Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Onderzoeksopdracht Vlaams wetenschappelijk onderzoek

Dovnload 0.74 Mb.

Onderzoeksopdracht Vlaams wetenschappelijk onderzoek



Pagina6/27
Datum04.04.2017
Grootte0.74 Mb.

Dovnload 0.74 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   27

3.2. Glokaliteit en de nood aan‘capaciteit’


Met het beschrijven van de reële onderzoeksnoden van ontwikkelingslanden als uitgangspunt voor Noord-Zuidonderzoekssamenwerking beklemtonen we de vraag wie een onderzoeksonderwerp als ‘noodzakelijk’ naar voor schuift. Traditioneel bepaalt het Noorden met zijn ontwikkelingsconcept de onderzoeksagenda, zelfs meent het in veel gevallen de spreekbuis te kunnen zijn voor de belangen van ontwikkelingslanden (Nair & Menon, 2002). Deze benadering keert de logica om en neemt de situatie in het zuiden –wat zijn de noden en welke capaciteit is reeds aanwezig om hieraan te beantwoorden- als startpunt om ontwikkelingsrelevantie van onderzoek te definiëren.

Dit betekent echter niet dat noden gearticuleerd door het Zuiden per definitie slechts refereren aan de lokale ontwikkeling, en hiermee afgesneden zijn van ontwikkeling als een wereldwijd fenomeen. Bijvoorbeeld is het actuele wiskunde-onderwijs in Latijns-Amerika van vrij goed niveau en adequaat om te functioneren in de samenleving ginder vandaag. "Het probleem ontstaat pas wanneer men wil verder studeren…” (Soetaert, 2003). Levenskwaliteit moeten we dan ook, zo stelt Amartya Sen (2002), meten in termen van de individuele mogelijkheid of potentie om te realiseren wat men wil. Streven naar rechtvaardigheid betekent dat basismogelijkheden voor eenieder gelijk moeten zijn, of met andere woorden ‘patent injustices’ (armoede, genderongelijkheid) (Sen, 2002) moeten worden bestreden.

In de geglobaliseerde wereld wordt het zo snel duidelijk dat lokale noden van het Zuiden beïnvloed worden door de globale ontwikkeling (Soetaert, 2003), en dat ‘glokale noden’ een betere typering zijn om over de onderzoeksnoden van ontwikkelingslanden te spreken. Het definiëren van ontwikkelingsnoden voor het zuiden is het zoeken van een evenwicht tussen lokale en globale ontwikkeling. Want of ze willen of niet, derde wereldlanden draaien mee in het (economisch) wereldsysteem…empowerment in deze context betekent dat het Zuiden de capaciteiten vormt om vat te krijgen op de eigen ontwikkeling (Sen, 2002)

In dit streven naar een actieve rol voor het Zuiden aangaande elk ontwikkelingsthema, beklemtonen we de relatie tussen lokale onderzoeksnoden en -capaciteiten. Wetenschap en technologie zullen enkel lange-termijneffecten hebben indien onderzoek sociaal relevant en lokaal aanvaardbaar is (Nair & Menon, 2002). Een aantal NGO’s 7 zoeken daarom naar de integratie van onderzoek en technologie in hun armoedebestrijdingsprogramma’s door middel van ‘lokaal gecontextualiseerde’ kennis, en beklemtonen hierbij actieve deelname en zelfredzaamheid als belangrijke doelstellingen. Globalisering zorgde er immers voor dat voorheen ‘afwezige’ volkeren op het wereldtoneel hun noden kunnen articuleren via internationale netwerken. Lokalisering of decentralisering aan de andere kant beklemtoont de blijvende noodzaak van lokale participatie in het zoeken naar oplossingen voor acute noden (Greenidge & Engelhard, 2002).

Opdat “all regions should be enabled to benefit from increased research and innovation’ (E.U., 2003) is het dus niet overbodig onderzoekscapaciteiten van ontwikkelingslanden als een overkoepelende nood voor arme landen te benoemen en van onderzoek in en met ontwikkelingslanden te eisen hier -ongeacht het type onderzoek- aandacht voor te hebben. En we spreken hier over menselijke én technologische capaciteiten. Ontwikkelingseconomisten als Jeffrey Sachs (2002) tonen immers aan dat aan dat het gebrek aan investering in institutionele onderzoekscapaciteiten en technologische innovatie systemen in ontwikkelingslanden de inspanningen van deze landen om armoede, ziekte en ecologische problemen te bekampen ondermijnt. De groeiende kloof in ICT-capaciteit tussen geïndustrialiseerde en ontwikkelingslanden dreigt voor deze laatsten te leiden tot een structurele handicap en actie hierrond is een dringende vraag (UNESCO, 2002; ACP-EU, 2001). Niet voor niets is het toegankelijk maken van nieuwe technologieën –voornamelijk informatie-en communicatietechnologie- voor ontwikkelingslanden één van de actiepunten van het achtste Millenium Ontwikkelingsdoel -het ontwikkelingsdoel dat de verantwoordelijkheid van de rijke landen omschrijft- (UN, 20038).

3.3. Een verruimd armoedebegrip en de nood aan
onderzoeksruimte voor lokale thema’s


Maar in de huidige onevenwichtige middelensituatie houdt het streven naar een actieve rol voor het Zuiden voor de internationale onderzoekspolitiek meer in dan het werken aan onderzoekscapaciteit in het Zuiden. Gezien de ontwikkelde landen nog steeds in overgrote mate de onderzoeksagenda in handen hebben, is de opmerking van UNDP dat de onderzoeksactiviteiten van ontwikkelingslanden niet zomaar een afgeleide mogen zijn van de onderzoeksagenda die door de globale markt naar voor wordt geschoven, hier op z’n plaats: “if any form of development is empowering in the 21st century, it is development that unleashes human creativity and creates technological capacity. Many developing countries are already taking up the challenge to make this happen. Global initiatives that recognize this will not only provide solutions to immediate crises, but will also build the means to cope with future ones." (Human Development Report, 2001)

Hiermee grijpen we terug naar het ruime armoedebegrip en de les die we hieruit trekken. De HDI leert ons namelijk dat de relatie tussen economische welvaart en HDI niet evident is (de VS scoort bijvoorbeeld slecht, Cuba scoort goed) en niet automatisch is (sommige ‘arme’ landen doen het goed, bijvoorbeeld Vietnam; sommige rijke landen doen het slecht, bijvoorbeeld Koeweit). Ook sociale en culturele factoren bepalen de welvaart en het welzijn van een land. Voor onderzoek betekent dit dat onderzoeksonderwerpen de economische ontwikkeling moeten overstijgen en tevens het sociaal- en cultureel zelfverstaan van derde wereldlanden een plaats horen te geven. “Governmental and non-governmental organizations should sustain traditional knowledge systems through active support to the societies that are keepers and developers of this knowledge, their ways of life, their languages, their social organization and the environments in which they live…” (UNESCO, 1999). De sociale en vooral culturele situatie in het Zuiden is –zo leert ons een blik op het gevoerde onderzoek in en met ontwikkelingslanden- nog té weinig voorwerp van onderzoek en wordt te weinig gevalideerd als ontwikkelingsrelevante materie (Soetaert, 2003; Blommaert, 2003). We pleiten dan ook zonder meer voor meer openheid in de onderzoeksagenda voor deze thema’s, die overigens des te belangrijker blijken in het kader van de nieuwe onderzoeksbenadering die zich opdringt inzake onderzoek voor ontwikkeling (zie verder).


1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   27

  • 3.3. Een verruimd armoedebegrip en de nood aan onderzoeksruimte voor lokale thema’s

  • Dovnload 0.74 Mb.