduidelijk maar toch wordt de enorme ethische verantwoordelijkheid van al wie betrokken is bij kennisopbouw en kennisdistributie onvoldoende erkend door het Noorden (Nair & Menon). Immers, “Sharing the fruits of scientific and technological progress is one of the most important ways that rich countries can help poor countries fight poverty” (UNDP, 2003)

De opbouw van deze onderzoekscapaciteit is een vereiste voor het zuiden, en een morele verantwoordelijkheid voor het noorden, en vergt dus overleg in en tussen landen in het zuiden, evenals tussen het noorden en het zuiden. (Nair & Menon, 2002) Maar omdat het competitief kennisveld met ongelijke startkansen wordt betreden (Gibbons, 1994) moet het Noorden in de eerste plaats handelen met een bewustzijn van zijn relatieve machtspositie: “Bridging the knowledge gap will require considerable investments in science and technology in the South, yet the current levels of investments are on average less than 0.5% of GDP, compared with 4-5% in the North. Because the former lack the resources to invest in science and technology, the North can play a vital role in building and strengthening such capacities within the framework of North-South research partnerships” (Retout, 1998).

Tenslotte…“Rich countries need to act – because eliminating human suffering is an ethical imperative. For rich countries to deliver on their commitments is a matter not just of charity but of policy…” (UNDP, 2003)

3. DE REELE ONDERZOEKSNODEN VAN
ONTWIKKELINGSLANDEN: NOOD AAN EEN
NIEUWE ONDERZOEKSBENADERING

3.1. Lokale noden als correctie of als uitgangspunt?


De recente explosie van wetenschappelijke kennis in High Income Countries werd significant vergemakkelijkt door de vlugge vooruitgang in computermogelijkheden en de verspreiding van de computer als een 'basic good'. Succes in onderzoek -op wereldschaal- is cruciaal afhankelijk van de beschikbaarheid van computerkracht en toegang tot het internet. Het ICT-netwerk in LIC's laat in deze zin veel te wensen over. Deze ongelijke start resulteert vandaag in een discrepantie tussen de wereldwijde onderzoeksagenda en de onderzoeksnoden van LIC's. (Greenidge& Engelhard, 2002)5. Bijvoorbeeld stelde de Commissie Onderzoek en Ontwikkeling van de Wereldgezondheidsorganisatie (1995) vast dat slechts 10% van het wereldwijde gezondheidsonderzoek wordt gewijd aan gezondheidsproblemen van 90% van de wereldbevolking. Het onevenwicht tussen wetenschappelijke inspanningen en sociale nood kunnen we meten door de totale uitgave voor onderzoek voor een bepaalde ziekte te delen door het voorkomen ervan. Voor malaria bijvoorbeeld levert dit een proportie op van 1/20. Deze ziekte leidt jaarlijks tot meer dan 1 miljoen doden en is bijna uitsluitend aanwezig in arme landen (99%). 6

Clive Thomas (1979) beklemtoont daarom de noodzaak te verzekeren dat ‘onderzoek voor ontwikkeling’ gerelateerd is aan de vraag van ontwikkelingslanden. Kennis mag als product dan al universeel zijn, ze is steeds de uitkomst van een kennisvraag die steeds in een bepaalde context, in een bepaalde cultuur is gesteld en dus in de eerste plaats relevant is voor deze sociaal-culturele context. De lokale noden van het zuiden zijn vanuit de wisselwerking tussen globalisering en decentralisering om te beginnen een belangrijke correctie op een ontwikkelingsconcept dat louter economiegebaseerd is. “The more the world is culturally fluid and permeable, the louder are assertions on all sides of cultural differences” (Spencer, 1990:290). Zonder lokaal-specifiek vraaggestuurd onderzoek kan de ongelijkheid binnen en tussen culturen en natiestaten niet effectief worden aangepakt (Nair & Menon, ECDPM, 2002).

Hoewel quasi alle beleidsinstrumenten aangaande onderzoek en ontwikkeling vandaag lokale noden van ontwikkelingslanden in hun programma opnemen, menen we gezien de blijvende discrepantie tussen het aandeel onderzoeksonderwerpen relevant voor de westerse wereld en deze die fundamenteel en in de eerste plaats de ontwikkelingslanden ten goede komen, nog een stap verder te moeten gaan: Worden lokale noden van ontwikkelingslanden slechts als correctie op onze eigen onderzoeksagenda behandeld of durven we deze noden ook als uitgangspunt voor ontwikkelingsrelevant onderzoek hanteren? De nieuwe woordenschat in de actuele Noord-Zuidonderzoekssamenwerking -‘partnership’, ‘capacity-building’,…(zie 4)- kan weliswaar een poging zijn om lokale noden inherent te betrekken in onderzoekssamenwerking, net zo goed echter kan het een elegante manier zijn om blijvende prioriteit te geven aan de eigen agenda (Doom, 2003).

1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   27

  • 3. DE REELE ONDERZOEKSNODEN VAN ONTWIKKELINGSLANDEN: NOOD AAN EEN NIEUWE ONDERZOEKSBENADERING

  • Dovnload 0.74 Mb.