Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Ons landschap

Dovnload 8.45 Kb.

Ons landschap



Datum24.09.2018
Grootte8.45 Kb.

Dovnload 8.45 Kb.

Ons landschap



Begin 20e eeuw

Als je van het Hoge Hexel over de Piksenweg richting Hellendoorn rijdt, merk je duidelijk dat je afdaalt. Je komt daar van een kleine heuvelrug (Wierden - Hoge Hexel) in het lage, vlakke veld dat tot begin deze eeuw nog onontgonnen was. De hele streek tussen Hulsen, Daarle en Hoge Hexel was een drassig heidegebied, met als laagste kern het huidige Wierdenseveld, Huurnerveld en Notterveen, waar zich hoogveen had ontwikkeld. Het drassige veld strekte zich in het zuiden uit tot de Grimberg bij Rijssen en werd alleen onderbroken door enkele wat hoger gelegen zandruggen, zoals de Scharlebelt en de Piksen.


De genoemde Piksenweg (niet dezelfde als de gelijknamige weg in Marle, gemeente Hellendoorn) voert na een paar honderd meter door een bosje, waar die verhoging duidelijk is te zien ter weerszijden van de weg. Bij het begin van dat bosje staat het hek van de oprijlaan van een grote boerderij uit de eerste helft van deze eeuw. Op dat hek staat te lezen: De Kolonie. Een duidelijke verwijzing naar de nog tamelijk recente 'kolonisatie' van deze streek. De weg rechtsaf, de Kolonieweg, loopt heel mooi op de grens van het lage land rechts en links een duidelijke 'haar', een zandrug, die een eindje uitsteekt boven de voormalige vochtige heide.
Veel oude plaatsjes zijn gesticht op dergelijke droge plekken in het drassige land en verwijzen daarnaar in hun naam: Westerhaar, Kloosterhaar. Maar ook: Haarle, Twilhaar, aan de andere kant van de Sallandse Heuvelrug, waar zich eveneens een laag gelegen streek bevindt.

Tot omstreeks 1900 was er buiten de oude esdorpen Hellendoorn, Haarle, Daarle en Noetsele maar een betrekkelijk klein deel van het buitengebied ontgonnen. Alleen langs de berg en langs de Regge lagen vrij smalle stroken grond die droog en vlak genoeg waren voor landbouw. Zo vinden we groepjes oude hoeven met hun kampen (akkers omgeven door houtwallen) in Notter, Zuna, Ligtenberg, Hulsen, Rhaan, Egede en het oude deel van Marle, aan de Hammerweg. Door de landschappelijke omstandigheden gedwongen had men hier geen grote aaneengesloten essen, zoals de dorpen, maar verspreide akkers, elk omgeven door een akkerwal. Het zo ontstane landschap heet 'kampen­landschap'.


De Hellendoornse en de Noetseleres worden niet doorsneden door houtwallen, maar omgeven door een grote wal, zoals nu nog is te zien. Toen na 1850 door opheffing van de marken de weg was vrijgemaakt voor verdeling van de gemeenschappelijke heiden, kwam de ontginning eerst nog maar traag op gang. Geen wonder, het was zwaar werk om van de schrale heidegrond vruchtbare aarde te maken en de afwatering was een groot probleem. Alleen kapitaalkrachtigen, zoals Vening Meinesz, de stichter van de Eelerberg, konden het zich veroorloven de zaken groots aan te pakken. Vening Meinesz liet in de West-Dammarkte (tussen Eeler- en Lemelerberg) een vaart graven van het Overijssels Kanaal tot aan de voet van de Eelerberg: de Boksloot, zo genoemd naar de platte schuitjes, bokken, die over dit watertje compost aanvoerden voor de bemesting van de ontgonnen gronden. Door het hele terrein werden afwateringssloten en greppels gegraven, die nu tot in het bos zijn terug te vinden.
Maar de grootscheepse ontginning kwam pas na 1900 op gang, toen het waterschap was opgericht om de afwatering te verbeteren. De hogere overheid bemoeide zich ermee en liet bijvoorbeeld in de mobilisatietijd (ten tijde van de Eerste Wereldoorlog) soldaten helpen bij de kolonisatie van de uitgestrekte drassige heiden van Oost-Nederland. In de Crisisjaren werden werklozen ingezet. Maar inmiddels kon voor de bemesting ook gebruik worden gemaakt van kunstmest, die uiteindelijk de schrale zandgrond vruchtbaar kon maken. Zo werd wat eens het meest algemene landschap van Oost-Nederland was, de drassige hei, tot iets uiterst zeldzaams. Zo kwam er eindelijk wat welvaart op het platteland.
Maar de natuur betaalde een hoge prijs: eens algemene planten zoals Klokjesgentiaan, Beenbreek, Wolverlei en Zonnedauw werden zeldzaamheden of verdwenen geheel. Adder, Ringslang en Heikikker verloren hun leefgebied. Het Korhoen beleefde een kortstondige opleving door vergroting van het voedselaanbod, om vervolgens te merken dat het terrein uiteindelijk ongeschikt werd. En voor passerende Kraanvogels op hun jaarlijkse trek bleef er nog maar een klein stukje Wierdenseveld over om even neer te strijken. Meestal doen ze dat daarom niet meer.
Zo ging het in Marle, zo ging het ook in het Helderse Broek, in het Notterveld, in het Rijssense Veen en de Zunase Heide, die nog steeds die naam draagt, maar niet meer herkenbaar is.

In het laatstgenoemde gebied, ten zuiden van de Ligtenbergerweg, zijn er nog stroken onontgonnen land. Daar groeit weliswaar geen heide meer, maar ze zijn, onbegraasd, dichtgegroeid met berken en elzen. Bomen overigens, die in heel het ontginningsgebied een prominente plaats innemen langs sloten en wegen.


De volgende keer wil ik wat verder ingaan op de waterhuishouding, die ook grote veranderingen onderging in de periode van onze landschapsgeschiedenis.
mei 1990

Harry Konijnenbelt


Dovnload 8.45 Kb.