Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Onderzoeksopdracht Vlaams wetenschappelijk onderzoek

Dovnload 0.74 Mb.

Onderzoeksopdracht Vlaams wetenschappelijk onderzoek



Pagina9/27
Datum04.04.2017
Grootte0.74 Mb.

Dovnload 0.74 Mb.
1   ...   5   6   7   8   9   10   11   12   ...   27

4.3. Vraaggestuurd onderzoek


Vraaggestuurd onderzoek of ‘demand-led research’ is een laatste methodiek waarbij we een kanttekening willen plaatsen. Vraaggestuurd onderzoek sluit direct aan bij de vraag naar de reële noden van ontwikkelinglanden, en heeft als belangrijkste assumptie dat indien stakeholders betrokken worden in het bepalen van de onderzoeksagenda, zij de onderzoeksnoden aanwezig in de gemeenschap zullen reflecteren (Nair & Menon, 2002). Dit uitgangspunt is grotendeels correct en bovendien faciliteert stakeholder-participatie niet enkel de vraaggestuurdheid van onderzoek, het verzekert ook dat de gegenereerde kennis contextueel relevant en toegankelijk is (zoals eerder aangehaald). Deze benadering reflecteert niet enkel een alternatieve benadering van ontwikkeling maar is ontwikkeling zélf, indien we kennisontwikkeling en empowerment als hand-in-hand gaande processen opnemen in het streven naar duurzame ontwikkeling. Net als capaciteitsontwikkeling en partnerschap getuigt ook vraaggestuurd onderzoek van het bewustzijn van een veranderende onderzoeks- en kennisbenadering (Gibbons, 1994). En toch heeft ook dit paradigma een pikant kantje: indien enkel diegenen met ‘macht’ worden gehoord -wie zijn de stakeholders?- kan vraaggestuurd onderzoek evenzeer de noden van gemarginaliseerden en armen ongearticuleerd laten. Daarom pleit men internationaal voor de noodzaak van onderzoekers die zich toespitsen op de vraag wat onderzoeksnoden zijn in een bepaalde sociaal-economische context. (Nair & Menon, 2002).

5. VAN ONDERZOEK NAAR POLITIEK: HOE DE
KLOOF TE OVERBRUGGEN?

Nood aan politieke visie en een kader


De invloed van onderzoek op politieke maatregelen is geenszins vanzelfsprekend. Academisch onderzoek heeft dikwijls minder impact dan onderzoekers zouden hopen (Finch, 1986)12. Redenen hiervoor liggen enerzijds op het onderzoeksniveau zelf (zie verder) maar in de eerste plaats is een coherent politiek kader voor onderzoek voor ontwikkeling onontbeerlijk. Het vastgestelde gebrek aan coherentie in ontwikkelingsgerichte onderzoekspraktijken en de rapportage ervan (fiches) wijst erop dat Vlaanderen wat dit betreft staat voor een interne en externe afstemmingsopdracht. Deze afstemming is onmogelijk zonder een duidelijke politieke visie: waar staan we als Vlaanderen voor met onze onderzoekspolitiek in, met en voor ontwikkelingslanden? En vervolgens hoe verhouden we ons tot politieke spelers in het veld (Europa, UN, Wereldbank,…)?

Vanuit het standpunt van ontwikkelingslanden is donor-coördinatie een urgente vraag (UNDP, 2003) en is het dus noodzakelijk dat ook minder grote politieke niveaus (zoals Vlaanderen) hun beleid en activiteiten weten te plaatsen tegenover en naast andere visies en praktijken die de ontwikkeling van onderzoek in derde wereldlanden mee bepalen. Dit houdt in dat we als Vlaanderen niet opnieuw het warme water hoeven uit te vinden en dat een blik op de visie van andere organisaties13 ons kan helpen een eigen beleidsvisie te ontwikkelen en ons intern afstemmingsprobleem op coherente wijze aan te pakken.


Onderzoek als vertikaal én horizontaal agendapunt


We stipten reeds meermaals aan dat onderzoek voor ontwikkeling zich bevindt op de kruising tussen de beleidslijnen onderzoek en ontwikkelingssamenwerking. Deze kruispuntpositie zorgt voor een bijkomende moeilijkheid tot het uitwerken van een doordachte en strategische aanpak van het thema. Momenteel worden hiertoe vanuit DGOS in het kader van bilaterale samenwerking akkoorden gesloten met de Belgische Universiteiten (VLIR aan Vlaamse kant), met de VVOB en met wetenschappelijke instellingen zoals het Instituut voor Tropische Geneeskunde en het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika, en wordt onderzoek voor ontwikkeling als het ware apart behandeld binnen de ontwikkelingspolitiek, als een vertikaal agendapunt. In een actueel door ECDPM voorgesteld kader voor onderzoek (het resultaat van het onderzoeksproject "ACP-EU Policy Dialogue on Research and Technology for Development") pleit men er daarentegen voor RTD te laten aansluiten bij de globale ontwikkelingspolitiek. Deze benadering is relevant gezien de doelstelling van het Cotonou-akkoord (Art.30D) om onderzoek als horizontaal agendapunt te hanteren. Voor individuele landen vergroot dit de mogelijkheden om RTD-prioriteiten aan te kaarten in hun ACP-EU samenwerkingsprogramma’s (National Indicative Plans, NIPs) en hun regionale strategieen (Regional Indicative Plans, RIPs). Concreet betekent dit dat we de mogelijkheid dienen te bekijken om ‘onderzoek’ als een horizontaal thema doorheen de actueel als prioritair geformuleerde themata (landbouw en voedselveiligheid, sociale economie, gender,…. DGOS, 2003) te behandelen.

Vanuit onderzoeksoogpunt stelt zich hetzelfde probleem in omgekeerde zin. Onderzoek in, met en voor ontwikkelingslanden wordt grotendeels behandeld als een afgescheiden deel van de globale onderzoeks- en wetenschapsontwikkeling. We kunnen er dan ook voor pleiten om het thema tot een noodzakelijk agendapunt te maken binnen elke wetenschapstak. De validering die wetenschappers krijgen voor hun inspanningen in ontwikkelingslanden lijkt ons hiertoe een belangrijk obstakel (Van Damme, 2003).


Geografische concentratie


Indien we de feitelijke activiteit van Vlaamse wetenschappelijke teams matchen met de op politiek niveau gehanteerde prioritaire landen, merken we dat beide wereldkaarten anders zijn gestructureerd. We kunnen ons enerzijds vinden in de prioritaire gerichtheid op ‘poorest countries’ – zoals nu ook de VLIR zijn gedifferentieerd landenbeleid hervormde tot de keuze voor samenwerking met LDCs en LMICs en in die zin aansluiting vond bij andere politieke niveaus (E.U., U.N.D.P.,Wereldbank)-. Anderzijds willen we wijzen op het gevaar van discontinuïteit ten aanzien van de reeds opgebouwde expertise, die tevens gelokaliseerd is in landen die niet vallen onder deze actuele filter. De uitbouw van een relevante geografische concentratie-politiek op Vlaams niveau dient ons inziens ook de reeds bestaande Vlaamse expertise in ontwikkelingslanden in rekening te brengen.

Publiek-private samenwerking


Onderzoek in, met en voor ontwikkelingslanden is lang niet enkel meer een zaak van louter publieke middelen. De competitieve kennisontwikkeling en het feit dat de kost van onderzoek in ontwikkelingslanden relatief laag is, maar tevens ethisch verantwoorde ontwikkelingsdoelen hebben ervoor gezorgd dat private instellingen strategieën en praktijken van onderzoek in, met en voor derde wereldlanden hebben ontwikkeld, waar we als publieke actor niet om heen kunnen kijken (Gibbons, 1994). Deze reëel bestaande evolutie pleit -opnieuw vanuit het standpunt van ontwikkelingslanden die een weg zoeken naar onderzoeksfinanciering- voor meer aandacht voor partnerships tussen publieke en private middelen (Vandamme, 2003). Het spreekt evenwel voor zich dat we hier als publieke partner een zeker ethisch protocol, gebaseerd op de notie ‘ontwikkelingsrelevantie’ en op intellectuele eigendomsrechten, horen te hanteren.

Nood aan een strategische benadering


Al bij al hebben we nood aan een strategische benadering van ontwikkelingsproblemen en hoe deze mede via onderzoek constructief aan te pakken. Zoals Philippe Busquin (2000) zegt "is het hoog tijd dat Europa (en bij uitbreiding de wereld) zijn specifieke historische en culturele tradities aangrijpt door de rollen om te draaien en de plaats die de wetenschap binnen de cultuur inneemt en de rol die de wetenschappers gevraagd wordt in de maatschappij te spelen opnieuw te bekijken." "We behandelden hierboven onderzoek in, met en voor ontwikkelingslanden als een politiek-ethische verantwoordelijkheid, een verantwoordelijkheid die om een strategische benadering vraagt" voegen we er graag aan toe. Want “het werkt eenvoudig niet om onderzoek –hoewel mogelijk excellent- te verspreiden, geïsoleerd van diegenen die uit het onderzoek zouden moeten leren, en dan te verwachten dat de onderzoeksresultaten hen sowieso interesseren”, zo stelt Sophie Laws (2003) in haar recente gids voor onderzoek voor ontwikkeling. “Men moet analyseren op welk niveau de beslissingen die men wenst te beïnvloeden worden gemaakt en destilleren welk type onderzoeksmateriaal hierbij aanvaardbaar is en welke actoren hierbij geconsulteerd moeten worden.” (Laws, 2003).

Een strategische benadering is noodzakelijk op het onderzoeksniveau zelf, in die zin dat het belangrijk is reeds in een vroeg onderzoeksstadium een ‘ownership’ op te bouwen met relevante organisaties en politieke niveaus. De toenemende aandacht voor de interactie tussen onderzoek en de nationale politiek in ontwikkelingslanden (VLIR, 2002; ECDPM, 2002) lijkt ons in deze een goede evolutie.

Maar ook -en vooral- willen we pleiten voor een strategische aanpak op het overkoepelend (Vlaams) politiek niveau, waarin de verschillende onderzoeken zich inbedden. Zoniet ontwikkelen we -afhankelijk van de onderzoeksinstelling en diens visie- geïsoleerde strategieën, waarin een overkoepelende visie ontbreekt. Onderzoeksinstellingen die werken met ontwikkelingslanden hebben nood aan dergelijk politiek-strategisch kader en een aansluitend overlegplatform. Niet enkel omdat politieke strategievorming niet hun expertisedomein is, maar tevens opdat hun reële ervaringen met onderzoek in ontwikkelingslanden en de relatieve politieke impact ervan bruikbaar zouden zijn voor strategie-optimalisatie op politiek niveau…over een ezel, een steen en twee stoten…

1   ...   5   6   7   8   9   10   11   12   ...   27

  • 5. VAN ONDERZOEK NAAR POLITIEK: HOE DE KLOOF TE OVERBRUGGEN
  • Onderzoek als vertikaal én horizontaal agendapunt
  • Geografische concentratie
  • Publiek-private samenwerking
  • Nood aan een strategische benadering

  • Dovnload 0.74 Mb.