Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Onthullingen vanuit de plattelandskamer thematische verhalenbundel 1

Dovnload 0.9 Mb.

Onthullingen vanuit de plattelandskamer thematische verhalenbundel 1



Pagina1/2
Datum28.10.2017
Grootte0.9 Mb.

Dovnload 0.9 Mb.
  1   2



Onthullingen vanuit de plattelandskamer

thematische verhalenbundel 1
Ter inleiding

Het is bekend dat al in de 17e eeuw de afgevaardigden van de vier Meierijse kwartieren gezamenlijk bijeenkwamen om algemene zaken te bespreken die de hele Meierij betroffen. Vergaderde men aanvankelijk in bepaalde herbergen, later werd de plaats van samenkomst de plattelandskamer in het stadhuis van ’s-Hertogenbosch. Binnen de muren van die kamer is, onder voorzitterschap van de hoogschout van ’s-Hertogenbosch of diens stadhouder, heel wat besproken en de meest spectaculaire onthullingen die met de religie te maken hebben zijn in deze thematische verhalenbundel samengevat. Ze geven een goede indruk van wat er binnen de Meierij zoal speelde. Het zijn meer de concrete belevenissen van de man en de vrouw in de straat om het wat populair uit te drukken.Om het geheel wat overzichtelijk te maken heb ik de informatie, naast het feitenmateriaal ten aanzien de Meierij in het algemeen en de stad ’s-Hertogenbosch, gebundeld per kwartier nl. de kwartieren Peelland, Kempenland, Oisterwijk en Maasland en vervolgens in alfabetische volgorde gezet per plaats in de onderscheiden Meierijse kwartieren.



De verhalen zijn terug te vinden in de verzamelde archieven vallende onder de ‘Kwartiersvergaderingen van Stad en Meierij’ BHIC toegang 10 inv.nrs. 1-16 afgekort met KSM over de periode 1637-1805. Het volledige KSM-bestand is tevens te raadplegen op mijn website www.henkbeijersarchiefcollectie.nl
Het thema van deze eerste bundel is gewijd aan alle archiefdocumenten die een beeld geven van de acties, bedreigingen, verstoringen van predicaties en godsdienstige vieringen, vervallen en op te bouwen schuurkerken of kerkenhuizen c.q. kerkschuren, discussies en aantijgingen van de hervormden versus de roomsen, ontvoeringen met de intentie iemand te bekeren, arrestaties van priesters etc. Sinds de Vrede van Munster in 1648 is vanuit de Staten Generaal in generaliteitsland Staats-Brabant de politieke en godsdienstige reformatie voluit ingezet en kwamen steeds meer hervormden vanuit de noordelijke Nederlanden naar het zuiden afzakken en bezetten hier de meest belangrijke veelal leidinggevende posten in steden en dorpen zoals schout, stadhouder, drossaard, chirurgijn, secretaris, schepenen, schoolmeesters en meer van dergelijke belangrijke functies binnen de toenmalige samenleving. Tot aan de Napoleontische periode zouden ze, duidelijk in de minderheid zijnde, op gespannen voet leven met de ingezetenen in het uitgesproken katholieke zuiden. Om enig inzicht te krijgen in die gespannen situatie over en weer, zijn deze onthullingen bijzonder illustratief. Dat was ook de reden om deze kwartiersvergaderingen eens extra onder de loep te nemen en deze conflictueuze omstandigheden nader te analyseren. Nadeel is dat het slechts één archiefbron betreft, want er zijn natuurlijk ook andere archieven denkbaar, o.a. de vele resoluties van de Staten Generaal en Raad van Stae, archieven van de classis etc., waar dit soort informatie is terug te vinden, wat mogelijk nog interessante aanvullingen zou kunnen opleveren.

Henk Beijers amateur-historicus

lid van de historische werkgroep van heemkundekring Schijndel

Vught 2014
PS Bij voorbaat excuses voor misschien hier en daar een tikfoutje in het tekstbestand

Enige bijzonderheden over de plattelandskamer

De 10e mei 1670 werd voor het nieuwe en tevens derde stadhuis van de stad door metselaar Gysbert van der Lip en anderen de eerste steen gelegd, waarna met de bouw daarvan begonnen werd. De kosten ervan waren geheel voor rekening van de stad, ondanks dat de vier kwartieren van de Meierij haar in 1673 verzocht hadden om hen in plaats van hun zgn. plattelandskamer een nieuwe kamer in dit stadhuis te geven. In 1674 werd door de stadsregering besloten hen een nieuwe vergaderkamer aan te bieden onder voorwaarde dat zij, als magistraat van de stad, die kamer voor hun eigen college zouden kunnen gebruiken als de gedeputeerden der vier Meierijse kwartieren ze niet voor hun eigen vergaderingen nodig hadden. De kamer die ze kregen was de vergaderkamer welke gebouwd was boven de zgn. rolkamer van dit derde stadhuis. In de vensters lieten de vier kwartieren der Meierij glasruiten plaatsen, waarin de kwartierswapens waren ingebrand als ook die van de kwartierschouten. Deze wapens zijn in 1772 weer verwijderd toen die vensters hersteld werden.

[vrij naar A.Wetzer in de Bossche Encyclopedie]
1. Hervormden versus Roomsgezinden
Meierij algemeen

De kwartierschouten in de Meierij worden aangeschreven en tevens gelast zich nader te informeren over het leven en comportement [= gedrag] van de predikanten in de dorpen van hun eigen kwartier en specifiek of zij de godsdienst naar behoren waarnemen en welke devoiren [= inspanningen] zij leveren om met name de aankomende jeugd in de gereformeerde religie en in de ‘gronden der zaligheid’ te onderwijzen, maar ook om de pausgezinden tot het gehoor van Gods woord en tot bekering te brengen, waarover de kwartierschouten gevraagd worden te rapporteren [KSM inv.nr.6 dd. 8 juli 1681]


Rapport van de gedeputeerden van de Staten Generaal die een remonstrantie [= betoog, beschouwing] hebben onderzocht van de gecommitteerden [= afgevaardigden] van de classis van Peel- en Kempenland omdat ze diep geraakt zijn naar aanleiding van ‘het langdurig kermen en verzuchten, ja bittere tranen van veel nood, ja hongerlijdende predicanten en schoolmeesters’. In deze klachtenregen staat rentmeester Van Beresteijn centraal vanwege diens wanbetalingen. De remonstrantie is doorgestuurd naar de Raad van State [KSM inv.nr.6 dd. 5 november 1682]
Rekest van de vier kwartierschouten van de Meierij over de ingezetenen behorende onder de paapse religie om hun kinderen ten overstaan van de secretaris van hun plaats aan te geven met naam en toenaam en de namen van de ouders en wel binnen zes dagen na de geboorte van het kind, welke namen dan worden opgenomen in een speciaal register en wie zich niet aan dit voorschrift houdt loopt het risico van een boete van zes Karolusgulden [KSM inv.nr.6 dd. 30 september 1683]

Bericht dat te Vught en ook in andere plaatsen in de Meierij als schepen zijn aangesteld personen van de paapse religie [KSM inv.nr.6 dd. 15 februari 1687]


Rekest van het classis van Peel- en Kempenland continuerende hun klachten over de dagelijkse stoutigheden van de papisten in de Meierij van ’s-Hertogenbosch met verzoek deze te weren als ook het houden van paapse scholen te beletten, welk rekest wordt doorgestuurd naar de hoogschout en de onderscheiden kwartierschouten om zich naar behoren te laten informeren over deze praktijken o.a. door geordende monniken en priesters en te procederen tegen paapse scholen [KSM inv.nr.7 dd. 3 november 1699]
Rekest van de Meierijse kwartierschouten aangevende dat door de classis van Peel- en Kempenland op 5 november 1699 een rekest is gepresenteerd aan de Staten Generaal en daarbij gecontinueerd hebben de klachten te bespreken over de stoutigheden, buitensporigheden der papisten en dit rekest is doorgestuurd naar de hoogschout van ’s-Hertogenbosch en de kwartierschouten, met verzoek zich exact te informeren over deze kwestie in hun district en hun bevindingen door te geven. De vrijheer van Heekeren, thans hoogschout te ’s-Hertogenbosch, heeft de kwartierschouten aangeschreven binnen 8 dagen een lijst te overhandigen met de namen van de zgn. geestelijke personen, binnen 14 dagen enigen van hen te laten vertrekken en voorts zich te laten informeren over allerlei stoutigheden der papisten [KSM inv.nr.7 dd. 7 januari 1700]

Reglement bestaande uit 41 artikelen betreffende de aanstelling van kerk- en armmeesters in de Meierij van ’s-Hertogenbosch [KSM inv.nr.7 dd. 16 maart 1700]


Rekest van de classis van Peel- en Kempenland inhoudende dat de Meierij van ’s-Hertogenbosch hoe langer hoe meer door vagebonden, dieven en struikrovers wordt geïnfecteerd en het is te vrezen dat vanwege de cavatie [= gebrek aan] der militie hun getal alleen maar aangroeit, waardoor de wegen onveilig en de ingezetenen in hun huizen gevaar liepen en ze pleiten voor het wederom aanstellen van een landdrost ofwel bv. te Eindhoven en Helmond of op andere geschikte plaatsen een of twee compagnieën in garnizoen te leggen waarvan de commandanten dagelijks enige militairen door de Meierij laten patrouilleren met bijvoeging van het regiment dat te Weert in garnizoen ligt of dat de Hoog Mogenden een andere middel weten te bedenken om de Meierij te beveiligen. Het rekest wordt doorgestuurd naar de heren gedeputeerden der Meierijse zaken [KSM inv.nr.9 dd. 20 november 1714]
Rekest van de classis van Peel- en Kempenland aangevende dat in de beide genoemde kwartieren zeer veel gruwelijke moorden begaan worden waarvan de daders niet worden vervolgd maar gepermitteerd vrij en ongehinderd in hun woonplaatsen te blijven en niet tegen hen wordt geprocedeerd. Voorts melden ze dat de roomse religieuzen nog de kloosters van Dommelen en van Ommel hebben, waar ze zich niet ontzien om driemaal daags de klokken te luiden, het getal der religieuzen van tijd tot tijd groter laten worden en aangroeien, bedevaarten houden, niettegenstaande dat de kloosters enige jaren geleden op order van de Raad van State verkocht waren geweest onder conditie, dat daar geen nonnen, begijnen of enige geestelijken mochten vertoeven, noch enige roomse godsdienst uitgeoefend zou mogen worden. Al diverse malen hebben de supplianten zich hierover beklaagd bij de Ho: Mo: en hen verzocht te ordonneren dat deze kloosters door de paapse religieuzen zouden mogen worden ontruimd. Op 31 oktober 1711 was al een resolutie gestuurd aan het officie fiscaal dat nadien de nodige inspanningen heeft gedaan de kloosters te laten ontruimen, maar ze zijn er nog steeds en worden nog bezeten door de roomse religieuzen. Men verzoekt wederom op te treden tegen de daders van moorden etc. en vervolgens ook inspanningen te leveren om de genoemde kloosters ontruimd te krijgen en ervoor te zorgen dat daar geen roomse godsdienst meer uitgeoefend kan worden [KSM inv.nt.9 dd. 26 oktober 1715]
Missive van de Raad van Brabant geschreven op 22 april in Den Haag op een rekest van de classis van Peel- en Kempenland inhoudende een verzoek dat de Ho: Mo: tot meerder afschrik, de predikanten, officianten en andere lieden van de gereformeerde religie onder genoemde classis gehorende, zowel de personen als hun goederen en families in bescherming te nemen en sauvegarde te bieden, interdicerende [= verbiedende] aan alle en eenieder hen op enigerlei wijze te lederen [= kwetsen] op straffe van de gehele gemeente die daarvoor dan aansprakelijk gesteld zal worden. Mocht het ondanks dat toch gebeuren dat iemand van de gereformeerde religie ter dood gebracht zou worden of door brandstichting of beroving schade toegebracht zou worden, de gehele gemeente en met name de roomsgezinden daarin verantwoordelijk gesteld zouden worden voor een gepaste vergoeding. De kwartierschout van Peelland wordt opgeroepen tot het weren van vagebonden en landlopers, ter beveiliging van de gereformeerden die midden in het pausdom wonen. Hierop is gedelibereerd en zijn in acht genomen de plakkaten van 4 juli 1657, 11 juni 1666 en 4 juni 1683 waarin voorzien is tegen alle moedwillige brandstichtingen en andere boosheden, overlast en schade die op het Brabantse platteland vooral aan predikanten en andere lieden van de gereformeerde religie zouden worden aangedaan. De kwartierschout van Peelland zal worden aangeschreven om enige dienaars aan te stellen van de gereformeerde religie ter wering van vagebonden en landlopers en brieven van sauvegarde te verlenen aan o.a. Bernardus van Altena predikant te Mierlo en Willem Hendrik Vermeer predikant te Asten [KSM inv.nr.10 dd. 16 mei 1720]
Rekest van de gezamenlijke kwartierschouten van de Meierij van ’s-Hertogenbosch aangevende dat zij meer en meer ervaren dat de stoutigheden der roomgezinde ingezetenen en wel voornamelijk van hun priesters en kapelaans, zoals dat door sommigen al meermaals is geventileerd. Om al die onordentelijkheden in de toekomst te voorkomen is van belang dat er op gelet wordt dat, bij overlijden of overplaatsing van een priester of kapelaan de vacante plaats te laten bezetten door een man van ‘sagtsinnige humeur, van goede conduites, bekende trouwe en geensints geset om superstitieuse grillen en andere paapsche stoutigheden aan te regten’. Dat de Ho: Mo: ten opzichte van het dorp Den Dungen onder het ressort van de hoogschout bij resolutie van 27 november 1726 hebben gelieven te verstaan, dat in plaats van de Meierij die onder het ressort van de hoogschout behoren, bij vacature geen roomse priesters of kapelaans enige pastorieën zullen mogen bezetten of roomse godsdienst plegen tenzij met voorkennis en goedkeuring van genoemde hoogschout en alleen nadat men vooraf gepresenteerd heeft een getuigenis van de staat en het gedrag van degene die de vacature invult [KSM inv.nr.1 dd. 27 juni 1727]
Vergadering van de Ho: Mo: en gecommitteerden der Meierijse zaken en enige van de Raad van State over de klachten van de officieren in de districten van de generaliteit en speciaal het district van stad en meierij van ’s-Hertogenbosch over de stoutigheden van de roomsgezinden en over de wanbetaling der recognities van de officieren wegens de uitoefening van de roomse godsdienst, waarbij diverse besluiten zijn genomen. Hierbij wordt verwezen naar de plakkaten van na de vrede van Munster met als maatregel om de uitoefening van de roomse godsdienst te verbieden Daarna volgt een publicatie over dat onderwerp. [KSM inv.nr.12 dd. 19 juli 1730]

Rapport van de heren gedeputeerden m.b.t. de inhoud en publicatie van plakkaten en reglementen alsmede van enige gedeputeerden van de Raad van State die een ingekomen rekest hebben bestudeerd en onderzocht van 19 juli 1730 rakende de recognitiegelden die door de officiers van de dorpen worden getrokken van de roomse kerken en over het inteugelen van de excessen en stoutigheden door roomsgezinden in het district van de generaliteit. In die resolutie is het volgende omschreven:



  • ten opzichte van de admissie van roomse priesters is besloten dat de roomse priesters die er nu zijn zich niet behoren te voorzien van een zodanige akte van admissie als in de genoemde resolutie vereist, maar dat de priesters die sinds het verschijnen van die resolutie in een dorp zijn aangekomen of nog zullen komen zich van een dergelijke akte moeten voorzien met die limitatie [= begrenzing] dat de geordende priesters [= van een bepaalde orde] gehouden zullen zijn een gelijke verklaring van trouw en gehoorzaamheid met hun namen te ondertekenen wat wordt opgenomen in het register dat door de Raad van State wordt bijgehouden en welke verklaring en ondertekening provisioneel en tot nader order wordt overeengekomen

  • na informatie is duidelijk geworden dat in het markiezaat van Bergen op Zoom en de baronie van Breda de zending van de priesters wordt gegeven door de bisschop van Antwerpen in Vlaanderen en door de bisschop van Gent , in het land van Cuijk door de bisschop van Roermond, maar in hun plaats kunnen ook een nuntius of een andere gedelegeerde van de Stoel van Rome aangewezen worden i.v.m. het toekennen van die zending

  • een derde opmerking raakt de kanunniken van de abdijen Postel, Averbode, Sint Bernard en Tongerloo waarover een discussie wordt gevoerd of zij wel onder de geordende priesters gerekend moeten worden of niet, omdat de kanunniken geen leden van de abdij zijn en dientengevolge bij conniventie [= oogluiking] geadmitteerd zullen worden doch slechts op die plaatsen waar de abdij bezittingen heeft en zulks altijd op vertoon van een missie of zending, waarvan ter secretarie van de Raad van State aantekening zal worden gehouden

  • ten vierde is bepaald dat alle verzoeken die gedaan zijn of nog gedaan zullen worden om naast de priesters een assistent te mogen hebben zullen worden afgewezen en dat zulks alleen zal worden gepermitteerd bij ziekte van een priester, wiens dienst dan mag worden waargenomen door een priester uit een dichtbij gelegen dorp

  • inmiddels heeft men de ervaring dat in het district van de generaliteit een groot getal priesters en kapelaans zich heeft ingedrongen en daarom zal de Raad van State verder worden verzocht nergens meer waar een kerk is meer personen te admitteren maar slechts één priester en op de plaatsen waar meerdere kapelaans zijn er slechts één van te accepteren

  • dat in de stad ’s-Hertogenbosch waar momenteel door oogluiking tien roomse kerken zijn deze via een systeem van uitsterving zullen worden teruggebracht tot vijf en dat daarmee een begin zal worden gemaakt met de kerk in de Kruisstraat aldaar waarvan de priester is overleden, en de hoogschout is gelast deze kerk te sluiten

  • in de stad Breda waar behalve een begijnenklooster en een kapel nog drie kerken zijn wordt eveneens via uitsterving van de huidige priesters gestreefd naar twee en dat ook die uitstervingsregel van toepassing is op het begijnenklooster maar wel is toegestaan dat de begijnen die er nu wonen en ook mogen blijven, maar er mogen geen wisselingen plaats hebben en bij overlijden of vertrek mag hun aantal niet worden aangevuld

  • om contraventies [= overtredingen] in dit opzicht te voorkomen, zal de drost van Breda, na ingewonnen informatie, een nauwkeurige lijst opstellen van de begijnen die nu in het klooster zijn met toevoeging van hun ouderdom, geboorteplaats en het tijdstip waarop ze in het klooster zijn ingetreden en dat elk jaar een dergelijke lijst moet worden doorgestuurd naar de gecommitteerden van de Raad van State die in Breda komen; hij mag daarvan niet in gebreke blijven en dient de lijst te laten ondertekenen door de drie oudste begijnen in rang en bovendien moet die lijst geverifieerd zijn door de magistraat van Breda volgens de eed die zij aan de staat hebben gedaan. De drost zal er nauwkeurig op moeten letten dat van de kant der begijnen niet enig bedrog in het spel kan zijn, welk eventueel bedrog hij aanstonds aan de Ho: Mo: dient door te geven. Mocht dat het geval zijn dat zal het klooster als ‘uitgestorven’ worden betiteld en zullen alle begijnen gesommeerd worden te vertrekken en zal het klooster met alle toebehorende goederen aanstonds worden verkocht ten behoeve van degenen die daartoe gerechtigd zijn

  • nadien is geconstateerd dat behalve het klooster van Sint Agatha in het land van Cuijk aldaar nog een begijnenklooster bestaat in het convent van Maria Graf, waarvoor al door de domeinraad is bepaald dat dit klooster zou moeten uitsterven, waarop toezicht gehouden dient te worden

  • door Van Hogendorp drossaard van Steenbergen is een rekest ingediend op 30 augustus 1730, door Calkoen drossaard van het Westkwartier van het markiezaat van Bergen op Zoom is een rekest ingediend op 25 augustus 1730, door Van der Hoeven drossaard van Heeze en Leende is een rekest ingediend op 5 september 1730, door de Vries en Van Naarsen officier der vrijheden Oosterhout en Roosendaal is een missive gestuurd dd. 30 augustus 1730, door Lormier drossaard van de baronie van Cranendonk is een rekest ingediend op 15 september 1730 waarbij ze bewezen hebben, op basis van een resolutie van de Ho: Mo: van 19 juli 1730, dat ze hun ambt bezitten titulo onoreso/onoroso en dat ze de voorheen genoten recognities bij continuatie zullen mogen blijven genieten, zoals ook de drost van Breda een jaarlijkse recognitie van 3664 gl. in plaats van 3400 gl. geniet zoals op 19 juli 1730 begroot is

  • ook de drost van Bergen op Zoom en de schout van Standaaardbuiten [Stant daarbuijten] zal worden verboden voortaan enige recognities te trekken en ze worden gelast zich te reguleren naar de resolutie van 19 juli 1730 omdat zij hun ambten niet bezitten titulo onoreso/onoroso

Er is een publicatie uitgegeven waarin het volgende is omschreven:

“De Staten Generaal der Verenigde Nederlanden allen den genen die dese sullen sien of hooren leesen salut, doen te weten, dat andermaal sedert een geruijme tijt aan ons verscheijde klagten zijn voorkomen aan d’eene zijde van ingesetenen professie doende van de roomsche religie in de stad en meijerij van ‘sBosch en andere quartieren van de generaliteijt, over de procedure van verscheijde officieren, om d e voors. ingezetenen te constringeren tot betaling van seker recognitie om de permissie tot oeffening van den roomschen godsdienst onder coniventie en aan d’ander zeijde van gem: officieren over veel stoutigheden der gem: roomschgesinde ingesetenen en over derselver wijgering omtrent de betaling der voors. recognitiën, die gem: officieren scheijnen te willen rekenen als ordinaris emolumenten van haar ampten en Wij, na examinatie dier klagten en van de oorsaken waar uit die komen te spruijten, op huijden goedgevonden hebben die te reguleren hoeveel yder roomsche kerk, als waer de roomsche godsdienst onder coniventie [= oogluiking] word geoeffent, in de stad en meierij van ‘sBosch, de Baronije van Breda, ’t Marquisaat van Bergen op den Soom en in Vlaanderen, ressort van den staat, jaarlijx sal moeten worden betaalt, aan de ontfangers of kerkmeesters daartoe te authoriseeren en niet aan de officieren, dewelke Wij willen, dat van de Roomsche priesters of ingesetenen, voor die oeffening van haren godsdienst, onder coniventie, nog voor de dispensatie van de placaten en orders van den landen, niet sullen mogen trekken onder wat pretext ’t soude mogen weesen.

Soo is ’t dat wij tot beteijking van ons oogmerk in dit stuk, goedgevonden hebben bij vernieuwing en ampliatie van onse waarschouwing van den 8e mei 1666 onse publ[icatie] te verklaren en te statueren dat aan die geene, welke een of meer officieren, stadhouders en substituijten van deselve, als voor de welke de officieren dit stuk in zover sullen moeten inslaan en verandwoorden, sullen weten aan te brengen met behoorlijk bewijs aan den Raed of fiscaal van Braband, die contrarie onse placaten en de res[olutien] bij ons op den 19e july 1730 genomen met eenige Roomsche priesters of enige Roomsche ingesetenen sullen hebben gecomposeert of enig geld genoten of bedongen, ’t sij wegens jaarlijx sogenaamt recognitie, admisien van priesters en in ’t bijsonder mede van van Ficaris Generaal van ’t sogenaamt Bisdom van ‘sBosch of van der selver capelanen, ’t sij wegens ’t geven van berigten op req[uest] der Roomsgezinden om tot bekomingh, vernieuwing of reparatie van der selver kerkschuuren of onder wat benaming ’t selve ook soude mogen sijn directelijk of indirectelijk , uijtgesondert ‘tgene aan de officieren is toegevoegt bij Ons voors. res[olutie] promptelijk wegens ’t gemene land, voor ijder van de selve tot een premie sal worden betaalt de somme van 600 Caroligls., te vinden uit de goederen van gem: officieren, dat de selve officieren nog daar en boven sullen verbeuren ’t vier dubbeld van ’t geene sij in maniere voors. genoten of bedongensullen hebben te appliceeren de helfte aan de Fiscaal die de calange sal doen en de wederhelft aan den aanbrenger die deselve andere helft genieten sal, boven de voorgem: 600 gl. , die bij deselve promptelijk bij de aanbrenginge gegeven sullen worden, gelijk hier voren gestatueerd is, en wiens naam, des begeerende, sal worden gesecreteert; dat daar benevens alle officieren schuldig bevonden wordende, van haar bediening sullen worden gecasseert en andere in haare plaatsen gestelt en dat bovendien de stadhouders en substituijten, die sig in desen schuldig souden mogen hebben gemaakt sullen worden verklaart voor inhabel, eerloos, infaam en uit den landen gebannen en selfs na exigentie van saaken aan den lijven sullen worden gestraft”.



Aldus gearresteerd ter vergadering van de Ho: Mo: Heren Staten Generaal der Verenigde Nederlanden in Den Haag op heden 27 november 1755 [KSM inv.nr.15 dd. 27 november 1755]
Missive van de hoogschout van stad en meierij van ’s-Hertogenbosch inhoudende dat het haar Ho: Mo: op 27 november 1755 had behaagd op een representatie door het Officie Fiscaal van Brabant en de landen van Overmaze, te ordonneren dat de publicatie van 19 juli 1730 om de 5 jaren opnieuw zou worden gepubliceerd en aangeplakt zodat eventuele veranderingen meegenomen konden worden. De hoogschout heeft niet nagelaten de publicatie te verspreiden zoals het behoort. Ook wordt gemeld dat sedert enige tijd verschillende klachten zijn binnengekomen aan de ene kant van de ingezetenen professie doende van de roomse katholieke religie in stad en meierij en in andere kwartieren van de generaliteit over de procedures door verschillende officieren om de ingezetenen te dwingen [constringeren] tot betaling van een zekere recognitiegelden over de permissie tot beoefening van de roomse godsdienst onder coniventie [oogluiking]; aan de andere kant waarover de officieren die zich schuldig gemaakt zouden hebben aan de overtredingen van genoemde publicatie ztrafbaar zouden zijn, maar het was de hoogschout ook bekend dat er meer andere officieren onschuldig zijn en men verzoekt daarom de hoogschout, tot wegneming van de verkeerde denkbeelden ten laste van de onschuldige officieren, de publicatie te laten veranderen, maar dat daaruit niet mocht worden opgemaakt alsof er officieren waren die zich in hun ambt of bediening toch te buiten waren gegaan en dus strafbaar zouden zijn. De zaak wordt doorgestuurd naar de heren belast met de Meierijse zaken om samen met enige heren van de Raad van State dit nader uit te zoeken en over hun bevindingen te rapporteren [KSM inv.nr.15 dd. 14 mei 1756]
Stad ’s-Hertogenbosch en de vrijdom
Rapport van de heren Pauw van Agtienhooven en andere gedeputeerden van de Staten Generaal in verband met de Meierijse zaken die een rekest hebben bestudeerd van de afgevaardigden van de classis van ’s-Hertogenbosch naar aanleiding van de ‘hooggaende stoutigheden’ en insolenties [= buitensporigheden] der papen en pausgezinden in de genoemde stad en in de dorpen op het platteland en dat ter wering van die ongewenste praktijken en de versterking van de gereformeerde religie ter plaatse. Voorgesteld wordt een reglement samen te stellen en alle reeds gepubliceerde reglementen en plakkaten nog eens nauwkeurig onder de loep te nemen en inhoudelijk te onderzoeken [KSM inv.nr.6 dd. 24 november 1678]
Missive van de Heer Raesfeld hoogschout van de stad ’s-Hertogenbosch aan welke brief hij exemplaren heeft toegevoegd van het plakkaat tegen het profaniseren [= ontheiligen] van ‘sHeren rustdag, waarover met de magistraat van de stad is gecommuniceerd, welk plakkaat aldaar gepubliceerd zal worden. Hij spreekt in dit verband over de ‘quanselbrieven’ die oorzaak zijn van alle kwaad, vechtpartijen en doodslagen en dat daartegen geageerd dient te worden [KSM inv.nr. 6 dd. 16 april 1680]
Rapport van de heren Verbolt en andere gedeputeerden van de Staten Generaal reagerende op berichten van de hoogschout over de gepleegde insolenties der papisten in de Meierij van ’s-Hertogenbosch, waarin opgenomen het bericht dat de hoogschout zal moeten procederen tot bannissement [= verbanning] van paap Wassenberg en voorts zal de hoogschout worden aangeschreven om op de deuren van de geconfisqueerde kerk het wapen van de generaliteit te laten schilderen; voorts toe zal zenden aan de Hoog Mogenden een lijst van ornamenten die in de kerk zijn aangetroffen en tevens wordt hij verzocht de ingezette procedure ‘op het ijverigste sonder de minste tijdverlies off eenige conniventie [= oogluiking] te vervolgen’ tegen diegenen die zich hebben verstout enige penningen voor de paap te verzamelen, als ook de burgers zonder oogluiking voor de ordinaire boeten te executeren en te onderzoeken of iemand van hen aan de gedane resistentie handdadig is geweest en de Hoog Mogenden daarvan van tijd tot tijd te berichten [KSM inv.nr. 6 dd. 27 mei 1680]
Rapport van de heren Verbolt en andere gedeputeerden van de Hoog Mogenden afgevaardigd om de Meierijse zaken te behartigen, die een missive hebben onderzocht van de hoogschout van ’s-Hertogenbosch met twee bijlagen betreffende de stoutigheden die zijn gepleegd door de papisten in het opleiden van een jonge dochter tot klop of kwezel en van de feitelijkheden en resistentie die zijn stadhouders en de dienaars van de korte stokken door een groot aantal officieren en soldaten zijn aangedaan. Bovendien is een missive gelezen van de kerkenraad van ’s-Hertogenbosch dat ze betreffende die stoutigheden het ‘hoogwijs advis’ hebben ingewonnen van Zijne Hoogheid de Prins van Oranje, waarop is gedelibereerd en besloten de nodige orders te stellen tot het procederen tegen militairen die enige feitelijkheden hebben gepleegd. Voorts is besloten de paap Wassenberg te apprehenderen [= gevangen nemen] en tegen hem te procederen, welke zaak men van grote importantie acht en ook zal men actie ondernemen tegen de burgers die in de kerk zijn geweest en specifiek tegen hen die hebben deelgenomen aan de gepleegde feitelijkheden en de kerk, waarin de vergadering is gehouden, zal aan de staat vervallen en worden geconfisqueerd. Vervolgens zal men de gouverneur van de stad en bij diens absentie zijn commandeur, aanschrijven zich punctueel te houden aan de resoluties van de Staten Generaal van 22 april 1670 en 17 januari 1674 waarbij de gouverneur wordt gelast de hoogschout in zijn functie te assisteren [KSM inv.nr. 6 dd. 10 mei 1680 – twijfel over de juistheid van deze datering omdat hij volgt op de 27e van die maand]
Gerardus Wassenberg wonende te ’s-Hertogenbosch stuurt een rekest in met het verzoek aan de Staten Generaal of Hoog Mogenden in de hoop dat ze gelieven de suppliant op basis van een rechtmatige defensie [= verdediging] te horen en hem intussen te permitteren om vrijelijk in de stad te mogen komen en dat het bericht van hoogschout Raesfeld zou worden ingetrokken. Na deliberatie is besloten een kopie van dit rekest toe te sturen aan de hoogschout en tevens werd aangegeven dat de Hoog Mogenden ‘haer niet genoeg konnen verwonderen over de groote stoutheid van den suppliant’ van wie gezegd werd dat hij voortvluchtig was [fugitif] en de hoogschout zijn de procedure voortzetten [KSM inv.nr. 6 dd.25 oktober 1680]

De hoogschout reageert in een missive die hij vanuit Cortenberg geschreven heeft op de 24e oktober over de procedure tegen paap Van Wassenbergh en andere medeplichtige personen en de gedeputeerden van de Staten Generaal die de Meierijse zaken behandelen zullen alle retroacta [= voorgaande akten] nazien en nader onderzoeken en uiteindelijk aan de overheid verslag uitbrengen [KSM inv.nr.6 dd. 11 november 1680]


Missive van de schepenen van ’s-Hertogenbosch inhoudende dat Peter van den Bossche die aldaar omtrent 18 jaren heeft gewoond, bekend als ‘predicator generalis des convents der Predikheeren’ pastor en missionaris te ’s-Hertogenbosch. Hij zou zich verstout hebben om in het aangezicht van de Hoge Overheid een boek te publiceren getiteld ‘den Catholycquen Pedagoge of Christelijken Onderwijser’ en daarin ‘licentieux’[= ongebonden, dartel, wulps], stout en onbeschaamd, zonder enige vrees of ontzag voor de overheid of haar officieren, verscheidene ‘horrible’ [= verschrikkelijke], goddeloze, leugenachtige en ‘seditieuse’[= oproerige] stellingen heeft geventileerd die spottend waren voor de overheid en de voorstanders van de gereformeerde religie. De laster was van dien aard dat de magistraat niet goed wist hoe tegen dit soort zaken te procederen, maar zulke verschrikkelijke en oproerige personen zouden moeten worden verbannen niet alleen uit de Meierij van ’s-Hertogenbosch maar ook uit het gebied van de Verenigde Nederlanden [KSM inv.nr.6 dd. 21 februari 1686]
Daags daarna is door de gedeputeerden voor de Meierijse zaken over deze kwestie gedelibereerd en is besloten dat de stukken naar ’s-Hertogenbosch teruggestuurd zullen worden en de magistraat aangeschreven zal worden verder te gaan met het procederen tegen genoemde Petrus van den Bossche om vervolgens een sententie op te stellen, zoals dat volgens een goede justitie behoort. Ze worden bovendien gelast hem te verbannen niet alleen uit de Meierij maar ook uit het ganse district van de generaliteit [KSM inv.nr.6 dd. 22 februari 1686]
Rapport van de heer Schimmelpenningh van der Oije en andere gedeputeerden van de Staten Generaal belast met de Meierijse zaken, over een nader onderzoek van de onderdanen van de Hoog Mogenden van de Augsburgse belijdenis binnen ’s-Hertogenbosch, die om een vergunning verzoeken om haar openbare godsdienst in deze stad te mogen uitoefenen, waarvoor de voorlopig verlof krijgen en een uittreksel zal aan de magistraat van de stad worden gestuurd [KSM inv.nr.6 dd. 5 juni 1686]
Missive van de schepenen van ’s-Hertogenbosch inhoudende dat de Heer van Deurne als rentmeester der geestelijke goederen de schepenen in kennis heeft gesteld van de smet die hem en zijn familie is overkomen op de 29e juni. De oudste dochter van zijn oudste zoon de Heer van Liefferingen, oud omtrent 19 jaar en wonende ten zijnen huize, haar grootvaders huis waar ze is opgevoed, had zonder verdere opgaaf van redenen dat huis verlaten en zich buiten de stad begeven, maar hij wist niet naar welke plaats ze was vertrokken. Ze was opgevoed in de gereformeerde religie waarin ze ook belijdenis had gedaan, maar nu vreesde men dat ze zich heeft verstout zich te begeven naar een of ander klooster. Uit de informatie blijkt dat medeverantwoordelijk zou kunnen zijn de Heer van Waalwijk de zoon van de broer van de Vrouwe van Deurne die de roomse religie aanhangt. De schepenen hebben een conferentie belegd en daarin werd besloten, dat men zijn uiterste best zou doen om de verblijfplaats van de nicht van de suppliant te achterhalen. Verleden zaterdag zijn door de stadhouder van het hoog officie op het stadhuis twee roomse priesters of papen ontboden zodat enige opening in de zaak zou kunnen komen. De schepenen hadden bovendien goedgevonden dat de genoemde papen of anderen in gijzeling genomen mochten worden totdat genoemde juffrouw zou zijn ontdekt en tevens op order van de Staten Generaal alle papen te verbieden diensten te verrichten. De stadhouder heeft vervolgens een rekest gepresenteerd aan de schepenen van de stad tegen de Heer van Waalwijk en in geval van voortvluchtigheid tegen hem te procederen. Men beschouwde dit voorval als een zaak van groot gewicht, die een groot eclat [= opschudding, schandaal] zou geven onder de pausgezinden en een grote ergernis zou betekenen voor de gereformeerden, maar een brug zou kunnen zijn voor andere eerlijke lieden kinderen. De schepenen zullen de Staten Generaal informeren en het college verzekeren dat ze alles in het werk zullen stellen om genoemde juffrouw, die blijkbaar haar eerste toevlucht had genomen tot het klooster te Mol bij de zussen van de Heer van Waalwijk, weer terug te brengen bij haar grootvader en dat de schuldigen gestraft zullen worden [KSM inv.nr.6 dd. 9 juli 1689]
Nieuwe missive van de Bossche schepenen in deze zaak dat ze alles in het werk hebben gesteld om te ontdekken wie achter deze seductie [= verleiding] zitten en om welke schuilplaats het precies mocht gaan, want voorlopig dacht men aan dat klooster in Mol, met de bedoeling de Juffrouw van Lieffringen weer, na deze dwaling, onder de gehoorzaamheid van haar grootvader te kunnen brengen [KSM inv.nr.6 dd. 15 augustus 1689]
Rekest van de 13 leden van de kerkenraad der Nederduitse gereformeerde christelijke gemeente van ’s-Hertogenbosch inhoudende dat door overplaatsing van predikant Dominicus Schuring naar Leeuwarden de predikantsplaats vacant is en men wil graag Dominicus Steenwinkel, predikant te Wijk bij Duurstede, in zijn plaats benoemen [KSM inv.nr.6 dd. 9 mei 1696]
Rekest van de schepenen en gezworenen en raden van de hoofdstad ’s-Hertogenbosch inhoudende dat alom in de grote steden van de Zeven Verenigde Nederlanden als elders het een oud gebruik is om i.v.m. het beroepen van een dienaar van de gereformeerde religie in te nemen het advies der magistraten en na de gedane keuze ook de acceptatie te vragen van de magistraat. Ook geven ze aan dat deze manier van beroeping in de hoofdstad ’s-Hertogenbosch door de Hoog Mogenden op 25 november 1631 wel niet duisterlijk was geaccepteerd, terwijl daarbij na het ingenomen advies van de Raad van State was verstaan, dat de kerkenraad te ’s-Hertogenbosch over het beroepen der predikanten in de toekomst zouden corresponderen met de magistraat. Het woord correspondentie was ook gebruikt in het 4e of 5e art. van de Synode van Dordrecht gehouden in 1618 en 1619, over welke correspondentie toch enige discussie was ontstaan. Op 21 september 1636 was daarover een provisonele overeenkomst gesloten over het als dan vacerende leraarsambt dat door de kerkenraad twee predikanten op de nominatie zouden worden gebracht en dat er ook twee zouden worden voorgedragen door de magistraat. Mocht het gebeuren dat zowel door de magistraat als door de kerkenraad enigen zouden worden voorgedragen die een van de partijen als onaangenaam ervaren dat dan anderen in die plaats zullen worden aangesteld ofwel dat de kerkenraad naar ouder gewoonte verplicht was tot een nominatie maar het consent van de magistraat daarop te verzoeken [KSM inv.nr.9 dd. 17 maart 1714]
Rekest van de principaalste roomse ingezetenen van ’s-Hertogenbosch inhoudende dat omtrent vijf maanden geleden drie roomse kerkhuizen in de stad, waarin sinds enige jaren door wereldlijke priesters de roomse godsdienst wordt gedaan, zijn gesloten. Daardoor zijn zij in grote verlegenheid gebracht en zijn niet in staat hun roomse godsdienst naar behoren te belijden. De andere kerken zijn te klein om het grote getal roomsen te kunnen herbergen. Voorts halen ze een voorval aan nl. dat op 19 december 1723 in een van de andere kerkhuizen in het gedrang der mensen bekneld is geraakt en gestikt en naast haar waren er meerdere anderen die problemen hadden met de drukte en het gedrang. Ze dienen daarom een verzoek in dat de drie gesloten kerkhuizen weer mogen worden geopend [KSM inv.nr.11 dd. 6 maart 1724]
Missive van de hoogschout van ’s-Hertogenbosch geschreven in Den Haag op het rekest van de principaalste roomse ingezetenen van de stad ’s-Hertogenbosch waarbij ze hebben verzocht om het heropenen van drie van hun kerkhuizen. Na deliberatie is besloten de drie kerkhuizen weer te openen onder conditie, dat de roomsen zich strikt houden aan de voorschriften van hogerhand. De hoogschout zal aan de roomsen gaan aanzeggen, dat de Hoog Mogenden geïnformeerd zijn dat de predikant Oudenaarden, die van alle ouden tijden gewend is van tijd tot tijd te komen in de stad aldaar sinds kort meer dan eens kwalijk is behandeld en verjaagd. maar dat de Hoog Mogenden deze indulgentie gebruikende, ook verwachten dat de roomse ingezetenen van ’s-Hertogenbosch teweeg zullen brengen en metterdaad effectueren dat genoemde predikant Oudenaarden weder kan komen en dat hem, als vanouds in stilte levende, geen moeilijkheden zullen worden aangedaan [KSM inv.nr.11 dd. 15 maart 1724]
Rekest van Cornelis van Herwaarden te Den Dungen rooms wereldlijk priester geboortig van Maren inhoudende dat de Hoog Mogenden via een resolutie van 7 augustus 1710 goedgekeurd hebben dat de bediening van de roomse pastorie in Den Dungen niet anders zal worden voorzien dan van een seculier priester, maar desniettegenstaande de genoemde pastorie indertijd is bediend door een zekere Reijnerus Box. Box was een geordende monnik of minderbroeder. Zijn bediening was tegen de resolutie van de Ho: Mo: van 10 maart 1711. Daarop zou de hoogschout van ’s-Hertogenbosch worden aangeschreven en hem zou worden gelast om de monniken en dus speciaal deze Reijnerus Box uit de Dungense pastorie te weren en alleen maar seculiere priesters moest toelaten tot de dienst op hun pastorie. Box is inderdaad uit de pastorie gezet en is als vanouds als priester onder de roomsgezinden aangesteld de persoon van N.Manders, na wiens overlijden is aangesteld Jan Rijckevorstel [vgl. Rijkevorsel] , beiden seculiere priesters. de Rijckevorsel heeft de pastorie bediend tot aan zijn dood in 1725. Cornelis van Herwaarden heeft in die periode Jan Rijckevorstel geassisteerd. Na het genoemde overlijden is de pastorie bediend geweest door een zekere Franciscus Judith geboortig van Mechelen ook een ordemonnik of minderbroeder, die zich op aanhitsen van enige geringe ingezetenen in de pastorie had ingedrongen. Cornelis heeft toen, om opschudding te voorkomen en de goedgunstige oogluiking van de overheid niet te misbruiken, voor zichzelf besloten zich voorlopig van pastorale bedieningen te onthouden, totdat de Hoog Mogenden over deze zaak hadden gedisponeerd. Hij heeft wel aan de Ho: Mo; verzocht om voor de toekomst een andere werelds priester en inboorling aan te stellen tot het waarnemen van de pastorale bedieningen in Den Dungen [KSM inv.nr.11 dd. 10 april 1726]

Rekest van de voornaamste roomsgezinde ingezetenen die voor geen monnik maar voor de clergie genegen zijn om een verzoek in te dienen bij de Ho: Mo: om te vragen of die willen gelieven te permitteren aan Cornelis van Herwaarden om de roomse godsdienst te Den Dungen waar te nemen. Na deliberatie wordt gemeld dat de retroacta [= alle voorgaande akten] zullen worden nagekeken [KSM inv.nr.11 dd. 10 augustus 1726]


Besloten is het voorgaande rekest ter advisering door te sturen naar de hoogschout van ’s-Hertogenbosch [KSM inv.nr.11 dd. 21 augustus 1726]
Missive van de hoogschout van ’s-Hertogenbosch geschreven vanuit Den Haag als reactie op het rekest van Corstiaan Peters cum suis die zich hebben gekwalificeerd als voornaamste ingezetenen van Den Dungen onder de vrijdom van ’s-Hertogenbosch waarbij ze verzoeken aan de Hoog Mogenden om toe te staan dat Cornelis van Herwaarden de roomse dienst aldaar mag waarnemen. Na deliberatie is besloten dat de permissie gegeven aan de persoon van Gerardus Schuurmans in de roomse dienst waar te nemen onder oogluiking van de Hoog Mogenden zal blijven gehandhaafd en wordt het verzoek van de supplianten afgewezen. Bovendien is bepaald dat voortaan geen roomse priesters of hun kapelaans bij een vacature van bepaalde plaatsen in de meierij geen pastorieën meer mogen bezetten en ook geen roomse godsdienst mogen uitoefenen dan alleen met voorkennis en goedkeuring van de hoogschout en na zich aan hem gepresenteerd te hebben en t.a.v. hun gedrag en levenswandel een getuigenis is afgegeven en beloven om zich in alle zedigheid te zullen gedragen en mochten ze iets doen dat strijdig is kunnen ze uit hun pastorieën verdreven worden. Een extract wordt doorgestuurd aan de Hoog Mogenden en een kopie zal overhandigd worden aan de heren gedeputeerden der Meierijse zaken om het nader te onderzoeken en wat er nog meer zou kunnen gebeuren ter inteugeling van de inkruipende stoutigheden der roomsgezinden [KSM inv.nr.11 dd. 27 november 1726]

Rekest van de borgemeesters en verdere roomse ingezetenen van Den Dungen onder de vrijdom van ’s-Hertogenbosch aangevende dat het huis of de schuur waarin de supplianten hun godsdienst plegen, die zelfs zeer duur moeten worden ingehuurd of verpacht, zeer klein wordt bevonden en wel zodanig, dat zowel mannen als vrouwen van de roomse religie van buiten onder de blauwe hemel hun godsdienst moeten horen en plegen, wat voor de gereformeerden als zeer aanstotelijk kon worden ervaren. Daarom verzoeken de supplianten om hen te autoriseren om tot gerief van de ingezetenen een huis of schuur te mogen aanleggen en timmeren rondom in steen en met een strooien dak om daarin hun godsdienst te kunnen uitoefenen, zonder enige aanstoot te geven aan de gereformeerden. Dit rekest wordt door gestuurd naar hoogschout Keppel ter advisering [KSM inv.nr.11 dd. 27 juni 1727]


Missive van J.L.Cramer stadhouder van de hoogschout van ’s-Hertogenbosch als reactie op het rekest van de borgemeesters en roomse ingezetenen van Den Dungen onder de vrijdom van de stad ’s-Hertogenbosch. Hierin staat het bericht dat aan de supplianten gepermitteerd wordt een huis of schuur te timmeren met stenen muren, waarin ze hun godsdienst kunnen uitoefenen, onder die conditie dat ze gehouden zijn te blijven binnen de palen [lees: afmetingen] van een simpele schuur, zonder het aanbrengen van uiterlijke sieraden als van grote ovale ramen of grote deuren, zodat het niet lijkt op een formele of publieke kerk en er zorg voor te dragen dat niets aanstoot kan geven aan de gereformeerden [KSM inv.nr.11 dd. 31 juli 1727]

Rekest van de roomse ingezetenen van Orthen onder de vrijdom van ’s-Hertogenbosch aangevende dat aan iedere roomse kerk waar een priester is toegelaten zowel in de stad als in de Meierij jaarlijks zou worden betaald een som van 50 gl. met een verzoek aan de Ho: Mo: om de betaling van die 50 gl. ook te effectueren, maar de Raad geeft aan dat ze niet kunnen treden in dat verzoek en het wordt dus afgeslagen [KSM inv.nr.12 dd. 25 september 1730]


Rekest van verschillende roomse burgers van de stad ’s-Hertogenbosch die een verzoek indienen om te bereiken dat de kerk in de Kruisstraat weer geopend mag worden en dat de Ho: Mo: de vicaris Gijsbert van der Asdonck gelieven te ordonneren om in het bezit van die kerk en pastorie boven de onderpastoor De Beeck aan te stellen of te laten aanstellen Sijmon Weijdeven en mocht die weigeren dat ambt te aanvaarden de vicevicarius Gijsbertus van der Donck in die genoemde rooms katholieke pastorie en kerk op de Kruisstraat te benoemen en wettelijk aan te stellen een andere bekwame pastoor, zijnde een werelds priester en geboortig uit de stad of de Meierij van ’s-Hertogenbosch. Dit rekest wordt doorgestuurd naar de gedeputeerden verantwoordelijk voor de plakkaten en reglementen en met hen gecommitteerden van de Raad van State voor nader onderzoek [KSM inv.nr.12 dd. 16 juli 1731]
Rapport van de gedeputeerden van de Hoog Mogenden belast met de reglementen en plakkaten en met hen enige gecommitteerden van de Raad van State hebben onderzocht een rekest van de rooms katholieke burgers van de stad ’s-Hertogenbosch verzoekende dat haar Ho: Mo: hen gelieven te verlenen dat de kerk in de Kruisstraat weer geopend mag worden en dat de Ho: Mo: vicaris Gijsbertus van der Asdonck gelieven te ordonneren om in het bezit van de kerk en pastorie bovendien onderpastoor De Beeck aan te stellen of te doen stellen Simon Weijdeven en mocht die weigeren om dan vicarius Gijsbertus van der Asdonck als dan in genoemde rooms katholieke pastorie en kerk op de Kruisstraat te benoemen en wettelijk aan te stellen en andere bekwame pastoor zijnde werelds priester geboortig uit de stad of meierij van ’s-Hertogenbosch. De genoemde gedeputeerden en gecommitteerden hebben in hun vergadering de resolutie in beschouwing genomen van de Ho: Mo: van 12 maart jl. waarbij toen is bevolen dat de roomse kerk in de Kruisstraat in de stad gesloten zou worden, welk besluit toen genomen is op de veronderstelling dat de kerk die door een werelds priester werd bediend is geweest gesloten werd, echter binnen de stad nog drie kerken overbleven die insgelijks door wereldse priesters werden bediend; dat daaromtrent geen klachten zijn gerezen en dat die veronderstelling was gebaseerd op een lijst van alle roomse kerken en priesters binnen ’s-Hertogenbosch. Daarnaast is ook toegevoegd een bericht van de hoogschout van stad en meierij over de drie kerken die in het bezit waren van drie Jezuïeten met name De Jongh, Donckers en Boucquet en dat in hun plaats drie wereldse priesters zijn aangesteld en bj hen zijn ook nog drie kapelaans gekomen, zodat de drie kerken helemaal onder het bewind vielen van seculiere priesters. De gedeputeerden hebben echter tot hun verwondering gezien, dat bij het rekest in naam van verschillende roomse burgers de stad ’s-Hertogenbosch aan haar Ho: Mo: gepresenteerd, een positief is opgemaakt rechtstreeks tegen de genoemde veronderstelling aanlopende, dat alle roomse kerken in de stad nl. negen in getal nog zouden berusten onder het bewind van kloosterpriesters, Jezuïeten en monniken. Het positief zou er in bestaan dat de geordende Jezuïeten niettegenstaande die uit het land waren gezet en daardoor de kerken die zij vóór 1720 bediend hebben, gesloten hadden behoren te blijven, maar door indirecte middelen of sinistere praktijken hebben ze diezelfde drie kerken toch weten te behouden en hun statie kunnen continueren en ze naar alle waarschijnlijkheid hebben kunnen effectueren dat genoemde kerken tot op de dag van heden onbegeven zijn gebleven en daarin aan te stellen een soort substituut, kapelaans of priesters die nergens een statie of kerk hebben pro interim voor de geordende Jezuïeten. Die kerken werden bediend door wereldse priesters. Door de Raad van State is ook nagezien de missive van de priesters die tegenwoordig in de drie genoemde kerken dienst doen priesters zijn die door het gehele bisdom dienst doen zonder dat daarbij een bepaalde plaats of dienst wordt genoemd waar ze speciaal naar toe gezonden worden. Bij alle andere missies of zendingen die door de Raad van State zijn voorgekomen zijn vacatures van drie of meer jaren opgegeven, die door de nuntius van de paus te Brussel wel zijn gecontinueerd voor enige jaren. Ook is geconstateerd dat zelfs priesters alleen op basis van een akte of promotiebrief in die kerken dienst doen. Dit rekest zal worden toegestuurd aan de hoogschout en wordt verzocht zich nauwkeurig te [laten] informeren over de toestand van die kerken en priesters die daar dienst doen of het nodig is om juridische stappen te ondernemen in de zin van arbitraire correctie of bannissement [= verbanning] [KSM inv.nr.12 dd. 3 augustus 1731]
Missive van Baron van Keppel hoog- en laagschout van de stad ’s-Hertogenbosch met verschillende bijlagen, op een rekest van verschillende roomse ingezetenen van ’s-Hertogenbosch met een verzoek om de gesloten kerk in de Kruisstraat weer open te stellen en verlof te geven tot aanstelling van een nieuwe pastoor, welke missive zal overhandigd worden aan de heren die zijn belast met de reglementen en plakkaten om samen met enkele gecommitteerden van de Raad van State dit schrijven nader te onderzoeken en over hun bevindingen verslag te doen [KSM inv.nr.12 dd. 10 september 1731]

Rekest van verscheiden rooms katholieke burgers van de stad ’s-Hertogenbosch aangevende dat zij zich in de maand juni hadden gewend tot de Ho: Mo: met het verzoek om de kerk in de Kruisstraat, zijnde de enige van de 10 roomse kerken binnen de stad die vanouds onder het bewind van een werelds priester had gestaan, ook sinds de verovering van de stad, wederom te openen en aan de vicarius Gijsbertus van Asdonk toe te staan kapelaan de Beeck aan te stellen tot rooms pastoor of een ander bekwaam werelds priester die onderdaan is van de Ho: Mo: om vervolgens in alle stilte en zedigheid de godsdienst te kunnen uitoefenen, welke rekest nader zal worden bestudeerd door de heren belast met de reglementen en plakkaten, bijgestaan door enige gecommitteerden van de Raad van State [KSM inv.nr.12 dd. 4 december 1731]


Rapport van de heren belast met de reglementen en plakkaten geassisteerd door enige gecommitteerden van de Raad van State hebben de missive onderzocht van Baron van Keppel hoog- en laagschout van ’s-Hertogenbosch betreffende de toestand van de drie roomse kerken te ’s-Hertogenbosch die op basis van een resolutie van 7 mei 1720 waren gesloten en naderhand weer geopend en op de kwalificatie van de priesters die op dit moment dienst doen in die kerken. Bovendien hebben de supplianten nog andere binnengekomen stukken nagezien. Uit deze stukken is het hen volkomen duidelijk geworden dat een van de genoemde roomse kerken nl. die in de Tolbrugstraat nog onder het bestuur staat en de directie van de Jezuïet Donquers en dat hij van tijd tot tijd, op basis van een zeer gering salaris, missionarissen of huurlingen heeft gebruikt voorzien van een missie [zending] om te ’s-Hertogenbosch en door de hele Meierij met goedkeuring van de priesters van de respectievelijke standplaatsen dienst te mogen doen, ook biecht horen, zieken zalven en van dergelijke priesterlijke functies meer. Dit ondanks het feit dat de Jezuïet Donquers op basis van de aangehaalde resolutie van 7 mei 1720 gelast was uit het district van de generaliteit te vertrekken onder voorwendsel van indispositie. Donquers zelf heeft echter verzocht dat de Ho: Mo: hem permissie zouden willen geven om in ’s-Hertogenbosch te mogen blijven mits hij zich zou gedragen als een eenvoudig burger en zonder de functie van priester uit te oefenen in een kerk of ten behoeve van particulieren. Voorts is gebleken dat Johan Camp die opgegeven was als kapelaan in genoemde roomse kerk onlangs was bevorderd tot kapelaan in de roomse kerk te Woensel, welke Camp een huurling bleek te zijn van Donquers. Nu is in de kerk niemand anders meer over dan Johan Antonie Paijmans die op de vragen van de hoogschout die hen ter ore waren gekomen, schriftelijk heeft geantwoord dat hij de dienst in genoemd kerkhuis nu ca. 40 jaren heeft gedaan en de hoogschout heeft geconstateerd dat deze Paijmans in die periode niet de principale priester of pastoor in en van genoemde kerk geweest is, waarvoor hij zich in zijn antwoord wel uitgeeft, wat tegen de waarheid zou zijn, omdat in 1720, wat nog maar 12 jaren geleden was, de Jezuïet Donkers in genoemde kerk de principale priester of pastoor is geweest. Op basis daarvan ziet de hoogschout de priester Paijmans als een huurling of missionaris zonder enige particuliere missie. De heren gedeputeerden van de Raad van State zijn bevestigd in hun mening dat Paijmans niet op de hem gestelde vragen heeft geantwoord. Hij had nl. moeten aangeven wie hij had opgevolgd en bovendien had hij aangegeven dat zijn akte van admissie in het ongerede was geraakt en die hij dus niet heeft kunnen laten zien. Ook heeft hij ‘seer captieus] de vraag beantwoord bij wie dan de inkomsten genoten worden van die kerk in de Tolbrugstraat. Ten slotte dat ten aanzien van de twee andere genoemde kerken in de Verwerstraat waarvan de ene in 1720 nog bediend is geweest door de Jezuïet Bouquet en de andere door Jezuïet de Jong de heren gedeputeerden wel aanleiding vinden om te denken dat de priesters en kapelaans die er tegenwoordig dienst doen, insgelijks voorzien zijn van een generale missie om overal in de stad en de Meierij dienst te mogen doen, zonder voorzien te zijn van een bijzondere missie of collatie van genoemde kerken of pastorieën en dat dientengevolge de genoemde twee kerken inderdaad sedert het vertrek van de Jezuïeten tegenwoordig nog vacant zijn, doch dat nog tot meerder zekerheid en om met alle mogelijke omzichtigheid in deze en zonder aan enig priester, die een wettige missie en bijzondere collatie van de van genoemde pastorieën zouden mogen ontvangen hebben enig ongelijk te doen, dit feit nader zou kunnen en behoren onderzocht te worden. Waarop gedelibereerd zijnde is besloten om Baron van Keppel hoogschout aan te schrijven en hem te gelasten Donquers aan te geven dat hij zijn eigen beloften en de gunstige permissie en oogluiking door de Ho: Mo: misbruikt heeft en deze Jezuïet aan te zeggen dat hij niet langer ‘geëximeert’[= uitgekocht, vrijgekocht] zal blijven van de resolutie van 7 mei 1720 en dus uit de Verenigde Provincies en speciaal in het district van de generaliteit moet vertrekken en wel uiterlijk vóór 1 april 1732 op straffe van hetgeen in dezelfde resolutie is vervat. Dat voorts de hoogschout aan genoemde priester Paijmans zal verbieden nog enige priesterlijke functies uit te oefenen op straffe van de boetes die zijn vastgesteld in de resolutie van 19 juli 1730 tegen de priesters die kerkelijke diensten doen zonder voorzien te zijn van een akte van admissie van de Raad van State en dat de hoogschout de kerk in de Tolbrugstraat zal laten sluiten als vacant zijnde. Voorts wordt de hoogschout gelast zich terdege te informeren en de priesters die in de genoemde twee kerken in de Verwerstraat dienst doen onder de straffen van arbitraire correctie of bannissement afvragen, of zij behalve hun generale akte van missie, collatie of beroeping als priesters of kapelaans in en van genoemde kerken in de Verwerstraat , zoals dat altijd is geschied in andere standplaatsen, waarvan de missies zijn gegeven en de collaties gedaan werden door de vicaris. Ook is heb gevraagd te informeren wie als priesters zijn ‘gesuccedeert’ [= opgevolgd] in de vacante plaatsen van de Jezuïeten Bouquet en de Jong en als hij over informatie beschikt om dat aan de Ho: Mo: door te geven met inbegrip van de akten van missie, collatie of beroeping, zoals dat behoort [KSM inv.nr.12 dd. 29 januari 1732]

Missive van de Graaf van Rechteren hoogschout van stad en meierij van ’s-Hertogenbosch op een rekest van Leopoldus Bernaerds en Theodorus van der Putten roomse priesters wonende te ’s-Hertogenbosch verzoekende dat de Ho: Mo: de interdictie [= verbod] aan hen supplianten verplicht op order van de hoog- en laagschout van 13 februari 1736 waardoor ze geen dienst meer mogen verrichten in het kerkenhuis gelegen in de Hinthamerstraat en ook binnen de geen priesterlijke functies meer mogen uitoefenen, willen opheffen en laten cesseren [= stoppen, ophouden] en oogluikend toestaan dat ze de genoemde kerk mogen bedienen en aldaar hun priesterlijke functies mogen plegen. Een kopie van hun rekest wordt toegestuurd voor nader onderzoek aan de Heer Torck [KSM inv.nr.13 dd. 2 juni 1736]

Rekest van Theodorus van der Putten rooms priester wonende te ’s-Hertogenbosch die aan de Ho: Mo: verzoekt dat ze de interdictie willen opheffen waardoor het hem wordt verboden enige dienst te doen of priesterlijke functies uit te oefenen binnen het kerkenhuis in de Hinthamerstraat te ’s-Hertogenbosch. Reden zou zijn dat hij heeft samengewerkt [gecoöpereert] tot de retraite van Dina van Lith de Jeude, onder de submissie van rigoureuze straffen. De Ho: Mo: hebben daarom nog enige bedenkingen rond de opheffing der interdictie. De hoogschout laat een of twee vrouwen naar Antwerpen sturen om te informeren naar de retraite van Dina van Lith de Jeude [KSM inv.nr.13 dd. 18 april 1737]
Missive van de Graaf van Rechteren hoogschout van stad en meierij als reactie op het rekest van Leopoldus Bernaards en Theodorus van der Putten roomse priesters te ’s-Hertogenbosch die een verzoek hadden ingediend om ontheven te mogen worden van de interdictie die is opgelegd door genoemde hoogschout volgens een resolutie van 27 mei jl. De hoogschout laat twee vertrouwde personen naar Antwerpen sturen nl. zijn stadhouder mr. Johan van Laar geassisteerd door Johan de Jongh secretaris te Tilburg om aldaar Dina van Lith de Jeude te horen wat is geschied op de 4e van de maand juli zoals blijkt uit get schriftelijk bericht van genoemde stadhouder [KSM inv.nr.13 dd. 24 juli 1737]
Rekest van de regenten van het Hinthamereinde te ’s-Hertogenbosch aangevende dat in de stad een numereus getal van roomsgezinden wordt aangetroffen vooral aan de kant van Hintham dat het Hinthamereind wordt genoemd. Dat er menigvuldige huizen en achterstraten waren en er woonden ca. 1500 zielen allen van de roomse religie, die na de reductie van de stad altijd door een afzonderlijke priester en kapelaan in hun kerkenhuis in stilte zijn bediend. Die zijn enige tijd geleden overleden en is het kerkenhuis zonder dienst gebleven ter oorzake dat tengevolge van de resolutie van haar Ho: Mo: de kerk van pater de Jong in de Verwerstraat en die van pater Donkers in de Tolbrugstraat waren gesloten, zodat nu niet meer dan 7 kerkenhuizen open zijn. De Ho: Mo: willen naar een getal van vijf kerkenhuzien met de gedachte die daar groot genoeg zijn om alle roomsgezinden te kunnen herbergen. De regenten verzoeken echter dat de Ho: Mo: gelieven het kerkenhuis van het Hinthamereinde in stand te houden en daar een werelds priester, zijnde een inboorling, in toe te laten om er de godsdienst in uit te oefenen. Een kopie van dit rekest wordt naar de hoogschout gestuurd [KSM inv.nr.13 dd. 17 juni 1740]

Missive van de Graaf van Rechteren hoogsdchout van stad en meierij van ’s-Hertogenbosch op het rekest van de roomse ingezetenen van het Hinthamereind in de stad [zie hierboven]. Daarop is na deliberatie besloten dat rekest toe testuren aan de heren gedeputeerden der Meierijse zaken om samen met enige heren van de Raad van State die rekest nader te onderzoeken [KSM inv.nr.13 dd. 21 juni 1741]

Missive van de Graaf van Rechteren hoogschout van stad en meierij van ’s-Hertogenbosch met een bericht door hem provisioneel gedaan en ondervonden werd op het rekest, gepresenteerd door de Ho: Mo: op naam van de landdekens gehorende onder het vicariaat van ’s-Hertogenbosch, te kennen gevende dat door het overlijden van Gijsbert van der Asdonk rooms werelds priester en vicaris van ’s-Hertogenbosch waardoor het vicariaat vacant is geraakt en is de suppliant er beducht voor dat een ander bekwaam persoon wordt voorgedragen en heeft zich daarover geïnformeerd over de kwaliteiten die de Ho: Mo: in het generaal, maar in het bijzonder voor roomse priesters en zeker voor een vicaris vereist werden. Men had niemand anders bekwaam genoeg gevonden dan Johan van der Lee rooms werelds priester geboortig van ’s-Hertogenbosch die 23 jaren als rooms pastoor te ’s-Gravenhage had gediend en de Ho: Mo: stemmen er mee in dat hij benoemd wordt tot vicaris. Nader bericht zal afgewacht worden zoals men de hoogschout laat weten {KSM inv.nr.13 dd. 8 juni 1743]

Rekest van Guilielmus Vervorst geboren en woonachtig te ’s-Hertogenbosch en met hem de leden van de roomse gemeente ressorterende onder de kerk van de Kruisstraat aldaar, inhoudende dat de 1e suppliant door wijlen Gijsbert van der Asdonk was aangesteld en door de Raad van State geadmitteerd als rooms werelds kapelaan in de kerk op de Kruisstraat zijnde de enige van de roomse kerken van de zeven die er nog over zijn, welke van alle oude tijden af is bediend door een rooms werelds priester die alleen gerechtigd was om het sacrament des doops in het merendeel van de stad uit te oefenen. Dat de 1e suppliant aldaar in alle stilte en modestie zonder aan die van de gereformeerde godsdienst ooit ergernis te veroorzaken en onder oogluiking van de Ho: Mo: de godsdienst mag uitoefenen tegelijk met Simon van de Wijdeven rooms pastoor in genoemde kerk die in de maand augustus 1743 was overleden. Kapelaan Vervorst is na het overlijden van de pastoor aangezegd dat hij zich van zijn diensten moest onthouden en de kerk werd gesloten op basis van het plakkaat van de Ho: Mo: van 19e juli 1703. Desondanks dient hij een verzoek in om permissie om de godsdienst in de kerk van de Kruisstraat te mogen blijven uitoefenen in alle zedigheid. Een kopie van dat rekest wordt doorgestuurd naar de hoogschout [KSM inv.nr.13 dd. 30 maart 1744]


Rapport van de heren belast met de Meierijse zaken op het rekest van Guillielmus Vervorst geboren en woonachtig te ’s-Hertogenbosch etc. etc. [zie boven]. Waarop is gedelibereerd en volgens de Graaf van Rechteren is Engelbert van Ravestijn gewezen pastoor van de roomse kerk in de Postelstraat alsmede Gijsbert van Doorn gewezen pastoor van de kerk in de Vughterstraat al overleden voor de dood van Simon van de Wijdeven pastoor van de Kruisstraat en zijn die kerken gesloten en is het aantal roomse kerken gesteld op 5 en zou die van de Kruisstraat mogen blijven. Aan de hoogschout is nu gelast de beide kerken in Postelstraat en Vughterstraat te sluiten en geen verhindering aan te brengen aan de verichting van de godsdienst in de Kruisstraat door wereldse priesters die door de Raad van State zijn gadmitteerd [KSM inv.nr.13 dd. 24 december 1744]

Missive van schepenen en gezworenen en raad van de stad ’s-Hertogenbosch inhoudende dat Adam Pijlsteker gebroren in het landgraafschap Hessen in zijn leven hoefsmid in een regiment dragonders en geweest zijnde van de gereformeerde religie in huwelijk gehad hebbende Elisabeth Paemen geboren te Elslo bij Maastricht die van de roomse religie was en genoemde Pijlsteker had bij haar drie kinderen verwekt waarvan het 1e is geboren te Breda en nu 14 jaren oud, het 2e te Maastricht geboren en 10 jaren oud en het 3e kind ook aldaar en 8 jaren oud; in het jaar 1737 is hij in garnizoen gekomen in de stad ’s-Hertogenbosch en aldaar zijn nog drie kinderen verwekt van 6, 4 en 2 jaren. Genoemd regiment heeft in 1743 mee gevochten aan de Rijn en toen is Pijlsteker vanuit ’s-Hertogenbosch vertrokken terwijl zijn vrouw en kinderen in ’s-Hertogenbosch zijn gebleven. In 1744 heeft Adam de veldtocht in Vlaanderen meegemaakt met het regiment guarde dragonders, is aldaar ziek geworden en overgebracht naar het hospitaal van Brussel alwaar hij op de 4e november 1744 overleed, nalatende zijn vrouw van het 7e kind bezwangerd in de maand maart jl., dat zij kort na dato te weten de 17e van deze maand april mede aflijvig is geworden [= overleden]. De 6 eerste kinderen waren allen gedoopt in de gereformeerde kerken enigen van de oudsten naarmate hun leeftijd vorderde hebben ook instructie gekregen van de gereformeerde religie door de catechisatie in de kerk te ’s-Hertogenbosch waarin die na de dood van hun vader ook hadden door de verplichting gecontinueerd uit hoofde van de belofte aan haar overleden man gedaan. Dat genoemde kinderen, voor zover het de schepenen bewust was, van alle tijdelijke middelen waren ontbloot en aldaar van vaderszijde geen bloedverwanten hadden van de gereformeerde religie aan wien de opvoeding over haar zouden kunnen worden toevertrouwd. Die van moederszijde waren allen van de roomse religie die overigens wel genegen waren de verzorging van de kinderen op zich te nemen en particulier [= in het bijzonder] de zuster van de overleden Elisabeth Paemen die een zogende vrouw was, welke het jongste kind, zijnde vier weken oud, zou trachten met haar ‘zog op te queeken’. Dat hoe zeer deze kinderen als geboren van een vader die in militaire dienst van de staat was, was overleden, zonder dat hij of zijn vrouw poorter of poorteresse van de stad ’s-Hertogenbosch waren geweest, hen schepenen niet aangingen en zulks niet veermeenden op basis van het plakkaat van 14 april 1649 de zorg voor die kinderen op zich te moeten nemen. Dat de kinderen gesteld zouden moeten worden onder de opvoeding van de gereformeerde religie onder voogden, waartoe ook niemand van de gereformeerde religie, omwille van de armoede der kinderen, zou te vinden zijn en het onderhoud van die kinderen ook met geen redelijkheid konden worden gebracht tot last van de diaconie of godshuizen van de genoemde stad. Ze hebben dit voorgedragen aan de Ho: Mo: om buiten alle verdenking te blijven. Dit schrijven wordt doorgestuurd naar de Raad van State ter advisering [KSM inv.nr.14 dd. 26 april 1745]

Rekest van de roomsgezinden binnen de stad ’s-Hertogenbosch verwijzend naar een resolutie van de Ho: Mo: van 12 maart 1731 waarbij was besloten de 10 roomse kerken aldaar bij uitsterving der priesters zouden worden teruggebracht op een getal van 5 en dat ten tijde van het nemen van die resolutie in ieder der twee kerkenhuizen nl. in de Vughterstraat en in de Postelstraat twee priesters waren geweest, van wie bij het uitsterven van een priester van ieder der genoemde kerkenhuzien de twee overige priesters de dienst daarin hadden gecontinueerd tot voldoening van de Ho: Mo: resolutie van 24 december 1744 gelast was geworden om genoemde kerkenhuizen te sluiten. Dat de kerkenhuizen zo verre gesloten zijnde, men ondervond dat het onmogelijk was dat de roomse ingezetenen met de weinige priesters van de vijf kerkenhuizen [onder de welke veeltijds nog een of twee door ouderdom en zwakke lichamelijke gesteldheid in hun functie werden gehinderd] en met zo’n klein getal kerken, bestaande ieder maar in een burgerhuis of een vertrek daarin hun dienst konden doen, waardoor het gebeurde dat alle kerkdagen wel duizenden meer mensen de bejaarden zonder predicantien en vermaningen en de jongeren onder instructies en zonder verdere dienst buiten de kerk moesten blijven, werdende de vijf kerken zodanig opgepropt dat daardoor reeds verschillende ongelukken waren gebeurd o.a. het instorten door het gedrang, zodat de dienst niet gepleegd kon worden en er van tijd tot tijd grote verwarring ontstond, die nog eens extra werd vermeerderd te meer daar in het garnizoen vele roomsen waren zoals doorgaande gebeurde. Men dient daarom een verzoek in dat beide kerken nl. in de Vughtestraat en de Postelstraat toch weer geopend mogen worden en daarin de dienst door de beide priester oogluikend toe te staan. Besloten wordt een kopie van dit rekest toe te sturen aan de hoogschout van stad en meierij ter advisering [KSM inv.nr.14 dd. 24 juni 1745]



Missive van de Graaf van Rechtere hoogschout te ’s-Hertogenbosch verwijzend naar een resolutie van de Ho: Mo: van 24 december 1744 op een rekest van de gemeenten der roomsgezinden te ’s-Hertogenbosch die verzocht hebben om de gesloten kerken weer te ontsluiten om daarin de godsdienst weer te keunnen uitoefenen en dat te gedogen, waarop na deliberatie is besloten dit rekest te overhandigen aan de heren verantwoordelijk voor de Meierijse zaken en dat ter advisering [KSM inv.nr.14 dd. 1 oktober 1746]
Rekest van de schepenen van ’s-Hertogenbosch op een rekest van Cornelis de With predikant in de stad die om een interpretatie verzoekt van de resolutie van de Ho: Mo: uit het jaar 1673 waarbij de predikanten van de stad geëximeerd [= vrijgekocht, vrijgesteld] van de inkwartiering en of zijn zus, die bij hem woont, daar ook onder valt. Zijn rekest wordt doorgestuurd naar de heer Van Randwijck om het nader te onderzoeken en vervolgens een advies uit te brengen [KSM inv.nr.14 dd. 3 februari 1747]
Reactie op een rekest van de roomsgezinden te ’s-Hertogenbosch verwijzend naar de resolutie van de Ho: Mo: dd. 11 maart 1741 waarin was bepaald dat de 10 roomse kerken aldaar via het uittservingsbeleid gericht op de roomse priesters zouden worden teruggebracht tot 5 kerken en dat ten tijde van deze resolutie in ieder der 2 kerkenhuizen nl. het ene in de Vughterstraat en het andere in de Postelstraat staande, 2 priesters waren geweest, waarvan bij het uitsterven van een van de priesters uit ieder der genoemde kerken de twee overige priesters daarin hadden gecontinueerd totdat ter voldoening van de resolutie van de Ho: Mo: van 24 december 1744 was gelast om beide kerken te sluiten. Dat de kerken dus sedert die sluiting op 5 zijn teruggebracht en dat men ondervonden heeft dat zowel door ouderdom als zwakke lichamelijke gesteltenis een van hen of alle twee in hun functioneren gehinderd werden en een klein getal kerken maar in een burgerhuis of een vertrek ervan ondergebracht waren omdaarin dienst te houden. Zo kon het gebeuren dat op alle kerkdagen wel 1000 of meer mensen zonder dienst buiten de kerk moesten blijven en werden de andere 5 kerken dusdanig volgepropt dat daardoor al diverse ongelukken zijn gebeurd o.a. door het instorten van een kerk vanwege het gedrang en gewoel, zodat de dienst niet kon worden gepleegd, zodat van tijd tot tijd grote confusie zowel binnen als buiten de kerkenhuizen was ontstaan, wat nog eens vermeederd werd als onder het garnizoen vele roomsgezinden waren, zoals dat doorgaans voorkwam. Dit was bij de magistraat bekend zoals blijkt uit de verklaring die aan dit rekest is toegevoegd. Daarom dienen de supplianten wederom een verzoek in dat haar Ho: Mo: gelieven de beide kerken in Vughter- en Postelstraat weer te ontsluiten en daarin de dienst van de roomsgezinden te gedogen. Daarnaast is een missive onderzocht van de Graaf van Rechteren als hoogschout van de stad die zijn advies op genoemd rekest had uitgebracht en het gevolg was dat de beide kerken die op basis van de resolutie van 24 december 1747 waren gesloten toch weer mochten worden opengesteld en de hoogschout zou worden gelast hiertoe de nodige orders uit te vaardigen, nochtans dat in ieder van de beide kerken maar één kapelaan mag functioneren en mochten de beide priesters die er gefunctioneerd hebben inmiddels overleden zijn dan kunnen via de Raad van State twee anderen aangesteld worden aan wie een akte van admissie verleend zal worden, maar met dien verstande, dat men het getal van 7 kerken met 12 zowel priesters als kapelaans niet zal overschrijden. Mocht het aantal roomsgezinden verminderen dan kan men eventueel weer terugvallen op 5 kerken door 10 priesters of kapelaans te bedienen dus het getal zoals de Ho: Mo: tot op heden hadden gefixeerd in hun resolutie van 12 maart 1731 [KSM inv.nr.14 dd. 16 februari 1747]
Rapport van de heer van Randwijk en andere gedeputeerden van de Ho: Mo: belast met de Meierijse zaken die het rekest van predikant Cornelis de With nader hebben onderzocht en is besloten zowel de predikant als zijn inwonende zus vrij te stellen van inkwartiering. Daarnaast is ook de missive onderzoocht van de magistraat van de stad waarin was verwoord dat de intentie van de resolutie van 14 augustus 1673 was dat alle huizen waar een predikant woont, zowel van de Nederduitse als de gereformeerde gemeente, of ze die geheel in eigendom hebben of een deel ervan of zelfs hebben gehuurd, vrijgesteld moeten worden van inkwartieringen. Daarom zullen de schepenen van de stad worden gelast om de soldaten die in het huis van de predikant gehuisvest waren en nog niet waren uitgezet deze alsnog uit te zetten en de predikant vrij te stellen van inkwartiering en hem daar vrij en onbelemmerd te alten wonen. Overigens wordt het aan de schepenen overgelaten om de verdere huzien van die gene, die bij de predikant zouden inwonen wanneer zij buiten genoemd einwoning enige afzonderlijke huizen bezitten, hen wel te mogen bezwaren met inkwartiering, na rato van hetgeen ten laste van alle ingezetenen wordt gebracht [KSM inv.nr.14 dd. 17 maart 1747]
Rekest van Lambertus Hoex rooms priester in het kerkenhuis aan de Tolbrug geboortig van Berghem in kwartier Maasland inhoudende dat door het overlijden van Martinus van Litsenborgh, geweest zijnde vicaris van het bisdom van ’s-Hertogenbosch en dat sinds 6 januari 1756 het vicariaat vacant is. De suppliant is door de geestelijke overheid aangesteld maar hij is niet bevoegd om die bediening te aanvaarden zonder admissie van de Hoog Mogenden en daarom verzoekt hij aan de Ho: Mo: of ze hem gelieven te admitteren tot vicaris van het vacante vicariaat van het bisdom van ’s-Hertogenbosch op dezelfde voet en condities waarop destijds Martinus van Litsenburgh is geadmitteerd. De zaak wordt voorgeleged aan de Haagse heren belast met de Meierijse zaken voor nader onderzoek en hun bevindingen [KSM inv.nr.15 dd. 7 april 1756]
Missive van R.B.R. Graaf van rechteren hoogschout van stad en meierij van ’s-Hertogenbosch die is aangeschfeven door de Ho: Mo: om zich nader te informeren over de persoon die tot het waarnemen van het vacante vicariaat van het bisdom van ’s-Hertogenbosch is aangesteld bekwaam en dienstig is voor deze functie en vervolgens zijn bevinden aan de Ho: Mo: te rapporteren zodat daarover nadien een besluit genomen kan worden [gedisponeerd]. In de akte wordt enige twijfel geuit over het gedrag van genoemde pastoor. De informatie wordt voorgelegd aan de heren belast met de Meierijse zaken [KSM inv.nr.15 dd. 21 april 1756]
Rekest van de brede kerkenraad van de Nederduitse gereformeerde gemeente te ’s-Hertogenbosch verzoekende dat haar Ho: Mo: de magistraat gelieven aan te schrijven en te gelasten dat de ondertrouwboekjes om de 14 dagen of uiterlijk 4 weken door de secretaris van de huwelijkszaken aan de diaconie van die tijd afgegeven worden of dat daaruit een gratis lijst verstrekt mag worden van d epersonen die zich in de stad in ondertrouw willen begeven. Men gaat hiermee akkoord [KSM inv.nr.15 dd. 16 augsutus 1756]

Missive van de hoogschout van stad en meierij van ’s-Hertogenbosch bij wijze van advie sop een rekest van Joh. van Geffen en Mathijs Smits kerkmeesters van het roomse kerkenhuis staande op Den Dungen met een verzoek om permissie en autorisatie om de muren en het dak waarvan delen zijn versleten en beschadigd, te mogen repareren; ook geldt dit voor het tabernakel staande op het altaar dat geheel vergaan is te mogen vernieuwen. Na deliberatie is besloten hen te permitteren om het dak van het kerkenhuis te mogen vernieuwen en de muur aan de noordzijde die door de druk van het water is uitgezet alsmede het deurgebint en de kozijnen te herstellen als ook het tabernakel op het altaar en ten slotte de zolder van het ‘coor’ [vgl. priesterkoor] te vernieuwen. Bovendien krijgt men verlof om de vloer te herleggen [KSM inv.nr.15 dd. 9 juni 1757]


Rekest van A. van der Bloemmen [dubieus] rooms priester in de kerk van de Vughterstraat binnen ’s-Hertogenbosch inhoudende dat de suppliant als priester onder de goedertieren conventie van haar Ho: Mo: de roomse dienst bijna de tijd van 5 jaren in genoemde kerk had waargenomen, dat het genoemde kerkenhuis van tijd tot tijd zodanig ‘geëvadeert’ [= verlaten] was, dat de suppliant tot reparatie van dien een grote som geld moeten besteden omdat de kerkschuur dusdanig kaduuk en bouwvallig was, dat het voor de suppliant niet meer doenlijk was het kerkenhuis nog in een behoorlijke staat terug te brengen zonder daaraan grote sommen geld te spenderen.

Dat binnen genoemde stad in de Verwerstraat nog een kerkenhuis stond, dat vanwege het uitsterven van de priester al enige jaren leeg stond. Daar zou de suppliant graag de diensten willen doen, wat de eigenaar ook wel zou vrijstaan om te doen mits hij permissie heeft van de Ho: Mo: mits aan de gereformeerden geen enkele aanstoot gegeven zou worden. De suppliant verzoekt nu aan de Ho: Mo: dat ze hem willen permitteren om uit het kerkenhuis in de Vughterstraat het orgel, de preekstoel en andere toebehoren te mogen transporteren naar de Verwerstraat na overleg met de hoogschout van stad en meierij [KSM inv.nr.15 dd. 20 maart 1758]


  1   2

  • Enige bijzonderheden over de plattelandskamer
  • 1. Hervormden versus Roomsgezinden Meierij algemeen
  • Stad ’s-Hertogenbosch en de vrijdom

  • Dovnload 0.9 Mb.