Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Onthullingen vanuit de plattelandskamer thematische verhalenbundel 1

Dovnload 0.9 Mb.

Onthullingen vanuit de plattelandskamer thematische verhalenbundel 1



Pagina2/2
Datum28.10.2017
Grootte0.9 Mb.

Dovnload 0.9 Mb.
1   2

Kwartier Peelland

Asten

Missive van Laurens Simont [of Simons ?] drossaard te Asten over de stoutigheden der monniken, papen en papisten en andere wanordelijkheden in die plaats [KSM inv.nr.7 dd. 13 december 1699]


Rekest van de regenten van de classis van Peel- en Kempenland inhoudende dat, ofschoon door het plakkaat van de Staten Generaal van 4 juni 1657, tot geruststelling van de predikanten en de gereformeerde personen, op zware straffen in scherpe bewoordingen is verboden om het dreigen met, of rondstrooien of aanplakken van brandbrieven, te Asten toch op 16 en 23 september 1719 en ook te Mierlo op 12 februari 1720 ’s morgens aan de huizen van de predikanten ongehoorde brand-, moord- en doodsbrieven zijn aangetroffen, waarvan de kopieën bij dit rekest zijn ingesloten. Ze verzoeken de Staten Generaal actie te ondernemen ter bescherming van de predikanten en hun familie. Gesproken wordt over het ter dood brengen van personen van de gereformeerde religie, brandstichting, gewelddadige berovingen en dat de schade verhaald wordt op de roomsgezinden [KSM inv.nr.10 dd. 5 april 1720]

Rekest van de classis van Peel- en Kempenland inhoudende dat haar Ho: Mo: op de klachten van de classis en het advies van de Raad van Brabant, Bernardus van Altena predikant te Mierlo en Willem Hendrik Vermeer predikant te Asten vanwege de grote brand en de moordbrieven in bescherming worden genomen zowel zij als persoon als hun families, zoals blijkt uit de kopieën van de bedoelde resoluties. Ze melden ook dat Barbara van Scherpenzeel als Vrouwe van Mierlo had kunnen goedvinden op 22 september jl. om Bernardus van Altena door de vorster te laten insinueren [= te kennen geven] en sommeren, om binnen de tijd van 8 dagen over te leveren een staat en inventaris van alle goederen en effecten die hij in zijn huis had zoals dat blijkt uit de aan het rekest toegevoegde insinuatie. De classis verzoekt nu aan de Ho: Mo: dat ze mochten gelieven, ter voorkoming van verdere moeilijkheden die de predikant eventueel mochten worden aangedaan, een nadere verklaring of interpretatie te geven t.a.v. deze zaak. opdat de predikant volkomen onderricht mocht worden hoe hij zich hierin zou moeten gedragen of opstellen. De vraag was nl. of hij gehouden was die staat en inventaris bloot te geven aan de Vrouwe en de regenten van Mierlo. Na deliberatie is besloten de vrouwe en de regenten van Mierlo te gelasten zich te onthouden van het invorderen van de genoemde staat en inventaris en hem op geen enkele wijze lastig te vallen [KSM inv.nr.10 dd. 1 oktober 1720]


Rekest van Johannes Christoffel Baron van Bertolf van Belven…. Heer van Asten aangevende dat de Ho: Mo: via hun resolutie van 19 juli 1730 de roomse kerken in de Meierij gesteld hebben op een zekere jaarlijkse tax, die door de priesters betaald dient te worden aan de rentmeesters der geestelijke goederen. Dat betekent dat de pastoor van Asten Francois van der Cruijs voor zichzelf en voor zijn kapelaan gehouden is een som van 75 gl. te voldoen, welk bedrag hij moet zien te vinden buiten last van de gemeente, dus uit de inkomsten of collecten van de offerschaal, maar dat de suppliant ter ore was gekomen dat de pastoor zich had durven verstouten om op basis van eigen autoriteit, en in weerwil van de regenten van Asten, te collecteren langs de huizen. Dat is hem overigens door drost Pieter de Cort verboden maar hij is er mee doorgegaan. De suppliant verzoekt nu aan de Ho: Mo: om pastoor Francois van der Cruijs te verbieden om op die manier die 75 gl. die hij moet afdragen aan de rentmeester van de geestelijke goederen
Rekest van Michiel van der Kruijs, Jan van Helmond, Benedict (?) Vervordeldonck, Peter van de Vorst, Jan Verberne, Willem Roijmans, Antony Ma….., Jan van Hoofd en Jan Verhoijsen, allen zijnde van de roomse religie en tegelijk regenten van de heerlijkheid Asten in kwartier Peelland. Ze verwijzen naar een resolutie van de Staten Generaal van 19 juli 1730 aangaande de roomse kerken in de Meierij van ’s-Hertogenbosch waarin is vastgelegd dat de priesters van de kerken een recognitie moeten betalen aan de rentmeester der geestelijke goederen. In Asten zou men langs de deur gaan om die bewuste 75 gl. te collecteren wat verboden was [KSM inv.nr.12 dd. 11 juli 1732].

Missive van de stadhouder van kwartier Peelland P.Eckringa op een missive van J.Losacaet drossaard der heerlijkheid Asten gezonden op een rekest van de roomse ingezetenen der hoge heerlijkheid Asten, inhoudende dat hun kerkenhuis aldaar, toebehorende aan Jacob Losecaat drosaard en secretaris aldaar, waarin de supplianten onder coniventie van haar Ho: Mo: hun godsdienst kwamen uitoefenen, maar dat hun kerkenhuis dusdanig was vervallen dat continuering van hun godsdienstoefening niet langer verantwoord was omdat men zich dan zou bloot stellen aan de nodige gevaren. Ze verzoeken het huis van Losecaat te mogen overnemen en het vervolgens te mogen repareren en vernieuwen zoals dat aan Tilburg en Goirle is toegestaan. De Raad gaat akkoord met deze overname, reparatie en vernieuwing waarbij o.a. genoemd worden de dorpels van de deuren door er stenen dorpels te leggen, de dakbedeking is aan vernieuwing toe waar pannen op worden gelegd i.p.v. stro, de gevels die nu met een klein schild afhangen mogen opgetrokken worden ter versteviging van het gebouw en gemaakt tot twee stenen en wel kreupele gevels waarover het dak gedeeltelijk heen schiet en van binnen te bekleden met hout. Het hout van de glasramen is verrot en men zal daarin ijzer aanbrengen zowel van binnen als van buiten en eventuele verdere reparaties en vernieuwingen [KSM inv.nr.15 dd. 12 november 1759]




Bakel

Missive van de kwartierschout van Peelland Repelaar geschreven te Dordrecht op een rekest van de roomse ingezetenen van het dorp Bakel die verzocht hebben om aan hun kerkschuur de nodige reparaties te mogen laten uitvoeren en te mogen voorzien van een stenen muur, waarmee men akkoord gaat [KSM inv.nr.12 dd. 1 september 1731]



Beek en Donk

Rekest van de roomse ingezetenen van Beek en Donk in kwartier Peelland te kennen gevende dat de kerkschuur die binnen genoemde heerlijkheid van Beek staat, aan de zuid- en westkant aan vergankelijkheid onderhevig is en het vorig jaar al voor een deel omvergevallen is. Ze maken bekend dat ze hun kerkenhuis zeer gaarne zouden willen vernieuwen. De muren van de achtergevel komen uit op een mestweg lopende tussen een buurhuis en de kerkschuur. Die achtergevel wilden ze verhogen en wel zodanig, dat de grote ingangsdeur, staande thans in de zijmuur en uitkomende op genoemde straat die daar naast loopt, in de achtergevel geplaatst zou mogen worden, zodat bij het uitgaan geen aanstoot gegeven wordt aan de gerefomeerden. In plaats van de lemen wanden willen ze graag een stenen muur optrekken. Hun verzoek wordt van hogerhand gehonoreerd [KSM inv.nr.14 dd. 24 oktober 1750]


Rapport van de Haagse heren belast met de Meierijse zaken die samen met enige gecommitteerden van de Raad van State een memorie hebben onderzocht van mr. Willem van Esch advocaat fiscaal van Brabant inhoudende dat op 20 april 1756 via de Ho: Mo: een rapport was uitgebracht over de betaling van de kosten vanwege de sluiting van de roomse kerkschuur te Beek en Donk waarbij Van Esch aan de Ho: Mo: in overweging heeft gegeven of haar Ho: Mo: niet zouden gelieven hem te autoriseren de som van 189 gl. en van 70 gl. en 4 st. die door de erven van zijn voorganger van het gemene land zijn ontvangen conform het rapport van de priester van Beek en Donk met zijn adherenten [= aanhangers] [KSM inv.nr.15 dd. 4 otober 1757]

Rekest van de gezamenlijke roomse ingezetenen van de heerlijkheid Beek en Donk in kwartier Peelland die een verzoek indienen om permissie om hun kerkschuur te mogen vergroten en repareren zoals in het rekest staat aangegeven. Voorts om de kerkornamenten en priesterlijke gewaden berust hebbende in de afgebroken kerkschuur van de Donk, die van daar zijn overgebracht naar het kasteel of herenhuis van genoemde heerlijkheid aldaar te mogen afhalen en binnen de kerkschuur van Beek te mogen gebruiken. Dit bericht wordt doorgestuurd naar de drossaard van Beek en Donk en men wacht zijn reactie af [KSM inv.nr.15 dd. 12 maart 1761]



Missive van Gijsbert de Jong drossaard van Beek en Donk op het rekest van de roomse ingezetenen van Beek en Donk in kwartier Peelland. Het verzoek tot vergroting van de kerkschuur wordt gehonoreerd en de omschrijving daarbij luidt als volgt: “ den kreupelen gevel na het zuijden staande tot 5 à 6 voeten agterwaards te mogen uijtsetten en den solder zo tegens den verplaatsten gevel als de zuijddaken ten noorden en zuijden uijtbreijden; voorts tot ondersteuning van gem: solder in het midden van den selven te brengen een balk rustend eop 2 steijlen vierkantig beslagen sonder, tot wering van eenige onnutte cieraad, te bekleden, wijders tot stijving van het oud gebind eeen anker of houvast te maken aan ’t midden van den balkonder aan ’t begin van den solder leggende
dat de supplianten sullen mogen vernieuwen de planken voor aan de solder, bij forme van een heck of leuning gebragt ter hoogte als de oude sijn, sonder eenig lijstwerk aan de selve te maken en het dak na ’t noorden boven den solder, een glasraam met glas ter hoogte van 3 voeten en breed 3 voeten, de 2 glasramen staande in den kreupelen gevel na het westen, aen weeder zeijden van den ingang te brengen en stellen, benevens het glasraam boven den ingang te weten aan weer[s]kanten een en egaal met het zelve
dat wijders de zuijdmuur na ’t noorden sullen mogen afbreken, het stellen en brengen ter hoogte van de muur die aan het zuijden is en in die muur na ’t noorden 3 raamen te stellen van egale form en hoogte en breete als die welke in d emuur na ’t zuijden staande sijn namentlijk hoog 4 voeten en 2 duijm en breed 5 voeten buijtenwaards, met permissie om een van die 3 glasramen te mogen maken dat voor de helft kan worden open en worden toe gedaan egter niet die welke het digste bij die kleijnen sogenaamde authaar soude worden geplaatst, des dat de supplianten de glasramen van een gemeene groote tot 7 duijm hoog en 5 duijm breedsullen nemen en dat dit en het eenige werk gebruiken loot, ijserwerk en ankers na vereijs van het werk
dat de supplianten sullen mogen vernieuwen het dak, het houtwerk van de kap en meest alle de opscheuten op de noordzeijde en 6 à 7 nieuwe gespannen stellen; voots de vloer te repareren met nieuwe plavuijsen, daer toe gebruijkende de plavuijsen zoverre dezelve strekken en nog goed zijn gekomen uijt de geamoveerde kerkschuur op de Donk als mede de sitbanken [er staat ‘sitpanken’] en die te maken te rlengte van omtrent 12 voet en een en een halve voet boven den grond en daartoe te emploijeren de oude sitbanken so ver de selve stekken en goed mogten sijn, sullen de supplianten ook mogen repareren de Leene want op ’t oosten en die na de kant van het noorden aan de woning van den roomschen priester in de requeste vermeld
dat in het versoek om te laten maken een planken verwulfsel boven de 2 autaren ter lengte van omtrent 16 voeten met houte bogen daar toe dienende, zo als het selve ligt niet kan worden getreden en word het selve afgewesen
dat wijders aan de supplianten sal worden gepermitteert om in hare kerkschuur een sitbanck voor de roomsche schepenen, te voren daar toe gedestineert, te mogen maken
dat voords ’t versoek buijten langs de straat tussen voorn: kerkschuur en een burenhuijs aldaar te doen stellen een deurgebind van 2 houte stijlen met 2 dorpels en een deur, niet kan worden getreden en word het selve dien volgende afgewesen met interdictie voor altoos van ook aan het begin van de muur ten noorden westwaards tussen de kerkschuur en het buuren dak te naken een muur, deur of hekkendigt geplankt, dan wel een hek met scheijen of latten, op de wijse gelijk er thans een is hangende
dat wijders sal mogen worden gemaakt een goot ter lengte van 25 voeten mits dat de selve word gelegt zo dat ’t water naar de loots en niet na de publique weg…..ramen en deur aan de woninge van den priester sijnde met een bleex blauw geverft
en dat zo veel aangaet het verzoek om de kerkornamenten en priesterlijke gewaden berust hebbende binnen de geamoveerde kerkschuur van de Donk en van daar verbragt op het casteel, aldaar te mogen afhalen en binnen de kerkschuur van Beek te gebruijken in het selve niet kan worden getreden en werd het selve dien vol[gen]de afgewesen, met speciale interdictie mede aan den roomschen priester nu of indertijd van noijt of ooijt eenige van de selve ornamenten of priesterlijke gewaden in de selve kerkschuur of sijne woninge daar vast te plaatsen, hetsij in het openbaer of in het verborgen
voorts met last aan de supplianten omme de penn: dewelke bij publique verkoping der kerkschuur op de Donk tot een somme van f 212 7 st. sijn geprevenieert soverre de selve nodig mogten sijn en als nog strecken te inpenderen aan de reparatie en vergroting der gem: kerkschuur te Beek
sullende alle ’t gunt voorn: herstelt gemaakt moeten sijn binnen den tijd van 8 maanden na ’t optineren van dese haar Ho: Mo: consessie op pæne van andersinds het effect van dese haar Ho: Mo: te sullen verliesen
en eijndelijk met speciael bevel aan gem: drossaard om sorge te dragen dat dese haar Ho: Mo: res[olutie] stiptelijk worden nagekomen en agtervolgt [KSM inv.nr.15 dd. 28 april 1761]

Rekest van de gezamenlijke roomse ingezetenen der heerlijkheid Beek en Donk met een verzoek dat haar Ho: Mo: gelieven hen te permitteren ‘om een nieuw glasraam van omtrent 4 voeten hoog en 5 voeten breed te mogen maken en die te stellen in den zuijdmuur na ’t suijden van der supplianten kerkschuur; voorts een nieuwe glasraam en die te stellen in de zuijdmuur na het noorden van een egale hoogte en breete, als d’andere 3 glasramen bij haar Ho: Mo: van den 28e april lestleden geaccordeert alles met de glasen en verdere aankleven van dien na vereijs van dit werk nodig en die beijde met een gemene verve tot conservatie van het hout te verven – wijders planke verwulfsels boven de 2 autaren ter lengte van ontrent 15 à 16 voeten tot voorkominge en bevrijdinge van stoff en andere vuijligheden meer die de strooie daken onderhevig sijn, hetgeene ook maar alleniglijk het oormerk van de supplianten ten desen opsigten was, te meer, also haar kerkschuur ganselijk van soldering aldaar was ontbloot en het selve met een gemene verve tot conservering van het hout te verven – voorts om te mogen laten verven de plankinge bij forme van een leuninge aan den solder jegens den kreupelen gevel staande, alsmede de onder glasraam thans in de gem: muur na het zuijde staande, vervolgens om den rug of agtergedeelte van den trap van den solder van gem: agtergevel staande, te laten beplanken tot voorkominge van vermijdinge van het stof als andersinds die door het op en afklimmen van de lieden op die trap,aan de personen onder de selve sittende of staande word veroorsaak en insgelijx met een gemene verve te mogen verven; als mede om te vernieuwe een gedeelte van de wurmen onder het dak in der supplianten kerkschuur, zo aan de zuijd als noordsijde liggende ter lengte van omtrent 8 voeten, om reden dat die selve wurmen als dan beter en dus sterker, na den eijs van het werk, met die tot de vergrotinge van desleve kerkschuur in voorn: agtergevel komende soude konnen worden afgemaakt’. Besloten is dit rekest door te sturen naar de drossaard der heerlijkheid Beek en Donk en diens bericht af te wachten [KSM inv.nr.15 dd. 3 juni 1761]


Missive van Gijsbert de Jong drossaard van de heerlijkheid Beek en Donk op een rekest van de roomse ingezetenen zoals hierboven omschreven welke missive door de Haagse heren nader onderzocht zal worden [KSM inv.nr.15 dd. 30 juni 1761]
Missive van Gijsbert de Jongh drossaard op het rekest van de roomse ingezetenen van Beek en Donk waarop na deliberatie is besloten toe te staan een nieuw glasraam van 4 voeten hoog 3 voeten breed in de zuidmuur naar het zuiden van de kerkschuur en het te verven met een gewone blauwe kleur; het dak binnen en boven de twee altaren tegen het afvallen van het stof met planken te mogen beleggen niet boogs- of wulfsgewijs maar zijds ingaande in het spoorwerk, zoldering, lijstwerk of ornamenten en de beplanking in de vorm van een leuning tegen de kreupele gevel staande, te beplanken benevens de oude glasramen in de zuidmuur te verven in marine (?) als zoals hiervoor staat aangegeven; de rug van de trap aan de zolder der achtergevel staande te beplanken en op gelijke wijze te verven; voorts een gedeelte van de wurmen onder het dak in de voors: kerkschuur zowel aan de zuid of noordzijde liggende ter lengte van 8 voeten te vernieuwen ter versterking van het dak in de kerkschuur en om deze vergroting van de kerkschuur en de achtergevel; ten laatste wort aan de supplianten tot het verrichten van enige reparaties en verbeteringen zoals reeds was toegestaan bij resolutie van 28 april 1761 en is geaccordeerd de tijd van 6 maanden binnen welke periode dit alles voltooid zou moeten zijn; een extract hiervan zal toegestuurd worden aan de drossaaard [KSM inv.nr.15 dd. 9 november 1761]

Breugel

Remonstrantie van de officier fiscaal van Brabant over de aanhoudende klachten van de classis van Peel- en Kempenland over de stoutigheden van een zekere roomse priester Martinus van de Biezen. De officier fiscaal is genoodzaakt geworden de persoon van Anthony Verreijk secretaris van Tilburg, te autoriseren [ = machtigen] om uit naam en vanwege het officie fiscaal, de genoemde roomse priester Van de Biezen te arresteren en te verbieden zijn dienst te Breugel uit te oefenen waar nog nooit een priester heeft gestaan en te gelasten aldaar te vertrekken of dat anders met rigeur tegen hem geprocedeerd zal worden . Hij verzoekt nu aan de Staten Generaal dat ze de secretaris van Tilburg willen machtigen deze roomse priester te ordonneren zich exact aan de plakkaten van het land te onderwerpen, zodat aan het verlangen van de classis van Peel- en Kempenland voldaan mag worden en het officie fiscaal in zijn bediening niet mocht worden ‘gevilipendeert’[= geminacht, versmaad]. Voorts verzoekt hij aan de Ho: Mo: dat zij gelieven de goedheid te hebben om alle andere roomse priesters die om tolerantie van hun roomse dienst zich wenden tot de Staten Generaal af te wijzen, omdat elke toelating aanstonds de stoutigheid der papen en papisten deed aangroeien en stijven en daardoor een deur zou worden geopend [KSM inv.nr.8 dd. 27 maart 1704]


Rekest van Johan de Jongh inhoudende dat hij suppliant door Alexander Soete de Lake Heer van Villers en hoofdschout van het kwartier van Peelland was aangesteld als zijn stadhouder over de dorpen Son, Breugel en Tongelre gelegen in dat kwartier en dat hij altijd de orders, plakkaten en resoluties van het land moet nakomen gericht tegen de excessen van de pausgezinden. Hij maakt kenbaar dat hij over die zaak door diverse kwaadaardige mensen al de nodige affronten [= spot- en hoonbetuigingen] heeft moeten doorstaan en dat in de avonduren zijn ruiten al menigmaal zijn ingegooid te Son waar hij woont. Vermeldt ook dat op 4 september jl. te Breugel een bedevaart zou worden gehouden van de pausgezinden nl. de zgn. Genovevabedevaart, wat hij uit naam van de overheid heeft laten verbieden. Nog dezelfde dag heeft hij daar naar toe gestuurd de gezworen schutter of ondervorster Willem Joerdens om te zien of aldaar enige paapse superstitiën [= bijgelovige praktijken] werden gepleegd. De ondervorster, goed en wel bij de kerk gekomen, zijnde in het huis van Mathijs Schutjens, ziet ineens een zeer grote confluentie [= toeloop] van pausgezinden zowel lieden van buiten als inwoners van het dorp zelf. Verschillenden van hen begonnen al te roepen: “Slaet dien schelm dien verrader dood” en daarop liepen sommigen met stoelen op genoemde ondervorster af, sloegen hem op hoofd, armen en schouders en wel zodanig dat ze hem bijna hadden doodgeslagen, indien hij hen niet was ontlopen en gevlucht. Bovendien hadden ze hem nog de nodige stenen naar zijn hoofd geslingerd onder het roepen van scheldwoorden. De suppliant verzoekt de Ed: Mo: de ondervorster in bescherming te nemen, welk verzoek wordt gehonoreerd en de hoogschout wordt verzocht zich nader te laten informeren over wat daar is voorgevallen [KSM inv.nr.8 dd. 29 november 1710]
Budel

Rekest van de roomse ingezetenen onder de baronie van Cranendonk inhoudende dat de supplianten tot nog toe bij toelating een huis gehad hadden tot uitoefening van de roomse godsdienst, maar dat dit huis door ouderdom dusdanig is vervallen dat het buiten gebruik is geraakt. Daardoor zij de supplianten genoodzaakt geweest een ander huis te zetten, wat bij de magistraat van het dorp en bij de predikant en kerkenraad van de gereformeerde religie bekend was. De supplianten zijn van mening dat ze met de herbouw van het huis niets misdaan hebben, maar de advocaat fiscaal Van Erpecum, als ook van drossaard Isacq Perné, hebben de voortgang van de herbouw verboden, onder voorwendsel dat een dergelijke herbouw zonder permissie of toelating van de Staten Generaal niet ondernomen mag worden. De supplianten dienen nu een verzoek om permissie in met de herbouw door te gaan, maar dat verzoek wordt niet gehonoreerd [KSM inv.nr.10 dd. 18 september 1719]


Rekest van de gezamenlijke roomse ingezetenen der heerlijkheid Budel gelegen binnen de baronie van Cranendonk, grenzende aan het land van Luik. Zij geven aan dat de schuur waarin ze gewoon zijn hun godsdienst uit te oefenen dusdanig is vervallen dat ze niet langer als zodanig gebruikt kan worden, zoals ook v blijkt uit de verklaring van de gereformeerde schepenen van het dorp, die aan het rekest is toegevoegd. Indachtig het voorschrift van de Ho: Mo: van 5 maart jl. dat geen kerkschuren mogen worden vergroot of vernieuwd zonder permissie van de Staten Generaal, dienen ze een verzoek in om hun kerkschuur weer te mogen herstellen, zodat ze daarin hun godsdienst kunnen belijden zoals vanouds, waarvoor de financiering gehaald zou kunnen worden uit de gemene middelen van de staat. Was dit niet mogelijk dan waren ze genoodzaakt hun godsdienst te gaan belijden in het aangrenzende land van Luik en ook daar hun verteringen te doen. Het rekest zal toegezonden worden aan de Raad van State ter advisering aan de Hoog Mogenden [KSM inv.nr.10 dd. 23 september 1721]

Rekest van de roomse ingezetenen van Budel met een herhaling van hun verzoek van 23 september. Na deliberatie wordt besloten hen de permissie te geven en mogen ze hun kerkschuur wederom in goede staat brengen en er hun godsdienstoefeningen in doen, maar ze moeten er zorg voor dragen dat dit niet leidt tot excessen [KSM inv.nr.10 dd. 6 december 1721]


Rekest van de officier en regenten van Budel aangevende dat hun roomse kerkschuur op 19 juni jl. is afgebrand naast twee huizen, een stal of schuur. De brand was zó fel dat zelfs de huizen die met pannen waren gedekt verwoest zijn, wat ook andere huizen in de kom of singel van het dorp overkomen zou zijn [KSM inv.nr.14 dd. 10 juni 1753]
Missive van de kwartierschout van kwartier Peelland met een reactie op het rekest van Lambert Buijs rooms priester en van Gerrit Hompes, Adriaan Gommers en Peter Franken van het kerkhuis van de roomse gemeente binnen Budel in kwartier Peelland binnen de Baronie van Cranendonk die permissie vragen om hun afgebrand kerkenhuis mogen herbouwen. Dat wordt weliswaar goedgekeurd mits de herbuw geschiedt op de oude fundamenten in de vorm van het afgebrande kerkenhuis en onder conditie dat het dak van pannen of leien wordt voorzien en niet wordt gedekt met stro en ‘dat sij supplianten ’t vierkant gebouw van 11 voeten, dog nog niet voltrocken is geweest, buijten sullen mogen volgen om de menschen beter te kunnen plaatsen en brengen, sullende dien opbouw voor ’t wintersaijsoen mogen geschieden om meerder schade van ’t corpus voor te komen’ [KSM inv.nr.14 dd. 30 augustus 1753]

Rekest van Lambert Buijs rooms priester, Jan Vereggen, Alexander van Veldhoven, Adriaan Gommer Gommers, Willem Hompes en Willem Somers, kerkmeester van het kerkhuis van de roomse gemeente te Budel in de baronie van Cranendonk en kwartier Peelland die verzoeken hen te permitteren om een nieuwe preekstoel in hun kerkschuur te mogen plaatsen, welk rekest overhandigd zal worden aan de kwartierschout van Peelland zijn reactie afwachtend [KSM inv.nr.15 dd. 23 oktober 1761]


Missive van P.Eckringa stadhouder van de kwartierschout van Peelland op het rekest van Lambert Buis rooms priester, Jan Vereggen, Alexander van Veldhoven, Adriaan Gommer Gommers, Willem Hompesch en Willem Somers kerkmeesters van het kerkenhuis van de roomse gemeente van Budel te kennen gevende dat op 19 juni 1753 hun kerkschuur was afgebrand en op 30 augustus daaraanvolgende hadden de Ed: Mo: permissie gegeven de kerkschuur weer op te bouwen. Doordat voor de opbouw van de kerkschuur het geringe vernogen van de gemeente parten speelde hadden ze geen nieuwe preekstoel kunnen laten maken en gebruik hebben gemaakt van een zeer oude afgebroken preekstoel die in de kerkschuur te Leende was gebruikt. Uiteindelijk heeft Antony Gommers privé het maken van een nieuwe preekstoel bekostigd en ze vragen nu verlof om hem vervolgens in hun kerkschuur te mogen plaatsen, welk bericht ter examinatie wordt doorgestuurd naar de heren belast met de Meierijse zaken om daarover te rapporteren [KSM inv.nr.15 dd. 7 december 1761]
Reactie op het rekest van 7 december waarop na deliberatie is besloten hen verlof te geven de nieuwe preekstoel in de kerkschuur te plaaatsen mits ze daarvan de stadhouder in kennis stellen zodat die een nadere inspectie kan uitvoerenen of er geen extra ornamenten zijn toegevoegd dan door hem waren goedgekeurd [KSM inv.nr.15 dd. 11 januari 1962]
Deurne en Liessel

Rekest van Johan de Cassemajor drossaard van de heerlijkheid Deurne en Liessel grenzende aan het Overkwartier van Gelderland en het land van Cuijk en met hem de gereformeerde ingezetenen. Ze melden dat een zekere Hendrik Mathijssen van Eijk als inwoner van Vlierden, dat een combinatie vormt met Deurne, voornemens is om vanuit de roomse religie de overstap te maken naar de christelijk gereformeerde religie. Hij heeft zich eerst gemeld bij de predikant van Asten en nadien bij Johan Rouwens predikant te Deurne en Liessel en hen verzocht hem te instrueren t.a.v. de gereformeerde religie. Predikant Rouwens heeft dit verschillende malen gedaan en met succes. Op de 13e juli jl. is Van Eijk weer naar de predikant geweest om onderwijs te krijgen van de predikant en kwam daar rond 7 à 8 uur in de avond uit het huis gelopen en werd ter plekke onmiddellijk overvallen en mishandeld. Hij was al eerder bedreigd. De drossaard heeft het nodig geoordeeld tegen dergelijke openbare boosheden en geweldadigheden, die uit haat van de religie gepleegd worden, te moeten optreden en te procederen. De drossaard had echter een probleem. Hij moest de nodige informatie laten inwinnen door zijn vorster bij predikant Rouwens en die van de gereformeerde religie te Deurne, maar gezien de hoge ouderdom en zwakheid van de Deurnese vorster, was hij niet goed in staat enige essentiële zaken te kunnen ondernemen om dit soort calamiteiten tegen personen te voorkomen. Deurne grenst immers aan het land van Luik en booswichten konden zich daar onmiddellijk terugtrekken en zodoende ongestraft blijven vanwege dergelijke delicten, tenzij de Hoog Mogenden voorzieningen zouden treffen en de personen in protectie [= bescherming] wilden nemen nl. predikant Rouwens, Hendrik Mathijssen van Eijk en hun respectievelijke families en andere gereformeerde ingezetenen. De kosten van dien zouden dan verhaald worden op de roomse ingezetenen. Hij verzoekt nu de Staten Generaal hem te machtigen contact op te nemen met de gouverneur van ’s-Hertogenbosch om assistentie te vragen van eenheden van de militie, zoals dat enige tijd geleden ook was toegestaan aan Pieter de Cort drossaard te Asten, waarmee de Raad van State akkoord gaat [KSM inv.nr.9 dd. 23 juli 1716]


Rekest van de regenten van de heerlijkheden Deurne en Liessel inhoudende dat de predikant aldaar had verzocht dat hem een geschikte woning zou worden aangeboden mits daarvan betalende aan de supplianten een bedrag van 60 gl. Omdat er echter geen pastorie is zijn de supplianten genoodzaakt om een stuk erf te kopen en daarop een huis te bouwen dat dienst kan doen als pastorie. Na rijp beraad en overweging zou het hier gaan om een bedrag van 2500 gl. Voorts zijn ze in onderhandeling gegaan met Margareta van Broekhuijsen de weduwe van wijlen Louis de Caesteker, in zijn leven drossaard en secretaris van Deurne en Liessel, die het enige huis bezat dat geschikt zou zijn als pastorie om dat te kopen voor 1400 gl., mits betalende 50 gl. contant op het moment van de overdracht, half april 450 gl. en het restant van 900 gl. zou blijven staan tot 5% gedurende het leven van genoemde Margareta, die inmiddels de 70 was gepasseerd. Ook zouden de supplianten alle onkosten betalen van de 40e penning met de verhoging, transport en het uitmaken der brieven en dat de gemeente daardoor zou profiteren een bedrag van 1100 gl. Ze verzoeken de Ho: Mo: de koop te willen goedkeuren en accepteren en het genoemde huis te mogen gebruiken als pastorie en predikantswoning. Voorts verzoeken ze dat ze 1400 gl. mogen opnemen en de predikant mag gelast worden 60 gl. huishuur per jaar te betalen. Het rekest wordt ter advisering doorgestuurd naar de Raad van State [KSM inv.nr.10 dd. 6 augustus 1721]

Rekest van Pero de Cassemajor drossaard en secretaris als ook de schepenen en met hen Antony La Forme als substituut secretaris in de heerlijkheid van Deurne en Liessel in kwartier Peelland met een verzoek aan de Hoog Mogenden om zowel hen als de predikant aldaar en de verdere leden van de gereformeerde religie als ook hun families, bedienden, meubilair, vruchten, huizen, hoven en vee, niets uitgezonderd, in hun bijzondere protectie te nemen en hen brieven van sauvegarde te verlenen [KSM inv.nr.11 dd. 31 maart 1723]


Missive van de Raad van Brabant op een rekest van genoemde drossaard, schepenen en secretaris verzoekende om brieven van sauvegarde ter oorzake van de dreigementen en geweldenarijen die aan hun huizen en personen worden geuit. Na deliberatie is besloten dat aan de Raad van Brabant zal worden teruggeschreven dat haar Hoog Mogenden zich laten welgevallen om het voorstel, zoals in de missive is verwoord, nl. dat door net officie fiscaal van Brabant gezorgd zal worden dat in de heerlijkheid van Deurne en Liessel een publicatie zal worden aangeplakt betreffende de plakkaten en de waarschuwing en belofte van een behoorlijke premie voor degenen die de daders van dreigementen en geweldenarijen ontdekken [KSM inv.nr.11 dd. 13 april 1723]

Missive van P. de Cassemajor drossaard van Deurne en Liessel in kwartier Peellland met een bericht over de recognitiegelden die hij geniet van de roomsgezinde ingezetenen aldaar [KSM inv.nr.12 dd. 15 maart 1728]


Rekest van Pero de Cassemajor drossaard te Deurne en Liessel te kennen gevende dat op 19 januari jl. gedurende de predicatie door een groep jongens veel rumoer is gemaakt op het kerkhof van Deurne en dat hij op basis van zijn kwaliteit en tot wering van die onrust aanstonds orders had gesteld en het volk meteen door de vorster is aangezegd eenieder bekend te maken dat niemand zich mag verstouten gedurende een godsdienstoefening te roepen of te schreeuwen of te spelen en dat de drossaard tegen hen zou procederen op basis van de plakkaten en bovendien het roomse kerkhuis zou sluiten. De suppliant, drossaard de Cassemajor had verwacht dat dergelijke orders effect zouden hebben, maar op zondag 30 januari jl. is het op de namiddag wederom gebeurd, dat zowel voor als onder de predicatie, een groot rumoer en geraas plaatsvond van veel jongens op en omtrent het kerkhof, waardoor het luisteren naar Gods woord totaal werd verhinderd. De Cassemajor heeft zich toen genoodzaakt gevoeld om op te staan en met de vorster en schutter tot wering van dat lawaai buiten de kerk is gegaan. Op het kerkhof aangekomen constateerden zij dat er zo’n 50 jongens over twee groepen verdeeld daar aanwezig waren. De drossaard heeft toen de schutter en de vorster gelast eerst te kijken wie die jongens waren en degenen die ze kenden te beboeten, maar gezien de grootte van de groep was dat onmogelijk en besloten ze alle jongens een boete op te leggen en hen te gelasten van daar te vertrekken. De jongens begonnen daarop nog harder te roepen en te schreeuwen en zowel de vorster als de schutter uit te jouwen. De drossaard was inmiddels opnieuw de kerk binnengegaan en had zijn plaats weer ingenomen totdat hij wederom het geschreeuw hoorde gedurende de godsdienstoefening. Hij verzocht de Ho: Mo: tot wering van dergelijke excessen en stoutigheden de roomse gemeente daarop aan te spreken wegens het verstoren van de orde en daarop orders te stellen. Na deliberatie is besloten een extract van dit rekest ter advisering toe te sturen aan de Raad van Brabant [KSM inv.nr.13 dd. 3 februari 1735].
Missive van de Raad van Brabant als advies op het rekest van Pero de Cassemajor drost van Deurne en Liessel vanwege de klachten over de gepleegde paapse stoutigheden waarop is gedelibereerd en besloten dat drossaard de Cassemajor op het rechthuis in Deurne zal ontbieden de roomse pastoor, kapelaan en bedienden van het roomse kerkenhuis aldaar en dat zij voor het gerecht in presentie van de predikant en kerkenraad van de gereformeerde religie een behoorlijk getuigenis moeten afleggen, hun leedwezen moeten betuigen over dat geraas op het kerkhof van zowel de 9e als de 30e januari waar een groot getal jongelui bij betrokken was en dat gedurende de predicatie van Gods woord; voorts wordt van hen gevraagd te verklaren dat ze dit hadden kunnen verhinderen en voorts zullen ze moeten beloven dat ze in het openbaar zorg zullen dragen en eenieder aanmanen dat al degenen die tot de roomse religie behoren zich voortaan in alle rust en stilte dienen te gedragen zowel bij hun eigen godsdienstoefeningen als bij die van de gereformeerde gemeente [KSM inv.nr.13 dd. 11 april 1735]
Rekest van de roomse ingezetenen van Deurne en Liessel inhoudende dat Gerardus Pennix des suppliants eerste pastoor via een zekere akte van admissie conform haar Ho: Mo: resolutie van 19 juli 1730 een akkoord of overeenkomst heeft gesloten ca. 5 jaren geleden, overigens zonder voorkennis van de supplianten, over het traktement wat hij zou mogen genieten. De supplianten hadden er op vertrouwd dat hij hetzelfde zou genieten als zijn voorgangers Laurens van Loon aan wie hij ter verlichting was toegevoegd ………veel onduidelijkheden vanwege het erbarmelijk handschrift!!! [KSM inv.nr.13 dd. 1 september 1736]

Rekest van schepenen kerkmeesters en gemeentemeesters van de heerlijkheid Deurne inhoudende dat hun kerk zwaar geleden heeft onder een brand veroorzaakt door onweer donder en bliksem aan de torenspits, het uurwerk en de klokken. Ook dat de predikant en de toehoorders vanwege deze brand nauwelijks nog gebruik kunnen maken van de kerk. Herstel van torenuurwerk en kleine klok komt ten laste van het dorp en de reparatie van de kerk is voor rekening van de commanderij van Gemert. De schade bleek aanzienlijk. De commanderij van Gemert reikt jaarlijks 80 gl. uit aan de kerk van Deurne zoals vastgelegd in een akkoord met de commanderij als heffer van de grote tienden van Deurne. De supplianten hebben t.a.v. de reparatie een bestek en begroting laten opmaken voor wat betreft het opbouwen van een torenspits, het belfort en uurwerkwijzers, het vergieten van de kleine klok en het repareren van de kerk zelf. De totale onkosten zouden belopen een bedrag van 6030:19:0 en aan de commanderij heeft men verzocht om de tiendklok te laten vergieten en daartoe een begroting op te stellen. De supplianten vragen permissie om een bedrag van 6000 gl. te mogen opnemen tegen 3% met een aflossing van 1000 gl. per jaar in een periode van 6 jaren. Men schakelt rentmeester Hendrik de Kempenaar in om te bemiddelen omdat de commanderij onwillig is de tiendklok te laten vergieten [KSM inv.nr.13 dd. 31 mei 1737]

Rekest van de schepenen kerk- en armmeester van de heerlijkheid Deurne in kwartier Peelland aangevende dat zij door een zware toeval van brand, veroorzaakt door onweer donder en bliksem ontbloot zijn van de spits van hun kerktoren, van uurwerk, wijzers en klokken. Bovendien dat de predikant en zijn gehoor nauwelijks nog gebruik kunnen maken van het kerkgebouw etc. – zie het vorige rekest!

Waarop gedelibereerd dat aan de supplianten zal worden geremitteerd 900 gl. op de verponding van het jaar 1736 en nog eens een som van 600 gl. op de gemene middelen van 1736; voorts wordt aan de supplianten permissie gegeven om ten laste van het dorp een bedrag tegen 3% en dit over 6 jaren af te lossen. Mocht de commanderij van Gemert in gebreke blijven voor wat betreft de reparatie van de klok dan zullen zij bij executie daartoe geconstringeerd worden en kunnen de supplianten in dit geval zich wenden tot de Raad van State [KSM inv.nr.13 dd. 29 maart 1738]


Erp

Rekest van de gezamenlijke roomse ingezetenen van het dorp Erp in kwartier Peelland inhoudende dat de kerkschuur die binnen hun dorp staat toe is aan de noodige reparaties en bij hoog water loopt het water er in. Door het inlopen van het water is ook de oude plavuizen vloer aan vernieuwing toe, die men graag een voet zou willen verhogen zodat die bevrijd blijft van het inlopen van water. Dit betekent ook dat de oude communiebank een voet hoger uit de grond moet worden opgehaald. Voorts blijkt dat de westelijke zijmuur, naast de moestuin van de roomse priester, gedeeltelijk versleten is, welke muur ze graag willen vernieuwen en repareren. In die muur wil men ramen aanbrengen van 4 voeten hoogte en 9 voeten lengte en daarnaast nog 2 andere glasramen die open en dicht kunnen om het nodige licht en frisse lucht te laten binnenkomen. Boven de zangzolder aan de westzijde van het dak zit een versleten raamke dat hoognodig gerepareerd dient te worden. Dat geldt ook voor de ‘vergankelijke’ trapppen van de zangzolder [zingsolder] als ook de ‘vergankelijke’ zitbanken van de kerkschuur alsmede ‘doen rigten en bekleeden met planken de houte binnen steijlen van voors. kerkschuur, die aan het overzinken waaren’. Boven de zangzolder wil men ook graaag laten maken 4 à 5 houten bogen met grijne schelpdelen beplanken zoals die worden aangetroffen in de meeste kerkschuren. Hetzelfde zou men willen doen voor de twee afhangen van het dak van de kerkschuur te weten van de dakgording af tot aan de twee zijmuren toe. De andere zijmuren naast de openbare weg zijn enigszins aan het overzinken en de beide deurgebonten en deuren aldaar zijn aan het verslijten als ook de ramen aan die zijde, wat allemaal voor reparatie in aanmerking komt. De planken vloer van het grote altaar was ook aan slijtage onderhevig en om overzinken te verhoeden van de beide zijmuren zouden die met de nodige ankers voorzien moeten worden. De sacristie die al te klein blijkt te zijn, zou vergroot moeten worden waardoor een klein altaartje verplaatst zou worden. In de sacristie bleek een raampje te zitten dat vernieuwd diende te worden. Ook vraagt men verlof om deurgebond, deuren, ramen en de beplankte stijlen met een gewone olijfverf te mogen verven waartoe ze immers zonder voorafgaande goedkeuring van de overheid niet toe gemachtigd waren. Dit schrijven is doorgestuurd naar de kwartierschout van Peelland ter kennisgeving [KSM inv.nr.15 dd. 7 juli 1762]


Missive van P.Eckringa stadhouder van de kwartierschout van Peelland op het rekest van de roomse ingezetenen van Erp in kwartier Peelland over de de reparatie die noodzakelijk is van hun kerkschuur. Alle informatie uit de vorige akte keert terug en na deliberatie wordt besloten de stukken door te sturen naar de heren van de Meierijse zaken om te visiteren, examineren en daarover te rapporteren [KSM inv.nr.15 dd. 6 december 1762]
Geldrop

Rekest van de regenten van de heerlijkheid Geldrop inhoudende dat door de Hoog Mogenden is de resoluties van 29 oktober 1712 en juli 1713 waarbij is begrepen dat de kosten in criminele procedures ten laste van verschillende ingezetenen van Geldrop over gedane insolenties aan Isacq Polet en zijn vrouw, gebracht en omgeslagen zouden worden ten laste van de roomse ingezetenen. Nadat die kwestie is behandeld in de Raad van Brabant is een taxatie van die kosten opgemaakt en is het totaalbedrag 3414:18:8 [KSM inv.nr.9 dd. 5 januari 1714]


Missive van J.Draak drossaard van Geldrop in kwartier Peelland over de recognitiegelden die hij geniet van de roomsgezinde ingezetenen van Geldrop [KSM inv.nr.12 dd. 13 februari 1728]
Missive van Adrianus Draak drossaard van de heerlijkheid Geldrop verwijzend naar een plakkaat van 14 april 1649 waarbij het strikt was verboden collecten te houden ten behoeve van roomse kerken zgn. geestelijke colleges of conventen. In dit verband zijn in een resolutie van 19 juli 1730 speciaal de officieren gelast met alle mogelijke nauwkeurigheid op dit soort collecten onder de roomsgezinden te letten wat gebeurt door het zetten van bussen op zgn. heilige plaatsen of kerkhoven, het omlopen aan de huizen e.d. waardoor de onnozele ingezetenen uitgeput raken. In de akte wordt genoemd een zekere Diderius Constand monnik van het klooster of convent der minderbroeders te Weert in het overkwartier van Gelderland. Die had zich niet ontzien om op 6 juli 1736 naar genoemde heerlijkheid te gaan en, om niet bekend te zijn, door het afleggen van zijn monnikschap en het aandoen van een blauwe kiel aldaar bezig is geweest met bedelen ten behoeve van zijn klooster of te collecteren. De suppliant verzoekt dat haar Ho: Mo: de kapelaan te Eindhoven Van den Bergh als ook de pastoor van Dommelen als bij zijn medeleden van het minderbroederklooster te Weert op straffe van hun suspensie [= schorsing] van hun dienst, gelieven te gelasten om te effectueren en te zorgen, dat de suppliant als drossaard van genoemde heerlijkheid Geldrop een behoorlijke voldoening toekomt van het vonnis door hem via de schepenen van Geldrop op 15 september 1735 ten laste van genoemde monnik Didecius of Didacus Constands opgelegd alsmede de kosten die zijn gemaakt of nog gemaakt worden. Een kopie van dit rekest wordt naar de Raad van State gestuurd ter advisering [KSM inv.nr.13 dd. 8 augustus 1737]
Missive van de Raad van State als advies op het rekest van Adrianus Draak drossaard der heerlijkheid Geldrop t.a.v. de monnik Didacus Constand die zich op 6 juli 1736 niet had ontzien in genoemde heerlijkheid te bedelen of te collecteren. Genoemde monnik heeft hij laten arresteren maar die had een middel gevonden om uit het arrest bevrijd te worden en dat hij vervolgens, op een pakje dat die monnik had nagelaten, geprocedeerd dat in hetzelfde pakje niets anders was teruggevonden dan zijn monnikskap en enige beeldjes en pater nosters, verzoekende dat haar Ho: Mo: de kapelaan te Eindhoven Van den Bergh en de pastoor van Dommelen, beiden medeleden van het convent de rminderbroeders te Weert op straffe van suspensie [= schorsing] van hun dienst, te gelasten om te effectueren en ervoor te zorgen dat aan de suppliant als drossaard van de heerlijkheid Geldrop een behoorlijke voldoening wordt gedaan van genoemd vonnis ten laste van Didacus Constand als ook van de gemaakte of nog te maken kosten. Na deliberatie is besloten dat men niet op het verzoek kan ingaan, maar gelast men de drossaard, mocht de monnik zich enige tijd binnen Geldrop vertonen, tegen hem te procederen [KSM inv.nr.13 dd. 30 augustus 1737]
Heeze en Leende

Missive van de drossaard van Heeze en Leende in kwartier Peelland met een bericht over de recognitiegelden die hij ontvangt van de roomsgezinde ingezetenen aldaar [KSM inv.nr.12 dd. 24 maart 1728] – PS het lijkt erop dat door de Raad van State deze informatie is opgevraagd omdat in 1728 ineens al die berichten verschijnen in de boeken….


Rekest van Govert van der Hoeven drossaard van de heerlijkheid Heeze en Leende te kennen gevende dat de heren van de Raad van State tot meerdere beteugeling van die van het pausdom via een resolutie van 30 juli 1717 hebben besloten te gelasten aan de vier Meierijse kwartierschouten om ter afwering van verdere klachten over de paapse superstitiën die in enige dorpen worden gepleegd actie moeten ondernemen. Dat betekent dat zij de pastoors en kapelaans in die dorpen moeten aanzeggen dat ze deze stoutigheden dienen te voorkomen. In het stuk wordt o.a. aangegeven dat Johan Spierinx rooms priester te Heeze door de vorster is gedenuncieerd [= aangezegd] dat hij op 10 mei 1730 zijnde de zgn. Sint Jacobsdag geen roomse dienst mag houden en ook niet op de zondag daaropvolgend nl. 14 mei. Desalniettemin heeft de drossaard geconstateerd dat in een schuur in het gehucht Ginderover onder Heeze door Johan Spierinx toch een roomse dienst is gehouden zoals blijkt uit het relaas van de vorster. Dit rekest zal worden doorgestuurd naar de heren gecommitteerden die de kwartieren bezoeken om zich nader te informeren over de gebeurtenissen en een besluit te nemen zoals zij vinden dat behoort [KSM inv.nr.12 dd. 11 augustus 1730]
Rekest van de Heer van Heeze en Leende en Zesgehuchten Francois Adam d’Holbach sinds 1732 aldaar gevestigd en er zijn verblijfplaats hield en de roomse religie aanhing zoals ook het merendeel van zijn familie, aangevende dat het rooms kerkenhuis dat onder de heerlijkheid hoort waarin dienst werd gedaan klein was en het bijwonen van de dienst gepaard gaat met veel benauwdheden vanwege de geringe omvang van het kerkenhuis, zodat de suppliant en zijn familie om die reden genoodzaakt zijn geweest om buiten hun godsdienstoefening te blijven, dat buiten het genoemde kerkenhuis ruimte was. Daar kon hij, zonder het minste ongemak, een aparte bezitting laten maken voor hem en zijn familie corresponderende met een opening of venster in het genoemde kerkenhuis zodat ongemakken zouden kunnen worden voorkomen en zij met alle behoorlijke aandacht hun godsdienst kunnen uitoefenen. Daarom verzoekt hij de Ho: Mo: permissie om in het roomse kerkenhuis een aparte zitting [vgl. zitplaats] te mogen maken voor hem en zijn familie. Het rekest wordt gezonden aan het officie fiscaal van Brabant en aan de drossaard van de heerlijkheid [KSM inv.nr.13 dd. 22 mei 1737]
Missive van G. van der Hoeven drossaard van de heerlijkheid Heeze en Leende als reactie op het rekest aan de Ho: Mo: gepresenteerd door Baron van Holbach als Heer van Heeze en Leende en Zesgehuchten die had verzocht om approbatie [= goedkeuring] om aan het roomse kerkenhuis te Heeze op zijn kosten en tot gerief van hem en zijn familie een klein gebouw te mogen maken, waarvan een kopie is toegestuurd aan de heer Schiljer en andere heren gedeputeerden van de Staten Generaal belast met de plakkaten en reglementen en met hen enige heren van de Raad van State om dit stuk nader te onderzoeken [KSM inv.nr.13 dd. 22 september 1737]
Missive van het officie fiscaal van Brabant als reactie op het rekest van Frans Adam Baron de Holbach Heer van Heeze en Leende en Zesgehuchten i.v.m. zijn verzoek om bij het roomse kerkenhuis aldaar een aparte ruimte te mogen laten maken met zitplaatsen ten behoeve van hem en zijn familie, waarvan een kopie wordt toegezonden ter examinatie aan de heer Slicher [elders Schiljer] en andere gedeputeerden belast met plakkaten en reglementen en enige heren uit de Raad van State, op wiens rapport men wacht [KSM inv.nr.13 dd. 26 september 1737]
Missive van de Raad van State als advies op een rekest van de regenten van Heeze in kwartier Peelland inhoudende dat zij supplianten in de maand augustus 1757 aan haar Ho: Mo: om een octrooi verzocht hebben om ten laste van haar gemeente te mogen opnemen een som van 550 gl. tot betaling van het vergieten van twee klokken en het maken van een nieuw bellefort. Hierbij wordt verwezen naar de rol van de tiendheffers en nergens is gebleken dat de tiendheffers te Heeze zouden zijn vrijgesteld om te contribueren in die uitgaven. In Heeze betreft het geen geestelijke maar laÏcale tienden leenroerig aan de Raad en Leenhof van Brabant en dus niet subject aan enige kosten van het vergieten van kerkklokken, vernieuwen van belleforten of andere kerkelijke reparaties. Daarom verzoeken de supplianten aan haar Ho: Mo: of die de Heer van de heerlijkheid Heeze ofwel voornoemde Eckringa, waarnemende de zaken van genoemd Heer van Heeze, gelieven te gelasten en desnoods te constringeren om zonder langer uitstel, met haar supplianten te concurreren in de kosten van het vergieten der klokken en van het vernieuwen van het bellefort, of dat in geval haar Ho: Mo: uit de contra insinuatie, door gemelde Paulus Eckringa aan haar supplianten gedaan exploiteren, als kopie aan het rekest toegevoegd, mochten komen opmaken dat de Heer van Heeze in het voorschrevene ongehouden is en daarvan is vrijgesteld, omdat in dat geval de som die de gemeente van Heeze als dan zou moeten furneren niet gering zal zijn. Met verzoek dat haar Ho: Mo: in een zodanig geval gelieven te accorderen haar verzoek zoals in een vorig rekest gedaan om 550 gl. ten laste van de gemeente te mogen opnemen. Dit verzoek wordt gehonoreerd mits ze het aflossen binnen drie jaren en verrekenen via een reële omslag van 200 gl. per jaar [KSM inv.nr.15 dd.
Missive van de Raad van State als advies op een rekest van de regenten der vrije heerlijkheid Heeze en Leende met het verzoek aan de Ho: Mo: om een zeker gebouw in oude tijden tot vergroting van de kerk te mogen afbreken en de kerk volgens het meegeleverde bestek te mogen herstellen en daarvoor te mogen gebruiken het tegoed van het slot van hun rekening tot 146 gl.; idem nog een kapitaal van 180 gl. dat de kerk tot last van het corpus heeft als ook nog 50 gl. die gissing zouden kunnen worden gemaakt en van de loden goot die tussen genoemd gebouw en de kerk loopt en voorts wil men geld opnemen voor hetgeen men tekort zou komen [KSM inv.nr.15 dd. 27 juli 1760]
Helmond

Rapport over een nader onderzoek van een rekest van Antony Ulrich geboren Graaf van Arberg Valangin en van het Roomse Rijk Graaf van Trezin en Heer van de stad Helmond, inhoudende dat hem suppliant ter ore is gekomen dat Geerlof Suijkers, thans het secretarisambt van Helmond bedienende, zich daar buiten onthield en metterwoon had gevestigd te ’s-Hertogenbosch en dat hij als substituut had aangesteld een zekere Mathijs van der Laek zonder de Heer van Helmond daarover in te lichten. Van der Laek, die de roomse religie belijdt en bovendien onbekwaam zou zijn om de publieke secretarie te bedienen, had al ten overstaan van schout en schepenen de eed afgelegd. In het rekest wordt verzocht deze aangestelde substituut van dat ambt te ‘amoveren’[= weren] en in zijn plaats een substituut te benoemen die van de gereformeerde religie is [KSM inv.nr.6 dd. 19 september 1686]


Missive van A.Brilius schout van Helmond over de stoutigheden en andere wanordelijkheden der monniken, papen en papisten [KSM inv.nr.7 dd. 13 december 1699]
Rekest van Theodorus Aelberts notaris te Helmond inhoudende dat hij en zijn huisvrouw Maria Vogelzank, beiden van de ware gereformeerde religie en aldaar ca. 14 jaren hebben gewoond met hun dochtertje Sophia die inmiddels 18 jaren oud is. Ze hebben die opgevoed in de ware gereformeerde christelijke religie, haar continu de predicaties en catechisaties laten bijwonen, zonder dat men ooit heeft bespeurd dat zij neigingen zou hebben om over te stappen naar de roomse religie. Ze is op een avond uit haar huis weggegaan zonder dat men wist waarheen. Nadien hebben de notaris en zijn vrouw haar overal gezocht en uiteindelijk hadden ze vernomen dat ze was weggevoerd naar het dorp Venraij, zijnde de eerste en nabijgelegen plaats in Spaans Gelderland palende aan het territorium van de Staten Generaal. Niemand had ter plaatse aanwijzingen willen geven waardoor het mogelijk zou zijn hun dochter weer naar huis te kunnen halen en te stellen onder de gehoorzaamheid van haar ouders, maar ze werden in plaats daarvan zeer bitterlijk en lasterlijk bejegend. In Helmond woonden twee vrouwtjes van de roomse religie die zeer waren ontdaan door dit ongeval en wilden wel aanwijzingen geven, waar ze hun dochter in Venraij zouden kunnen vinden. Daarop zijn Theodorus en zijn vrouw naar Venraij gegaan en hebben aan het gerecht aldaar een rekest gepresenteerd, met het verzoek dat een order zou worden uitgevaardigd, zodat hun weggelopen en verborgen dochter weer te voorschijn zou kunnen komen en terugkeren onder hun gehoorzaamheid en aan eenieder verboden zou worden haar als verstekeling in huis te houden. Tot verificatie van dien is aan dat rekest nog een extract uit het landrecht van Roermond toegevoegd, handelend over de plichten van kinderen tegenover hun ouders en de straffen die daarop staan. De voogd van Sophia was een zekere scholtus Rodinkhuijsen. De zaak komt ten slotte terecht bij het Hof van Gelderland omdat religie in het spel was. Vervolgens hebben Theodorus en zijn vrouw zich gewend tot Brielius drossaard van de stad Helmond en verzocht dat aan de scholtis van Venraij geschreven zou worden over deze kwestie, hopende dat Sophia zou worden teruggebracht. Daarop was niets gevolgd, maar drossaard Brielius had tot antwoord gegeven dat hun dochter voor het gerecht had verklaard dat zij de intentie had het Rooms Katholiek geloof aan te nemen en daarom ook naar Venraij was gekomen. Ze had ook verklaard dat ze ‘haer liever wilde laten branden’ dan van haar voornemen af te wijken en terug te keren naar Helmond. Daarna hebben Theodorus en zijn vrouw zich gewend tot Simon Coenraad Lintworm stadhouder van de hoogschout van stad en meierij van ’s-Hertogenbosch met het verzoek om aan die van Venraij te schrijven wat er precies was gebeurd, in de hoop dat ze hun dochter zouden kunnen terugkrijgen. Die van Venraij hebben echter in plaats van dat te doen of na te komen, een ‘futiel [= nietig, beuzelachtig] en echappatoir’ [= ontwijkend] antwoord gegeven. De supplianten verzoeken nu aan de Staten Generaal tot handhaving van de ware gereformeerde godsdienst te beletten ‘het misleiden en vervoeren mitsgaders verstompelen van onmondige kinderen’ in de meierij van ’s-Hertogenbosch, aan de hoogschout te ordonneren zich nauwgezet te laten informeren en bij represaille te procederen tegen de ingezetenen van Venraij. Ook tegen alle geestelijken, hetzij papen, monniken, begijnen en kwezels of anderen uit het Overkwartier van Gelderland die daarin geparticipeerd [= deelgenomen] hebben en verzoeken om schadevergoeding van alle kosten die gemoeid zijn met hun ontvoerde dochter Sophia. Een kopie van dit rekest wordt doorgestuurd naar de drossaard van Helmond om te procederen tegen de daders en voorts bij hem te ontbieden de roomse priesters of de priesters die te Helmond zijn en enigen van de voornaamsten van de roomse religie en hen duidelijk maken dat ze ervoor moeten zorgen dat Sophia weer bij haar ouders terugkomt en anders zal tegen hen met rigeur geprocedeerd worden [KSM inv.nr.7 dd. 17 december 1700]
Missive ontvangen van A.Brielius drossaard van Helmond met twee bijlagen betreffende de ontvoering van de enige dochter van notaris Aelberts en diens vrouw Maria Vogelsangh wonende te Helmond [KSM inv.nr.7 dd. 8 februari 1701]

Rekest van Theodorus Aalberts en Maria Vogelzank i.v.m. het ontvoeren van hun dochter Sophia oud omtrent 18 jaren naar het dorp Venraij in Spaans Gelderland palende aan het territorium van de staat, dat die van Venraij hun dochter tegen wil en dank vasthouden en in de paapse religie willen opvoeden. Na deliberatie op dit rekest werd besloten de drossaard van Helmond aan te schrijven met de opdracht de roomse priesters die daar zijn gevangen te nemen en in strikte detentie op te sluiten tot aan het moment dat hun dochter Sophia zou zijn teruggebracht en dat hij provisioneel [= voorlopig] de roomse kerk te Helmond zou mogen sluiten en vervolgens voortgaan in het procederen tegen degenen die aan de ontvoering schuldig zouden zijn [KSM inv.nr.7 dd. 20 januari 1701]


Rekest van Augustinus Kenius [vgl. Kennis] en Garlacius Weerts roomse priesters binnen Helmond verzoekende om wat in de resolutie van 20 januari is opgenomen betreffende de zaak van Sophia Aalberts buiten effect te stellen en de eerste suppliant uit zijn detentie, waarin hij tegenwoordig nog zit, te ontslaan, maar dat verzoek wordt afgewezen [KSM inv.nr.7 dd. 4 februari 1701]
Rapport van de heren Van Essen en andere gedeputeerden m.b.t. de Meierijse zaken over wat ze hebben gedaan in de zaak van Sophia Aalberts. Na deliberatie is besloten dat resident Hulst zal worden aangeschreven dat hij aan Maria Vogelzangh die op het punt staat naar Brussel te komen om haar dochter te spreken en zoveel als doenlijk is dochter Sophia te persuaderen [= aanraden, overreden] om haar wederom te begeven onder de gehoorzaamheid van haar ouders, de behulpzame hand te bieden en de moeder de gelegenheid te geven haar dochter te spreken, hetzij in het huis van hem als resident of op een neutrale plaats, zonder dat er anderen bij zijn en haar in alles te seconderen [= bij te staan] [KSM inv.nr.7 dd. 8 augustus 1701]
Missive van resident Hulst geschreven te Brussel op de 31e der voorbije maand aangevende wat hij had gedaan in de zaak van Sophia Aalberts, van welk rekest een kopie zal worden doorgestuurd naar de heren Van Essen en de andere gedeputeerden van de Staten Generaal om die brief nader te bestuderen [KSM inv.nr.7 dd. 12 september 1701]
Missive van de kerkenraad van Helmond van 1 september in verband met de zaak van de weggelopen dochter van Theodorus Aalberts en Maria Vogelzangh, waarvan ook een kopie wordt toegestuurd aan de heer Van Essen en de andere gedeputeerden van de Staten Generaal [KSM inv.nr.7 dd. 12 september 1701]
Rapport van de heren gedeputeerden van de Staten Generaal der buitenlandse zaken die de missive van resident Hulst van 31 augustus hebben bestudeerd die had aangegeven allerhande devoiren [= inspanningen] aangewend te hebben in de zaak van Sophia Aalberts. Na deliberatie is besloten dat, zo lang Sophia niet onder de gehoorzaamheid van haar ouders is teruggekeerd, de resolutie van de Staten Generaal van 20 januari van kracht zal blijven en de drossaard van Helmond wordt gelast die resolutie stipt na te volgen en uit te voeren en de gevangen genomen paapse priester niet in civiele gijzeling maar in strikte detentie te houden en de uitoefening van de roomse godsdienst te Helmond te verbieden en te beletten, aangezien deze zaak voor de Staten Generaal ‘ten hoogsten ernst is’. De drosaard wordt tevens geacht verslag te doen van wat hij heeft gedaan in deze zaak [KSM inv.nr.7 dd. 21 september 1701]
Rekest van Augustinus Kennis rooms priester gedetineerd te Helmond, verzoekende aan de Staten Generaal dat zij op basis van de resolutie van 21 september jl. op basis waarvan de suppliant in strikte detentie is gesteld, die detentie buiten effect te willen stellen totdat de heer Van Essen uit Den Haag de zaak nader onderzocht en zijn bevinden gerapporteerd zou hebben. De Staten Generaal blijven bij het besluit van 21 september waar naar de drossaard van Helmond zich precies heeft te reguleren [KSM inv.nr.7 dd. 3 oktober 1701]
Missive van A. Brilius drossaard te Helmond als antwoord op de resolutie van 21 september in de zaak Sophia Aalberts jegens de gedetineerde priester te Helmond, verzoekende daar omtrent te mogen weten de interpretatie van de Staten Generaal van de priester niet in civiele gijzeling te stellen maar in strikte detentie te houden, maar de drossaard wist niet juist de intentie van de Staten Generaal. Zijn vraag was of hij de gedetineerde moest plaatsen in de ‘diefkelder’ van het kasteel van Helmond waar hij nauwelijks zon of maan zou kunnen zien dan door het openen van de deur of dat hij de gedetineerde zou plaatsen op het stadhuis, want behalve die twee mogelijkheden was er geen ander middel. Deze missive wordt overhandigd aan de heer Ham en andere gedeputeerden van buitenlandse zaken om die nader te bestuderen [KSM inv.nr.7 dd. 10 oktober 1701]
Missive van resident Hulst vanuit Brussel van de 16e en geadresseerd aan griffier Fagel inhoudende dat hij op de 14e daaraan voorafgaande een missive had ontvangen vanuit Antwerpen, waarop hij had geadviseerd de dochter van notaris Aalberts, die er nu vrede mee had met haar moeder te spreken, ofwel te Antwerpen of te Brussel, mits de reiskosten om daar te komen door de ouders zouden worden betaald. Haar moeder had echter al tevergeefs grote onkosten geïnvesteerd. Resident Hulst zou aan de bisschop voorstellen om de ontmoeting te laten plaats vinden in een of ander dorp tussen Antwerpen en Breda of Bergen op Zoom [KSM inv.nr.7 dd. 18 oktober 1701]
Bericht van notaris Theodorus Aalberts en zijn vrouw reagerend op de resolutie van 21 september en de missive van resident Hulst over een ‘entrevue’ [= ontmoeting] voor de bisschop van Antwerpen gepresenteerd tussen de weggelopen of ontvoerde Sophia en haar moeder. Hiervan wordt een kopie doorgestuurd naar de heer Van Essen en de andere gedeputeerden van de Meierijse zaken ter examinatie [= onderzoek] en waarvan ze verslag moeten doen [KSM inv.nr.7 dd. 5 november 1701]
Rapport van de heren Van Essen en andere gedeputeerden van de Meierijse zaken die het bericht van notaris Aalberts hebben bestudeerd en ook de missive van resident Hulst betreffende de ontmoeting van Maria Vogelzangh en haar dochter Sophia. Waarop is gedelibereerd en besloten, dat genoemde Maria Vogelzangh nog één keer naar Brussel zal afreizen om aldaar in het huis van resident Hulst of op een andere neutrale plaats te spreken zonder dat er iemand anders bij zou zijn en haar te overreden onder de gehoorzaamheid van haar ouders terug te keren. Aan Maria zal 50 gulden reisgeld worden uitgekeerd waarvan men de Raad van State verzocht heeft een ordonnantie uit te schrijven. Resident Hulst zal worden aangewezen de helpende hand te bieden. De officier fiscaal zal worden gelast en nadien de officier van Helmond, dat zij, de roomse priester die op order van de Hoog Mogenden is gearresteerd, hebben laten ontsnappen en dus de resolutie van de Hoog Mogenden niet naar behoren hebben opgevolgd [KSM inv.nr.7 dd. 10 november 1701]

Rapport van de heren Van Essen en andere gedeputeerden van de Meierijse zaken mede ter voldoening van de resolutie commissoriaal van de 19e december te kennen gevende dat Theodorus Aalberts en zijn vrouw hebben aangegeven dat de ontmoeting met hun minderjarige dochter ten huize van resident Hulst vruchteloos is geweest en ook is onderzocht de missive van genoemde Hulst. Hierop is gedelibereerd en in acht genomen dat Sophia aan het gezag en de gehoorzaamheid van haar ouders wordt onthouden, daar zij nog minderjarig is. En ofschoon zij hier te lande met genoegzame vrijheid professie kan doen van de religie die zij heeft aangenomen en dat haar Hoog Mogenden nog onlangs in een gelijk geval een minderjarige dochter aan haar ouders hebben teruggegeven, dat ook genoegzaam blijkt, dat zij voor de seductie [= verleiding] immers niet zonder kennis van de roomse priesters te Helmond is weggegaan en aan haar ouders is onttrokken. De roomse priester Augustinus Kennis is uit zijn arrest ontvlucht en de Hoog Mogenden worden tevens geïnformeerd dat te Helmond door een kapelaan op het kasteel nog dienst wordt gedaan wat tegen de resolutie van de Staten Generaal is nl. de kerken te sluiten voor de roomse godsdienst. Daarom is goedgevonden dat de drost van Helmond die kapelaan in arrest moet nemen en in strikte detentie dient te houden en heeft te zorgen dat de minderjarige dochter weer teruggebracht wordt onder de gehoorzaamheid van haar ouders. De drost wordt verzocht zich exact te reguleren naar de resoluties van de Hoog Mogenden [KSM inv.nr.7 dd. 31 december 1701]


Rekest van Theodorus Aalberts en Maria Vogelzank te kennen gevende dat de drost van Helmond ondanks de oproep van de Ho: Mo: de kapelaan in Helmond nog niet gevangen heeft genomen maar zich enige dagen na die bewuste resolutie naar Den Haag heeft begeven, van welk rekest een kopie wordt gezonden naar de heer Van Essen en de andere gedeputeerden van de Meierijse zaken [KSM inv.nr.7 dd. 18 januari 1702]
Rekest van Theodorus Aalberts en Maria Vogelzank zijn vrouw thans wonende te ’s-Hertogenbosch die aan de Hoog Mogenden verzoeken of zij de fiscaal van Brabant alsnog willen ordonneren om diens bericht en consideratie op het rekest van de supplianten van 19 november 1702 gepresenteerd aan de Ho: Mo: over te geven [KSM inv.nr.8 dd. 12 januari 1703]
Rekest van de ingezetenen en burgers der stad Helmond in kwartier Peelland inhoudende dat de supplianten op speciale order van de Hoog Mogenden van 20 januari 1701 en zulks voor een periode van drie volle jaren, door de officier van de stad waren belet geworden hun roomse dienst in de ordinaris schuur aldaar uit te oefenen, omdat in die tijd zich uit de gehoorzaamheid van haar ouders had geabsenteerd Sophia dochter van Theodorus Aalberts die toen binnen de stad woonde, maar hun verzoek wordt door de Raad afgewezen [KSM inv.nr.8 dd. 17 januari 1704]

Rapport over de examinatie [= het onderzoek] van een rekest van Theodorus Aelberts en Maria Vogelzang die nu woonachtig zijn te ’s-Hertogenbosch met toegevoegd een brief van de kerkenraad van ’s-Hertogenbosch verzoekende dat de Hoog Mogenden willen gelieven te gelasten de commanderend officier binnen de stad ’s-Hertogenbosch aan te schrijven om door de militie en sterke hand de priester N. Janssens te Helmond en enige andere gekwalificeerde geestelijken uit de Meierij ofwel uit de stad ’s-Hertogenbosch te laten ophalen en in de stad in strikte gevangenschap te houden, tot het moment waarop de weggelopen minderjarige dochter Sophia is teruggegeven aan haar ouders [KSM inv.nr.8 dd. 9 december 1704 – zie ook 31 oktober 1704]


Missive van hoogschout Keppel geschreven te ’s-Hertogenbosch aangevende dat hij op basis van een resolutie van de Hoog Mogenden van de 9e december aan de Heer van Amelisweert had verzocht om een luitenant met 30 paarden en manschappen naar Helmond te sturen om priester Janssen gevangen te nemen, maar die was enige dagen te voren naar zijn klooster gegaan en liet inmiddels door een pater van de orde der predikheren uit het klooster te Mechelen de paapse dienst te Helmond waarnemen, die de hoogschout toen heeft laten arresteren en in detentie gehouden wordt te ’s-Hertogenbosch als ook mede een zekere pater Van Kessel, plebaan of onderbisschop van de grote parochiekerk binnen de stad ’s-Hertogenbosch. De hoogschout heeft aan beide priesters de resolutie van de Hoog Mogenden voorgelezen [KSM inv.nr.8 dd. 30 december 1704]

Missive van hoogschout Keppel om plebaan Van Kessel uit zijn detentie te ontslaan maar een andere geordende priester op te halen en die in detentie te plaatsen [KSM inv.nr.8 dd. 8 januari 1705]


Missive van de Nederlandse kerkenraad te ’s-Hertogenbosch inhoudende dat de minderjarige Sophia Alberts in november 1700 door papen en kwezels is ontvoerd. Ook wordt de arrestatie gemeld van de priesters te Helmond van het Dominicanerklooster van Mechelen en geadviseerd wordt alle roomse kerken te sluiten in de stad ’s-Hertogenbosch [KSM inv.nr.8 dd. 7 maart 1705]
Rekest van Peter van den Kerkhof rooms priester te ’s-Hertogenbosch aangevende dat hij ongeveer 6 maanden geleden het ongeluk heeft gehad om daar gevangen genomen te worden vanwege het minderjarig meisje Sophia Aelberts uit Helmond, dat buiten hun medeweten naar Mechelen is overgebracht. Hij verzoekt de Hoog Mogenden om de magistraat van ’s-Hertogenbosch te ordonneren om hem uit zijn detentie te ontslaan en in zijn plaats er een Brabantse priester in te zetten. De hoogschout wordt gelast eerst 2 priesters van de roomse religie gevangen te laten nemen alvorens deze suppliant te ontslaan [KSM inv.nr.8 dd. 3 augustus 1705]
Missive van de substituut van de hoogschout van ’s-Hertogenbosch met een bericht wat er door hem is ondernomen ter voldoening van de resolutie van de 3e december in verband met het gevangen nemen van enige roomse priesters en daarnaast is ter vergadering gelezen een rekest van Franciscus Rijckevorstel [vgl. Rijkevorsel] zijnde een geboren onderdaan van de Staten Generaal en burgerzoon van de stad Breda en getolereerd rooms priester te Loon op Zand. Hij bericht dat hij op 16 augustus in detentie is gezet door de hoogschout van ‘s-Hertogenbosch en hem nadien was verteld dat hij in detentie was gezet vanwege de ontvoering van Sophia Aelberts die ca. 5 jaren geleden haar ouders te Helmond had verlaten en zich had teruggetrokken in Spaans Brabant en aldaar de roomse godsdienst heeft aangenomen. Hij verzoekt uit zijn detentie ontslagen te mogen worden. Vanwege de absentie van de hoogschout van ’s-Hertogenbosch zal diens substituut genoemde Van Rijkevorsel uit de detentie ontslaan maar daarvoor in de plaats twee geordende priesters, bij voorkeur Jezuïeten, in detentie zetten [KSM inv.nr.8 dd. 22 augustus 1705]
Rekest van Johannes van Kessel werelds priester van de ongeordende clerici met een verzoek om de kerken weer te ontsluiten of anders daarover te disponeren met hun hoge wijze voorzienige raden [KSM inv.nr.8 dd. 4 augustus 1705]
Rekest van de roomse ingezetenen van de stad ’s-Hertogenbosch met een verzoek de magistraat van ’s-Hertogenbosch te authoriseren om de zaak van procureur Theodorus Alberts uit Helmond en zijn vrouw alsmede van dochter Sophia af te ronden [KSM inv.nr.8 dd. 5 augustus 1705]
Rekest van Theodorus Alberts en Maria Vogelsang echtelieden te Helmond en nu woonachtig te ’s-Hertogenbosch met een missive en attestatie waarbij men alle bescheiden van de zijde der roomsgezinden van de hand wijst en men hoopt dat de Hoog Mogenden bij hun besluit blijven van de gesloten kerken ook al verzoekt men deze te ontsluiten en de priesters die in detentie zitten te ontslaan o.a. Pieter van de Kerkhof [KSM inv.nr.8 dd. 25 september 1705 – zie ook 6 oktober 1705]

Rekest van de ingezeten wereldpriesters van de stad en de Meierij van ’s-Hertogenbosch inhoudende dat aan Petrus Govaarts geboortig van Turnhout en raadsheer van het parlement van Mechelen, nadat hij vele jaren het ambt van pauselijk vicaris over het bisdom ’s-Hertogenbosch zeer vreedzaam heeft bediend door haar Ho: Mo: resolutie van 24 oktober 1705 verboden was geworden enige vicariale functies te plegen in stad en meierij en elders in het gebied van de staat. Oorzaak van dat verbod was de dochter van Theodorus Aalberts en Maria Vogelsang en dat sinds die tijd de Brusselse internuntius de regering in het geestelijke over genoemd bisdom had uitgeoefend. Men dient een verzoek in dat Peter Govaarts zijn ambt als pauselijke vicaris in plaats van de Brusselse internuntius wederom mag uitoefenen. Besloten is de resolutie van 24 oktober 1705 in te trekken [KSM inv.nr.8 dd. 19 juni 1711]

Rekest van Johan de Cassemajor drossaard van de stad Helmond op een rekest van de kerkenraad aldaar die geklaagd hebben over de aanstelling van een schepen van de roomse religie. Na deliberatie is besloten dit rekest te overhandigen aan de kerkenraad met het verzoek haar Hoog Mogenden op te geven welke personen van de gereformeerde religie binnen Helmond geschikt en bekwaam zijn om het schepenambt te bedienen en dusdanig zijn gekwalificeerd en gegoed [KSM inv.nr.11 dd. 6 december 1724]
Missive van de kerkenraad van de gereformeerde gemeente van Helmond in kwartier Peelland verwijzend naar een vorig rekest, waarbij ze hun bezwaren hebben geuit over de aanstelling van Francois Bun, rentmeester van de Heer van Helmond, tot schepen van de stad, niettegenstaande dat die van de roomse religie is en hun bezwaar dat Johan de Cassemajor, drossaard van Helmond, haar zijn bericht op genoemd rekest niet had laten insinueren, wat hij volgens een resolutie van 6 december 1724 wel had moeten doen. Na deliberatie wordt de drossaard gewezen op zijn plichten en tevens wordt hij gelast de genoemde Francois Bun af te zetten en in diens plaats een gereformeerde persoon aan te stellen binnen 14 dagen na ontvangst van dit bericht en zich voortaan te reguleren naar het reglement van de politieke reformatie van 1 april 1660 en de resolutie van 21 maart 1687 zonder daarvan in gebreke te blijven op pene van haar Ho: Mo: hoogste indignatie [= verontwaardiging] [KSM inv.nr.11 dd. 15 augustus 1725]

Missive van de Raad van Brabant verwijzend naar een resolutie van de Ho: Mo: van 8 juni 1740 als advies op een missive van J. de Cassemajor drossaard van de stad Helmond, inhoudende een bericht op het rekest van Hendrik de Ruijter geboortig van Zutphen, zijnde van de ware gerefomeerde religie, die heeft verzocht, ondanks het feit dat hij geen geboren Brabander is, dat hij mag worden aangesteld tot schutter en nachtroeper binnen genoemde stad in plaats van Fredericus Hermans die daartoe, ondanks dat hij paapsgezind is, door de borgemeesters, schepenen en dekens van de stad is aangesteld, wat tegen art. 13 zou zijn van de politieke reformatie van 1 april 1661. Dit bericht wordt gevolgd door een rekest van de regenten van Helmond met een verzoek aan de Ho: Mo: om de aanstelling van genoemde de Ruijter in te trekken en de drossaard te gelasten Fredericus Hermans te benoemen; hiermee wordt ingestemd [KSM inv.nr.13 dd. 20 september 1740]


Gelezen is een rekest van de predikant en leden der kerkenraad van Helmond inhoudende dat de supplianten zich bij rekest hebben gewend tot de Ho: Mo: i.v.m. een zekere ouderloze jongeling genaamd Lodewijk Meijer die vanuit de roomse gemeenschap zich gewend heeft tot de gereformeerde kerk en dat haar Ho: Mo: dezelfde jongeling,tot zijn alimentatie en veilige educatie, buiten der verleiding van het pausdom een plaats te geven in een of ander weeshuis. Het heeft vervolgens de Ho: Mo: behaagd om op advies van de Raad van State van 12 april 1752 om met de regenten van het burgerweeshuis te ’s-Hertogenbosch een overeenkomst te sluiten om genoemde jongeling Lodewijk Meijer onder de gewone condities in hun huis op te nemen om gealimenteerd te worden en hem de mogelijkheid te bieden een ambacht te leren, zodat hij in zijn eigen behoeften kan voorzien. Voorts werd bericht dat de Grote Armen van Helmond jaarlijks daartoe zouden bijdragen een bedrag van 31:4:0 per jaar en de diaconie armen 10:0:0 en de overigen 28:16:0 naast het bedrag van 18:0:0 ineens vanwege het recht van inkomen en wel uit de gemeentekas wat in de rekening wordt verantwoord. Onder dankzegging voor de handelwijze van de Ho: Mo: zijn enige leden gecommitteerd om in overleg te gaan met de regenten van het weeshuis nadat men zich eerst had gewend tot de magistraat van de stad, maar die was niet bereid tot hun uiterste smart en leedwezen hen de plaatsing te vergunnen. Nadien is de magistraat aangeschreven en gelast om de regenten van het burgerweeshuis te ’s-Hertogenbosch daartoe te houden dat zij onderhandelen met de kerkenraad van Helmond over het opnemen van genoemde jongeling, tenzij de regenten redenen hadden om dit niet te doen, die ze dan aan de Ho: Mo: moeten melden [KSM inv.nr.14 dd. 14 augustus 1752]

Bericht over de onderhandeling tussen de regenten van het burgerweeshuis te ’s-Hertogenbosch over het opnemen van de jongeling Lodewijk Meijer [KSM inv.nr.14 dd. 1 september 1752]


Lierop [zie ook onder Tongelre]

Rekest van de kerkmeesters van de roomse kerkschuur van Lierop in kwartier Peelland met verzoek om de westelijke muur met steen te mogen optrekken tot 25 voeten en de gevel aan de oostzijde uit te zetten tot 10 voeten en daarop te zetten 2 wormen ieder lang 14 voeten of net zo lang als nodig zou blijken en voorzien van kap, houten en afhangen naar de eis van het werk; de zijmuren aan de zuid- en noordkant mag men optrekken tot 12 à 13 voeten en aan iedere kant kan men 3 ramen aanbrengen hoog 6 voeten en breed 3 voeten die open en dicht kunnen en het hele gebouw mag men verlengen tot 10 voeten zodat het gebouw 70 voeten lang wordt en 31 voeten breed. Aan de oostgevel mag men een kamertje of sacristie maken groot in het vierkant 12 voeten, de zijmuren ieder hoog 12 voeten en aan de oostzijde een gevel met een schoorsteen en daarin een deur aanbrengen van 9 voeten lang en 3 voeten breed en een glasraam hoog 5 voeten en breed 4 voeten alsmede ipo de zuidmuren te leggen 2 platen ieder lang 12 voeten en daarop te zetten de nodige gebinten en stijlen en daarop te mogen leggen een nieuw pannen- of strooien dak. Zowel in de kerk als de sacristie mag men een stenen vloer leggen en van binnen met planken beschieten die ook geverfd mogen worden. Ook krijgen ze permissie om de altaren te mogen verplaatsen. Ook is toegestaan een deur aan te brengen hoog 9 voeten en breed 6 voeten met een portaal naar de eis van het werk. Een kopie van dit stuk wordt doorgestuurd naar de kwartierschout van Peelland en men wacht diens bericht af [KSM inv.nr.15 dd. 21 juli 1760]


Lieshout

Missive van G.Decker drossaard te Lieshout en geschreven te Beek over de stoutigheden der papisten en na deliberatie zal de drossaard worden gelast en geordonneerd de geordende priesters die te Lieshout verblijven van daar te laten vertrekken of daar tegen te procederen [KSM inv.nr.7 dd. 24 december 1699]


Maarheeze

Missive van J.Lormier drossaard van de baronie van Cranendonk inhoudende dat enige jaren geleden binnen de heerlijkheid Maarheeze een zeker kind te vondeling is gelegd en door de provisor van de armentafel in de kost is genomen om voorts in de gereformeerde godsdienst te worden opgevoed en dat hetzelfde kind, inmiddels 7 of 8 jaren oud. Het is nu onlangs door de paapse ingezetenen of andere heimelijke stiekemerds weggenomen en overgebracht naar de stad Weert om aldaar in de roomse godsdienst te worden ingewijd en opgevoed. Vanwege deze paapse stoutigheden heeft de drossaard het paapse kerkhuis laten sluiten en is enigszins onduidelijk of daarop tevens de pastoor van Maarheeze in verzekerde bewaring is gesteld [KSM inv.12 dd. 1 december 1728]


Missive vanuit de Raad van State op het rekest van J.Lormier als drossaard van de baronie van Cranendonk waarop hij wordt aangeschreven dat hij aan de priester en de roomsgezinden moet melden dat zij binnen een maand het kind dienen terug te brengen en te overhandigen aan de provisor van de armentafel en gebeurt dat niet dan blijft het kerkenhuis gesloten en wordt de priester aangezegd te vertrekken, waartoe de drossaard wordt geautoriseerd om dat besluit uit te voeren [KSM inv.nr.12 dd. 13 december 1728]
Mierlo

Missive van de kwartierschout van Peelland Van Haaren op een rekest van de roomse ingezetenen van Mierlo in kwartier Peelland die aan de Ed: Mo: permissie hebben gevraagd om hun vervallen kerkenhuis opnieuw te mogen opbouwen waartoe ze verlof krijgen, mits ze het opnieuw bouwen naar de vorm van het oude [KSM inv.nr.14 dd. 19 december 1750]

Rekest van de roomse ingezetenen van de heerlijkheid Mierlo inhoudende dat de Ho: Mo: de goedheid hebben gehad om in een resolutie, uitgegeven in 1750, aan hen te permitteren om het totaal vervallen kerkenhuis, dat niet meer was dan een gerepareerde oude schuur, die zo klein was dat een groot deel van de roomse ingezetenen genoodzaakt was buiten te blijven staan tijdens de diensten, te mogen vernieuwen. Ze hadden gehoopt het vernieuwde kerkenhuis te mogen maken naar het voorbeeld van de omliggende dorpen o.a. Nuenen en Geldrop waar het aantal roomse ingezetenen net zo groot is als te Mierlo. Ze kregen echter geen verlof om een grotere schuurkerk te bouwen dan de huidige zodat de mensen nog buiten moesten blijven staan en dat werd betreurd. Ze vroegen dus alsnog die vergroting aan en dit verzoek werd doorgestuurd naar de kwartierschout van Peelland ter advisering [KSM inv.nr.14 dd. 28 juli 1751]

Missive van de kwartierschout van Peelland Van Haaren met zijn advies op het rekest van de roomse ingezetenen van Mierlo met de informatie zoals in de akte van 28 juli verwoord. Na deliberatie is besloten dat ze hun kerkenhuis mogen herbouwen naar de vorm zoals te Geldrop en Nuenen nl. de zijmuren binnenwerks lang 92 voeten en binnenwerks breed 41 voeten, hoog 14 Bossche voeten boven de aarde staande en dik 1 ½ steen en aan de andere zijde in de muur 5 langwerpige glasramen met een houten middenschot, breed in het geheel 5 ½ voet en hoog 6 ½ voet, de gevels aan wedereinde gedeeltelijk opgaande maar niet in het geheel, met een dubbele deur wijd in het geheel 6 ½ voet binnenwerks en hoog 7 voeten en boven de deur een glasraam breed 7 ½ voet met 2 houten middenstijlen, zijnde hoog na proportie en een glasraam aan beide zijden van de deur doch wat hoger dan de deur, breed 2 ½ voet en in de andere gevel geen ingang, maar dezelfde vorm aan glasramen en in de ene zijde van de muur, dicht bij het einde een kelderdeur breed 3 ½ voet binnenwerks, hoog 7 voeten; verder ’t timmerwerk zowel van kap en stijlen, het dak moet van stro zijn en de bedoeling is dat het huis wordt geplaatst in een verafgelegen hoek buiten veel passage van mensen om zodoende geen aanstoot aan die van de gereformeerde religie te geven [KSM inv.nr.14 dd. 27 december 1751


Missive van de Raad van State en van de kwartierschout van kwartier Peelland W. van Haaren met een bericht op het rekest van de roomse ingezetenen van Mierlo inhoudende dat haar Ho: Mo: op hun verzoek middels een resolutie van 27 december 1751 die bij dit rekest is toegevoegd, hen hadden gelieven te permitteren om een nieuw kerkenhuis te mogen bouwen naar de vorm zoals te zien is in Nuenen en Geldrop; dat de supplianten ook in het jaar 1702 hun kerkenhuis hadden gebouwd conform dat van Nuenen wat de uiterlijke gedaante betreft en ook het interieur. De boventimmering wilden ze nu graag bekleden met planken omdat de zwakte van de huidige timmering dit vereist en de slijtage van onderdelen [KSM inv.nr.15 dd. 19 december 1755]

Nuenen en Gerwen

Missive van de Raad van State op een rekest van de regenten van Nuenen en Gerwen die verzoeken dat hen een octrooi wordt verleend tot het opnemen van een bedrag van 3500 gl. tot het opbouwen van een geschikte pastorie. Na deliberatie is besloten een kopie van het rekest te sturen naar de Heer van Randwijck en andere gedeputeerden voor de Meierijse zaken om samen met enige heren van de Raad van State hier over te vergaderen en verslag te doen [KSM inv,nr.14 dd. 30 juni 1746]



Schijndel

Missive van de graaf van Rechteren hoogschout van stad en meierij van ’s-Hertogenbosch inhoudende dat op basis van een resolutie van de Ho: Mo: van van de 25e daarvoor reageert op een rekest van Johan van Oosterwijk in zijn leven drossaard van Nuland en secretaris van Heeswijk en Dinther en woonachtig te Schijndel, die heeft geklaagd over de verleiding en ontvoering van zijn dochter Alida van Oosterwijk. De hoogschout zal zich nader informeren over dit voorval rond de verleiding en ontvoering van deze minderjarige dochter en justitieel procederen tegen hen die zich daaraan hebben schuldig gemaakt. Voorts zal hij de roomse priester te Schijndel van waaruit die dochter is ontvoerd, aanzeggen of laten aanzeggen dat hij er zorg voor dient te dragen dat Alida binnen 14 dagen wordt teruggebracht naar Schijndel bij haar moeder. Mocht hij dit niet realiseren dan wordt hem verboden de roomse dienst uit te oefenen en wordt de roomse kerk aldaar gesloten [KSM inv.nr.13 dd. 2 mei 1740]


Missive van de raad van State en de Graaf van Rechteren hoogschout van stad en meierij van ’s-Hertogenbosch geschreven in Den Haag op de 30e juni op het rekest van de roomse ingezetenen van Schijndel wier kerkenhuis is gesloten vanwege de ontvoering van de jonge dochter Alida van Oosterwijk, waarin ze verzoeken dat hun kerkenhuis weer geopend mag worden, maar dat verzoek wordt niet gehonoreerd [KSM inv.nr.13 dd. 1 juli 1740]
Rekest van de roomse ingezetenen van Schijndel verzoekende, om hen verlof te geven op basis van de gehoorzaamheid aan de wetten en plakkaten hun godsdienst weer op een stichtelijke wijze en in alle stilte te mogen belijden en het kerkenhuis weer te openen, welk rekest wordt toegestuurd aan de hoogschout van stad en meierij. Ook is gelezen het rekest van Maria van Oostenrijk de weduwe van wijlen Johan van Oosterwijk in zijn leven drossaard van Nuland en secretaris van Heeswijk en Dinther en woonachtig te Schijndel als moeder en voogdes van haar dochter Alida. Ze verzoekt dat haar Ho: Mo: een van hun deurwaarders gelieven te autoriseren om ten koste van de suppliante, met de nodige assistentie van het garnizoen van ’s-Hertogenbosch voor zover hij dat nodig acht, zich te begeven naar het land van Ravenstein en aldaar haar minderjarige dochter te saiseren [= vast te houden] en haar op een verzekerde wijze ter plaatse van waar zij is vervoerd, haar weer bij haar moeder terug te brengen. Mocht haar minderjarige dochter zich al uit het land van Ravenstein hebben teruggetrokken of aldaar niet opgespoord kunnen worden, dat dan het kerkenhuis in Schijndel gesloten blijft totdat Alida bij haar moeder is teruggebracht. Dit ook speciaal te doen ten opzichte van de priesters uit de naburige dorpen Erp en Veghel die tegen het land van Ravenstein grenzen. De pastoor van Veghel is bovendien een bloedverwant van de priores van het klooster waar Alida kennelijk is ondergebracht. Een kopie wordt doorgestuurd naar de hoogschout [KSM inv.nr.13 dd. 29 juli 1740]
Rekest van Maria de Jongh weduwe van Johan van Oosterwijk verwijzend naar een rekest van de regenten van Schijndel om hun kerk weer geopend te krijgen met het verzoek dat verzoek van deze regenten af te slaan, tot aan het moment dat de pastoor van Schijndel ervoor gezorgd heeft dat haar dochter naar Schijndel is teruggekeerd vanuit het Ravesteinse en tevens te wachten op het bericht van de hoogschout. De Schijndelse kerkschuur zal dus voorlopig gesloten blijven. De zaak wordt voorgelegd aan de heren gedeputeerden van de Raad van State belast met de Meierijse zaken die zijn gelast met enige heren van de Raad van State deze zaak nader te onderzoeken. Nadien is een missive ontvangen van de hoogschout van stad en meierij in deze zaak [KSM inv.nr.13 dd. 10 augustus 1740]

Rekest van de roomsgezinden te Schijdnel inhoudende ter occasie dat een zekere Alida van Oostenrijk jonge dochter wonende in hun dorp in stilte met een jongeman van de roomse religie was doorgegaan en dat ze het ongeluk hadden gehad dat de hoogschout de schuurkerk van Schijndel heeft laten sluiten, ofschoon de pastoor of iemand anders van de roomse religie daar enige kennis van heeft gehad. De supplianten hebben van alles geprobeerd om genoemde Alida op te sporen en terug te brengen en dat daarom de pastoor met enige roomse gecommitteerden van de gemeente van Schijndel vele kostbare en moeilijke reizen ondernomen heeft, maar hun pogingen bleken vruchteloos. Uiteindelijk was Alida na acht dagen teruggekeerd onder het gezag van haar moeder en zou aan haar en haar familie een grote belofte van beterschap gedaan hebben, terwijl ze nu woonde bij de weduwe Van Waalwijk te ’s-Hertogenbosch. Dat betekent dat de reden om de kerkschuur gesloten te houden was vervallen en ze hoopten nu dat hen nu gepermitteerd zou worden de dienst in de kerk weer te mogen hervatten onder genadige oogluiking van de Ho: Mo: zoals ze dat deden voor dit voorval. Ze richten zich nu tot de Ho: Mo: met het verzoek dat die de hoogschout zouden gelasten hun kerk weer te openen en dat hun pastoor de godsdienst weer zou mogen uitoefenen. Een kopie van dit schrijven wordt doorgestuurd naar de hoogschout met verzoek aan hem om de Schijndelse kerk te ontsluiten en de uitoefening van de roomse godsdienst weer toe te staan [KSM inv.nr.13 dd. 27 september 1740]


Rekest van Maria de Jongh weduwe van wijlen Johan van Oosterwijk drossaard van Nuland en secretaris van Heeswijk en Dinther over de herroeping van het besluit de kerk van Schijndel gesloten te laten en dus weer te openen maar tegelijkertijd pleit zij ervoor dat niet te doen tot exempel en afschrik die begane stoutigheden en het intigrante gedrag van het roomse priesterschap als ook ter beveiliging van de gereformeerden. Na deliberatie wordt echter besloten te persisteren bij de resolutie van 27 september waarmee men dus aangeeft niet in te gaan op het verzoek van Maria van Oostenrijk [KSM inv.nr.13 dd. 1 oktober 1740]

Rekest van Silvester Idelet rooms werelds priester en pastoor te Schijndel inhoudende dat hij suppliant genoodzaakt was geweest een proces te sustineren voor het parlement van Lotharingen en Bar te Nancy residerende, over een zeer importante nalatenschap van zijn broer Jan Batist Idelet welke te Luneville in 1745 was overleden en wiens successie hem door een zekere Van Eersel, hem aldaar genaturaliseerd, betwist werd op pretext [= onder voorwendsel] dat hij suppliant een vreemdeling was en aldaar de ingezetenen van Lotharingen en Bar als Aubains gesecludeerd [= uitgesloten] werden om die reden volgens het recht van reprociteit [= wederkerigheid, onderlinge band tussen familieleden] daar omtrent in Lotharingen viligerende [= van kracht zijnde] mede tot die erfenis niet admisibel zou zijn [KSM inv.nr.14 dd. 27 augustus 1746]

Missive van de Graaf van Rechteren hoogschout van stad en meierij van ’s-Hertogenbosch inhoudende dat, wanneer zijn stadhouder was geïnformeerd dat door enige roomsgezinden verscheiden verregaande stoutigheden zijn gepleegd te Schijndel in kwartier Peelland, zowel aan het adres van de gereformeerde predikant als tegen de schoolmeester en andere gerefomeerde personen met als doelwit hun huizen, putten etc. De secretaris van het Hoog Officie is daar terstond naar toe gestuurd om de nodige informatie te vergaren over die gebeurtenissen, terwijl Gualtery de stadhouder van kwartierschout van Peelland al schriftelijk was geïnformeerd over het gepasseerde te Schijndel, zonder de hoogschout of diens stadhouder daarover in te lichten, wat hij wel verplicht was op basis van het plakkaat van 28 april 1641. De secretaris van het Hoog Officie was onderricht dat stadhouder Gualtery had kunnen goedvinden om tegen alle orders en speciaal tegen het plakkaat van 23 decdember 1684 en de interpretatie daarvan dd. 3 februari 1685, de originele informatie en verklaringen heeft weggenomen zonder daarvan iets in de protocollen aan te tekenen. Daarom was hij [de secretaris van het Hoog Officie] genoodzaakt om de personen die de informatie gegeven hadden en de verklaringen hadden gepresenteerd opnieuw te ontbieden, maar terwijl hij hen de vraagpunten had voorgehouden hadden ze allemaal moeilijk gedaan om die vragen te beantwoorden, om reden dat zij vonden dat ze een uitgebreide verklaring hadden gegeven aan stadhouder Gualtery. Bij een tweede verklaring waren ze bang dat die niet meer overeen zou komen met de eerste of dat de verklaringen elkaar zouden tegenspreken. De hoogschout, die hierover het rapport had ontvangen, had daarop een uitgebreide brief geschreven aan stadhouder Gualtery en hem voorgehouden hoe verkeerd hij zich in deze zaak heeft gedragen en heeft hem gelast ervoor te zorgen dat de originele informatie en verklaringen in de Schijndelse protocollen gereproduceerd zouden moeten worden. Het antwoord dat hij daarop gekregen heeft was een algemeen relaas m.b.t. de gepleegde stoutigheden. Op een 2e brief had de hoogschout zelfs geen antwoord meer gekregen. Inmmiddels was hij zijdelings geïnformeerd dat de stadhouder de originele attestaties en informatie zelf aan de Ho: Mo: had toegezonden. Daarna meldt de hoogschout zich tot de Ho: Mo: en vraagt hen of hij vanuit hun griffie de gewenste infomatie en attestaties in deze zaak kan bekomen of dat die gegevens van daaruit overgebracht kunnen worden naar de secretarie van Schijndel. Daarmee wordt ingestemd en zo kon de informatie ten protocolle van Schijndel bewaard blijven en kon de hoogschout ze ter inzage krijgen of een authentieke kopie ervan krijgen [KSM inv.nr.14 dd. 12 juni 1751]

Sint Oedenrode

Rekest van Rombout Everts, Jan Sijmonts en Hendrik van der Heijde kapelmeester van de St.Antoniuskapel te Sint Oedenrode onder de hertgang Eerde in kwartier Peelland inhoudende dat volgens art.12 van het reglement op de aanstelling van kerk- en armmeesters in de Meierij van ’s-Hertogenbosch dat is uitgebracht 16 maart 1700, ten respecte van de kerk- en armmeesters alleen was gepermitteerd, dat alle kleine renten van haar komende zouden mogen worden geloofd, ten minste jegens de penning 25. Dat dienvolgens de genoemde permissie niet verder kon verstaan gegeven te zijn als aan de kerk- en armmeesters, als zij het ten dienste van de kerk en armen nodig zouden vinden genoemde renten te willen laten aflossen, maar niet ten aanzien van de gelders der genoemde renten, om die naar genoegen in weerwil van de kerk- en armmeesters te willen aflossen, welke dienvolgens gehouden waren in de betaling van dien jaarlijks te continueren. Dat echter een zekere Poulus Hendrik Smits, geldende aan genoemde kapel een rente van 33 st. 4 penn., had kunnen goedvinden, onder voorwendsel van genoemd art.12 , de aflossing van genoemde rente jegens de penning 25 aan de supplianten in hun kwaliteit aan te bieden en bij geen aanneming van dien dezelfde onder het gerecht van Sint Oedenrode te consigneren en bovendien jegens de executie van de supplianten om te hebben verdere voldoening van genoemde renten, van de Raad van Brabant te lichten mandement penaal en van dagceele tot overgeving van de originele constitutiebrief der genoemde rente en verder, als bij het mandement nevens het voorschreven rekest gevoegd, was blijkende, verzoekende het recht van de kapel voor te staan en dat die kapel, gehorende onder een particulier gildebroederschap nl. het gilde van Sint Antonius niet was begrepen onder de huizen ten respecte van welke het genoemde reglement was uitgegeven en hetzelfde ter voorkoming van zware kosten door een interpretatie van haar Ho: Mo: in deze te doen {KSM inv.nr.7 dd. 22 september 1702]



Missive van de kwartierschout van Peelland Van Haaren met een bericht op het rekest van de roomse ingezetenen van de hoek of gehucht Eerde gehorende onder de dorpen van Schijndel, Sint Oedenrode en Veghel aangevende dat hun kerkhuisje aan de oost- en westzijde met een stenen muurtje van 3 voeten boven de grond is opgetrokken en op dat muurtje een lemen wand is gemaakt van 3 voeten hoog dus samen 6 voeten, maar dat die lemen wand of muur totaal versleten is en op instorten stond. Die zou vernieuwd moeten worden te meer omdat jaarlijks aan die lemen wanden veel gerepareerd zou moeten worden. Om daarvan ontlast te zijn willen ze graag een stenen muur aanbrengen maar dat mag niet zonder permissie van de Ho: Mo:. Ze verzoeken daarom de bestaande wanden aan de oost- en westzijde te mogen afbreken en er een stenen muur voor in de plaats te mogen zetten ook 3 voeten hoog. De Ho: Mo: honoreren dit verzoek [KSM inv.nr.14 dd. 19 juli 1751]
Missive van W. van Haaren kwartierschout van kwartier Peelland op een rekest van P.Bogaards rooms pastoor, Cornelis van de Laar en Pieter van Erp kerkmeesters van de roomse kerk te Sint Oedenrode inhoudende dat hun rooms kerkenhuis aldaar van de tijd af dat het gebouwd was er een klein gebouw is aangezet ter bewaring van de meubelen en dat tussen die twee gebouwen een goot lag om de wateren te lozen zowel van het met stro gedekt dak van het groot en het kleine gebouw, maar onder de goten ontstond voortdurende schade door verrotting; na advies gevraagd te hebben is men tot de conclusie gekomen dat het beter was een loden goot aan te leggen van de ene kant vast tegen de muur gemaakt en van de andere kant met pannen overdekt. Voorts melden ze dat ook een schilderij van het altaar in genoemde kerk, oud en versleten, uit het gebouw was gehaald en wat ze helemaal wilden vernieuwen en opnieuw in de kerk zouden plaatsen en ze vragen goedkeuring aan de Ho: Mo: zwel voor het aanleggen van die goot van lood en de overdekking met drie of vier rijen pannen en voor de vernieuwing en het terugplaatsen van genoemd schilderij [KSM inv.nr.15 dd. 30 januari 1755]
Someren
Missive van Alexander Zoete de Lake de Villers kwartierschout van Peelland i.v.m. de klachten over de stoutigheden en wanordelijkheden van monniken, papen en papisten. Hij wordt gelast alle kloostermonniken en andere geordende personen te ordonneren om te vertrekken of tegen hen te procederen volgens de plakkaten van de overheid. In hetzelfde rekest meldt hij ook een proces dat te Rome wordt gevoerd over de priesterplaats te Someren. Ook maakt hij gewag van ‘heimelijke collecten’ die door verschillende soorten monniken worden gehouden, als ook van de vele moorden en moedwilligheden die gepleegd worden en ten slotte schrijft hij over het bestaan van een paapse school in het klooster van Soeterbeek [KSM inv.nr.7 dd. 19 februari 1700]
Rekest van Johan van den Burgh predikant te Someren te kennen gevende dat een jaar geleden een monnik genaamd Macarius van Heessel afkomstig van de abdij van Postel, in weerwil der ingezetenen, was ondergebracht in het huis van de gravin Van Berloo wat in strijd was met de plakkaten en die de intentie had de roomse dienst dagelijks uit te oefenen en op het kerkhof van de parochiale kerk bidt voor de afgestorven mensen, wat grote ergernis oproept bij de gereformeerden en die hebben reeds verzocht aan de Hoog Mogenden de kwartierschout van Peelland te gelasten dat hij, desnoods met assistentie van de sterke hand, deze monnik gelast te vertrekken en er zorg voor zal dragen dat geen nieuwigheden door de roomsgezinden worden gepleegd die strijdig zijn met de plakkaten van het land. De kwartierschout zegt hem inderdaad aan uit Someren te vertrekken en zo niet dan zal hij tegen de monnik procederen zoals het behoort [KSM inv.nr.6 dd. 14 juni 1696 en 1 december 1696]
Naar aanleiding van het houden van kraammalen te Someren verscheen een plakkaat van de Staten Generaal met de volgende tekest:

“De Staaten Generaal der Vereeenigde Nederlanden allen den genen die desen sullen sien of hooren leesen Salut doen te weten, alsoo wij in ervaring gekomen zijn, dat dagelijx ter occasie van in ’t kinder- of craambed leggende, der vrouwen van huijsluijden of andere opgesetenen ten platten landen van ’t district van de generaliteijt, onder ons gebied gehoorende, op verscheijde plaetsen worden aangestelt en gegeven craam-maalen welke door de menigte van menschen op de selve komende, als alleen veroorsaekten grote onordentelijkheeden maar ook daarenboven ondragelijke costen zo voor de huijsluijden, welker vrouwen bevallen zijn als voor de contributien van die genen welke op die craammalen komen te verscheijnen, boven en behalven t versuijmen van der selver landbouw of handwerken, waar jegens wij nodig geoordeelt hebben, dat ten besten van ons goede ingesetenenen voorkoming van alle desordres, behoorlijk moesten worden voorsien.

Soo is ‘t, dat wij alvorens gehad hebbende ’t advis van onse gelieve getrouwenen en best procederende en andere Raade van Braband en Vlaanderen, interdiceeren aan alle en eenijgelijk van onse huijsluijden of opgesetenen in ’t gem: district van de generaliteijt en alle anderen die ’t soude mogen komen aan te gaen, van nu voortaan bij ’t in de craam- of kinderbed bevallen of leggende der vrouwen van huijsluijden of opgesetenen ten plattenden lande in ’t voors: district, eenige craammaelen aen te stellen of te doen aanstellen en vervolgens iemand ter dier occasie te tracteren of te doen tracteren of aan ’t huijs van de bevallene of op eenige andere plaetsen, buijten ’t selve, op pæne van 100 gls. telkens te verbueren bij die gene welke tot ’t aanstellen van de voors. craammalen eenige ordre gegeven, directie gehad of daar toe in eenige manier iets gecontribueerd sal hebben, als mede een boete van 10 gls. te verbeuren bij een ieder die contrarie desen onsen placaten op de voors: craammalen sal werden bevonden of deselve sal hebben bijgewoond, sonder dat verstaan word onder die personen begrepen te worden een of twee vrouwen ’t sij nabestaanden bekenden of nagebuuren, welke de te bevallende in die omstandigheijd in korten tijt assisteeren of die genen die over den doop souden staan mits dat deswegens geen extra costen gemaakt worden en sullen de respective boetens genoten worden voor 1/3 bij de officier die de calange doen sal, 1/3 bij den aanbrenger en ’t resterende 1/3 voor den armen van de plaets daar ’t is voorgevallen. Lasten en beveelen een ieder die dit souden mogen aangaan zig stiptelijk na den inhoude deser te reguleren, interdiceerende wijders den officier en alle andere contrarie desen onsen placaten eenige permissie te geven of daar over directelijk of indirectelijk te composeeren of in eeniger manier daar van te glisseeren [afwijken, afglijden e.d.].

En ten eijnden niemand hier van eenige ignorantie [onbekendheid] komen te pretenderen, ne maar alle en een ieder wete moge, waar na hij hem hadde te reguleren, lasten en beveelen Wij, dat dese alomme in ’t district van de generaliteijt sal worden gesonden en geaffigeert daar sulx behoord en gebruijkelijk is, want wij sulx voor den dienst van onse goede ingezetenen bevonden hebben te behooren. Aldus gedaan en gearresteert ter vergaderinge van haar H:M: Heeren Staaten Generael der Vereenigede Nederlanden in den Hage den 3e junij 1756 [KSM inv.nr.15 dd. 3 juni 1756]


Missive van P.Eckringa stadhouder van het kwartier Peelland op een rekest van de roomse ingezetenen van Someren over de restauratie van hun kerkenhuis waarin ze hun godsdienst verrichten. Daarna volgen de details waarbij genoemd worden:

  • het gebouw voorzien van een pannendak en van binnen te bekleden met planken

  • reparatie aan het hout- en kapwerk waarop het dak zal gaan rusten naar de eis van het werk

  • de gevelmuren aan de west- en noordwestzijde optrekken tot een bepaalde hoogte

  • de glasramen die voorzien zijn van hout te mogen vervangen door ijzeren spillen en ze zo te maken dat ze vanwege de verse lucht open kunnen worden gezet

  • vernieuwing van de gebinten die vergaan zijn en stenen dorpels te mogen gebruiken

  • vernieuwing van de vloer

  • het houtwerk zowel binnen als buiten te mogen oliën en verven

  • en eventuele andere reparaties en vernieuwingen alles binnen de bepalingen van de Ho: Mo; en daar niet buiten gaan

  • zo gauw de reparaties en vernieuwingen zijn gerealiseerd zijn de roomse ingezetenen gehouden dit terstond te melden aan de heer Eckringa zodat alles gecontroleerd kan worden [KSM inv.nr.15 dd. 27 februari 1760]

Rekest van de pastoor en de kerkmeesters van de roomse gemeente van Someren met een verzoek dat hen gepermitteerd zou mogen worden om hun kerkschuur aan de oostkant met een gebont ter lengte van 23 voeten en ter breedte van 38 voeten te mogen vergroten. De zijmuur naar het noorden te mogen optrekken met gewone stenen tot de worm of gordinge van genoemde lerlschuur en daarin 2 glasramen te mogen zetten half opengaande hoog 8 en breed 4 voeten. Die ramen met ijzeren spijlen te voorzien. De buitenmuur in steen te mogen optrekken tot een hoogte van 12 voeten en in de vergroting een scheidingsmuur te mogen maken ter dikte van één steen, om te kunnen hebben een sacristie of kamertje waarin de kerkornamenten bewaard worden en daarin te mogen stellen een kozijntje van 5 voeten ter hoogte en breedte gelijk mede in de buitenmuur van dat kamertje en een deurgebont aanbrengen met een glasraam daarboven van bekwame hoogte. Ook in de scheidingsmuur wil men graag een deurgebont plaatsen om uit genoemd kamertje in en uit de kerkschuur te gaan. In de hoek van het kamertje wil men graag een schoorsteentje en alsnog in de vergroting van het zuiden een glasraam van 3 voeten breed en 4 voeten hoog. Men verzoekt de gevelmuur van de vergroting te mogen optrekken in gewone steen naar proportie van de gevel. Voor de dakbedeking denkt men aan pannen van binnen voorzien van planken, een vloer van plavuizen en het houtwerk verven en ten slotte wil men bepaalde veiligheidsmaatregelen nemen i.v.m. brand van de omliggende strooien huisjes [KSM inv.nr.15 dd. 11 juli 1760]


Rekest van de pastoor en kerkmeesters van Someren in kwartier Peelland inhoudende dat het de Ho: Mo: heeeft behaagd op 5 augustus 1760 om hen te permitteren om hun kerkschuur met een gebond aan de oostzijde van het gebouw te mogen vergroten tot een lengte van 23 voeten en breedte van 38 voeten, doch dat toen de supplianten aan de vergroting zouden gaan beginnen ontdekt hadden dat de grond, toebehorende aan de roomse gemeente, zich niet zo ver uitstrekte. Dat de supplianten tot het meeste gemak en minste onkosten goedgevonden hadden de zijmuur aan het noordwesten 8 voeten buitenwaards uit te zetten in plaats van langer te maken en daartoe vragen ze verlof aan de Ho: Mo; om op deze manier de kerkschuur te mogen vergroten. Voorts vragen ze om de deur in de gevelmuur portaal en raam, die in het midden van de gevelmuur staan, wederom in ’t midden te brengen, een deurgebond, dat in de noordwest zijmuur staat enige voeten terug te zetten, bovendien twee glasramen die destijds zijn dichtgemetseld weer open te maken. Vervolgens zal men een pannendak aanbrengen. Een kopie van dit schrijven wordt doorgestuurd naar de kwartierschout van Peelland die daarover nader zal berichten [KSM inv.nr.15 dd. 6 april 1761]
Missive van P. Eckringa stadhouder van de kwartierschout van Peelland op een rekest van Andreas Fransen rooms pastoor, Anth: van Eik en Hendr: Hogaarts kerkmeesters te Someren die hadden verzocht hun kerkschuur met één gebond te mogen vergroten aan de oostkant lang 23 voeten en breed 38 voeten, maar door de Ho: Mo: wordt het ingediende alternatief goedgekeurd [zie het vorige bericht] [KSM inv.nr.15 dd. 22 april 1761]

Son en Breugel [zie ook: Breugel]

Rekest van de roomse kerkmeesters van Son inhoudende dat L.Cramer stadhouder van Johan Rabo van Keppel hoogschout van stad en meierij door deurwaarder N. van Bossy op 29 juni jl. de roomse priester aldaar Arnoldus Coerts had doen insinueren om binnen 14 dagen de recognitiegelden te voldoen waartoe men jaarlijks verplicht was. Dit gold ook voor achterstallige betalingen. Na deliberatie en nadat men te Son in gebreke was gebleven, zou de hoogschout worden aangeschreven om tegen de roomse pastoor te procederen en een executie te beginnen [KSM inv.nr.12 dd. 8 september 1729]


Missive van de kwartierschout van Peelland op een rekest van de roomse ingezetenen van Son inhoudende dat hun kerkschuur, staande ter plaatse genaamd den Heuvel een schuur was toebehorende aan een particuliere inwoner van het dorp, oud en bouwvallig was en staande op lemen muren waarvan er vele regelmatig gerepareerd moesten worden en er moest ook huur worden betaald aan de eigenaar van die schuur; bovendien was die schuur te klein om hun godsdienst naar behoren te kunnen verrichten onder de gunstige coniventie van de Ho: Mo:. De supplianten geven aan dat ze graag een nieuw kerkschuur willen bouwen wederom op den Heuvel dichtbij of omtrent haar tegenwoordige ingehuurde kerkschuur en ter lengte van 65 voeten binnenwerks en op te metselen met een stenen muur van 12 voeten hoog boven de grond en iedere zijmuur met vijf bolramen ieder hoog 6 voeten en breed 4 voeten, in de ene zijmuur een deur 6 ½ voeten breed en 3 1/6 voeten binnenwerks, aan beide einden met een kreupele gevel ter hoogte van 20 voeten met aan het ene eind een deur hoog 7 voeten en breed 5 ½ voet en in de kreupele gevel 2 glasramen hoog 6 en breed 4 voeten en van binnen in de andere gevel een zolder, alles in Rijnlandse maten [KSM inv.nr.14 dd. 12 oktober 1753]

Missive van de kwartierschout van Peelland opeen rekest van de roomse ingezetenen van Son [zie 12 oktober 1753]. Na deliberatie is goedgevonden dat de inwoners hun kerkschuur op eigen kosten mogen herbouwen en daartoe een plaats mogen inkopen dichtbij of omtrent de vervallen kerkschuur ‘tot afsnijding van questie en onenigheid’ want men wilde die niet ver van die plek geplaatst zien. Ten aanzien van de afmetingen wordt gemeld, dat men de nieuwbouw mag optrekken met stenen muren, lang buitenwerks 70 voeten, hoog boven de grond 11 voeten, wijd binnenwerks 35 voeten en aan het ene eind met een kreupele stenen gevel hoog 18 voeten en in iedere zijmuur 5 bolramen hoog buitenwerks 4 ½ voet en breed 4 voeten met nog in beide zijmuren een 1/2 bolraam hoog 4 ½ en breed 2 ½ voet buitenwerks en in de kreupele gevel een deur hoog 6 ½ voet en breed 4 voeten binnenwerks en in die gevel 2 halve bolramen hoog 4 ½ voet en breed 2 ½ voet buitenwerks en binnen in de kreupele geven een zoldertje lang 14 voet breed 8 voet; in het andere einde van de kerkschuur een deur hoog 6 voeten en breed 3 voeten binnenwerks en boven ter breedte van de deur een raam hoog 2 voeten binnenwerks, alles op basis van Rijnlandse maten en verder de kap en ’t schild te maken op de kreupele gevel van hout naar de eis van het werk, te dekken met stro en de vloer met stenen; voorts wordt hen toegestaan hun meubelen uit de oude vervallen kerkschuur te halen en die over te brengen naar de nieuwe kerkschuur en eventueel te mogen herstellen indien nodig [KSM inv.nr.15 dd. 8 mei 1754]

Rekest van Arnoldus van Troijen rooms priester, Jan Verhagen en Theodorus Cras kerkmeesters van het kerkhuis van de roomse gemeente te Son in kwartier Peelland die verlof vragen aan de Ho: Mo: om hun gekochte altaren te mogen plaatsen in hun kerkschuur en hetgeen door het afbreken en weer zetten daarvan gebroken is te mogen repareren. “En vermits het schilderije in het midden van het groot altaar manqueert, dat sij die plaats mogen vervullen met plankjes en daar tegen hegten een oud crucifix, hetwelk nog een overblijfsel is, gekomen uijt haar supplianten oude kerkschuur en wijders als er geen knielbankjes of eenige sitplaetsen voor de leeden der gemeente in de neiuwe kerkschuur zijn, de nodige daar toe te mogen plaetsen en laten maken en verder te mogen laten maken een nieuwe preekstoel in plaats van de oude, die van geen gebruijk was alsoo ten eenmael vergaan en onmogelijk konde worden gerepareert, deselve te mogen plaatsen daer de oude gestaan heeft, mitsgaders boven de sacristie die 6 voeten breed en 7 voeten lang was, welke gebruikt wierde in plaetse van een biegtstoel, te mogen leggen een plat soldertie en eijndelijk om boven den grooten of hogen autaer alleen, sonder wijders tot voorkoming en dat belet wierd het rijsen van het stoff een plat deksel van hout te mogen leggen; de beelden uit de oude kerkschuur gekomen en in de nieuwe nog niet geset sijnde, te mogen plaetsen. En nadat tot nog toe de ramen en deuren der nieuwe gemaakte kerkschuur niet waren geverwt deselve benevens de autharen tot conservatie van het houtwerk te mogen verwen met een eenvoudige olijfcouleur. Waarop gedelibeeerd sijnde is goedgevonden en verstaan dat copie van de voors: requeste gesonden sal worden aan den quartierschout van het quartier Peelland om desselfs berigt daaar op aan haar H:M: te laten toekoomen [KSM inv.nr.15 dd. 11 juni 1762]

Missive van P.Eckringa stadhouder van de kwartierschout van Peelland op het rekest van Arnoldus Troijen rooms priester , Jan Verhagen en Theodorus Cras kerkmeesters van het kerkhuis van de roomse gemeente te Son in kwartier Peelland, die verlof hebben gevraagd om hun vervallen kerkschuur te mogen opbouwen en daartoe een plaats in te kopen dicht bij de vervallen kerkschuur en of ze de oude kerkmeubels uit de oude kerkschuur mogen halen en in de nieuwe plaatsen en de meubels die stuk zouden gaan door die overplaatsing meteen te mogen repareren. Na de afbraak van de kerkschuur hebben ze geconstateerd dat de kerkmeubels en predikstoel waren vergaan en onmogelijk in de nieuwe kerkschuur geplaatst konden worden. Tijdens de bouw hebben ze het zonder kerkmeubels moeten doen alhoewel de preekstoel ternauwernood gebruikt kon worden en niet meer gerepareerd kon worden. De supplianten laten weten dat ze vanwege de armoede van hun gemeente tot nu toe genoodzaakt waren geweest zich te moeten behelpen zonder kerkmeubilair en zelfs zonder een altaar, want ze hebben hun missen gedaan op een plank die men tegen een muur had geslagen. Van het weinige geld waren ze in staat geweest een groot altaar te kopen met twee kleine zijaltaartjes die gestaan hadden in een roomse kerkschuur te ’s-Hertogenbosch die afgebroken werd en ze vragen verlof die in hun nieuwe kerkschuur te mogen plaatsen en mocht het stuk gaan bij het transport of de overplaatsing of ze het dan meteen mogen repareren. Voorts vragen ze verlof om het schilderij dat in het midden van het grote [altaar] ontbreekt te mogen vervullen en daar tegenaan te maken een oud houten crucifix, een overblijfsel zijnde uit haar oude kerkschuur. Bovendien melden ze dat in de oude kerkschuur geen knielbankjes of zitplaatsen waren voor de leden die ze nu in de nieuwe kerkschuur graag zouden willen laten maken en plaatsen. Ook willen ze graag conform de aangeleverde tekening een preekstoel laten maken. Ze willen ook graag een plat zoldertje boven de sacristie, boven het hoofdaltaar alleen een platte houten dekstel, vervolgens de beelden uit de oude kerkschuur in de nieuwe plaatsen en de ramen en deuren in de nieuwe kerkschuur evenals de altaren, tot conservering van het hout, verven met een eenvoudige olijfkleur. Een kopie van dit schrijvan stuurt men naar de heren Tengnagel en Van Bronkhorst en enige andere heren der Meierijse zaken om het geheel te visiteren en een rapport uit te brengen [KSM inv.nr.15 dd. 29 juli 1762]


Missive van P.Eckringa stadhouder van de kwartierschout van Peelland op het rekest van Arnoldus Troijnen rooms priester te Son en Breugel en zijn kerkmeesters, waarbij het vorige rekest in z’n geheel wordt verwoord. Na deliberatie is besloten te supplianten te accorderen met hetgeen is aangevraagd [KSM inv.nr.15 dd. 19 november 1762]
Stiphout

Rekest van predikant Lambert van Flodrop predikant te Aarle en Bakel inhoudende, dat de suppliant op 28 oktober jl. samen met zijn vrouw te Stiphout op bezoek is geweest bij de schoolmeester aldaar, zijnde een neef van de predikant. Na vanuit het schoolmeestershuis vertrokken te zijn heeft hij in het dorp rond de klok van zeven uur twee manspersonen ontmoet ieder met een groot stuk hout of stok in hun handen. Een van hen zei toen: “Wie daar”. Hierop reageerde de predikantsvrouw: “Goed vrundt”. Daarop zijn de twee mannen op de predikant toegelopen en hebben gezegd: “Nu moet gij sterven”. Direct daarna werd de suppliant met de stokken geslagen en liep verschillende wonden op aan zijn hoofd nl. een aan zijn voorhoofd wel een vinger lang en wel zodanig dat men ‘de schotel of hersenpan ontbloot zag’ en een boven op zijn hoofd aan de rechterkant. Voorts raakte hij gewond aan zijn neus en opeens werd geroepen: “Schiet hem dood”, waarop de predikant ter nauwer nood wist te ontkomen. Ten gevolge van zijn verwondingen was de predikant genoodzaakt op bed te blijven en moesten naburige predikanten de dienst waarnemen. Hij dient een verzoek in bij de Hoog Mogenden om in geval gereformeerden dusdanig worden lastig gevallen de schadevergoeding om te slaan over het dorp waar zoiets passeert. Het rekest wordt in handen gesteld van de Vrouwe van Stiphout met last en order er zorg voor te dragen dat door de officier van het dorp de daders achterhaald worden en dat tegen hen wordt geprocedeerd en dat de schadevergoeding kan volgen conform de inhoud van een plakkaat van 4 juni 1657 [KSM inv.nr.6 dd. 29 december 1689]

Missive van de eerste presiderende en andere Raden van Brabant met een advies op het schrijven van Lambertus Coolen rooms priester te Stiphout in kwartier Peelland die een verzoek heeft ingediend bij de Ho: Mo; om hem te permitteren en octrooi te verlenen om over zijn aangekomen goederen te mogen testeren en disponeren verwijzend naar een plakkaat van 14 oktober 1655 [KSM inv.nr.13 dd. 8 december 1736]

Tongelre

Rekest van de kwartierschout van Peelland met de mededeling dat te Tongelre en Lierop twee notoire papisten de vorstersplaats bedienen en stelt voor in hun plaats aan te stellen Jan Dirkse van Tiel als vorster te Lierop en Jacobus Geelkerken te Tongelre [KSM inv.nr.6 dd. 11 november 1695]


Veghel

Rekest van de regenten van Veghel die op order van de Raad van State genoodzaakt zijn geweest om voor de predikant van hun dorp een geschikte woning aan te bieden en dat ze ten genoege van de predikant een woning hebben gekocht gelegen omtrent de kerk voor een bedrag van circa 2350 gl. behalve de onkosten van de 40e penning. Omdat de gelden niet gehaald kunnen worden bij de ingezetenen verzoeken zijn om permissie tot het opnemen van die 2350 gl. Een kopie van dit rekest wordt doorgestuurd naar de Raad van State [KSM inv.nr.10 dd. 24 april 1722]


Missive van kwartierschout Repelaer van kwartier Peelland op het rekest van Hendrik Bedijx rooms priester te Veghel die heeft verzocht om de schuurkerk aldaar, die door dezelfde kwartierschout is gesloten, weer heropend mag worden. Na deliberatie is goedgevonden dat de kwartierschout zal worden aangeschreven om de kerk weer te openen en dat aan Hendrik Bedix gepermitteerd wordt er de godsdienst weer in uit te oefenen, onder conditie dat het in stilte gebeurt zonder ergernis te veroorzaken aan de gereformeerden aldaar [KSM inv.nr.12 dd. 29 maart 1729]
Rekest van Peter Eckringa stadhouder van de kwartierschout van Peelland als gekwalificeerd via een akte van autorisatie van de schepenen van Veghel van 15 augustus jl. n.a.v. de brand van het kerkgebouw en het dak van de kerk van Veghel waarvan de reparatie ten dele berust bij de bezitters van de grote tienden. De regenten vragen permissie tot opbouw van de afgebrande toren en het maken van een nieuw uurwerk, beraamd op 4000 gl. en ook wordt melding gemaakt van de gesmolten klokspijs en het vergieten van twee nieuwe klokken en de plaatsing daarvan in de toren, zodat Veghel weer van een bekwaam gelui wordt voorzien via actie van de rentmeester der geestelijke goederen [KSM inv.nr.15 dd. 8 september 1757]
Missive van de stadhouder van de kwartierschout van Peelland op een rekest van Hendrik Biedijx rooms priester, Gerrit van Lieshout, Peter Walraven en Thomas Goijaerts kerkmeesters van de roomse kerkschuur in het dorp Veghel verzoekende om enige reparaties en vernieuwingen te mogen uitvoeren en hun kerkschuur te mogen vergroten. door het incorporeren van het woonhuis van de roomse priester, het repareren van een klein woonhuis van de roomse priester, staande ten zuiden van voornoemde kerkschuur en het maken van een nieuw woonhuis voor Biedijx zoals in het rekest staat aangegeven, welke missive door de Haagse heren nader wordt onderzocht op inhoud [KSM inv.nr.15 dd. 2 juni 1761]
Rapport van de heren belast met de Meierijse zaken na onderzoek van een missive van P.Eckringa als stadhouder van de kwartierschout van Peelland als advies op het rekest van Hendrik Biedijks rooms pastoor, Gerrit van Lieshout, Pieter Walraven en Thomas van den Bogaert kerkmeesters van de roomse kerkschuur te Veghel die om reparatie, vernieuwing en vergroting van hun kerkschuur hebben verzocht o.a. door het incorporeren van het woonhuis van de roomse priester en het repareren van een klein huis staande ten zuiden van de kerkschuur en het maken van een nieuw woonhuis voor de roomse priester. Hierop is gedelibereerd en besloten verlof te geven om het slechte en vergankelijke woonhuis van de roomse priester, staande op het noordeinde en onder één dak met d e kerkschuur, af te breken en toe te voegen ter vergroting van de kerkschuur en de altaren te verschuiven zonder verdere veanderingen aan te brengen in het woonhuis, zoals op de ‘standtekening’ staat afgetekend en aldaar ter plaatse van de voornoemde altaren een nieuwe eenvoudige communiebank te plaatsen. Ook spreekt men van een zoldering in het pastoorswoonhuis en een houten trap beschoten met planken en een leuning. Voorts is aan de supplianten geaccordeerd dat de oude muur van het woonhuis van de pastoor ten noorden, die voor het merendeel in leem is ingelegd en geheel is vergaan, te laten afbreken en vernieuwen en die te laten maken ter dikte van een mop of ijsselsteen en daarin te plaatsen en nieuwe vierkante deur met zijn deurgebond ter breedte van omtrent 4 voeten en ter hoogte van 7 voeten met een bovenglasraam en boven de topbalk 2 opgaande glasraampjes te plaatsen ter hoogte en breedte van 4 voeten aslmede 2 glasramen ter hoogte en breedte als voorschreven om daardoor het nodige licht te laten binnenvallen, gelijk mede de houten stijlen op de stenen muurtjes ter hoogte van 1 à 2 voeten boven de grond, ter voorkoming van schielijke verrotting te stellen. Vervolgens de westelijke zijmuur van het woonhuis van de pastoor te doen rechten en hogen tot gelijke rechte en hoogte met de zijmuur van de huidige kerkschuur, welke omtrent 8 voeten boven de grond is en deze van buiten te ondersteunen met 3 schuin opgaande beren ter hoogte van omtrent 3 à 4 voeten boven de grond. De muur met de nodige ankers aan de houten stijlen binnen de kerkmuur staande vastmakende, om het afwijken daartoe te beletten en voorts in de zijmuren te maken 3 à 4 glasramen met glazen zoals in de oude kerkschuur ten oosten, naar het voorbeeld van de vorige, te doen brengen tot een gelijke hoogte en rechte, en in die zoals bij een gevoegde zijmuur zo hoog als doenlijk boven de grond, te doen stellen 6 à 7 nieuwe glasraampjes met glazen die men openen kan, ter hoogte en breedte van 4 à 5 voeten zoals ook in de zangzolder [singsolder] binnen voornoemde kerkschuur ten zuiden tot omtrent 1 voet te doen hogen, en met een essen binnenschot van omtrent 9 voeten breed, te vergroten met planken, stijltjes, ribjes en verder houtwerk daartoe dienende; voorts nog de plavuizenvloer van de kerkschuur en woonhuis. Vervolgens de zitbanken voor zover deze absolute reparatie nodig hebben zonder verandering van gedaante doen separeren en mede in de nieuwe ruimte van de kerkschuur te doen maken dergeijke zitbanken, als nu gevonden worden zonder distinctie of ornamenten. De kerkschuur is met strooi bedekt voorzien van krammen tot conservering van het strooien dak. Het portaal en de dubbele deur staan aan de zuidzijde die worden afgebroken en in de nieuwe zuidgevel te stellen een nieuwe vierkante enkele deur hoof 7 en breed 4 voeten met permissie om aldaar een portaal zonder ornamenten te maken inwaarts in de kerkschuur onder de zingzolder inspringende. Verder wordt hen gepermitteerd al het houtwerk van deuren, stijlen, ramen en al het ander houtwerk met blauwe olieverf te laten verven. Voorts gaat men akkoord dat het woonhuisje staande aan de zuidzijde van de kerkschuur, die nu 12 voeten breed is en lang 42 voeten is en met strooi gedekt en van lemen wanden voorzien hoog omtrent 9 voeten, welk huisje is toebehorende aan de roomse gemeente van Veghel, op dezelfde breedte en lengte gesepareerd van de kerkschuur te leggen stenen muren van omtrent 9 voeten en daarin te laten stellen 3 à 4 glasramen net het nodige vensterglas erin en schoorsteentjes naar de eis van het werk en het huisje met pannen te laten dekken. En ten slotte om in de moestuin dicht bij en ten noordoosten van de kerkschuur te laten maken een nieuw woonhuisje ter lengte van omtrent 40 voeten en ter breedte van 32 voeten binnenwerks, de zijmuren van omtrent 11 voeten hoog met 2 kreupele geveltjes daaraan, ter hoogte van omtrent 18 à 20 voeten en het huisje te voorzien van kamers, keuken, kelder, zolder, vloeren en het bovendien met pannen te bedekken. Sommige verzoeken van de supplianten werden afgeslagen en speciaal om ter weerszijden van het dak van het geïncorporeerde woonhuis van de pastoor, ter breedte van 12 voeten te mogen maken een platwerk van leem en stenen of zgn. plafond [plaffon] alles met dien verstande dat aan de supplianten tot het verrichten van de bovengenoemde reparatie verbetering en vernieuwing werd geaccordeerd de tijd van 14 maanden, in te gaan met de dag van deze resolutie, binnen welke periode het werk voltooid moet zijn. Als het werk voltooid is dienen ze daarvan de stadhouder van de kwartierschout in kennis te stellen zodat hij zijn inspectie kan uitvoeren en te controleren of aan alles volgens plan is voldaan [KSM inv.nr.15 dd. 28 januari 1762]
Vlierden

Rekest van Rogier van Leefdael inhoudende dat hij als Heer van Deurne aangevende dat hij als bijlage een rekest heeft meegestuurd van de hand van dominee Plaen predikant, J.Caasteker drossaard, Goort Jacobs resident en enige gereformeerden aldaar, met een verzoek om kinderen van nabuurdorpen buiten de heerlijkheid Deurne te weren en vooral die van Vlierden te verbieden naar school te gaan bij paapse personen die aldaar school houden [KSM inv.nr.6 dd. 15 februari 1686]

Missive van P de Kort drossaard der heerlijkheid Vlierden betreffende de stoutigheden der papisten [KSM inv.nr.7 dd. 21 december 1699]
Rekest van Ant. Heijkoop woonachtig te Vlierden zijnde van de ware gerefomeerde religie zoals bleek uit de meegestuurde bijlage van de regenten van Vlierden, aangevende dat hij al diverse jaren door de absentie of ander verlet van de secretaris diens functie heeft waargenomen ten genoegen van genoemde secretaris en van de ingezetenen en dat hij nu door Petrus de Jong secretaris van de heerlijkheid Vlierden uit kracht en macht aan hem gegeven door Baron Tengnagel als Heer van Vlierden bij commissie dd. 6 april 1743 en de daarop gevolgde approbatie van 7 april daaraanvolgende tot secretaris was aangesteld blijkende uit de akte van substitutie van 2 januari 1746 aan het rekest toegevoegd. De suppliant verzoekt nu dat de Ho: Mo: gelieven zijn aanstelling als substituut secretaris der heerlijkheid te accepteren en een akte van approbatie te verlenen. Zijn verzoek wordt doorgestuurd naar de Raad van State ter advisering [KSM inv.nr.14 dd. 10 februari 1746]

Kwartier Kempenland

Rekest van roomse ingezetenen van verschillende verarmde dorpkes in kwartier Kempenland zoals die van Knegsel, Steensel, Netersel, Casteren, Hapert, Hoogeloon, Borkel en Schaft, Zeelst, Meerveldhoven, Oerle, Wintelre en Duizel met het bericht dat de Ho: Mo: in hun resolutie van 19 juni 1730 hadden goedgevonden en verstaan, dat van iedere kerk waarin alleen een priester is geadmitteerd jaarlijks 50 gl. zou moeten worden betaald en waar bovendien een kapelaan of tweede priester geadmitteerd is een bedrag van 75 gl.. De supplianten geven aan daartoe niet in staat te zijn en ze verwijzen naar de jaren 1724 en 1729 waarin de Ho: Mo: toen remissie hebben verleend en ze verzoeken nu om die recognities te mogen betalen op basis van de kwartierstax waarop de dorpen zijn belast [KSM inv.nr.12 dd. 28 november 1731]


Missive van de Raad van State op bovengenoemd rekest van de roomse ingezetenen in de genoemde dorpen van Kempenland over het omslaan van de recognities op basis van de bestaande kwartierstax en dat twee van hun kerken of schuren die maar door één priester bediend worden voor één kerk gerekend mogen worden. Na deliberatie is besloten dat de roomsen van dorpen of plaatsen die al gecombineerd zijn maar één priester houden of in het vervolg zodanige combinaties van twee of meer dorpen en plaatsen willen maken om daarbij maar één priester te houden slechts voor één priester zullen betalen [nb. over die kwartierstax wordt in het besluit niet gesproken] [KSM inv.nr.12 dd. 30 januari 1732]
Aalst

Rapport van de afgevaardigden van de Meierijse zaken op een missive van de drossaard van de heerlijkheid Aalst in kwartier Kempenland met het bericht dat hem door de schepenen en regenten van de roomse religie dat buiten de gereformeerde schoolmeester/koster geen manspersonen in het dorp wonen die de gereformeerde religie aanhangen. Aldaar is het voorgekomen dat een zekere Adam Wachtelaar rooms priester en inmiddels vijf jaren in functie zich zeer turbulent, kwaadaardig en krakeelachtig en zelfs hatelijk heeft gedragen tegenover de inwoners van het dorp. Zowel in het kerkhuis als zijn priesterlijke dienst uitoefenend in herbergen en bijeenkomsten in particuliere huizen schijnt hij te lasteren, schelden, blameren en affronteren wat niet meer te tolereren was. Ook is sprake van een twistig humeur en bovendien wil hij zijn traktement verhoogd zien zoals zijn voorgangers dat genoten hebben, wat hem bij zijn komst naar Aalst door schepenen en regenten en de voornaamste ingezetenen van het dorp zou zijn beloofd, zoals hij in een bijlage heeft aangegeven. de drossaard en zijn officieren hebben zich verplicht gevoeld de Ho: Mo: in te lichten over allerlei klachten en verzoeken de Ho: Mo: de regenten van het dorpke Aalst te permitteren deze Adam Wachtelaar te ontslaan, mede als een exempel voor andere roomse arrogante geldzuchtige priesters en dat ze de drossaard willen gelasten om dat ontslaan mee te ondersteunen en Wachtelaar de uitoefening van zijn priesterlijke functies te verbieden en hen wordt aangezegd binnen 8 dagen uit het dorp te vertrekken. Een kopie van dit schrijven wordt doorgestuurd naar de Raad van State [KSM inv.nr.12 dd. 1 augustus 1730]


Missive van de Jongh stadhouder van de kwartierschout van Mierlo op een rekest van Johan Berkven en Wielielmus van Gerwen kerkmeesters van de roomse kerk te Aalst die verlof vragen om in plaats van de twee oude altaren twee nieuwe te mogen plaatsen, wat de Raad goedkeurt [KSM inv.nr.15 dd. 29 augustus 1757]

Bergeijk

Missive van de Graaf van Rechteren hoogschout van stad en meierij van ’s-Hertogenbosch en diens provisioneel bericht op een rekest van Jan Goosen zoon van Francis Goosens woonachtig te Westerhoven onder de dingbank van Bergeijk inhoudende klachten over de mishandelingen hem aangedaan op basis van zijn religie, verzoekende aan de Ho: Mo: om hem in extra protectie te nemen tegen alle heimelijke ondernemingen en voorts na onderzoek van de zaak provisionele alimentatie van des suppliants vader te mogen verkrijgen. Na deliberatie is besloten aan de hoogschout te gelasten in deze zaak te procederen conform een resolutie van 7 mei jl. en dat de vader van de suppliant Francis Goosens zal worden gelast tot alimentatie van de suppliant tot een bedrag van 150 gl. voor een jaar of zo lang als nodig mocht zijn [KSM inv.nr.13 dd. 8 juni 1743]


Rekest van de regenten van Bergeijk in kwartier Kempenland inhoudende dat in de nacht van 7 op 8 juli 1749 rond 12 uur in hun dorp brand was ontstaan waardoor twee huizen met schuren en stallen in de as zijn gelegd als ook het rooms kerkenhuis waarvan niets overeind was blijven staan en ze verzoeken aan de Ed: Mo: permissie om hun kerkenhuis weer te mogen opbouwen op de bestaande muren zoals het voorheen is geweest voordat het werd verwoest, alleen met die verandering dat ze het zouden willen voorzien van pannen waardoor het beter tegen brand beveilgd zou zijn, waarvan de kosten gedragen worden door de roomse ingezetenen. De Raad gaat akkoord met hun voorstellen en een extract zal toegezonden worden aan de hoogschout van ’s-Hertogenbosch [KSM inv,nr,14 dd. 16 juli 1749]
Best

Rekest van de roomse gemeente van Best gelegen onder Oirschot in kwartier Kempenland inhoudende dat zij het ongeluk hebben gehad dat hun roomse pastoor is komen te overlijden hetgeen voor de supplianten en inwoners des te ongelukkig was in een tijd als deze waarin geen vicaris van het bisdom ’s-Hertogenbosch geautoriseerd kon worden om de vacante plaats te vervullen, verzoekende dat het haar Ho: Mo: gunstig behagen mocht de roomse priesters van Oirschot de priesterlijke plichten te Best te mogen uitoefenen en hun zieken te mogen assisteren en dat er een andere priester zal worden toegelaten. Het rekest gaat naar de Raad van State in afwachting van hun reactie [KSM inv.nr.15 dd. 19 mei 1762]




Bladel

Rekest van de principaalste ingezetenen van Bladel in kwartier Kempenland inhoudende dat aan de supplianten jaren achter elkaar is gepermitteerd hun godsdienst uit te oefenen in een schuur of stal staande binnen het dorp van Bladel, maar de huidige is door ouderdom in een zodanige slechte staat dat het te vrezen is dat hij bij een zware stormwind in zal storten waarbij zware ongelukken te verwachten zijn. Probleem is bovendien dat de inwoners zo arm zijn dat ze na het instorten van hun schuur niet in staat zijn die te herbouwen, ook al zouden ze van de Ho: Mo: permissie daartoe krijgen. Nu zijn de fundamenten en de muurtjes, die 1 of 1 ½ voet hoog waren, van leem en hout, maar die zijn aan het verrotten. De supplianten hopen daarom verlof te krijgen om die van steen te mogen maken ter voorkoming van de gevreesde onheilen en zware onkosten. Ze vragen nu verlof om een geringe reparatie te mogen uitvoeren aan genoemde schuur met zo weinig mogelijk onkosten op te brengen niet door de roomsgezinden in het algemeen maar door enige particulieren [KSM inv.nr.10 dd. 25 juli 1720]


Missive van Willem van Heemskerk kwartierschout van Kempenland en geschreven te Valkenswaard op de 28e september met advies op een rekest van de roomse ingezetenen van Bladel. Hierin herhaalt hij alles uit het voorgaande stuk en na deliberatie is besloten aan de roomsgezinden toe te staan bij gratie en coniventie [= oogluiking] de verrotte of vergane muurtjes van hout te mogen vervangen door steentjes, maar ze mogen er geen dubbele deur in maken en moeten er hun godsdienst in alle stilte en zedigheid belijden [KSM inv.nr.10 dd. 1 oktober 1720]
Rekest van de classis van Peel- en Kempenland inhoudende dat zij de hoop hadden gehad dat de door de Hoog Mogenden verleende sauvegardes en de opnieuw gedane publicaties van het plakkaat van 14 juni 1657 de kwaadaardige en moedwilligheden aldaar eenmaal zouden hebben komen op te houden, doch dat ze in tegendeel met leedwezen aan haar Ho: Mo: moeten voordragen dat in de nacht van 6 op 7 januari jl. via een gat in de wand van de schuur van Petrus Waterbeecq predikant te Bladel en Hapert, zo groot dat een mens er doorheen kon kruipen, is ingebroken. In de schuur stond de koetskar van de predikant die toen is doorstoken, doorsneden en in stukken is geslagen, terwijl er ook ruiten van het huis waren ingeslagen zoals blijkt uit de verklaring die aan het rekest is toegevoegd. Dat dezelfde predikant, wonende op de oude pastorie die zeer afzonderlijk is gelegen, vervolgens geen enkele hoop heeft om bij nacht en ontij door iemand geassisteerd te worden. Bovendien is de predikant nog zeer bedreigd geworden. Daarom verzoekt hij de Hoog Mogenden dat ze hem en zijn vrouw, familie, goederen in huis, huisraad en schuur met alle gereedschappen van dien als ook zijn veldgewassen onder bijzondere bescherming te nemen. Mocht hij beroofd worden of brandstichters actief waren of hij ter dood zou worden gebracht e.d. dan wordt de gehele gemeente daarvoor aansprakelijk gesteld en gedwongen tot schadevergoeding. Verder is bepaald dat ingeval van een rupture [= vredebreuk, onenigheid, onmin] de predikant en zijn familie is blootgesteld aan de woede der papisten allerlei voorzorgsmaatregelen genomen moeten worden ter bescherming tegen de vijanden. de sauvegarde wordt verleend [KSM inv.nr.11 dd. 17 februari 1727]

Missive van de Raad van State aan de stadhouder van het kwartier Kempenland de Jongh als bericht op het rekest van de kerkmeesters van de roomse kerkschuur te Bladel met een verzoek om de buitenramen en glazen te mogen vernieuwen, een nieuw altaar te mogen plaatsen in plaats van het oude en het dak van binnen met planken te mogen beschieten en om de vervallen banken en zitplaatsen te mogen vernieuwen, de vloer die versleten is te mogen verleggen, de preekstoel en al het te maken of gemaakte houtwerk te mogen verven [KSM inv.nr.15 dd. 23 april 1759]


Missive van de stadhouder van de kwartierschout van Kempenland de Jong inhoudende dat hij in 1760 zich nader had geïnformeerd over de kwestie rond Maria Elisabeth van Aaken die, als weduwe van wijlen Abraham de Graaff in leven geweest zijnde president-schepen van de dingbank van Bladel Reusel en Netersel, beiden lidmaat van de ware christelijke gereformeerde religie, had kunnen goedvinden zich te engageren met een roomse boerenknecht te trouwen en vervolgens de roomse religie aan te nemen en daarvan openlijk professie te doen tot hoon en smaad van haar vrienden en in prejuditie van haar 7 minderjarige kinderen die zijn verwekt door wijlen Abraham van de Graaff. Dat vervolgens te duchten was dat de voornoemde kinderen mede tot het pausdom zouden worden overgehaald mits daar niet tijdig in voorzien zou worden. De broer van Elisabeth, Adriaan van Aken had al aangeboden 2 kinderen tot hem te nemen maar dat is hem geweigerd. De stadhouder verzoekt nu de Ho: Mo: dat ze gelieven genoemde Maria Elisabeth van Aaken te gelasten haar kinderen of enigen daarvan, wanneer die door haar vrienden professie doende van de ware christelijke gereformeerde religie worden verzocht en geëist, terstond over te geven, zoals de Ho: Mo: iop 14 april 1751 hebben gedaan met een identiek geval te Sint Michielsgestel en voorts te ordonneren aan de naaste vrienden van wijlen Abraham van de Graaff en Maria Elisabeth van Aaken om de hand te houden en te zorgen voor de opvoeding en het onderhoud van de kinderen. Deze missive zal overhandigd worden aan de heren belast net de Meierijse zaken en enige gecommitteerden van de Raad van State deze kwestie nader te onderzoeken en daarover te rapporteren [KSM inv.nr.15 dd. 16 februari 1761]
Rapport van de heren belast met de Meierijse zaken als reactie op de missive van de Jong als stadhouder van de kwartierschout van Kempenland die de informatie had doorgestuurd over Maria Elisabeth van Aaken weduwe van weijlen Abraham van de Graaff. De tekst uit de vorige akte wordt hier lettelijk aangehaald, Na deliberatie is beloten dat de stadhouder van de kwartierschout zal worden aangeschreven dat hij Adriaan Preijen de stiefvader en Maria Elisabeth van Aaken de moeder van de 7 kinderen zal gelasten dat als zij door de vrienden van vader of moeder worden benaderd om de kinderen professie doende van de ware christelijke gereformeerde religie aan hen over te geven, hetzij enige of alle kinderen, om daaraan gehoor te geven en in geval van weigering de stiefvader en de gechangeerde moeder daartoe zal houden en desnoods verplichten aan de vrienden van vaders- of moederszijde de genoemde kinderen daarvan in kennis te stellen en met hen te overleggen [KSM inv.nr.15 dd. 30 maart 1761]

Rekest van de kerkenraad van Bladel Hapert en Reusel in kwartier over de kwestie Abraham de Graaff gehuwd met Maria van Aken beiden lidmaat van de gereformeerde religie sinds 1751 te Lage Mierde. Genoemde Abraham had tussen 1751 en 1756 bij zijn vrouw vier kinderen verwekt die in de gereformeerde kerk van Lage Mierde zijn gedoopt. Abram overlijdt in 1756 te Reusel nalatende een weduwe met 7 kinderen die nog minderjarig waren en onder hen waren er die verzorging en alimentatie nodig hadden. De weduwe was intussen bij testament aangesteld tot voogdes over die minderjarige kinderen en meesteres der goederen, dan dat de supplianten vermeenden dat zij daarvan geheel vervallen was, vermits zij tot de roomse religie was overgegaan en haar jongste kinderen met haar ter kerke liet gaan om in die godsdienst opgevoed en onderwezen te worden wat direct strijdig zou zijn met de intentie van de Ho: Mo: verwijzend naar het plakkaaat van 14 september 1649. Men verzoekt de Ho: Mo: dat zij orders willen stellen en te laten uitvoeren ‘dat de gem: ongelukkige kinderen van haare paap geworden moeder met gewelt in dien sulx soude mogen sijn, mogen weggehaald en aan die van de kerkenraad van Bladel en gedeputeerden van Kempenland in der tijd, overgegeven worden, om na inhoud van haar Ho: Mo: gem: placcaet, elders bij luijden van de gereformeerde religie of in ’t gereformeerde weeshuis te ‘sBosch, te worden gestelt, ten einde de selve in die godsdienst opgevoed en onderwesen mogen worden, kennende de kosten die gerequireerd wierden om de gem: vier kinderen in het weeshuis te stellen te ‘sBosch, gevenden in voegen als breder in de voors. requeste ter nedergestelt”. Een kopie wordt gezonden aan de kwartierschout van Kempenland [KSM in.nr.15 dd, 6 december 1762]


Casteren

Missive van de kwartierschout van Kempenland van Itsma op een rekest van de roomsgezinden van Casteren bij Hoogeloon aangevende dat haar kerkschuur, dak en wanden, die van leem zijn geheel bouwvallig zijn en dat een spoedige reparatie hoognodig is. Voorgesteld wordt de lemen wanden te vervangen door stenen muren en het vervallen dak te repareren. Ze mogen de lemen wanden vervangen door stenen muren, de zijmuren aan de zuidkant en noordkant niet hoger mogen zijn dan 8 voeten en dat in de zijmueren drie raamkozijnen geplaatst mogen worden hoog 4 en breed 1 ½ voet. De gevel aan de noordkant mag niet hoger zijn dan 12 voeten, in iedere gevel een raam 4½ voet hoog en 5 voeten breed. Dat aan de gevel ten oosten aan wederzijden van de deur zal komen een enkel bankkozijn hoog 3 ½ en breed 2 voeten en dat voor het vervallen dak wederom strobedekking aangebracht mag worden. De reparatie mag de 125 gl. niet overschrijden en moet de kosten gedragen worden door de roomse ingezetenen zelf [KSM inv.nr.14 dd. 24 november 1750]



Cranendonk

Missive van Johan Gijsen drossaard en hoofdofficier van de Baronie van Cranendonk, de stad Eindhoven en de omliggende heerlijkheden van Woensel, Gestel, Stratum en Strijp over de stoutigheden der papisten


Dommelen

Rekest van het classis van Peel- en Kempenland inhoudende dat Johannes Dullaert secretaris te Bergeijk zijn jongste dochter oud omtrent 12 à 13 jaren, wiens overleden moeder geweest is een dochter van D. van der Horst predikant in de Hoogduitse gemeente binnen Den Haag in Holland, ter schole had gestuurd in het klooster van Dommelen zijnde een voorname kweekschool voor die van het pausdom en ze verzoeken de Staten Generaal om Dullart te gelasten zijn dochtertje ten spoedigste uit dat klooster weg te halen en de serieuze vermaningen van het classis op te volgen om zijn dochtertje van het gevaar te bevrijden, welk rekest aan Dullart wordt toegezonden [KSM inv.nr.9 dd. 20 augustus 1712]



Duizel

Rekest van de regenten en alle ingezetenen van Duizel in kwartier Kempenland inhoudende dat binnen hun dorp sinds 21 jaren had opgehouden een zekere Waltherus Bogers ruim 60 jaren oud, die zich in alle stilte en moderatie [= matiging] als rooms priester af en toe de dienst voor de supplianten had waargenomen en hij heeft zich bij de dorpelingen uitermate bemind gemaakt, zich nooit bemoeid met enige twisten, maar vreedzaam of paisabel geleefd, zoals blijkt uit de attestatie die aan het rekest is toegevoegd. Door zijn gedrag heeft hij ook een goede naam en faam opgebouwd bij die van de gereformeerde religie. Die attestatie is graag afgegeven door de predikant en secretaris van Duizel, de schoolmeester van Eersel en ook de gedeputeerden van de classis. Men dient nu een verzoek in om priester Bogers te tolereren en hem te confirmeren [= bevestigen] dat hij in Duizel kan blijven, zo lang hij zich stil, vreedzaam en beminnelijk gedraagt. Besloten is een kopie van dit rekest door te sturen naar de kwartierschout van Kempenland [KSM inv.nr.10 dd, 10 december 1720]


Missive van Willem van Heemskerk kwartierschout van Kempenland geschreven in Den Haag als reactie op de resolutie van 10 december 1720, waarbij hij het voorgaande letterlijk herhaald. Slotconclusie is dat Waltherus Bogers in Duizel mag blijven op de voorwaarden die aan hem gesteld waren [KSM inv.nr.10 dd. 17 februari 1721]

Eersel

Rekest van de gedeputeerden van de classis van Peel- en Kempenland die aan de Staten Generaal kenbaar hebben gemaakt dat er door de papisten in de dorpen die onder deze classis vallen ‘particulariteijten en exorbitantien [= buitensporigheden] en stoutigheeden’ worden gepleegd en dat naar de nodige remedies moet worden gezocht om dit in te dammen en te weren op het platteland, met tevens een verzoek om een gedegen reglement op te stellen. Daarna volgt een rekest van Bernardus Waterbeek predikant te Eersel in Kempenland en Duizel, die zich beklaagt over de ‘groote licentien [= oorloven] en de extravagantien [ = buitensporigheden] des pausdoms’ die gedurende de oorlogsjaren met name te Eersel zijn binnengeslopen en verzoekt om gepaste maatregelen [KSM inv.nr.6 dd. 7 december 1678].


Rekest van de wereldlijke ongeordende priesters in stad en meierij van ’s-Hertogenbosch inhoudende dat in vroeger tijden toen stad en meierij onder het gezag vielen van de Koning van Spanje de roomse pastorieën altijd verdeeld waren geweest in wereldlijke waarin de pastorale functies door seculiere priesters werden waargenomen en de reguliere pastorieën die door de geordende priesters [vgl. ordepriesters] van de abdijen van Postel en Tongelre werden bediend. Dat de pastorie van Eersel in kwartier Kempenland van alle oude tijden viel onder de abdij van Tongerloo maar wel werd bediend door een werelds priester, totdat in 1650 de toenmalige pastoor zo het scheen door indispositie niet meer in staat meer was om zijn gemeente alleen te bedienen en toen als assistent een ordepriester van Postel heeft aangenomen en dat is zo gebleven. De abdij heeft er sindsdien nooit meer afstand van gedaan. In mei 1718 is de dienstdoende ordepriester [monnik] overleden en toen heeft Petrus Govaarts, waarnemende het vicariaat in stad en meierij van ’s-Hertogenbosch in genoemde pastorie van Eersel, volgens het oud recht en gebruik, de wereld of ongeordende priester Henricus de Paauw, geboortig van Oijen, aangesteld, alhoewel de discussie ontstond over de rechten van de abdij van Postel. In die periode zijn enige roomsgezinden opgestaan die tegen de persoon van genoemde de Paauw belet hadden om de in vergaderplaats der roomse ingezetenen aldaar zijn pastorale functies en bedieningen waar te nemen, zelfs zodanig, dat de tot oproer aangezette ingezetenen zich niet ontzien hadden met zware dreigementen aan genoemde de Paauw te verbieden [interdiceren] zich nog ooit in hun vergaderplaats te begeven. De feitelijkheden zijn toen zover gegaan dat de stadhouder van de kwartierschout van Kempenland zich genoodzaakt gezien om bij klokkenslag op 16 juli te laten afkondigen door de vorster, dat iedereen zich zou hebben te wachten ter oorzake van de disputen die over de pastorie zijn ontstaan, enige feitelijkheid met woorden of met werken te gebruiken of dat, na ingenomen informatie tegen degenen die hiermee in strijd handelen rigoreus geprocedeerd zal worden conform de plakkaten van het land [KSM inv.nr.10 dd. 3 augustus 1719].
Rekest van de ongeordende priesters van stad en meierij van ’s-Hertogenbosch inhoudende dat haar Ho: Mo: bij resolutie van 15 augustus 1719 aan de kwartierschout van Kempenland hadden gelast, om te Eersel alle feitelijkheden die aldaar door een monnik van Postel en de 10 of 12 adherenten [= aanhangers] dagelijks gepleegd worden te laten ophouden en hoe de Ho: Mo: bij resolutie van 11 januari jl. genoemde kwartierschout gelast hebben de geordende monnik van Postel te removeren [= weren] en de plakkaten hieromtrent uit te voeren zonder daarvan in gebreke te blijven. De Postelse monnik houdt zich echter tot op de dag va vandaag daar op met enige van zijn aanhangers in een herberg gaande, zich animerende om de ongeordende of wereldlijke priester aldaar die een geboren onderdaan van de staat is, op allerlei wijze kwalijk te tracteren [= behandelen] gelijk ook alle degenen die bij hem in zijn vergaderplaats kwamen, waaruit te duchten waren ongelukken en doodslagen. De Postelse monnik beroemt [vanterende] er zich publiekelijk over dat verscheidene der Premonstratenzer abdijen voor hem waren en dat die hem wel tegen de vervolging van de supplianten zouden beschermen, trachtende de resolutie van de Staten Generaal en andere orders illusoir [= bespottelijk] te maken. Verzoekende andermaal dat de Hoog Mogenden de kwartierschout van Kempenland gelieven te ordonneren om te Eersel onder de dingbank van dien, geen geordende priesters te dulden hetzij dienst doende of wonende. Na deliberatie is besloten de kwartierschout aan te schrijven dat de Hoog Mogenden in het geheel niet voldaan zijn over zijn conduiten [= gedragingen] in het niet naar behoren uitvoeren [executeren] van de resoluties van de Hoog Mogenden van 5 augustus en 11 januari en dat de kwartierschout zal worden gelast, zoals hij uitdrukkelijk [expresselijk] gelast wordt deze resoluties alsnog uit te voeren en dien ten gevolge de monnik uit Postel te laten vertrekken en onder die dingbank geen geordende priester toe te laten, dient te doen of te wonen en er ook zoveel mogelijk voor te zorgen dat door dezelfde oproerige lieden geen ongeregeldheden worden gepleegd en anders tegen hen, volgens de plakkaten van de staat, tegen hen te procederen of in criminele zaken daarvan kennis te geven aan de hoogschout [KSM inv.nr.10 dd, 11 mei 1720]

Rekest van de regenten van Eersel in kwartier Kempenland inhoudende dat zij, supplianten, zijnde van de roomse religie haar godsdienst in alle stilte en moderatie onder oogluiking van de Ho: Mo: hebben gepleegd in een oude vervallen en veraf gelegen schuur die in het geheel geen 100 gl. waard is. De wanden zijn van leem of aarde gemaakt, waardoor vanwege de regen regelmatig reparaties hebben moeten plaatsvinden. Ze willen nu, om die voortdurende reparaties te voorkomen, op hun eigen kosten in plaats van die wanden een stenen muur plaatsen, zonder aan de kerkschuur verder iets te veranderen. Dit mocht echter niet geschieden zonder uitdrukkelijk verlof van de Ho: Mo:, die dit bv. ook aan Bladel en andere plaatsen hadden toegestaan. Een kopie zal ter advisering gezonden worden aan de kwartierschout van Kempenland en speciaal ook om te berichten of er geen ingezetenen van de christelijke gereformeerde religie belijdenisse doen in het dorp Eersel, die de dienst van de regenten kunnen waarnemen [KSM inv.nr.10 dd. 9 februari 1722]

Rekest van Willem van Heemskerk kwartierschout van Kempenland op een rekest van de roomse ingezetenen die een vervallen kerkschuur hebben met lemen wanden die voortdurend leiden tot reparaties en dienen daarom een verzoek in om de lemen wanden te vervangen door stenen muren zonder verder aan de kerkschuur iets meer te veranderen. Hen wordt gepermitteerd de lemen wanden af te breken en ze door stenen muren te vervangen, mits de kosten niet verhaald worden op de gemeente. De muren mogen niet hoger worden dan 10 voeten en drie raampjes in elke muur, die overigens niet ovaals- of kerkgewijs mogen gemaakt worden, elk niet meer dan 5 voeten hoog en 5 voeten breed. Dat ook de drie deuren van de schuur niet ovaal of dubbele deuren mogen zijn , maar slechts enkele deuren niet hoger dan 6 voeten en niet breder dan 4 voeten. Alles zal in dezelfde staat gelaten moeten worden zoals die nu is en de roomsen worden uitdrukkelijk gelast hun godsdienst uit te oefenen in alle stilte en modestie zonder de minste aanstoot of ergernis te geven aan de gereformeerden [KSM inv.nr.10 dd. 13 april 1722]
Rekest van de classis van Peel- en Kempenland verzoekende dat haar Ho: Mo: aan Wilhelmus Pijper predikant te Eersel en aan dezelfde gratie toe te staan die in 1720 aan de aan de predikanten van Asten en Mierlo was geschied en zijn vrouw en kinderen als ook zijn huis hof meubilair etc. in bijzondere bescherming te nemen en mocht hem iets worden aangedaan, het zij door geweld, beroving, plundering of door hem om het leven te brengen, dan zal de hele roomse gemeenschap aansprakelijk gesteld worden en hem schadevergoeding moeten aanbieden. Dit soort praktijken en superstitiën moeten met wortel en tak worden uitgeroeid [KSM inv.nr.12 dd. 15 mei 1733]
Missive van J.W.D. de Jongh stadhouder van de kwartierschout van Kempenland die aan de Ho: Mo: kenbaaar heeft gemaakt dat het is komen te gebeuren dat een zekere jonge dochter genaamd Maria Heeren geboren en opgevoed in de roomse religie te Eersel, de plaats waar ze woonde, is vermist. Het vermoeden bestond dat ze door haar roomse vrienden vervoerd [vgl. ontvoerd] zou zijn en dat hij als stadhouder al de nodige inspanningen had gedaan zowel via de pastoor van het dorp als via de stiefvader van Maria, om haar weer terug te brengen naar Eersel, maar zijn pogingen bleken vruchteloos. Daarop is de stadhouder van hogerhand gelast om de roomse kerk van Eersel te sluiten en aan de pastoor te verbieden nog langer dienst te doen tot op de dag dat Maria Heeren is teruggekeerd [KSM inv.nr.15 dd. 20 juni 1755]

Missive van de Graaf van Rechteren hoogschout van ’s-Hertogenbosch te kennen gevende dat het onlangs weer is gebeurd dat een zekere jonge dochter genaamd Maria Heeren geboren uit paapse ouders zich genegen had getoond om over te gaan van de roomse naar de gereformeerde godsdienst. Haar voornemen was inmiddels wereldkundig geworden, waarop die van het pausdom zich hebben gehaast nadat ze waren gealarmeerd om genoemde Maria Heeren op 22 april jl. op een heimelijke manier hebben weten te ontvoeren naar Oostenrijks Brabant waar ze naar een klooster is gebracht. Stadhouder Otto Juijn die daarvan op de hoogte was gebracht, is niet in gebreke gebleven omtrent dit voorval de vereiste informatie in te winnen, maar daarin werd gestuit vanwege een zware ziekte die hem was overvallen en dus niet in staat stelde enige zaken te verrichten. Dat inmiddels de stadhouden van kwartier Kempenland de Jongh had kunnen goedvinden zich genoemde zaak aan te trekken en informatie in te winnen en deze ten spoedigste door te geven aan de hoogschout en diens stadhouder. Voorts wordt de Jongh aangeschreven zich met de onderhavige zaak verder te bemoeien en dit vervolgens over te laten aan de hoogschout en het hoog officie om te procederen en dat alles binnen een goede justitie geregeld wordt, tenzij de Ho: Mo: in hun hoge wijsheid een andere en effectievere order willen stellen. Een kopie van dit schrijven wordt gestuurd naar de kwartierschout van Kempenland om zijn visie daarop te geven [KSM inv.nr.15 dd. 30 juni 1755]


Missive van Otto Juijn stadhouder van de hoogschout van stad en meierij van ’s-Hertogenbosch waarbij hij aan griffier Fagel heeft gestuurd een authentieke kopie uit het relaas declaratoir van de secretaris van het Hoog Officie der stad en meierij van ’s-Hertogenbosch en P. van der Veen, vorster te Eersel, betreffende Maria Heeren. Men wil Maria, als ze op vrije voeten is, graag horen om te weten wie bij die ontvoering betrokken waren zodat tegen hen geprocedeerd kan worden [KSM inv.nr.15 dd. 14 juli 1755]
Reactie op de missive van de graaf van Rechteren hoogschout van stad en meierij van ’s-Hertogenbosch kennis gevende dat het onlangs is gebeurd dat een zekere jonge dochter genaamd Maria Heeren geboren uit paapse ouders die genegenheid had getoond om van de roomse religie wil overgaan naar de gereformeerde religie en dat dit voornemen wereldkundig is geworden en wel zodanig dat genoemde Maria op 22 april jl. op een heimelijke wijze tegen haar wil en dank naar Oostenrijks Brabant is vervoerd en aldaar in een klooster was opgesloten. Dat zijn stadhouder Otto Juijn daarvan in kennis is gesteld en bepaald niet in gebreke is gebleven om de vereiste informatie in te winnen maar toen werd getroffen door een zware ziekte zodat hij onverrichterzake terug te keren. Dat inmiddels de stadhouder van Kempenland vanwege die ziekte van de stadhouder de honneurs heeft waargenomen. Aan het hoog officie is verzocht genoemde stadhouder van Kempenland te gelasten de informatie ten spoedigste door te geven die hij omtrent deze ‘ontvoering’ heeft ingewonnen aan de hoogschout ten faveure van de justitie. Dat aan stadhouder de Jongh nog wordt aangeschreven zich met de zaak niet verder te bemoeien maar het vervolg daarop geheel over te laten aan de hoogschout en de procedure over te laten aan het hoog officie ten behoeve van een goede justitie volgens de plakkaten van het land. Daarnaast is een missive onderzocht van stadhouder Otto Juijn verzoekende dat haar Ho: Mo: alle verzoeken die zijn gedaan of gedaan mochten worden om de gesloten kerk van Eersel weer te ontsluiten en dus weer geopend te krijgen van de hand te wijzen en te gelasten dat die gesloten blijft totdat Maria Heeren in Eersel is teruggekeerd en in vrijheid is gesteld, dat hij haar voor schepenen van ’s-Hertogenbosch wettig in behoorlijke justitie in faveur van de justitie zal hebben gehoord ofwel dat haar Ed: Mo: tot maintien van dezelfde ingezetenen en handhaving der justitie zodanige andere orders gelieven te stellen als zij zelf zullen oordelen te behoren. Voorts nog een missive van Otto Juijn die als bijlage heeft een authentieke kopie uit het relaas declaratoir van Cornelis Bruijstens secretaris van het Hoog Officie van stad en meierij van ’s-Hertogenbosch en van P. van der Veen voster te Eersel betreffende genoemde Maria Heeren. Ook is een missive onderzocht van de kwartierschout van Kempenland Van Itsna met zijn visie op de missive van de hoogschout . Voorts nog een attestatie van de predikant van Eersel Duizel en Steensel verklarende dat Maria Heeren in het bijzijn van de stadhouder de Jongh op de 8e juli ten zijnen huize betuigd heeft dat zij vrijwillig, zonder persuasie [= aanraden of overreden] zich naar Turnhout had begeven voornemens zijnde om in haar paapse religie te leven en te sterven. Toen is besloten dat de stadhouder van de kwartierschout van Kempenland zou worden aangeschreven en gelast d ekerk van Eersel wederom te ontsluiten en aan de pastoor aldaar te permitteren zijn dienst in de kerk waar te nemen, wordende aan de hoogschout vrijgelaten om tegen diegenen die schuldig zouden moeten wezen aan enige ontvoering van genoemde Maria Heeren zodanig criminele actie te ondernemen als tot maintien van justitie meent te behoren. Een extract van de resolutie van de Ho: Mo: zal aan de hoogschout worden toegestuurd bij wijze van berichtgeving. Voorts zal de stadhouder van kwartier Kempenland worden aangeschreven om de informatie die hij heeft ingewonnen door te geven [KSM inv.nr.15 dd. 7 augustus 1755]

Eindhoven [+ gehuchten]

Rekest van Johan van Beverwijk gesubstitueerd officier te Eindhoven en de omliggende dorpen dat hij op basis van die functie dagelijks waakzaam was geweest op de uitvoering der plakkaten van de overheid, specifiek gericht tegen overtreders zoals bv. de al te grote ‘licentieuse [= oproerige] uitsporigheden der Roomsche’ die leidt tot ‘vilipendie’[= verachting, minachting] der gereformeerden en tot onderdrukking van de goede ingezetenen. Hierdoor zijn de overtreders tot een dusdanige boosheid vervallen dat zij de suppliant dagelijks met veel geweld overvallen, aan zijn woning in de nachtelijke uren vernielingen toebrachten aan vensters, daken en muren, alles roofden wat ze tegenkwamen. De suppliant beklaagt er zich over dat hij geen enkele hulp of bijstand krijgt van de inwoners ondanks al zijn geroep en geschreeuw, zoals blijkt uit de attestatie die aan het rekest is toegevoegd. Hij verzoekt de Hoog Mogenden de gemeente Eindhoven te gelasten hem schadevergoeding te voldoen en hem extra bescherming te bieden [KSM inv.nr.7 dd. 17 september 1699]


Rekest van de roomse ingezetenen van de stad Eindhoven inhoudende dat Adrianus Wijnands zijnde werelds priester geboortig van Eersel in kwartier Kempenland een zoon is van fatsoenlijke ouders die bekend stond bij predikant, schepenen en secretaris als een fatsoenlijk, eerlijk en vredelievende man, die nooit aan de gereformeerden van Eersel aanstoot heeft gegeven of iets schandaligs had gedaan. De drossaard van Eindhoven, Isacq Pernie (?), is verzocht de kerk te ontsluiten en Adrianus Wijnands voorlopig te laten aanblijven als bedienaar van de roomse gemeente omdat geen sprake is van aanstoot geven aan de gereformeerden of een ander schandaal tegen hen. De Raad stemt in met het verzoek mits priester Wijnands zorgt dat hij geen ergernis oproept bij de gereformeerden [KSM inv.nr.8 dd. 27 juni 1711]

Rekest van de regenten van Eindhoven in kwartier Kempenland die van de gereformeerde religie zijn inhoudende dat de regering van de stad een geruime tijd geleden voor het merendeel heeft bestaan uit paapse personen en dat zij de aangroei van de stoutigheden en insolenties der papisten gewaar worden en ook daadwerkelijk ondervonden hebben. Voorgevallen is dat bij de laatste verandering en aanstelling der magistraat, zijnde de hoogvorstelijke voogden van de nagelaten hoogvorstelijke wezen van Zijne Hoogheid de Prins van Nassau Johan Willem Friso glorieuze memorie, na de aanstelling van een gereformeerde president en schepen over de stad, ondervonden hebben dat er voor de nominatie van de andere vijf personen alleen maar paapse ingezetenen waren uitgekozen. Conform het reglement op de politieke reformatie van 1 april 1660 en de gevolgde klachten zijn toen buiten de nominatie drie gereformeerde personen zijn aangesteld nl. Johannis Scholtis, Willem Meurs en Jacobus Hogerwoude, lieden van onbesproken gedrag. Mede daardoor zijnde paapse ingezetenen van de stad door kwaadgunstige mensen en belhamels zo zeer opgeruierig geworden en verwijzen naar een document van 24 augustus 1574 opgesteld door de Heer van Eindhoven. Daarin stond dat de Heer van Eindhoven of zijn officier gehouden zou zijn uit de nominatie van de vijf mannen die jaarlijks aan hem moest worden overgelegd, daaruit zodanige personen zou moeten kiezen die hij het meest geschikt achtte. Nu blijkt dat de huidige regeerders van de stad met name Judocus Bunnens en Willem de Haas, als ook twee oude vijfmannen genaamd Bartholomeus Barenbroek en Simon van Luijtelaar, alle vier van de paapse religie, halsstarrig blijven weigeren de drie gereformeerde lieden te erkennen of met hen de stadsregering waar te nemen. Dit heeft geleid tot zeer grote confusie en verval en brede discussie en de paapse burgers hadden de bevolking opgehitst en aangezet tot de uiterste verwarring en dat het overhoop smijten van de stadsregering te duchten was. Ook dat de gereformeerde burgers in het uiterste gevaar van lijf en goed gebracht werden en op straat en in publieke huizen namen de insolenties in hevigheid toe en elke vorm van overleg tussen paapsen en gereformeerden dreigde afgesneden te worden en de ‘geuzen’, zoals de gereformeerden smadelijk werden genoemd door de roomsen, werden continu bedreigd dat men ze van honger zou laten vergaan. De kwaadaardige uitwerking die was losgebarsten was al overvloedig merkbaar. Degenen die het oproer hadden veroorzaakt trokken enige dagen achter elkaar langs de publieke huizen rond met een opgesteld geschrift en iedereen werd aangezet tot het ondertekenen van het document. Tegen de gereformeerden werden zeer opzichtige complotten gesmeed en werd samengespannen tegen de gereformeerde regenten. De oproer nam zo’n hoge vlucht dat in de nacht van 21 op 22 september de ruiten van het huis van de predikant Andreas de Jong op de meest baldadige wijze werden ingeslagen en de volgende morgen werden uitgestrooid door de stad schandalige dreigbrieven teruggevonden, gericht tegen de predikant als tegen de gereformeerde religie in het algemeen. Ze werden ook hier en daar aangeplakt. Aan de Hoog Mogenden werd verzocht maatregelen te treffen ter beveiliging van de gereformeerden, van predikant Andreas de Jong en de predikant van het naburig dorp Woensel Wilhelm Thomas Scriba, in bescherming te nemen en in soevereine protectie. Voorts zou de gouverneur van ’s-Hertogenbosch worden aangeschreven om, in geval van geweldpleging, hij op verzoek van de schout of de drost aan de magistraat assistentie te verlenen via de sterke hand om dit soort wanorde tegen te gaan en te beletten [KSM inv.nr.9 dd. 9 oktober 1715]
Rekest van de regenten van het stedeke Eindhoven zijnde van de gereformeerde religie inhoudende dat de vorige paapse regenten aldaar wederom hadden bepleit dat een nominatie moest worden opgesteld van vijfmannen en alleen maar paapse kandidaten hadden voorgedragen, ondanks het feit dat er genoeg gereformeerden gevonden konden worden op wiens handel en wandel niets verkeerds was te melden. Ook hadden ze de Vorstinne Douarière van Nassau weten te verleiden om aan te geven dat voor 1716 alleen maar paapse vijfmannen zouden moeten worden aangesteld en onder hen zelfs diegenen die de grootste aanstokers waren geweest van de beledigingen aan de supplianten. De drossaard Isacq Perné zou de paapse vijfmannen onder de eed brengen, niettegenstaande dit strijdig zou zijn met het reglement van de Staten Generaal en de wetten van de staat. De gereformeerde regenten verzoeken nu de Hoog Mogenden maatregelen te treffen en Isacq Perné te verbieden de gekozen paapse schepenen in functie en eed te brengen en dat men de aanstelling van de huidige drie gereformeerde vijfmannen zou laten continueren. Na deliberatie is besloten een kopie van dit rekest te overhandigen aan de vorstelijke voogden van de jonge Prins en Prinses van Nassau om het vervolgens zo spoedig mogelijk ter kennis te brengen aan de Staten Generaal en voorts wordt het overhandigd aan de heren der Meierijse zaken ter nadere examinatie [= onderzoek, bestudering] [KSM inv.nr.9 dd. 30 september 1716]
Rekest van Willem Paulus ’s lands hoevenaar, Hendrik Willem Bogaerts, Nicolaas Jan Thomas, Lambert Houbraken, Bastiaan van Stratum, Cornelis Ketelaars en jan Jansz. van Hapert zowel voor hen zelf en als gemachtigden namens het grootste deel der ingezetenen der heerlijkheid Woensel in kwartier Kempenland. Zij berichten dat in 1714 Corstiaan Coppens en Cornelis Raessens beiden roomse priesters naast Hendrik Heestroij [vgl. Hetsrode] en Willem Deckers de roomse kerkmeesters aldaar, met consent van de regerende schepenen m.u.v. die van de gereformeerde religie, hadden onderstaan om opnieuw te bouwen en te timmeren een uitmuntend schoon rooms kerkhuis van een groot aanzien wat enkele duizenden guldens kostte. Dit is gebeurd onder voorwendsel dat dit nieuw getimmerde huis alleen door de liberale roomsgezinden betaald zou worden [KSM inv.nr.9 dd. 26 november 1716]

Rekest van Isacq Perné, drossaard der baronie van Cranendonk, de stad Eindhoven en onderhorige dorpen inhoudende, dat tot voldoening van haar Ho: Mo: resolutie van 17 juli jl. met een bericht op een rekest van Galenus Knips en Godefridus van den Kerkhoff regerende borgemeesters, Francois van Gennip, Willem de Wit en Aelbert van de Ven regerende schepenen der stad, allen zijnde van de gereformeerde religie, samen met de kerkenraad van de gereformeerde gemeente, tenderende ten einde haar Ho: Mo: ingevolge van het politieke reglement , de suppliant als officier van de stad of bij zijn nalatigheid het officie fiscaal van Brabant, zouden gelieven te gelasten en te bevelen, de opnieuw aangestelde oude roomse schepenen nl. Francois van Doorn, Isaq Verbeeq en Eijmert Philips, terstond te removeren [= afzetten] en de uitgezette gereformeerde lieden nl. Willem van Meurs en Jacobus Hogerwoude, naast nog een derde of andere gereformeerde persoon die plaatsen te laten innemen. Een kopie van dit rekest wordt overhandigd aan de heer Ham en andere gedeputeerden van de Staten Generaal der Meierijse zaken om het nader te bestuderen met de Heer van Dolwegh extraordinaris envoijé van de Heer Landgraaf van Hessen cassel en hierover in conferentie te treden en nadien hun bevindingen te rapporteren [KSM inv.nr.9 dd. 6 augustus 1717]


Missive van F.Lormier drossaard van Eindhoven inhoudende een bericht op het rekest van de christelijke synode van Gelderland m.b.t. klachten van de classis van Peel- en Kempenland over de rector in de latijnse taal wonende te Eindhoven en zijnde van de roomse religie. Volgens dat bericht is de drossaard nog maar weinig tijds in functie en had hij zich op de ware toedracht van de zaak nader moeten informeren en dat hij vervolgens had vernomen dat genoemde rector geenszins in Eindhoven was ‘ingekropen’ zoals uit een vorig rekest bleek, maar dat hij met kennis van Zijne Majesteit van Groot Brittannië glorieuze gedachtenis aldaar in het jaar 1694 was aangesteld. Omtrent het geven van zijn instructie in de Latijnse Taal en over zijn gedrag mede t.a.v. de religie, zijn nooit klachten binnengekomen en is van de zijde van de ouders nooit een ongenoegen geuit. Ja, dat zelfs verschillende predikanten hun kinderen bij hem op school hadden ingeschreven en te kennen gaven over zijn gedrag en instructie zeer voldaan te zijn. Voorts was de drossaard onderricht dat er voorheen wel klachten waren geweest over het instrueren van de Latijnse Taal door genoemde rector wat ook is doorgegeven aan de Vrouwe Vorstinne douarière van Nassau. Sedert de tijd dat de baronie van Cranendonk met de stad Eindhoven is uitgegeven [geextradeert] aan de ‘Hoog Furstelijke Weesen’ van wijlen de Heer Johan Willem Friso van Nassau en dat hare vorstelijke doorluchtigheid daarop zou hebben verklaard, dat wanneer de huidige rector die tot nu toe met lof de jeugd had geïnstrueerd zou zijn overleden en dat zij er dan zorg zou dragen dat een rector van de gereformeerde religie met een redelijk traktement zou worden aangesteld. Een man echter die al zo vele jaren tot genoegen van eenieder de jeugd had geïnstrueerd en op wiens gedrag en levenswandel niets was aan te merken niet zo maar met goed fatsoen kon worden verjaagd of gemaand om te vertrekken. De zaak wordt aanhangig gemaakt bij de heren die belast zijn met de Meierijse zaken om alles terdege te onderzoek en verslag uit te brengen [KSM inv.nr.10 dd. 15 juli 1722]
Rekest van mr. Francus Lormier drossaard van de baronie van Cranendonk, de stad Eindhoven en de omliggende heerlijkheden i.v.m. de te ontvangen recognitiegelden die de kerkmeesters van de kerk van Woensel aan hem zouden hebben te voldoen, die ook zijn voorgangers al meer dan 70 jaren hebben genoten [KSM inv.nr.12 dd. 21 april 1729]
Rekest van mr. Francus Lormier drossaard van de baronie van Cranendonk etc. waarbij de kerkmeesters van de roomse kerk te Woensel gelast zijn de recognitiegelden te voldoen, maar die bleven in gebreke waarop besloten werd de roomse kerk te Woensel te sluiten om hen zo te dwingen tot het voldoen van de afgesproken recognitie [KSM inv.nr.12 dd. 4 juli 1729]

Rekest van Christiaan Coppens rooms priester te Woensel die aangeeft vernomen te hebben dat een groep roomsgezinden een rekest hebben ingestuurd naar de Ho: Mo: in zake de kwestie die voor de Raad van Brabant speelt of de suppliant alleen de dienst te Woensel mag waarnemen en Coppens wil zich verdedigen [KSM inv.nr.12 dd. 26 april 1730]


Rekest van Christiaan Coppens rooms werelds priester te Woensel aangevende dat hem ter ore was gekomen dat de roomse ingezetenen van Woensel aan de drossaard aldaar de recognitie niet hebben betaald en dat daarop het kerkhuis door Lormier was gesloten en nog gesloten blijft en dat er geen ander middel te bedenken was geweest om een tweede rooms pastoor of kapelaan aan te stellen met goedkeuring van de Ho: Mo: nl. de persoon van Pieter Strijbos een werelds priester maar geen ingezetenen van Woensel, maar Coppens stelt voor om een zekere Jacobus van ….pen die ook bekend is om zijn zedig en vreedzaam leven en die een behoorlijke zending heeft of een andere onpartijdige [KSM inv.nr.12 dd. 1 mei 1730]
Missive van de drossaard Lormier als reactie op het rekest van de ingezetenen van Woensel met een verzoek om, mede ter wegneming van enige gerezen onlusten, naast priester Coppens een tweede pastoor of assistent aan te stellen, welke missive wordt doorgestuurd naar de gecommitteerden van de Raad van State en die van de Meierijse zaken om die nader te onderzoeken en verslag te doen van hun bevindingen [KSM inv.nr.12 dd. 6 mei 1730]

Rekest van Christiaan Coppens rooms werelds priester te Woensel op het rekest van mr. Francois Lormier drossaard van de Baronie van Cranendonk en de stad Eindhoven met omliggende dorpen, waarbij hij heeft verzocht dat haar Ho: Mo: de suppliant ofwel de kerkmeesters te Woensel geliefden te gelasten om aan genoemde drossaard de recognitie te betalen sinds de laatst gedane betaling over 1725 tot en met 1731 op straffe van dat de kerk van Woensel zou worden gesloten, totdat de recognitie aan de drossaard zou zijn betaald of dat de Ho: Mo: een andere voorziening zouden willen treffen [KSM inv.nr.12 dd. 22 februari 1732]


Missive van J. Lemier/Lormier drossaard van de stad Eindhoven aangevende dat hij in ervaring is gekomen dat de advocaat fiscaal van Brabant de kerkschuur te Stratum had laten sluiten [KSM inv.nr.12 dd. 4 juni 1733]
Rekest van de roomsgezinden van Strijp onder Eindhoven met een verzoek om permissie tot het bouwen van een nieuw kerkenhuis of schuur tussen de beide gehuchten waar zij wonen, en van een aanzienlijke grootte, maar dat verzoek wordt afgewezen [KSM inv.nr.12 dd. 31 oktober 1734]
De rector van de Latijnse School te Eindhoven een zekere Johan Jacob Wagener heeft er zich over beklaagd dat een zekere Petrus Walraven die pausgezind is en te Eindhoven woont getolereerd wordt als iemand die instructie geeft aan kinderen wat strijdig is met de bestaande reglementen [KSM inv.nr.13 dd. 14 februari 1737 en 23 maart 1737]
Rekest van mr. Francois Lormier drossaard van Eindhoven en omliggende dorpen en heerlijkheden Woensel, Gestel, Strijp en Stratum met een verzoek aan de Ho: Mo: dat ze gelieven aan de pastoor van Woensel od de kerkmeesters te gelasten aan de suppliant prompt te betalen de recognitie sinds de laatste betaling van 1725 tot en met 1731 [KSM inv.nr.13 dd. 30 oktober 1738]
Rekest van mr. F. Lormier drossaard van de baronie van Cranendonk en van de stad Eindhoven met de omliggende heerlijkheden inhoudende dat hij suppliant zich van zijn drossaardambt, met kennis en toestemming van de Prins van Nassau, zou proberen te ontdoen, doch dat aan de ambt altijd recognities zijn gekoppeld geweest van de roomse kerken aldaar en dat die recognities, op basis van een resolutie van 12 maart 1731, aan hem gelaten zijn. Hij verzoekt de Ho: Mo: ervoor te zorgen dat hij die recognities mag genieten verwijzend naar een resolutie van 22 maart 1736 aan Nicolaas Clement verleend drossaard van het Zuid- en Westkwartier van het markiezaat van Bergen op Zoom, aan mr. Hendrik van Hogendorp vrijheer van Hofwegen, raad en vroedschap van de stad Rotterdam in kwaliteit als drossaard van het land van Steenbergen volgens een resolutie van 6 oktober 1736, hebben gepermitteerd. Lormier krijgt verlof om zijn drossaardambt over te doen incl. het genot van de jaarlijkse recognities door de roomse kerken [KSM inv.nr.13 dd. 28 maart 1739]
Rekest van de ingezetenen van de heerlijkheid Woensel in kwartier Kempenland inhoudende dat tussen drossaard mr. Francois Lormier van de baronie van Cranendonk en de stad Eindhoven en Christiaan Coppens pastoor te Woensel de nodige meningsverschillen zijn ontstaan waarop haar Ho: Mo: resolutie is gevolgd van 26 maart van dit jaar 1739. De supplianten verzoeken dat haar Ho: Mo: aanhen gelieven te permitteren om ter griffie van haar Ho: Mo: de kopie mogen lichten van genoemde resolutie, at wordt goedgekeurd [KSM inv.nr.13 dd. 1 juni 1739]

Missive van de stadhouder van het kwartier Kempenland de Jongh op een rekest van de roomse gemeente te Gestel bij Eindhoven met een verzoek om in hun kerkschuur een nieuw altaar te mogen plaatsen en het deurgebont van de ingangsdeur mogen repareren en tevens verplaatsen van achter in de gevel van het kerkenhuis; de Raad gaat akkoord [KSM inv.nr.15 dd. 14 december 1759]


Rekest van de kerkmeesters de roomse gemeente van Woensel onder Eindhoven met een verzoek hen te permitteren om hun kerkenhuis dat gedeeltelijk door ouderdom is vergaan en versleten te mogen vernieuwen nl. de gebinten, de glasramen te voorzien met ijzeren latten, reparatie van de altaren en andere ornamenten en verzoek om ter consevering van het houwerk dit te mogen verven, welk rekest wordt doorgestuurd naar de stadhouder van Kempenland [KSM inv.nr.15 dd. 11 maart 1760]
Rekest van de kerkmeesters en administrateurs van het roomse kerkenhuis en de roomse ingezetenen te Eindhoven inhoudende dat de supplianten onder de coniventie van haar Ho: Mo: jovisseren [genieten, profiteren] om in alle stilte en modestie hun godsdienst uit te oefenen in een bepaald kerkhuis en schuur staande achter de pastoorswoning genaamd de Hopbel. Zij hadden in overweging genomen de noodzakelijkheid die er was om vrij te maken de hof gehorende tot de domeinen van Zijne Hoogheid, gelegen achter het genoemde kerkenhuis aan de andere zijde van het riviertje de Gender, waarvan gebruiker was geworden een zekere L.Lips ontvanger van de konvooien en licenten aldaar, alsmede om te voorkomen alle aanstotelijkheid die veroorzaakt zou kunnen worden vanwege het niet omheimen van de hof. Ze pleiten voor een houten omheining ter breedte van de kerk in plaats van de oude die 20 à 30 jaren geleden is gezet tussen het erf van mr. Van Hoof, de weduwe Van den Broek en aan de noord- en zuidzijde grenzende aan hun kerk. Voorts geven ze te kennen dat boven de achterdeur van de kerk oostwaarts onder het dak altoos gehangen heeft een planken gootje ter lengte van ontrent 8 voeten tot afweer van de drup die van het dak en van de stenen trap daar voor liggende afdruipt. Dat gootje is versleten en ze hebben er een nieuw plaken gootje aangehangen en van binnen met lood bekleed. Ook bleek dat men enige vergroting of vernieuwing had uitgevoerd en enige timmeringen of verbeteringen waren toegepast. desniettegenstaande vond Henricus Hornnam [dubieus] stadhouder van Hermanus van Sloterdijk drossaard der baronie en landen van Cranendonk en der stad Eindhoven en omliggende heerlijkheid, zulks opnam als een overtreding van de Ho: Mo: resolutie van 5 maart 1621 en 20 december 1752 en hij had de supplianten bevraagd of ze eigenlijk wel permissie van de Ho: Mo: hadden. Ze waren zich hier niet van bewust geweest dat een speciale permissie nodig was. Ze verzoeken daarom de Ho: Mo: hen die misstap of overtreding te vergeven en hen te rpemiiteren om hun goedsdienstige oefeningen te kunnen continueren. Een kopie wordt doorgestuurd naar de drossaard van Cranendonk en men wacht op nader bericht [KSM inv.nr.15 dd. 17 juni 1760]
Missive van Henricus Hornmans stadhouder van de drossaard der baronie van Cranendonk, de stad Eindhoven en omliggende gehuchten, op een rekest van de kerkmeesters en administrateurs van het roomse kerkenhuis als ook de roomse ingezetenen van Eindhoven, verzoekende hen de misstap of overtreding die ze vanuit onwetendheid hebben begaan te vergeven nl. het zetten van een houten omheining aan de oostzijde van het kerkenhuis en het leggen van een loden goot en hen te permitteren ondanks dat toch hun godsdienst te mogen voortzetten. Voor deze keer wordt door de overheid de overtreding door de vingers gezien en wordt hun verzoek gehonoreerd [KSM inv.nr.15 dd. 30 juli 1760]
Rekest van de roomse ingezetenen van Woensel in de baronie van Cranendonk van Eindhoven aangevende dat de reparatie saan hun kerkschuur of kerkenhuis veel kosten met zich meebrengt en dat het strooien dak daardoor onvoldoende gerepareerd kan worden. Ze verzoeken nu dat de vorst van het dak dat nu met aarden rossen is bezet van vorstpannen mag worden bedekt en dat de pannen die op sommige plaatsen mogen worden vernieuwd of gerepareerd [KSM inv.nr.15 dd. 15 juni 1761]
Missive van Henricus Hoornman stadhouder van de drossaard van de baronie van Cranendonk en Eindhoven op het rekest van de roomse ingezetenen van Woensel en na deliberatie is het voorgaande verzoek ingewilligd [KSM inv.nr.15 dd. 15 juli 1761]

Hapert

Rekest van de roomse ingezetenen van Hapert die een verzoek hebben ingediend om permissie om de lemen wandjes van hun kerkenhuis te mogen vernieuwen en stenen muurtjes aan te brengen en vervolgens reparaties te mogen uitvoeren aan dak en ramen [KSM inv.nr.12 dd. 11 juli 1733]


Missive van de Raad van State als advies op een rekest van de regenten van Hapert in kwartier Kempenland die hebben verzocht aan hen te permitteren om ten laste van het corpus van Hapert een bedrag van 400 gl. te mogen opnemen tegen 3% om daarmee het stenen werk van de toren met een kap of spits te kunnen overdekken en de nodige reparaties uit te voeren aan het vervallen steenwerk, onder conditie dat ze het opgenomen kapitaal binnen een bepaalde tijd aflossen [KSM inv.nr.14 dd. 15 juli 1745]

Hoogeloon

Rekest van de roomse ingezetenen van het dorp Hoogeloon aangevende dat het dak van hun kerkschuur aan een kant versleten is en onbruikbaar, bedekt met stro, en niet van een zoldering is voorzien en lichtelijk brand kan uitbreken door de kaarsen die in genoemde kerk gebrand worden en ze verzoeken de Ho: Mo: om permissie om hun kerkschuut met nieuw stro te mogen bedekken. Het rekest wordt doorgestuurd naar de kwartierschout van Kempenland [KSM inv.nr.15 dd. 12 oktober 1756]


Missive van de kwartierschout van Kempenland Van Itsma met een advies op het rekest van de roomse ingezetenen van het dorp Hoogeloon, die aangeven dat het dak van hun kerkschuur aan een kant versleten is en onbruikbaar en dat bovendien de laagte van het met stro bedekt dak hen parten speelt omdat er geen zoldering is aangebracht en het gevaar van het ontstaan van brand heel reëel is met name door de kaarsen die in de kerkschuur worden gebruikt. Ze vragen verlof de kerkschuur opnieuw met stro te mogen dekken. Na deliberatie wordt besloten hen toe te staan om de kerkschuur met pannen te bedekken en een planken zolder aan te brengen [KSM inv.nr.15 dd. 16 december 1756]
Missive van de stadhouder van kwartier Kempenland de Jong op een rekest van de kerkmeesters van de roomse gemeente te Hoogeloon verzoekende om hun kerkschuur die op de 1e van de maand is afgebrand wederom te mogen herbouwen [optimmeren] in dezelfde vorm en grootte zoals hij was, want alleen de muren en vloeren zijn nog overgebleven. De Raad gaat akkoord [KSM inv.nr.15 dd. 26 juni 1759]
Rekest van Johan Jacob Willems, Andries van Eijk, en de erfgenamen van Jan Heesmans inhoudende dat op 1 juni 1759 na de middag tussen 6 en 7 uur te Hoogeloon een zeer vehemente brand heeft gewoed waarbij binnen een uur drie van hun huizen en schuren zijn afgebrand behalve de schoppen. Van die huizen zijn slechts de blote muren blijven staan. De supplianten verzoeken aan de Ed: Mo: gelieven te accorderen een liberale gift van 300 gl. en hen remissie te verlenen op hun verpondingen, zodat zij enigszins in staat zijn om hun huizen te herbouwen [KSM inv.nr.15 dd. 16 juli 1759]

PS een van die panden zou dan de kerkschuur moeten zijn geweest ? [zie 26 juni]


Lommel

Rekest van Bernard Bogaarts kanunnik van de abdij van Postel inhoudende dat die van de abdij Postel in het jaar 1640 door de rooms katholieke ingezetenen van het dorp Lommel in kwartier Kempenland verzocht zijn geweest om onder de oogluiking van haar Hoog Mogenden, haar gemeente in het geestelijke te administreren, daartoe iemand van genoemde abdij nl. kanunnik Hanegraafs naar Lommel hadden gestuurd aan wie ‘gesuccedeert’ [= opgevolgd] was kanunnik Gerard Crom en na hem de suppliant van dit rekest, die nu 28 jaren dienst doet en alle plichten van een getrouw en vreedzaam inwoner van de staat had getracht na te komen, zonder dat andere geestelijke personen de dienst ooit verhinderd hebben. Onlangs is het echter gebeurd dat aan de Hoog Mogenden op de naam van de regenten en voornaamste geërfden van Lommel een rekest was gepresenteerd of zij de officier zouden gelieven te gelasten om op basis van een resolutie van 3 november 1699, de geordende monniken te Lommel voortaan uit de dienst te weren in plaats van te tolereren een zekere priester Andries Aarts omdat die een inboorling was van Lommel en aldaar door de vicarius is geroepen. Hierop hebben de Ho: Mo: gedisponeerd op 4 september jl. en besloten de kwartierschout te gelasten de geordende monniken in Lommel te weren. Hierover ontstond discussie. Her rekest is geseponeerd [KSM inv.nr.8 dd. 5 oktober 1703]


Rekest van de gedeputeerden van de classis van Peel- en Kempenland inhoudende dat in april jl. dominee Petrus Godefridus Josselin predikant te Lommel het ongeluk heeft gehad dat Francois van Heeswijk, een roomse gezinde, rond middernacht aan zijn huis is gekomen tot tweemaal toe zelfs en met veel insolentie, kracht en geweld op de vensters van de keuken heeft geslagen en stenen naar binnen heeft geworpen, waar dominee Josselin op dat moment zat. Hij had zoveel geweld gebruikt dat de horren van de vensters door het vertrek waren gesmeten tot bij de haard en dat onder een schandaleus geroep, getier en de nodige uitdagingen aan het adres van de predikant. De dominee moest volgens de geweldenaar uit zijn huis komen met zijn profeet Calvinus die hem had verleid en op de doolweg gebracht, zoals te lezen was in de bescheiden die aan het rekest waren toegevoegd. Na dit voorval is besloten de predikant brieven van sauvegarde te verlenen ter extra bescherming van de dominee en zijn familie en een kopie zal gezonden worden aan de hoogschout van ’s-Hertogenbosch om zich nader over dit voorval te informeren en naar zijn eigen oordeel te procederen [KSM inv.nr.10 dd. 11 juli 1718]
Rekest van de roomse ingezetenen van het dorp Lommel in kwartier Kempenland die aan de Ed: Mo: verlof hebben gevraagd om hun roomse godsdienst te mogen blijven uitoefenen ondanks het feit dat ze hun kerkhuis hebben verbeterd zonder vooraf verlof te vragen aan het officie fiscaal van Brabant, waardoor hun schuurkerk is gesloten.. Ze vragen of men hen die misstap wil vergeven en het kerkhuis wederom wil ontsluiten en ze er hun godsdienst weer mogen uitoefenen. Het rekest wordt doorgestuurd naar de Raad van State ter advisering [KSM inv.nr.12 dd. 24 maart 1729]

Middelbeers

Rekest van Johanna Vissers laatst weduwe van wijlen Lambert Brock wonende te Middelbeers inhoudende dat op haar grond en erf te Middelbeers voor het jaar 1696 een roomse kerkschuur had gestaan, maar dat dat kerkhuis evenals haar eigen huis in dat jaar tot op de grond is afgebrand en sindsdien de roomsen in een schuur hun roomse dienst hebben gepleegd schuin tegenover het genoemde kerkhuis omtrent twintig schreven van de openbare weg veldwaarts gelegen. Deze schuur is inmiddels zeer bouwvallig geworden met het nodige gevaar. De roomsgezinden voelen zich genoodzaakt een nieuw kerkenhuis te bouwen. Dankzij de nalatenschap van haar broeder, in zijn leven rooms priester te Abcoude maar geboortig van Middelbeers kon men een nieuw kerkenhuis bouwen op de plaats van het bestaande. Sinds 1719 was het bekend dat deze broeder dit graag wilde maar de voortgang van de bouw werd belemmerd door diverse voorvallen o.a. dat ze het ongeluk hadden gehad dat vrij vroeg na het begonnen werk een vreselijk onweer losbarste op 4 augustus van dat jaar, waardoor het gedeelte wat er al stond helemaal instortte. Inmiddels kwam ook het besluit van de Staten Generaal dat roomse kerkenhuizen in Brabant niet mochten worden vernieuwd zonder uitdrukkelijke permissie van de overheid. Daarom dat de roomsen van Middelbeers verlof vragen om het kerkenhuis te mogen voltooien op kosten van de roomse gemeente. Dit rekest wordt doorgestuurd ter advisering aan de hoogschout van ’s-Hertogenbosch en de kwartierschout van Kempenland [KSM inv.nr.10 dd. 21 juli 1721]


Missive van de hoogschout op het rekest van Johanna Vissers weduwe van wijlen Lambert Brock wonende te Middelbeers zoals aangegeven in haar schrijven van 21 juli 1721. Aan de suppliante wordt gepermitteerd om het ingestorte kerkenhuis op haar kosten en niet die van de gemeente Middelbeers te laten opbouwen ter lengte van 54 voeten en breedte van 29 voeten, de zijmuren ieder ter hoogte van 10 voeten, de muur aan de gevel oostwaarts 7 voeten en die ten zuiden van 11 ½ voet, met twee vensterkes in die gevel, ieder hoog 1 ½ voet en breed 1 ¼ voet en met een deur ter hoogte van 5 ½ voet en ter breedte van 3 voet. Voorts is bepaald dat er 3 vensterkes in de oostelijke muur en 3 in de westelijke muur geplaatst mogen worden hoog 4 voeten en breed 4 ½ voet en ieder van die twee muren nog een enkel raamke van 4 voeten hoog en 2 voeten breed. Achter het kerkenhuis staat een grote en lange turfschop. De roomse ingezetenen mogen in de nieuwe kerkschuur hun godsdienst uitoefenen in alle stilte en modestie zonder enige aanstoot of schandaal te veroorzaken aan de gereformeerden aldaar [KSM inv.nr.10 dd. 11 mei 1722]
Een soortgelijke reactie volgt ook van de kwartierschout van Kempenland op het rekest van Johanna Vissers [KSM inv.nr.10 dd. 15 mei 1722]
Rekest van Hendrik Husselmans, Jan Huselmans en Jan Heuvelmans voor henzelf en in naam van de lidmaten van de roomse gemeente van Middelbeers en Westelbeers inhoudende dat hun gewezen pastoor Francis de Roij op 13 september 1756 is overleden. Dat niemand in zijn plaats kon worden aangesteld omdat het vicariaat van het bisdom ’s-Hertogenbosch vacant was en daardoor genoemde roomse gemeente hoe langer hoe meer in wanorde raakt.
Netersel

Rekest van de roomse ingezetenen van Netersel in kwartier Kempenland inhoudende dat hun kerkhuis zo gering en klein is dat telkens een menigte mensen buiten moet blijven staan wanneer ze een godsdienstoefening willen komen bijwonen. Ze vinden het daarom noodzakelijk hun kerkhuis enigszins te vergroten om klachten van de roomse ingezetenen verder te voorkomen. Het kerkhuis staat van de heerbaan af en buiten het gezicht van de gereformeerden. Het rekest wordt doorgestuurd naar de kwartierschout van Kempenland [in de tekst zelf staat 2x Maasland genoemd…..maar Netersel ligt toch echt in Kempenland] [KSM inv.nr.12 dd. 1 mei 1732]

Rekest van de roomse ingezetenen van Netersel in kwartier Kempenland aangevende dat ze hun godsdienst hebben uitgeoefend in een kerkschuur met houten weegten omkleed maar dat die weegten zodanig zijn versleten dat de kerkschuur hoognodig vernieuwd dient te worden. Ze verzoeken op de plaats van deze versleten kerkschuur een nieuwe te mogen zetten met stenen muren van de hoogte en het formaat als aan de bestaande schuurkerk het geval is, dus zonder enige verandering aan de kerkschuur aan te brengen en alles op kosten van particulieren en dus niet ten laste van het corpus. Een kopie stuurt men door naar de hoogschout van stad en meierij van ’s-Hertogenbosch [KSM inv.nr.13 dd. 23 mei 1741]
Rekest van de hoogschout van stad en meierij van ’s-Hertogenbosch als reactie op het bericht van de roomse ingezetenen van Netersel [zie hierboven] waarop is gedelibereerd en besloten goedkeuring te geven aan hun verzoek conform de door hen gegeven beschrijving [KSM inv.nr.13 dd. 10 juli 1741]
Oerle

Rekest van verschillende inwoners van het dorp Oerle in kwartier Kempenland inhoudende dat Leonardus van Ravestijn rooms priester aldaar om 6 augustus 1728 was komen te overlijden en de persoon van Johan van Heumen geboortig van Oss rooms werelds priester, ingevolge of zending van de internuntius te Brussel, met de dood of aflijvigheid van vicaris Petrus Govaards, in de plaats van Van Ravestijn was benoemd. Men noemt hier echter de naam Arnold van Heumen om de godsdienst aldaar waar te nemen. De hoogschout of diens stadhouder te ’s-Hertogenbosch zou dat echter voorlopig verboden hebben [KSM inv.nr.12 dd. 7 november 1729] – niet helemaal duidelijk bericht!

Missive van de hoogschout van stad en meierij van ’s-Hertogenbosch baron Van Keppel geschreven in Den Haag op het rekest van verschillende inwoners van Oerle in kwartier Kempenland die verzocht hebben of aldaar Arnold van Heumen mag worden gepermitteerd de roomse godsdienst per interim waar te nemen tot de tijd dat er een vicaris zal worden benoemd. De hoogschout zal worden teruggeschreven dat hij de permissie van Arnold van Heumen zal uitstellen tot er een vicaris aangenomen zal zijn en hij van dezelfde zijn zending zou hebben ontvangen [KSM inv.nr.12 dd. 28 november 1729]

Rekest van de classis van Peel- en Kempenland die een vergadering heeft gehouden te Eindhoven waar men had gehoord dat te Oerle in kwartier Kempenland door Arnold Hermani in zijn leven gereformeerd lidmaat 2 kinderen zijn nagelaten en onder hun toezicht aldaar verbleven, wat strijdig zou zijn met het plakkaat van 1722 en ’t reglement op de administratie van de armenpenningen [KSM inv.nr.12 dd. 14 juli 1734]

Missive van de Raad van State op een rekest van de classis van Peel- en Kempenland te kennen gevende dat een zekere Arnold Hermani in zijn leven gereformeerd lidmaat te Oerle die twee buitenechtelijke kinderen had nagelaten die hij bij een zekere Antonita Heeren verwekt had, welke Antonita de roomse religie aanhing en dat die kinderen onder haar toezicht in de roomse religie publieklijk werden opgevoed, strekkende niet alleen tot nadeel van de reformatie maar ook strijdig met de plakkaten en specifiek tegen het reglement op 16 maart 1700 op de aanstelling van kerk- en armmeesters. De supplianten verzoeken de Ho: Mo: om het plakkaat van 14 april 1649 en het reglement van 16 maart 1700 alleen strijdig van echte kinderen uit te breiden tot onechtelijke kinderen, ten einde de kwartierschout in staat gesteld zou worden om ervoor te zorgen dat die kinderen in de gereformeerde religie worden opgevoed. Hierop is gedelibereerd is aangegeven dat men de ijverige voorzorg van de classis van Peel- en Kempenland kennen om te zorgen dat het pausdom wordt geweerd en de aanwas daarvan, maar ze vinden niet dat het genoemde plakkaat van 14 april 1649 noch het reglement van 16 maart 1700 niet uit te breiden. De moeder van de kinderen leeft nog en heeft de opvoeding op zich genomen en men ondersteunt de procedure die de kwartierschout van Kempenland tegen Antonita Heeren zal aanspannen om haar kinderen over te geven en verder af te wachten of de Ho: Mo: andere voorzorgsmaatregelen nemen en wat het wegvoeren van kinderen betreft waarvan één ouder gereformeerd is of het sturen van die kinderen naar paapse scholen; de locale officieren worden gelast tegen deze praktijken op te treden en te procederen [KSM inv..nr.13 dd. 2 februari 1735]

Missive van Sam: de Kersel/Keesel en Arnold Ross respectievelijke predikanten te Oerle en Veldhoven en tevens gedeputeerden van de classis van Peel- en Kempenland geschreven te Oerle op de 1e van de maand augustus inhoudende dat een zekere P. van de Veen commies van de Brabantse landtol en vorster te Eersel en zijn vrouw Catharina Celderman sedert lang en zeer ergerlijk en voor christenen onbetamelijk gedragen hadden gehouden in zoverre, dat na vele tevergeefse pogingen om genoemde personen tot berouw en leedwezen te brengen men zich eindelijk genoodzaakt had ‘om tot dat uijterste te komen van den voorn: van de Ven [in de aanhef Veen] sijn gem: huijsvrouw overleden sijnde, na gewone plegtigheden door het formulier des bans, van de christelijke gemeenschap af te scheijden en dat sij bedugt waren dat gem: kerkelijke straf op desselfs gemoet weinig indruk sooude maken, bij aldien hij in het gerust besit van sijne ampten bleef, maar tegendeel de geheijligde kerkelijke tugt oeffening, ten uijtersten veragtelijk en bespottelijk en den predikant en gemeente van Eersel, aan veele ergernisse van vexatien bloot te stellen, versoekende derhalven dat haar Ho: Mo: sodanige dispositien gelieven te maken als tot maintien van der selver beveelen, de politique reformatie en den welstand van de Meijerijse kerken sullen oordeelen en verstaan te behooren. Waarop is gedelibereert sijnde is goedgevonden en verstaan dat copie van de voors. requeste gesonden sal worden aan de Raad van Staten in handen van d eheeren Piek van Zoelen en andere H.M. ged: tot de sake van de Meijerije van ‘sBosch om met en nevens eenige heere genomm: uijt den Raad van Staten bij haar Ed: selfs te nomineren visiteren en examineren en van alles ter vergadering rapport te doen [KSM inv.nr.15 dd. 3 augustus 1781]


Oirschot

Rekest van de gedeputeerden van de Gelderse Synode waaronder de classis van de generaliteit vallen, inhoudende dat op de laatste gehouden synode is geklaagd over enige dorpen in Kempenland en dat te Oirschot is aangesteld tot stadhouder een zekere Nicolaas Hoppenbrouwers, die bekend stond als een ‘bittere papist’ van zeer geringe ‘extractie’ [= afkomst] die strijdt tegen de orders van de Staten Generaal betreffende de reformatie, met een verzoek om hem af te zetten en iemand anders van de ware gereformeerde religie aan te stellen, welk rekest wordt doorgestuurd naar de kwartierschout van Kempenland [KSM inv.nr.6 dd. 3 mei 1691]


Rekest van de resp. officieren der vrijheid Oirschot in kwartier Kempenland, inhoudende dat de Ho: Mo: bij het reglement en de ordonnantie op de administratie van de kerken- en armengoederen van 16 maart 1700 o.a. in art. 15 hebben vastgesteld, dat de kerkmiddelen alleen tot onderhoud van de kerken of kerkfabriek besteed zullen moeten worden. In art.23 is opgenomen dat tot betaling van de schulden de officier en de schepenen een ordonnantie zullen laten passeren ten laste van de kerkmeesters en met last aan de kwartierschouten van de Meierij om genoemd reglement en de vermelde ordonnantie na te leven. Geconstateerd is echter dat de regenten van Oirschot hadden kunnen goedvinden en resolveren en vervolgens uit de hand aan te besteden het maken van een nieuw gestoelte voor de toekomende Heer en Vrouwe van Oirschot alsmede om die te plaatsen aan de pilaar, recht tegenover de preekstoel, met een tweede gestoelte daaronder, waardoor uit zijn plaats zal moeten worden geruimd zeker gestoelte, hetgeen in 1661 voor de magistraat aldaar gemaakt is, waarin de kwartierschout voor de ene helft officier van haar Ho: Mo: daar zijnde, altijd een zitplaats had, zoals kwartierschout Sweers, als Heer van Oirschot, daar ook altijd heeft gezeten. In de vergadering van 30 april 1726 zijn ze hier achter gekomen toen de ordonnantie alsmede het reglement van 11 maart 1664 over de vrijheid Oirschot ter sprake is gebracht. In art.26 staat daar wel duidelijk dat geen werken zouden mogen worden gemaakt ten laste van het corpus als na voorgaande publicatie en aanbesteding, waaruit dan volgen moet, voor zover de regenten daartoe bevoegd waren, desneen, de kerkmiddelen buiten kennis van de officieren te gebruiken tot het maken van genoemd gestoelte, hetgeen honderden guldens zou kosten. De regenten zouden dus niet bevoegd zijn zo’n considerabel werk onderhands aan te besteden, maar dat dit ten overstaan van de officier publiek had moeten worden aanbesteed. De supplianten was het echter voorgekomen dat de regenten van Oirschot met het voornoemde werk schijnen te willen voortgaan en ook een ordonnantie willen laten passeren op de kerkmeesters, onder voorwendsel dat het maken van een zodanig gestoelte tot de kerkfabriek behoort. Men verzoekt nu aan de Ho: Mo: om op basis van art.15 van het reglement, te verklaren of het maken van zo’n nieuw afzonderlijk gestoelte moet beschouwd worden als behorende bij de kerkfabriek en de kosten daarvan betaald moeten worden uit de kerkmiddelen en indien dat zo is dat alsdan de schepenen van Oirschot gelast worden, om naast de supplianten, een zodanig nieuw gestoelte na voorgaand bestek publiek aan te besteden en de zitplaats van de kwartierschout te laten op de plek waar die al 60 jaren is geweest. Voorts dat de kerkmeester van Oirschot geen extraordinaris betalingen voor uitgaven in rekening mag passeren conform een artikel in het reglement van 16 maart 1700 en indien neen, de magistraat van Oirschot mag worden verboden het genoemde gestoelte ten laste van de kerk te laten maken ofwel zodanig anders als de Hoog Mogenden zouden vinden te behoren [KSM inv.nr.11 dd. 21 september 1726]
Rekest van Jacob Dirk Sweerts de Landas halfheer van Oirschot inhoudende, dat hij suppliant enige tijd geleden getrouwd zijnde, sedert dien Oirschot als vaste woonplaats heeft. Hij heeft nu van de kerkenraad in de voorbije zomer als ook van de regenten der heerlijkheid als provisoren van de kerk van Oirschot hadden verzocht dat ze voor hem in de kerk wilden laten approprieren [= toeeigenen] een bekwaam gestoelte voor hem en zijn familie. Dat genoemde regenten en kerkenraad in acht genomen hebben eensdeels dat in andere naburige heerlijkheden, wier heren, die professie doen in de gereformeerde religie, voor die heren in de respectievelijke kerken doorgaans gedistingeerde gestoelten worden gevonden en dat in de kerk van Oirschot dienaangaande nog geen voorzieningen zijn getroffen, om dat de vorige heren van Oirschot, in de periode voor de vader van de suppliant, de paapse religie aanhingen en omdat zijn vader, die Oirschot als halfheer via koop had verkregen zijn domicilie niet in Oirschot had. Bovendien bleek het magistraatsgestoelte waarin de Heer van Oirschot tot nu toe zijn zitplaats had niet ruim genoeg zou zijn om naast de suppliant en zijn familie ook door de regenten zou kunnen worden bezet. Daarom is het verzoek van de suppliant ingewilligd en zal het gestoelte voor hem en zijn familie geplaatst worden recht tegenover de preekstoel. Het maken van het gestoelte is inmiddels uit de hand publiek aanbesteed. Overigens had de suppliant niet kunnen verwachten dat iemand van de ingezetenen zich daar tegen zou kanten, vandaar dat het hem met de uiterste bevreemding was voorgekomen, dat in de maand september 1726 op de naam van de resp. officier van de vrijheid Oirschot, aan haar Ho: Mo: een rekest had gepresenteerd, om op ‘gantsch abusieve en gesogte pretexten te beletten dat het voorschreven voor hem suppliant en sijne familie versogte gestoelte, in de kerk van Oirschot ter gedesigneerde plaatse soude werden gestelt’. De Ho: Mo: wordt verzocht om op dat rekest geen acht te slaan. Besloten werd het rekest af te wijzen en werd aan de regenten en kerkenraad gelast het gestoelte te laten maken [KSM inv.nr.11 dd. 25 februari 1727]
Rekest van Jacob Sweerts de Landas inhoudende dat hij voor de helft eigenaar is van de vrije heerlijkheid Oirschot en zou graag van de Ho: Mo: als Hertogen van Brabant ook de andere helft in koop willen verkrijgen en aan hem af te staan voor dezelfde som als waarvoor des suppliants vader de wederhelft bij publieke koop had verworven [KSM inv.nr.11 dd. 27 februari 1727]

Missive van J.Coenraads drossaard van Oirschot en Best over de recognities die hij van de roomse ingezetenen geniet voor het mogen uitoefenen van hun godsdienst [KSM inv.nr.12 dd. 9 februari 1728]


Rekest van A. de Vries schout van de vrijheid Oirschot verzoekende aan de Ho: Mo: dat zij de pastoor en de regenten van het rooms kerkhuis gelieven te gelasten, om het plafond of ‘verhemelte’ de grenen planken als ook de twee vernieuwde galerijen binnen een maand te removeren [= af te breken] en weg te doen als ook de houten poort om in het kerkhuis te kunnen komen; ook de aangelegde heggen of omheining die rondom het kerkhuis zijn gemaakt. Ze worden verzocht alles weer in hun oude staat terug te brengen en mochten ze daarin nalatig zijn of in gebreke blijven dan zal hij, in zijn kwaliteit als schout, alle nieuwe werken verbieden en het kerkhuis sluiten. Voorts worden de procedures voor de Raad van Brabant tegen de pastoor en de regenten in surseance genomen of dat de Ho: Mo: daarin op een andere manier voorzien. Een kopie van dit stuk wordt toegezonden aan de Raad van State ter advisering [KSM in.nr.13 dd. 7 januari 1738]

Missive van J.D.Sweerts de Landas halfheer van de heerlijkheid Oirschot inhoudende dat afgelopen zondagavond de 6e juni in het rooms katholieke kerkenhuis aldaar brand was geweest, die ondanks alle inspanningen tot het blussen van de brand men niets heeft kunnen redden van alles wat in het kerkenhuis stond en lag. De kerkschuur was tot op de grond afgebrand [verteerd] zodat alleen de blote muren in hun omtrek waren blijven staan. De ingezetenen van Oirschot hebben verzocht om de verbrande planken en andere materialen te ruimen en binnen de muren van haar afgebrande kerkenhuis haar godsdienst te mogen uitoefenen onder een veldtent en ander onder een daar te spannen zeil en vragen tevens permissie om het kerkenhuis weer als van ouds te mogen opbouwen. De Raad gaat akkoord met hun voorstel [KSM inv.nr.14 dd. 11 juni 1745]

Rekest van de gezamenlijke roomse ingezetenen van Oirschot inhoudende dat op de 6e juni ’s avonds tussen 10 en 11 uur hun roomse kerkschuur is afgebrand veroorzaakt door het strooien dak en dat ook naastgelegen huizen schade hebben opgelopen. Ze verzoeken hun kerschuur te mogen herstellen en hem weer op de overgebleven muurresten te mogen opbouwen, alleen met dit onderscheid dat insgelijks als te Diessen, Moergestel, Boxtel en Liempde en andere plaatsen in Brabant onder het ressort der generaliteit, de kerkschuren weer mochten worden vernieuwd en verbouwd nl. de voor- en achtergevels oost- en westwaarts tot op een hoogte van 26 voeten om daardoor het dak te verstevigen, dat men bovendien in plaats van met stro wil dekken met pannen, te meer omdat hun kerkschuur te midden van andere gebouwen ligt. Wat de andere delen van de kerkschuur betreft vragen ze verlof de fundamenten ala volgt te mogen aanleggen nl. de muren ten zuiden en noorden 113 voeten lang en 6 duimen breed, ten westen 58 voeten en 3 duimen hoog, de hoogte zuid en noord 12 voeten, doch de voor- en achtermuren of de zgn. blinde gevels oost en westwaarts in plaats van de vorige duikers tot op de hoogte van 26 voeten te mogen ophalen, alles te rekenen volgens Bossche maten. Uit de even geplaneerde grond tot boven aan de muurplaten nog in de zuidelijke zijmuur te mogen stellen dubbele glasramen hoog vanaf de grond 5 voeten en 5 duimen, noordwaarts 6 dito dubbele kozijnen of glasramen te rhoogte, lengte en breedte als aan de zuidzijde en daar tussenin een deurgebont met het licht daarboven te samen hoog 12 voeten, breed 4 voeten 2 duimen, houdende ieder kozijn of glasraam 14 ruiten in de hoogte en de bovendeur naar proportie, ten oosten mede een deurgebont breed 3 voeten en 8 duimen met het licht daarboven eveneens te samen hoog 12 voeten, westwaarts vooraan de gemene of grote ingang een breed dubbel deurgebont hoog 8 voeten en 5 duimen en aan weerszijden daarvan twee dubbele kozijnen of glasramen hoog 5 voeten en 5 duimen. Boven de muur zuid- en noordwaarts een duiker hoog 8 voeten breed 9 ½ voet vol glasramen en boven in de spits een groot rondeel van glazen om licht te scheppen. Voorts in de voor- en achtergevels voor en in plaats van de overige glasramen in de zgn. duikers als nu mede bekwame bak- of glasramen ter hoogte van 8 voeten en breed 9 ½ voet alles gelijk de vorige buitenwerken getekend te mogen stellen en ten slotte om het nieuw te maken dak in plaats van met stro uit de grond, als het overige, hoog tot in de nok of naar de 46 voeten nu met rode pannen te mogen bedekken en aldaar hun godsdienst te mogen uitoefenen. Een kopie van dit rekest zal worden toegestuurd aan de hoogschout van ’s-Hertogenbosch [KSM inv.nr.14 dd. 25 juni 1745]

Missive van de Graaf van Rechteren hoogschout van stad en meierij als advie sop een rekest van de gezamenlijke ingezetenen van Oirschot die hebben verzocht om hun afgebrande kerkschuur weer te mogen opbouwen. Hij herhaalt dan keurig alle in het vorige rekest aangegeven maten en bijzonderheden, waarop gedelibereerd is en besloten hen te permitteren om een nieuwe kerkschuur te mogen bouwen met dien verstande dat men die maten verder niet te buiten gaat en dat de kosten ten laste komen van het corpus van Oirschot [KSM inv.nr.14 dd. 7 juli 1745]


Rekest van enige gekwalificeerde personen professie doende van de ware gereformeerde religie binnen de vrijheid Oirschot in kwartier Kempenland met de nodige klachten dat de regering aldaar gelaten werd in handen van roomsgezinden, niet tegenstaande aldaar een goed getal gekwalificeerde ingezetenen bestaan van de gereformeerde religie gevonden wordt. Ze verzoeken nu dat de Ho: Mo: aan de fiscaal van Brabant gelieven te ordonneren om de roomse schepenen van de vrijheid Oirschot af te zetten en in hun plaats gereformeerde personen aan te stellen en dat de gezworenen en raden op de gehuchten mogen worden aangesteld. Dit verzoek wordt voorts overhandigd ter advisering aan de halfheer van Oirschot Jacob Sweerds de Landas met het verzoek om binnen 14 dagen zijn visie hierop te geven [KSM inv.nr.14 dd. 25 augustus 1747]

Rekest van mr. Jan Bout kwartierschout van Kempenland inhoudende dat hij suppliant in ervaring is gekomen, dat een zekere David Preesman en Sebastiaan Scholtes, inwoners van Oirschot, zich hebben gewend tot de Ho: Mo: om met aligatie [= aanwijzing] van vele vuile en onwaardige middelen verzocht hadden dat haar Ho: Mo: aan de advocaat fiscaal van Brabant zouden gelieven te autoriseren om de roomse regenten te Oirschot te removeren [= weren] en de supplianten in haar plaats aan te stellen, verzoekende de suppliant dat de Ho: Mo: alvorens daarover een beslissing te nemen hem het besluit te overhandigen om er zijn visie op te kunnen geven en het ingediende rekest als antidotaal [= tegengiftig] aan te nemen. Na deliberatie is besloten het genoemde rekest inderdaad als antidotaal ter griffie van haar Ho: Mo: te seponeren om zijn tijd te dienen zoals het behoort [KSM inv.nr.14 dd. 14 februari 1748]

Missive van de Raad van Brabant als advies op een missive van J. D.Sweerds de Landas halfheer van de vrijheid en heerlijkheid Oischot geschreven te ’s-Hertogenbosch als reactie op de missive van David Preesman en Sebastiaan Schots en hun verzoek om de roomse schepenen te weren en hen aan te stellen of dat de Ho: Mo: gelieven een schikking te maken zoals dat behoort. J.D.Sweerts de Landas geeft de Ho: Mo: in overweging of zij het niet goed zouden kunnen vinden om enige heren uit de vergadering te committeren ofwel de kwartierschout van Kempenland te autoriseren, om met hem voor die van Oirschot een reglement samen te stellen [formeren] en op papier te zetten en dat vervolgens te onderzoeken en evt. te accepteren, waar naar dan eenieder zich had te reguleren. Voorts verzoekt hij de Ho: Mo: de gemelde Preesman en Sebastiaan Scholts gelieven af te slaan en bij resolutie verklaren dat een zeker 4e en laatste reglement van 11 maart 1664 op autorisatie van haar Ho: Mo: bij dezelfde resolutie van 1 maart 1664 tussen Hendrik van Bregaine van Vladeraken schut van Kempenland en mr. Willem van den Kerkhove advocaat voor het Hof van Holland, als gemachtigde van Ferdinand Grave van Merode in die tijd halfheer van Oirschot, welk 4e en laatste reglement van 11 maart 1664 in stand gehouden moet worden. Dat betekent dat het verzoek van de heen Preesman en Scholts kan worden afgewezen. Bovendien worden de Heer van Oirschot en de kwartierschout van Kempenland er altoos op moeten toezien dat in de regering van Oirschot geen roomse regenten worden aangesteld zolang daar aanhangers van de gereformeerde religie gevonden worden die bekwaam zijn om in de regering zitting te nemen [KSM inv.nr.14 dd. 2 april 1748]

Rekest van de representanten van het corpus van de vrijheid Oirschot die permissie vragen om de bouwvallige toren van de Sint Pieterskerk te mogen repareren en de benodigde materialen te mogen inkopen; de Raad gaat akkoord dat men de toren via daggelden laat opwerken, met een verwijzing naar art.36 van het reglement van Oirschot van 9 juni 1662. De reparatie kan in de dorpsrekening opgenomen worden onder het kapittel der reparaties [KSM inv.nr.15 dd. 24 mei 1754] – zie ook 28 augustus 1754


Rekest van de kwartierschout van kwartier Kempenland op een rekest van Theodorus van Doorn, Jan van Heumen, Jan van der Gunte en Paulus van Kuijck kerkmeesters van de roomse kerk te Oirschot verzoekende dat, gelijk de roomse gemeente aldaar en die van de omliggende gehuchten Spoordonk, Bonsewijk [dubieus], Hedel, Oudenhoven, Notel, Straten, Kerkhof, Dun en Heuvel bestonden in ruim 2400 communicanten of ledematen, sommigen een uur verwijderd van het centrum van het dorp zó uitgestrekt is Oirschot, van ouds zijn bediend door een rooms pastoor en 2 kapelaans. Begin mei is Jan Babtist Oudenhoven een van de kapelaans overleden waardoor de rooms egemeente beroofd is van assistentie van een derde priester en ze verzoeken de Staten Generaal te accepteren dat een tweede kapelaan wordt aangesteld. De Raad gaat akkoord tevens verwijzend naar een resolutie van 19 juli 1730 [KSM inv.nr.15 dd. 2 juni 1755]
Rekest van de kerkmeesters van de roomse gemeente binnen de vrije heerlijkheid van Oirschot met een verzoek, verwijzend naar de resolutie van de Ho: Mo: van 3 september 1751, tot wering van brand en om alle voorzorgsmaatregelen daartoe te gebruiken, aan de inwoners van Oirschot die hun huizen hebben liggen in de kom of ‘cingel’ van het dorp te mogen gelasten om als ze vernieuwingen of reparaties aan hun daken van hun huizen, schuren, stallen en brouwerijen die met stro zijn gedekt laten doen, om die in de toekomst met leien of pannen te bedekken. Aangezien de roomse kerkschuur ook gelegen is in de kom van het dorp daar eveneens het dak met pannen zou mogen worden bedekt. De supplianten zijn genoodzaakt het stro van dat dak af te halen deels omdat het voortdurend aan reparaties onderhevig is en deels om brand te voorkomen, zoals ze in 1745 hebben meegemaakt. Ze geven nu aan dat ‘de grootte van het gebouw en swaarte van ’t te leggen pannendak, de cap van voors. kerkschuur niet in staat was om dat gewigt te dragen, tensij dat ’t selve van binnen gestijft en met pannen beschooren werde, alsoo ’t andersinds te dugten was, dat ’t voors. pannendak ten eenmaal souden instorten’. Ze verzoeken nu gratieuselijk aan de Ho: Mo: permissie ‘tot stijving van den bouw onder ’t dak te mogen brengen, een blanken beschot of verwulfsel’[KSM inv.nr.15 dd. 19 juli 1756]
Oostelbeers

Rekest van de roomsgezinde ingezetenen van Oostelbeers in kwartier Kempenland inhoudende dat het huis waarin zij hun godsdienst uitoefenen dusdanig verouderd is dat niemand er meer in durft te gaan uit vrees voor instorting of dat er het een en ander op hun hoofd zou vallen. De opzichters van dit huis voelen zich genoodzaakt tot reparatie over te gaan, het oude huis bijna hadden afgebroken om op dezelfde plaats een kleiner huis te bouwen, gebruik makend van het oude hout, ramen en strooien dak. Ze wilden daarin aanbrengen een dubbel en twee enkele raampjes ter hoogte van 4 voeten en ter breedte van 2 voeten, zoals blijkt uit de verklaring van de president en schepenen van Oostelbeers, die aan dit rekest is toegevoegd. Tot haar groot leedwezen moeten de supplianten moeten toezien dat het genoemde huis reeds 8 maanden geleden is gesloten en het hen was verboden om daarin hun godsdienst uit te oefenen. Ze dienen nu een verzoek dat het huis weer geopend mag worden en zij worden gepermitteerd om daarin zoals voorheen hun godsdienst te mogen uitoefenen. Een kopie wordt toegezonden aan de kwartierschout van Kempenland [KSM inv.nr.10 dd. 20 augustus 1720]


Reusel

Rekest van de roomse ingezetenen van het dorp Reusel in kwartier Kempenland die aangeven dat ze ter voorkoming van alle gevreesde ongelukken permissie vragen om de kerkschuur gelegen bij het dorp, waarin ze hun godsdienst belijden, mogen omdraaien om daardoor bevrijd te worden van alle stormwinden en om in plaats van de verrotte lemen wanden stenen muurtjes te mogen optrekken, mede ter voorkoming van grote reparaties die nu jaarlijks moeten geschieden. Ze verwijzen tevens naar de omliggende dorpen die daartoe reeds verlof hebben gekregen. De Raad heeft dit verzoek echter afgewezen [KSM inv.nr.11 dd. 10 mei 1724]


Rekest van Steven Wouters te Reusel in het kwartier van Kempenland aangevende dat de schuur waarin de roomse ingezetenen hun godsdienst belijden op lemen wanden is gebouwd, bouwvallig is en vooral door de westelijke stormwinden in slechte staat is geraakt. Als er geen reparatie wordt uitgevoerd zal de schuur instorten welk onheil hij hoopt te kunnen voorkomen. Op basis van geringe aalmoezen wil men graag tot reparatie overgaan en de lemen wanden vervangen door stenen muren en het gebouw iets draaien i.v.m. die westenwinden. Hij verzoekt aan de Hoog Mogenden permissie daartoe [KSM inv.nr.11 dd. 20 januari 1725]
Missive van de hoogschout van ’s-Hertogenbosch op een bericht van Jan Kerkhoff en Simon Hendrik Voster, als gecommitteerden van het merendeel der voornaamste ingezetenen van de Roomse gemeente te Reusel, inhoudende dat zij supplianten het ongeluk hebben gehad dat op de 12e december 1747 door zware stormwinden hun kerkenhuis omver is gewaaid en ingestort. Reusel is een uitgestrekt dorp. Het voormalige kerkenhuis was geplaatst op een punt waar niet de minste ergernis voor hen van de gereformeerden veroorzaakt werd en het was gelegen midden in het dorp tot groot gemak van de roomsgezinden. Ze verzoeken daarom aan de Ed: Mo: permissie om het kerkenhuis op de oude plaats weer te mogen opbouwen, maar tot hun leedwezen hadden ze vernomen dat de regenten van Reusel, bestaande uit alleen maar gereformeerden en slechts één roomsgezinde schepen, buiten kennis van de roomse ingezetenen aldaar hadden kunnen goedvinden, met goedkeuring van de Ho: Mo: , een zekere schuur of stal toebehorende aan Francois van den Loock en diens huisvrouw, staande ter plaatse genaamd ‘de Straadt’ van de eigenaren te mogen opnemen en die tot een rooms mishuis ten laste van de gemeente te mogen verbeteren en in eigendom verkrijgen, zoals blijkt uit een resolutie van 22 febrauri 1748. Na deliberatie is besloten dat aan de roomse ingeetenen is gepermitteerd om in plaats van de schuur van Francois van Look of Loosien Geertruij Driedoncx , in de resolutie breder vermeld, ter plaatse alwaar de laatst omgewaaide schuur heeft gestaan een ander emogen optimmeren ter lengte van 76 voeten e n breed 36 voeten, de zijmuurtjes hoog 10 voeten en in de ene gevel een dubbele deur breed en hoog 8 voeten en in de andere gevel een deur breed 6 voeten; voorts in iedere zuidmuur 4 in de gevel boven de dubbele deur een glasraam, ieder van 5 voeten in het vierkant en in de andere gevel 2 glasramen hoog 5 voeten breed 2 ½ voet, alles onder die expresse, dat de prelaat van Postel gehouden zal zijn te voldoen wat beloofd is aan contributie bij te dragen en dat in alle gevallen de onkosten ten laste komen van de gemeente Reusel wat de hoogte van 250 gl. niet te boven mag gaan [KSM inv.nr.14 dd. 30 augustus 1749]
Misisve van Paulus Keuchenius uit last van de classis van ’s-Hertogenbosch geschreven te Hilvarenbeek de 18e maart, dat haar Ho: Mo: in 1761, op een missive van de stadhouder van de kwartierschout van kwartier Kempenland de Jongh vanwege de kinderen van een paaps geworden weduwe te Reusel om die kinderen te bewaren voor verleiding tot de roomse dwalingen, hadden gelieven goed te vinden en te verstaan dat die rooms geworden weduwe verplicht zou zijn haar kinderen over te geven aan haar gereformeerde vrienden als die de kinderen kwamen opeisen. Dat daarop de classis van ’s-Hertogenbosch aan een van haar leden commissie had gegeven om de naaste bloedvrienden, in Holland wonende, in persoon haar Ho: Mo: dispositie bekend te maken en te persuaderen om samen die kinderen aan te slaan tot verzorging van een goede christelijke opvoeding, doch dat zulks tevergeefs was geweest als zijnde dezelfde bezwaard door verschillende eigen kinderen, uitgenomen de predikant van Spijkennis [zeer dubieus] die twee zonen naar zich genomen had en reeds bezorgd naar Oost Indië. Dat er nog 5 kinderen waren van 8 en 5 van 18 jaren waarvan de vier jongste nooit in de gerefomeerde kerk kwamen maar door de moeder in de roomse kerk werden gebracht en ook naar bedevaarten, ook zelfs allerlei superstitiën der roomsen publiek hadden begonnen te doen en de oudste zeldzaam en dan nog met een ergerlijke houding de gereformeerde kerk bezocht. Dat de classis van ’s-Hertogenbosch het ogenschijnlijk gevaar van die kinderen ter harte nemende, aan hen hadden gelast de bekommerlijke toestand van de genoemde 5 kinderen aan haar Ho: Mo: voor te dragen verzoekende dat haar Ho: Mo: daarin spoedig gelieven te voorzien door te gelasten dat ze elders in een weeshuis of armenhuis mogen worden opgetrokken. Een kopie van dit rekest wordt overhandigd aan de kwartierschout van Kempenland en men wacht zijn bericht af [KSM inv.nr.15 dd. 22 maart 1762]

Missive van de stadhouder van de kwartierschout van Kempenland geschreven te Valkenswaard maar handelend over de kinderen van die weduwe. Die weduwe is Maria Elisabeth van Aaken weduwe van wijlen Abraham van de Graaff [KSM inv.nr.15 dd. 1 juni 1762]



Soerendonk

Rekest van de roomse ingezetenen van de heerlijkheid Soerendonk bestaande uit meer dan 90 huizen en ver over de 300 roomse communicanten hebbende hun eigen separate huishouding, collecteurs en borgemeesters en van memoriale tijden herwaarts een kerkenhuis hebben gehad, waarin door de pastoor en kapelaan van Maarheeze de dienst wordt verricht, die ook door de supplianten werden onderhouden. In 1730, als ter obedientie van haar Ho: Mo: orders, zijn de naam van die pastoor en kapelaan ook doorgegeven maar per abuis niet opgetekend en dat de kapelaan van Maarheeze tevens kapelaan van Soerendonk is. Dit had tot gevolg dat de drossaard mr. Francois Lormier verschillende kerkenhuizen had laten sluiten zoals bleek uit een akte die aan het rekest was toegevoegd. Ze verzoeken nu aan de Ho: Mo: om Lormier als drossaard van Cranendonk te gelasten het kerkenhuis van Soerendonk weer te openen en aan de supplianten te permitteren om de huidige kapelaan van Maarheeze Johannes Franciscus van Ham als pastoor van Soerendonk de roomse godsdienst te laten uitoefenen of anders, zoals vanouds de pastoor en kapelaan van Maarheeze [KSM inv.nr.12 dd. 14 december]



Stratum

Rekest van de roomse inwoners van het dorpke Stratum bij Eindhoven in kwartier Kempenland aangevende dat hun kerkenhuis waar oogluikend is toegestaan dat ze daar hun godsdienst mogen belijden er zeer vervallen bij staat en dat er de nodige reparaties aan uitgevoerd dienen te worden. Terwijl men bezig was met repareren is het kerkenhuis ingestort en omgevallen. De houten materialen bleken verteerd te zijn. Ze hebben vervolgens hun kerkhuis op de bestaande fundamenten laten opbouwen en het is in het minst vergroot. Dit is ter kennis gekomen van de advocaat fiscaal van Brabant en die heeft op de 10e maart jl. het kerkhuis laten sluiten en verzegelen met een verbod aan de pastoor om er nog langer diensten in te doen, omdat de ingezetenen van Stratum eigenmachtig te werk waren gegaan zonder eerst permissie te vragen aan de Ho: Mo: en zonder acte te slaan op een resolutie van 5 maart 1721. De supplianten geven aan daar geen kennis van te hebben en gaven nu toe kwalijk gehandeld te hebben [KSM inv.nr.12 dd. 15 april 1733]

Rekest van de regenten en roomse ingezetenen van Stratum aangevende dat ze in hun kerkenhuis hun godsdienst mogen belijden en dat ze op de fundamenten van het bestaande en tevens ingestorte kerkhuis een ander hebben gebouwd maar dat de advocaat fiscaal van Brabant het kerkhuis heeft laten sluiten en verzegelen op 10 maart 1733. Bovendien is het aan de pastoor verboden aldaar nog langer dienst te mogen doen zowel binnen als buiten Stratum. Dit alles omdat de ingezetenen van Stratum hun kerkenhuis hadden opgebouwd zonder permissie van de Ho: Mo: en nu verzoeken zij de Staten Generaal om hen die onnozelheid en kwalijk gedrag te vergeven en aan hen permissie te verlenen hun kerkhuis weer te mogen gebruiken, maar dat verzoek wordt afgewezen [KSM inv.nr.12 dd. 10 mei 1734]

Valkenswaard

Missive van fiscaal Vleugels met een bijlage van het officie fiscaal over de informatie die men heeft ingewonnen betreffende een samenscholing te Valkenswaard met de intentie om paap Dankers te ‘ontweldigen’ uit handen van degenen die hem hadden gearresteerd [KSM inv.nr.6 dd. 9 januari 1686]


Missive van de advocaat fiscaal Vleugels en procureur generaal Van der Does aan kwartierschout Sweerts met een bericht over hun verrichtingen te Valkenswaard [KSM inv.nr.6 dd. 11 januari 1686]
Rekest van de regeerders van de heerlijkheid Valkenswaard in kwartier Kempenland met het verzoek dat men hen wil ontlasten van de militaire executie, maar men gaat op dat verzoek niet in, met de mededeling dat de ruiters te Valkenswaard zullen blijven totdat zij paap Dankers en andere delinquenten wederom in handen van justitie hebben kunnen stellen [KSM inv.nr.6 dd. 11 januari 1686]
Ter vergadering is het verbaal gelezen van het officie fiscaal verband houdende de ingewonnen informatie te Valkenswaard i.v.m. de delinquenten die paap Jacob Dankers uit handen van de justitie hebben weten te ontweldigen, welk verbaal wordt overhandigd aan de gedeputeerden van de Staten Generaal die Meierijse zaken behartigen, om dat verbaal nader te bestuderen en te onderzoeken [ KSM inv.nr.6 dd. 21 januari 1686]
Wederom dienen de regenten en ingezetenen van Valkenswaard een rekest in met het verzoek ontlast te mogen worden van de inkwartiering van de ruiters uit wier handen paap Dankers is ontweldigd, want ze geven aan geen behoefte te hebben aan die inkwartiering omdat ze ‘totaliter geruïneert’ zijn en mochten zij tegen de orders van de Staten Generaal ‘gepeceert’ [= gezondigd] hebben dan verzoeken zijn genadiglijk dat men hen wil ‘pardonneren’ [= vergeven], welk rekest ook weer wordt overhandigd aan de heren der Meierijse zaken [KSM inv.nr.6 dd. 25 januari 1686]
Nieuw rekest van de regenten en ingezetenen van Valkenswaard waarin ze aangeven dat het hen ‘van herten leet was’ dat ze niet voldoende hebben gecontribueerd [= bijgedragen] en dat paap Dankers gevangen is genomen. Hierop volgt een schriftelijk rapport van het officie fiscaal van Brabant over hun verrichtingen, welk rapport doorgestuurd zal worden aan de Raad van Brabant, in welk rapport gemeld wordt dat worden aangeschreven paap Dankers, Lambert Janssen, Adriaentje Jans de quesel en Hendrik Biers, die allen voortvluchtig zijn en ook alle anderen die betrokken zijn geweest met het ontweldigen van genoemde paap. Ze worden bedreigd met een vorm van criminele justitie. In hetzelfde rekest wordt tot slot nog eens benadrukt dat in het schepencollege de personen van de gereformeerde religie de voorkeur moeten krijgen boven papisten en dat men de regelgeving hieromtrent stipt moet navolgen [KSM inv.nr.6 dd. 28 januari 1686]
Over deze kwestie heeft ook gereageerd predikant Johannes Aelstopius van Waalre en Valkenswaard, waarop nadat hierover beraadslaagd is, werd besloten om ten gunste van de supplianten, het voorstel van de predikant door te sturen aan de gouverneur van ’s-Hertogenbosch om nl. de te Valkenswaard aanwezige ruiters, die logeren bij de paapse ingezetenen, aldaar zo spoedig mogelijk te laten vertrekken en de inkwartiering op te heffen en ze naar hun oorspronkelijk garnizoen te laten terugkeren. Voorts wordt voorgesteld om de ruiter, aan wie Adriaentje de quesel in bewaring was gegeven en die haar heeft laten ‘echappeeren’ [= ontsnappen] en in verband daarmee in detentie is genomen, in arrest gehouden zal worden en vervolgens zal worden nagegaan welke ruiters geweld hebben gebruikt tegen de ingezetenen van Valkenswaard [KSM inv.nr.6 dd. 29 januari 1686]

Missive van N. van Asperen commandant te ’s-Hertogenbosch met het bericht dat hij de ruiters vanuit Valkenswaard heeft laten afhalen en dat hij de twee ruiters die Adriaentje Janssen de Quesel hebben laten ontvluchten bij de provoost heeft laten brengen, maar dat de ruiter die een boer uit Valkenswaard een houw in het hoofd heeft toegebracht voortvluchtig is [KSM inv.nr.6 dd. 7 februari 1686]



Rekest van Adam Braes ruiter van de compagnie van majoor Heijden onder het regiment van de graaf van Nassau, gouverneur van de stad ’s-Hertogenbosch en Lambert Damis ruiter van de compagnie van ritmeester Glinstra onder de Graaf van Berlo, verzoekt aan de overheid om hen pardon te verlenen over hun begane fout om te Valkenswaard Adriaentje Janssen de quesel te laten ontsnappen en de commandeur van ’s-Hertogenbosch te gelasten hem uit de gevangenis te ontslaan en op vrije voeten te stellen. Hierop is besloten de gouverneur van de stad aan te schrijven om beide ruiters voorlopig in vrijheid te stellen [KSM inv.nr.6 dd. 28 februari 1686]
Missive van de Raad van Brabant als reactie op de declaratie van de kosten die de advocaat fiscaal en de procureur generaal hebben gemaakt als ook de kwartierschout van Kempenland in de zaak die gediend heeft tegen de paapse ingezetenen van Valkenswaard [KSM inv.nr.6 dd. 29 mei 1686]
Rekest van Lambert Jansz. inwoner van Valkenswaard inhoudende dat hij suppliant over het gepasseerde te Valkenswaard ten tijde van het ontzetten van de roomse priester Dankers bij sententie van de Raad van Brabant van 3 april jl. was veroordeeld om op een strenge wijze gegeseld te worden alsmede voor 5 jaren verbannen is uit het hertogdom van Brabant en tevens is hij veroordeeld tot betaling der proceskosten en totdat die voldaan zijn zal hij in hechtenis blijven op de Gevangenpoort te ’s-Hertogenbosch en bij nader inzien zijn de kosten opgelopen tot 658:17:0, maar hij verzoekt om remissie of dat ze worden omgeslagen over de roomsgezinden te Valkenswaard en hij niet langer in detentie hoeft te blijven [KSM inv.nr.6 dd. 29 juni 1686]
Rekest van de regenten van Valkenswaard i.v.m. een verzoek om vanwege de onvermogendheid van Lambert Jansz. die in detentie zit op de Voorpoort te ’s-Hertogenbosch om de justitiekosten die hij zou moeten voldoen om te slaan over de paapse ingezetenen van het dorp. Zij wijzen erop dat Lambert nog goederen bezit in het dorp en dat zijn vrouw bovendien een collecte heeft gehouden met een aanzienlijke som als opbrengst, zodat een deel van de onkosten daaruit voldaan kan worden. Ze verzoeken de Hoog Mogenden hen dan ook te ontlasten [KSM inv.nr.6 dd. 19 juli 1686]
Rekest van de drossaard predikant en gereformeerde ledematen van de gemeenten der heerlijkheden Waalre Valkenswaard Aalst en Dommelen in kwartier Kempenland, aangevende dat haar Ho: Mo: bij resolutie van 2 september 1699 en 8 januari 1702 hadden geautoriseerd om binnen de genoemde heerlijkheden een gereformeerde chirurgijn aan te stellen, onder de conditie dat die alleen met seclusie [= uitsluiting] van alle anderen, bevoegd was om die functie aldaar uit te oefenen. Andere personen zouden zich hier dus niet mogen vestigen. Toch is onlangs aangesteld de persoon van N.Fabrice, die de functie van chirurgijn ook enige jaren heeft uitgeoefend, maar die is volgens de supplianten overleden. Ze menen nu een andere geschikte persoon gevonden te hebben die ook van de gereformeerde religie is en bekwam om de functie van chirurgijn uit te oefenen. Ze krijgen daartoe verlof mits de aan te stellen chirurgijn zijn werk kan doen op basis van de rechten van de voorgaande chirurgijns [KSM inv.nr.10 dd. 21 oktober 1721]

Rekest van Jacobus Weelen geboortig van Weert en nu wonende te Valkenswaard, inhoudende dat hij op de 15e april via een rekest aan de Ho: Mo: vergezeld van een attestatie van de regenten van Valkenswaard over zijn goed gedrag, het keurig betalen van zijn reële en dorpslasten, als ook zijn bekwaamheid in de chirurgie, alsmede de noodzaak en de nuttigheid, dat door hem, suppliant, in de dorpen Valkenswaard, Waalre, Aalst en Dommelen, behalve de chirurgijn die aldaar woonachtig is, de voorschreven kunst werd uitgeoefend. Met daarbij het verzoek dat men hem daaromtrent niet mocht ‘obsteeren’[= verhinderen], welk besluit abusief zou zijn waarbij verwezen werd naar een resolutie van 21 oktober 1721. Een kopie wordt toegestuurd aan de drossaard en de kerkenraad om hun visie daarop te geven [KSM inv.nr.10 dd. 22 mei 1722]


Missive van de drost en kerkenraad van Valkenswaard op het rekest van Jacobus Weele uit Weert die een verzoek had ingediend om zijn kunst als chirurgijn te mogen uitoefenen in hun dorpen. Na deliberatie is goedgevonden en besloten te persisteren bij de genoemde resolutie van 21 oktober 1721 met het gevolg dat men niet wil ingaan op het verzoek van Jacobus Weele en het wordt dus afgewezen [KSM inv.nr.10 dd. 19 mei 1722]

Rekest van Gerardus van Schieterbergh chirurgijn te Valkenswaard professie doende van de gereformeerde religie zoals blijkt uit de attestatie die bij het rekest is toegevoegd. Op 22 januari 1722 is hij door de kerkenraad van de ledematen der gereformeerde kerk van Waalre, Valkenswaard, Dommelen en Aalst toegelaten en met uitsluiting van alle anderen, tot chirurgijn aangesteld om zijn kunst en functie binnen deze vier dorpen uit te oefenen, mede op basis van de goedkeuring van 21 oktober 1721. Hij heeft zijn functie tot op heden met alle ijver uitgeoefend en zich onberispelijk gedragen. In 1725 echter heeft een zekere Melchior de Wilde, geboortig van Antwerpen, die voorheen te Heeze had gewoond, zich gevestigd te Valkenswaard om aldaar de chirurgie uit te oefenen, strijdig dus met de resoluties van de Staten Generaal en tevens tot groot nadeel van Schieterbergh. Hij verzoekt de overheid Melchior de Wilde te ordonneren op generlei wijze de chirurgie uit te oefenen in genoemde dorpen en de officier aldaar wordt gelast eventueel met sterke hand daar tegen op te treden en Schieterbergh alle hulp te bieden die nodig is. Het rekest wordt doorgestuurd naar de officier van Valkenswaard in afwachting van zijn bericht [KSM inv.nr.11 dd. 1 november 1726]

Missive van J. de Jongh drossaard van de heerlijkheid Valkenswaard als consideratie op een rekest van Gerardus Siterbergh chirurgijn en wonende binnen Valkenswaard, zijnde van de gereformeerde religie klagende dat een zekere Melchior de Wilde, zijnde van de roomse religie, zich aldaar had gevestigd. Deze chirurgijn zou, tot groot nadeel van hem en hem het brood te onttrekken de chirurgie beoefenen in Valkenswaard e.o., niettegenstaande hij suppliant op 22 januari 1722 door de kerkenraad en andere leden van de gereformeerde kerk met consent van de Hoog Mogenden van 21 oktober 1721 en 19 mei 1722 was aangesteld om daar de chirurgie te bedrijven. Na deliberatie is besloten om Melchior de Wilde te ordonneren Siterbergh niet te hinderen en de uitoefening alleen aan hem over te laten, zo nochtans dat het eenieder der ingezetenen zal vrijstaan tot het cureren van wonden, kwetsuren, arm- of beenbreuken en dergelijke om naast chirurgijn Siterbergh ten haren kosten een andere chirurgijn na haar welgevallen te mogen emploijeren, zonder dat onder de benaming van chirurgijn of de interdictie van de uitoefening van dien begrepen het haarsnijden, raseren, baardscheren, verkopen van pleisters, Spaanse vliegen of medicijnen hetzij nat of droog, maar die vrijheid wordt aan eenieder gelaten [KSM inv.nr.11 dd. 2 december 1726]
Missive van de Raad van State van de 10e april 1731 als advies op een rekest van de regenten der heerlijkheid Valkenswaard in het kwartier Kempenland [er staat Peelland] aangevende dat de predikant aldaar zich moet behelpen met een klein gehuurd huis waarop deze heeft verzocht voorzien te kunnen worden van een behoorlijke woning, verwijzend naar een resolutie van 9 maart 1702, waarbij de dorpen in Peel- en Kempenland verplicht zijn te zorgen voor een bekwame pastorie en mocht er geen pastorie zijn hem dan bij wijze van huishuur 60 gl. te te kennen. De regenten geven aan dat ze buiten hun inkomsten nog 1600 gl. nodig zouden hebben om een dergelijke pastorie te kunnen laten bouwen en verzoeken de Ho: Mo: hen te permitteren dit bedrag te mogen opnemen tegen 3% over een periode van 10 tot 12 jaren. De Raad gaat akkoord mits de som niet meer bedraagt dan die 1600 gl. [KSM inv.nr.12 dd. 14 april 1731]

Rekest van de meeste en voornaamste ingezetenen van Valkenswaard met een verzoek aan de Ho: Mo: om aan de drossaard de Jong te ordonneren om hun kerk, die gesloten was vanwege verschil van mening over de te betalen recognitie en de achterstalligheid in deze was gesloten, wederom te ontsluiten en de interdictie aan de roomse priester door de drossaard afgekondigd waarbij hij hem verbood enige priesterlijke functies uit te oefenen, op te heffen. Het verzoek wordt echter afgewezen [KSM inv.nr.13 dd. 8 september 1736]


Rekest van Johan de Jongh drossaard van Waalre Valkenswaard en Aalst inhoudende dat voldoening van haar Ho: Mo: resolutie van de 4e aangaande zijn bericht op een rekest van de voornaamste ingezetenen van Valkenswaard rakende het sluiten van de rooms katholieke kerk aldaar, welk rekest ter nadere examinatie wordt doorgestuurd naar de Heer Boderlo en enige gecommitteerden uit de Raad van State [KSM inv.nr.13 dd. 16 september 1736]
Rekest van de meeste en voornaamste ingezetenen van Valkenswaard te kennen gevende dat zij voordat gedisponeerd wordt over het rekest van de drossaard zij eerst worden gehoord. Dat rekest wordt toegestuurd aan de drossaard die men verzoekt binnen 14 dagen zijn standpunt mee te delen [KSM inv.nr.13 dd. 20 september 1736]
Rekest van de regenten van Valkenswaard met een verzoek dat de Ho: Mo: drossaard de Jong gelieven te gelasten ter zake van zijn achterstallige recognitie niet meer te mogen vorderen dan jaarlijks nog een som van 50 gl. en zulks tot de 1e januari van dit jaar, een som van 300 gl. mitsgaders onder de betaling van de roomse kerk te Valkenswaard wederom te ontsluiten [KSM inv.nr.13 dd. 26 november 1736]
Rekest van de pastoor en de kerkmeesters van de roomse gemeente van Valkenswaard aangevende dat hun kerkschuur bouwvallig is en dat de gevel aan de zuidzijde is gescheurd en gevaar van instorten aanwezig is. Voorts zijn al veel reparaties verricht en bovendien is de kerkschuur veel te klein om er de roomse gemeente in te ontvangen. Ze willen eigenlijk de achtermuur naar achter verplaatsen zodat het gebouw groter wordt maar wel op de plaats van het bestaande gebouw. Aangezien dit echter niet mag zonder permissie van de Ho: Mo; dienen ze daartoe een verzoek in. Dit rekest wordt doorgestuurd naar de kwartierschout van Kempenland om daarover de Ho: Mo: nader te berichten [KSM inv.nr.15 dd. 16 december 1756]
Missive van de kwartierschout van Kempenland als advies op her rekest van de pastoor en kerkmeesters van de roomse gemeente van Valkenswaard met herhaling van de details uit de akte van 16 december 1756. Na deliberatie is besloten dat aan de supplianten zal worden gepermitteerd om de muren ramen en zolder te repareren en het kerkenhuis naar achter te vergroten met een gebint van 22 voeten , twee ramen te plaatsen in de zijmuren oost en west, de gevel in het noorden op te metselen op gelijke hoogte als de oude is, met een deur en raam van 3 ruiten hoog; daarboven gelijk ook met zijraampjes zoals ook de oude zijn; voorts de zoldering binnen aan de oude vast te sluiten met het beschoor achter het altaar zoals te voren; idem het nieuwe dak met pannen te bedekken en tot voorkoming van brand in het vervolg, wanneer het oude dak versleten is, ook dat met pannen te bedekken [KSM inv.nr.15 dd. 10 februari 1757]

Veldhoven

Rekest van de regenten van Veldhoven in kwartier Kempenland die verzoeken om 1630 gl. ten laste van de gemeente te mogen opnemen ter bekostiging van de reparatie van hun pastorie [KSM inv.nr.11 dd. 5 oktober 1723]


Rekest van de regenten van Veldhoven verzoekende dat haar Ho: Mo: gelieven te permitteren om ten laste van het corpus 400 gl. op te nemen tegen 3% om daaruit te kunnen betalen de kosterswoning en de vergroting van de predikantswonning of pastorie volgens het bestek wat daartoe is opgesteld en deze geldopname binnen een bepaalde periode af te lossen [KSM inv.nr.14 dd. 26 maart 1745]
Missive van de Raad van Brabant met een advies op het rekest van de regenten van Veldhoven die verllof vragen om een bedrag van 400 gl. op te nemen ten laste van het corpus tegen 3% om daarmee de kosten te kunnen betalen van de vergroting van de pastoriewoning van de predikant volgens het bestek dat daartoe is opgesteld. Ze krijgen die goedkeuring onder conditie dat dit kapitaal binnen een periode van 8 jaren afgelost wordt nl. elk jaar 50 gl. [KSM inv.nr.14 dd. 17 juni 1745]

Vessem

Rekest van de regenten van het dorp Vessem in kwartier Kempenland inhoudende dat de toren staande aan de kerk zodanig bouwvallig was dat men vreesde dat hij omver zou vallen waardoor ook de kerk groot gevaar zou lopen in te storten. Daarom is het ten uiterste noodzakelijk dat die gerepareerd wordt en in dat verband vragen ze om een bedrag van 1000 gl. te mogen opnemen. Dat wordt goedgekeurd en men dient een bestek in te sturen naar de raad en rentmeester generaal der domeinen en de reparatie via een publieke bekendmaking wereldkundig te maken [KSM inv.nr.15 dd. 8 april 1754]


Waalre

Rekest van Johan Immersdorf drossaard van de heerlijkheden Waalre, Valkenswaard en Aalst en met hem George Sonnius gewezen chirurgijn majoor in het regimenten van den Rhijngrave alsmede de predikant en de kerkenraad aldaar met klachten over een zekere Francois de Muller knecht van genoemde chirurgijn en bakker te ’s-Hertogenbosch en tevens roomsgezind. Die had zich gevestigd in een gehuurde kamer te Valkenswaard. de supplianten hebben de overheid verzocht deze Francois te verbieden met ‘de functie der chirurgie’ nog langer door te gaan en zich aldaar metterwoon op te houden. Aan chirurgijn Sonnius wordt verzocht ook de chirurgie uit te oefenen in het kleine dorpke Dommelen op een kwartier afstand van Valkenswaard en bestaande uit ca. 50 huizen [KSM inv.nr.7 dd. 5 september 1699]


Rekest van Andreas de Jong predikant te Waalre meldende dat enige geestelijken voornemens zijn om zijn eer en goede naam, zijn ambt en bediening, ja zelfs aan lijf en leden te vervolgen en verzoekt aan de Hoog Mogenden hem extra protectie [= bescherming] te bieden en tevens hoopt hij dat ze niet gelieven te reflecteren op alle gefabriceerde voorwendsels en verzoeken der roomse geestelijken. Hij verzoekt de classis van Peel- en Kempenland alles wat hij meldt in zijn rekest onwrikbaar te bewaarheiden o.a. dat dit soort snode onderdanen schadelijk zijn voor land en kerk, waarbij hij de roomse geordende priesters ervan beschuldigt jaarlijks onnoemelijke sommen geld van de verarmde ingezetenen vragen [KSM inv.nr.7 dd. 3 februari 1700]
Rekest van de drossaard en de gereformeerde schepenen als ook van de predikant der heerlijkheid Waalre en Valkenswaard onder kwartier Kempenland inhoudende dat de Ho: Mo: op een rekest van de laatste suppliant in het jaar 1699 aan haar Ho: Mo: is gepresenteerd George Sonnius lidmaat van de gereformeerde religie en gewezen chirurgijn majoor van het regiment van den Rhijngraaf hebben gelieven te begunstigen om binnen Valkenswaard Waalre en Dommelen zijn kunst en functie als chirurgijn te mogen uitoefenen. Hij doet dat aldaar tot genoegen van zichzelf maar ook van de ingezeten. Hij heeft echter besloten om zijn dienst aan het leger weer te hervatten in het regiment dat nu wordt geleid door de Graaf van Dona en daarom moest hij zich begeven naar Maastricht. De supplianten verzoeken nu aan de Ho: Mo: weer een bekwaam persoon aan te stellen als chirurgijn en wel iemand van de gereformeerde religie. Mocht Sonnius uit dienst weer terugkeren dan kan hij naast de nieuw aangestelde zijn functie als chirurgijn weer hervatten [KSM inv.nr.7 dd. 18 januari 1702]
Rekest van Maria Elisabeth van der Cluse Vrouwe der heerlijkheid Waalre en naast haar de principaalste roomse ingezetenen aldaar, in kwartier Kempenland, aangevende dat zij het ongeluk hebben gehad dat de oude kerkschuur zij, onder oogluiking van de overheid, in alle stilte en zedigheid hun godsdienst hebben kunnen belijden door de zware stormwind tussen 18 en 19 december 1725 geheel en al is omgewaaid en ingestort. Daardoor was men verhinderd de roomse godsdienst uit te oefenen. Maar ze hebben echter de intentie, ieder naar eigen vermogen en buiten kosten van de gemeente, om wederom ten behoeve van de roomse ingezetenen aldaar van het oude hout van de omgewaaide en ingestorte kerkschuur en het nodige nieuwe hout een andere kerkschuur te bouwen. Ze vragen daartoe permissie om te mogen bouwen op een van de drie genoemde plaatsen, die ook gerieflijker is voor de veraf wonende roomse ingezetenen. Gedacht is aan de locatie op een aangelag of dries van Peter Beijnen, het aangelag van Hendrik Verhagen en als derde locatie het oude huis van Sanderijn de weduwe van Dielis Driessen. De nieuwe kerkschuur zou niet langer mogen zijn dan 75 houtvoeten (?) en niet breder dan 36, de muren aan de zijkanten niet hoger dan 14 voeten, waarin ze dan in alle stilte en zedigheid hun godsdienstoefeningen zullen doen. Een kopie van het rekest wordt doorgestuurd naar de kwartierschout van Kempenland [KSM inv.nr.11 dd. 5 juli 1726]

Missive van Willem van Heemskerk kwartierschout van kwartier Kempenland op het rekest van Maria Elisabeth van der Cluse Vrouwe van Waalre en met haar de roomse ingezetenen aldaar, die een verzoek hebben ingediend om hun omgewaaide kerkschuur te mogen repareren op een van de drie aangegeven plaatsen. Tevens een reactie op het rekest van de principale ingezetenen gegoeden en geërfden die hebben voorgesteld de kerkschuur te herbouwen op den dries van Jacomijn Booms. Na deliberatie is hem de permissie gegeven om op basis van privé-kosten, dus buiten kosten van het corpus van Waalre, de kerkschuur te herbouwen op de plaats waar de omgewaaide kerkschuur stond, met gebruikmaking van het oude hout en aanschaf van nieuw hout en qua afmetingen [zie hierboven] [KSM inv.nr.11 dd. 30 oktober 1726]

Missive van J. de Jongh drossaard van de heerlijkheid Waalre over de recognitiegelden die hij geniet van de roomsgezinde ingezetenen aldaar [KSM inv.nr.12 dd. 3 april 1728]

Kwartier Oisterwijk
Boxtel

De Boxtelse predikant Samuel de Wael uit de nodige klachten over de praktijken van de papen of papisten omtrent de bedevaart van het H.Bloed aldaar, door de pausgezinden Bloedprocessie genoemd en verzoekt aan de Staten Generaal dat ze de gouverneur van ’s-Hertogenbosch gelieven te gelasten assistentie te verlenen via de ‘sterke hand’ om deze vorm van afgoderij tegen te gaan en die processies voortaan van jaar tot jaar te weren en de kramers die daar komen te arresteren en hun ‘kramerijen’ te confisqueren, welk rekest wordt doorgestuurd naar de Raad van State met het verzoek maatregelen te nemen om de bedevaarten aldaar te weren [KSM inv.nr.6 dd. 24 februari 1676].


Hierop volgt een nieuw rekest van genoemde predikant, waarin hij aangeeft dat de stoutigheden der papisten te Boxtel van dag tot dag zijn ‘aenwasschende’, verzoekt met klem dat men middelen bedenkt om de gereformeerde ingezetenen van Boxtel te beschermen en te assisteren tegen de insolenties [= moedwilligheden] van de pausgezinden aldaar en vraagt permissie om de bestaande bedevaarten te weren [KSM inv.nr. 6 dd. 24 november 1678]
Missive van Aernout van Duijnen drossaard van de baronie van Boxtel geschreven in Den Haag op een rekest van de roomse gemeente van genoemde baronie, klagen over het verstoren van de pauselijke dienst door de drossaard in april jl. [KSM inv.nr.6 dd. 3 oktober 1690]
Rekest van Arent van Duijnen drossaard der Baronie van Boxtel aan de Hoog Mogenden om te gelasten dat men roomsgezinde schepenen uit de schepenstoel mag weren zoals dat ook in de naastgelegen dorpen geschiedt en lieden van de gereformeerde religie aan moet stellen [KSM inv.nr.6 dd. 12 maart 1691]
Rekest van Arent van Duijnen drossaard van de baronie van Boxtel verzoekende dat haar Ed: Mo: gelieven te verstaan dat het doodskleed van de gereformeerde kerk te Boxtel bij eenieder vermogend ingezeten over de kist op het lijk moest gelegd worden, zonder enige andere doodskleden zo van gilden of andersints te mogen gebruiken, dat daarvoor als vanouds betaald zou worden 12 st.; dat voorts bij degene die in weerwil van het oude recht na de publicatie van Boxtel daarvan gedaan zijnde enige andere dooskleden van deze jaren hadden gebruikt, echter die 12 st. zouden betalen, waarop na deliberatie is besloten mits deze te consenteren in het verzoek en dat dien volgende het dooskleed van genoemde kerk te Boxtel als vanouds over de kist van vermogende luiden aldaar zal moeten worden gelegd onder betaling van 12 st. daartoe staande tenzij de partijen reden hadden ter contrarie, in welk geval ze hun belang aan de Ho: Mo: kenbaar kunnen maken [KSM inv.nr.8 dd. 21 november 1711]
Rekest van de vier gilden binnen de Baronie van Boxtel in kwartier Oisterwijk inhoudende dat zij supplianten een rekest hadden gezien van Arent van Duijnen drossaard aldaar over het doodskleed van de gereformeerde kerk te Boxtel dat bij iedere vermogende ingezetene van Boxtel over de kist wordt gelegd of over het lijk zonder enig ander doodskleed noch van gilden of andere instanties te mogen gebruiken, waarvoor als vanouds 12 st. moet worden betaald. Ze verzoeken de Hoog Mogenden de drossaard dit verzoek te ontzeggen. Dit rekest wordt overhandigd aan enige gedeputeerden van de Meierijse zaken om dit verzoek nader te onderzoeken [KSM inv.nr.8 dd. 22 september 1711]
Rekest van Arent van Duijnen drossaard van de baronie van Boxtel in kwartier Oisteriwjk met het verzoek dat de Staten Generaal hem gelieven te machtigen om binnen Boxtel drie paapse kerken te laten sluiten, dit vanwege de gepleegde insolenties van de paapsen en deze behoorlijke voldoening zouden hebben gegeven en de schandalen zijn ‘gerepareerd’ [KSM inv.nr.9 dd. 19 oktober 1714]

Rekest van de roomse gemeente te Boxtel aangevende dat de Hoog Mogenden bij resolutie van 2 november 1705 en 27 juli 1711 hadden verstaan, dat de wereldlijke roomse priesters stichtelijk van leven, zedig en zonder ergernis te geven zouden worden toegelaten tot de uitoefening van de godsdienst en dat alleen tegen de Jezuïeten en de geordende priesters de voorgaande resolutie zouden worden uitgevoerd. Te Boxtel verblijft één priester met een kapelaan, noch Jezuïet noch ordepriester, beiden priesters die zich in alle zedigheid en stilte gedragen en ten aanzien van de kerk en de godsdienst der gereformeerden zich met respect gedragen, maar de drossaard belet hen hun godsdienst te belijden. Ook hun plaats van samenkomst, liggende aan een afgelegen hoek en doodlopend straatje om zodoende alle aanstotelijkheid te mijden, zou gesloten moeten worden, wat moest strekken tot het verderf en verdrijving van verschillende neringen te Boxtel. De drossaard zou dat doen onder voorwendsel dat enige jongens van 13 à 14 jaren in de kerk der gereformeerden enige wanordelijkheden hadden gepleegd, waarop de roomsen hem hadden geadviseerd tegen die jongens te procederen volgens de wetten van het land. De drossaard heeft dienaangaande echter geen enkele beweging gemaakt, vermoedelijk omdat hij voor zichzelf overtuigd was van de slechtheid van zijn voorwendsel. Daarom zou het volgens hen onredelijk zijn dat hun vergaderplaats gesloten zou blijven. Het bleek evident dat de drossaard het genoemde voorwendsel alleen had opgevat om daardoor verschillende nieuwe lasten en voorwendsels de gemeente te Boxtel te ‘obtruderen’[= opwerpen, opdringen] waar tegen voor de Raad van Brabant al verschillende processen hangende waren. Door de drossaard zelf is nog aangegeven dat hij de sluiting van die vergaderplaats had gedaan op basis van een speciale resolutie die hij van de Hoog Mogenden gekregen zou hebben, maar dat bleek abusief te zijn. De roomsen verzoeken nu de overheid om de drossaard te gelasten, in het geval er wanordelijkheden tegen de gereformeerden zouden zijn gepleegd, tegen de daders te procederen en wel zonder uitstel en dat voorlopig hun vergaderplaats ontsloten zou mogen worden [KSM inv.nr.9 dd. 18 december 1714]


Rekest van Arent van Duijnen drossaard van de baronie van Boxtel als reactie op het rekest van de roomse gemeente dat hem gelast zou worden te procederen tegen de daders van de wanordelijkheden en dat intussen de vergaderplaats ontsloten zou worden om aldaar tot nader orde hun vergaderingen te kunnen houden, maar de drossaard verzoekt de Hoog Mogenden dit af te wijzen en de roomsen binnen zes weken voldoening te laten doen m.b.t. de gepleegde wanordelijkheden aan de justitie en de gereformeerde kerk of aan hem drosaard zelf en te achterhalen wie de daders zijn geweest die dit op 12 augustus in de kerk te Boxtel hebben gedaan, zodat hij tegen hen nomine officio kan optreden en procederen volgens de teneur van de bestaande plakkaten en het 39e art. van de politieke reformatie. Mocht dat binnen zes weken niet gebeurd zijn dan verzoekt hij een procedure te mogen opstarten voor de Raad van Brabant en tegelijkertijd de bewuste paapse kerk voorlopig gesloten zou kunnen blijven, Hierop volgt een rekest van de roomse gemeente waaruit blijkt dat het verzoek van de drost om de roomse kerk te sluiten niet was geaccordeerd en dat verzoek dus was afgeslagen. Ze verzoeken nu dus dat de kerk ontsloten zal worden [KSM inv.nr.9 dd. 2 januari 1715]
Onderzoek van het rekest van de roomse gemeente te Boxtel die hebben geklaagd over de sluiting van drie kerken door drosaard Van Duijnen waarop na deliberatie is besloten, dat de pastoor en de bedienden van alle kerken in de baronie van Boxtel door genoemde drossaard ontboden zullen worden op het rechthuis en dat zij voor het gerecht en in presentie van predikant en kerkenraad van de gereformeerde gemeente hun leedwezen zullen moeten getuigen over het voorval van 12 augustus 1714 in de gereformeerde kerk en dat ze het zouden hebben belet mits het in hun vermogen had gelegen. Voorts moeten ze beloven zich in stilte te gedragen zowel wat betreft de uitoefening van hun eigen godsdienst als ten opzichte van de ingezetenen van de gereformeerde religie en dat hiervan een behoorlijke akte wordt opgemaakt en daarna de drossaard de bij coniventie [= oogluiking] de drie kerken zal laten openen [KSM inv.nr.9 dd. 28 januari 1715]
Rekest van Arent van Duijnen drossaard van de Baronie van Boxtel aangevende dat hij zich, na de gepleegde insolenties van 12 augustus 1714 in de publieke kerk te Boxtel gepleegd onder de predicatie, genoodzaakt heeft gevoeld drie paapse kerken te sluiten, dat daardoor enige abusieve doleanties [= klachten] zijn gevolgd door de roomse gemeente. Die heeft zich gewend tot de Ho: Mo: en daarop is besloten, dat de pastoors en bedienden van de drie paapse kerken ontboden zouden worden in het rechthuis te Boxtel om ten overstaan van predikant en kerkenraad hun leedwezen moeten betuigen. Voorts verzoekt hij om een vergoeding voor alle onkosten die hij heeft gemaakt m.b.t. deze zaak. Hierop wordt hij verzocht daarvan een specificatie in te sturen. De stukken worden overhandigd aan een van de landsadvocaten en het wachten is op een nader advies [KSM inv.nr.9 dd. 12 november 1715]

Advies van de landsadvocaten in Den Haag op het rekest van Aert van Duijnen drossaard van de baronie van Boxtel met het verzoek dat de Hoog Mogenden gelieven te gelasten de genoemde drossaard alle kosten en deboursementen [= uitbetalingen] die hij ter zake van de insolenties die zijn gepleegd door paapsgezinden op 12 augustus 1714 in de gereformeerde kerk en de gevolgen daarvan, had uitgegeven de vergoeden en hem daarin schadeloos te stellen. Hij wordt verzocht een overzicht van die kosten aan te leveren en daarna wordt de roomse gemeente gelast hem de gemaakte kosten te vergoeden [KSM inv.nr.9 dd. 29 november 1715]


Rekest van Arent van Duijnen drossaard van de baronie van Boxtel in kwartier Oisterwijk inhoudende, dat niettegenstaande het politiek reglement en de daarop gevolgde plakkaten van het land duidelijk was vastgesteld, dat tot schepen in de banken van de steden en dorpen in de Meierij gekozen en aangesteld moeten worden lieden van de gereformeerde religie en bij gebrek aan lieden in de eigen plaatsen zou gezocht moeten worden in naburige steden of dorpen. Daarom verzoekt hij aan de Ho: Mo: de suppliant gelieven te machtigen om Julien Christiaan Johan van Noort, gewezen schepen, Hubertus Feike, Jan Steven van den Donselaar, Salomon Kel mede gewezen schepenen en Nicolaas de Kort allen van de gereformeerde religie, aan te stellen en te beëdigen voor dienstjaar 1716. Waarop na deliberatie is besloten dat de Heer van Boxtel de Prince van Hornes zal worden gelast om binnen 14 dagen deze gereformeerde schepenen in Boxtel aan te stellen conform de orders van de staat en mocht die binnen de aangegeven tijd in gebreke blijven dan zal de drossaard gemachtigd zijn over te gaan tot aanstelling en beëdiging [KSM inv.nr.9 dd. 4 december 1715]
Rekest van de Prince de Hornes van der voogd van zijn minderjarige zoon de Graaf van Hornes baron van Boxtel aangevende dat hij in zijn kwaliteit op 4 november 1715 tot schepen in de baronie van Boxtel voor het jaar 1716 had aangesteld zeven roomsgezinde schepenen uit consideratie dat ter plaatse geen leden van de gereformeerde religie gevonden konden worden die daar buikvast jaar en dag gewoond hadden en daar bleven wonen maar niet geschikt waren om gekozen te worden conform art.13 van de politieke reformatie dd. 1 april 1660. Dat de suppliant aan Arent van Duijnen de drossaard geordonneerd had, de magistraat ingevolge de voorschreven nominatie en aanstelling te veranderen, in acht nemende de gewoonlijke formaliteiten in het afdanken en aanstellen van de president en schepen, die veranderd moesten worden. Deze akte is op 23 november 1715 overhandigd aan de drossaard, maar die heeft zich hier niet naar gereguleerd welke verandering op de 25e november zou moeten geschieden. De Heer van Boxtel is het niet eens met de keuze want het zouden ongekwalificeerde lieden zijn. Hij stelt o.a. voor om als president een zekere Christiaan Huijgens aan te stellen en naast hem zes van de meest gekwalificeerde ingezetenen van Boxtel. Dit rekest wordt toegestuurd aan drossaard Van Duijnen [KSM inv.nr.9 dd. 15 januari 1716[
Rekest van de Prince van Hornes inhoudende dat hij suppliant in januari jl. aan de Ho: Mo: had vertoond dat er in de baronie geen enkele persoon van de gereformeerde religie was die aldaar jaar en dag had gewoond of voornemens was daar te blijven wonen en die conform art.13 van het reglement der politieke reformatie geschikt was tot schepen gekozen te worden m.u.v. Christiaan Huijgens. Dat de kandidaten die door Arent van Duinen waren voorgedragen ongekwalificeerd waren en niet aangesteld of verkozen mochten worden op basis van de bestaande plakkaten. Volgens de Heer van Boxtel zou de drossaard, in de huidige schaarse tijden en ondanks de armoede aldaar, de gemeente Boxtel bezwaren met notabele verhogingen van traktementen welke de traktementen van voorgaande drossaards ver te boven gaan. Hierover is zelfs een proces gevoerd voor de Raad van Brabant. De Heer van Boxtel was de mening toegedaan dat de drossaard in zijn volgende bericht weer veel onwaarheden zou verkondigen en verzoekt de Hoog Mogenden, mocht dat bericht komen, om et dan ook aan hem door te sturen zodat hij zijn eigen visie daarop kon geven. Na deliberatie is besloten dit rekest als antidotaal [= tegengiftig] ter griffie van de Staten Generaal te separeren [KSM inv.nr.9 dd. 3 maart 1716]
Rekest van de roomse gemeente van Boxtel inhoudende dat drossaard Arent van Duijnen zich bij de Hoog Mogenden heeft beklaagd over de wanorde veroorzaakt door drie jongens in de gereformeerde kerk aldaar. Op basis van een resolutie van 19 oktober 1714 was hij gemachtigd tegen de daders te procederen. Bovendien had hij naar aanleiding van dit voorval de Boxtelse roomse kerken gesloten en dan de drie jongens ongemoeid gelaten. Via een resolutie van 28 januari 1715 zou hij oogluikend toestaan dat die kerken weer geopend zouden worden. De drossaard zou op basis van een resolutie van 19 november 1715 alle kosten die hij gemaakt heeft kunnen afwenden op de roomse ingezetenen, maar dan moest hij een staat of libel van die onkosten indienen nl. een bedrag van 720 gulden. Op 2 juli jl. is dat kostenoverzicht toegestuurd aan de roomse gemeente met lastgeving dit bedrag te voldoen binnen 14 dagen na de insinuatie. De roomsen waren echter niet in staat dit bedrag te voldoen. Ze waren overigens wel beducht voor de vervolgstappen van de drossaard en vroegen vanwege de augustusvakantie om uitstel. Dat werd hen toegestaan voor een periode van 6 weken
Rekest van de roomse ingezetenen van de baronie van Boxtel aangevende dat ze sedert vele jaren hun godsdienst hebben uitgeoefend in alle stilte en zedigheid in een kerkhuis of schuur die er nu ca. 40 jaren staat, maar in zeer slechte staat verkeert met haar lemen wanden. Het geheel is bouwvallig geworden en een zware storm kan veel ongelukken veroorzaken onder de onderdanen van de staat, ja zelfs instorting wordt niet uitgesloten. Deze schuur staat aan een kant bijna op een slootkant, waar de grond week is en hij helt al over aan die kant. Daar komt nog bij dat de gehele grondslag of het fundament dusdanig laag is, dat bij regen of dooi het water van de ene kant naar de andere kant door de kerkschuur loopt tot groot ongemak maar ook ongezondheid van de kerkgangers. Ook blijkt de huidige schuur en het terrein waarop hij staat veel te klein en kan ze de roomse ingezetenen niet herbergen sinds de tijd dat ze van hun tweede kerk nl. het klooster der Clarissen, beroofd zijn. Ze zouden nu wel heel graag de bestaande kerkschuur willen vernieuwen en vergroten, maar hebben dan de goedkeuring van de Ho: Mo: nodig. Ze verzoeken nu concreet om permissie om hun kerkschuur te mogen vernieuwen met stenen muren, en tevens te vergroten, mits ze zich in alle zedigheid zullen gedragen. Na deliberatie is besloten een kopie van dit rekest toe te sturen aan de kwartierschout, de Raad van Holland en de hoogschout van stad en meierij van ’s-Hertogenbosch, met een verzoek om hieromtrent te adviseren [KSM inv.nr.10 dd. 21 mei 1721]

Missive van J.L.Cramer stadhouder van hoogschout Keppel en J.Hartongh stadhouder van de kwartierschout van Oisterwijk als reactie op een rekest van de ingezetenen van de baronie van Boxtel die als roomsen hadden verzocht om hun kerkschuur met stenen te mogen vernieuwen. Na deliberatie wordt hen oogluikend toegestaan de schuurkerk te vernieuwen en zelfs te vergroten, maar de vergroting mocht niet verder gaan dan een gebint van 16 voeten lang en de breedte naar proportie van het oude gebouw en te bouwen aan de westzijde van de openbare weg veldwaarts in. Voort wordt geconditioneerd dat de stenen muren die in de plaats komen van de oude lemen wanden niet hoger zullen mogen worden opgetrokken dan uiterlijk 13 voeten van de grond en dat op iedere zijde van de muur, tussen het gebint, niet meer dan een kozijn of glasraam geplaatst zal mogen worden en niet ovaalsgewijs als in kerken maar slechts 5 ½ voet breed en 6 voeten wijd binnenwerks en Rijnlandse maat. Ook werd voorgeschreven dat de schilden aan de oost- en westzijde niet hoger mogen worden opgemetseld als 16 of 17 voeten hoog en aan de oostzijde mag men twee glasramen plaatsen van dezelfde hoogte en breedte, om daardoor licht te scheppen op het zogenaamde oksaal. Wat de ingang betreft kan men een dubbele deur plaatsen breed 5 voeten en hoog 7 voeten binnenwerks, mits gedekt blijvende door de oude muur aan de straat staande. Het dak mag alleen gedekt worden met riet of stro. Ten slotte wordt nog bepaald dat de roomse ingezetenen zich moeten onthouden van enige verdere sieraden die voor de gereformeerden tot ergernis kunnen leiden. Wat de uitoefening van hun godsdienst betreft worden ze opgeroepen dat altijd te doen in alle zedigheid [KSM inv,nr.10 dd. 6 augustus 1721]

Advies van de landsadvocaat op een rekest van Degens de la Motte drossaard van de baronie van Boxtel en de heerlijkheid Liempde met het verzoek aan de Hoog Mogenden dat ze gelieven te gelasten aan de Prins van Hornes als Heer en Baron van Boxtel en Liempde te gelasten, op basis van door hem drossaard geformeerde nominatie van twee personen een tot schepen te kiezen of dat bij gebrek van dien, hij drossaard mag worden geautoriseerd uit de bij hem genomineerde twee personen een tot schepen te beëdigen, alsmede op de rescriptie daar tegen ingebracht door de Prins de Hornes die de Ho: Mo: heeft verzocht dit verzoek af te wijzen en uiteindelijk Jacob Holten te benoemen en te beëdigen. Het dispuut tussen beide partijen draait in wezen om twee cruciale zaken: of van de ene kant de drossaard het recht heeft van de Prins van Hornes zodanig dat aan de bij hem drossaard geformeerde nominatie te vinden, dat de prins daar buiten zou moeten blijven als het gaat om eligeren en aanstellen van een schepen en van de andere kant gesteld dat de Prins van Hornes buiten die nominatie om zou kunnen handelen; de drossaard echter in deze wel zou behoren te worden verplicht de persoon van Jacob Holten als schepen in eed te nemen. Wat het eerste punt betreft zal worden verklaard, zoals ook verklaard wordt, dat wel aan de drossaard de vrijheid gelaten wordt om bij vacature van een schepenplaats aan de Heer en baron van Boxtel indertijd een voorstel van personen te doen die hij meent de nuttigste en bekwaamste te zijn, maar dat ook aan de Prins en Baron de faculteit te laten om enig ander geschikt persoon te mogen verkiezen en aan te stellen, rekening houdend met de orders en reglementen, ook al is die niet door de drossaard voorgedragen. Wat het tweede punt aangaat nl. de aanstelling van Jacob van Holten, wordt de Prins de Hornes gelast in plaats van genoemde Van Holten ten spoedigste een ander persoon in de vacante schepenplaats aan te stellen en wordt de drossaard gelast die aan te stellen persoon te beëdigen [KSM inv.nr.11 dd. 20 februari 1725]
Rekest van Pieter Matteus [of Matens?] drossaard van de Baronie van Boxtel te kennen gevende dat bij gebrek aan bekwame personen van de gereformeerde religie om aldaar de schepenbank te kunnen bekleden en de verlegenheid waarin de supplianten daardoor zijn gebracht om te kunnen voldoen aan de resolutie van de Ho: Mo: van 20 juni 1650, 4 februari 1669 en 4 december 1619 die speciaal t.b.v. de baronie zijn genomen. Ze vragen nu aan de Staten Generaal hoe ze met deze situatie moeten omgaan. Het rekest wordt ter advisering doorgestuurd naar de Raad van State [KSM inv.nr.12 dd. 26 oktober 1734]

Rekest van Pieter Martens drossaard van Boxtel inhoudende dat hij in 1734 had verzocht waarnaar hij zich zou moeten reguleren omtrent de aanstelling van schepenen bij gebrek aan bekwame personen van de gereformeerde religie. De Ho: Mo: hadden goedgevonden aan de suppliant te permitteren om, zonder consequentie, in genoemde baronie van Boxtel en Liempde 2 of 3 van de pausgezinde naast de gereformeerden aan te stellen. In de akte wordt voorts gesproken over David Jonlistlion [zeer dubieus] zijnde een gereformeerd officier en een der laatst aangestelde schepenen, die zich niet meer binnen de baronie van Boxtel ophield, dat Johan van Rotterdam, mede tot schepen aangesteld, nu onlangs is benoemd tot procureur van het gerecht van de stad ’s-Hertogenbosch en dat deze beide personen niet meer als schepen konden dienen te Boxtel [KSM inv.nr.13 dd. 1 december 1735]


Rekest van drossaard en schepenen van de baronie van Boxtel als ook de predikant en de kerkenraad aldaar aangevende dat de buik [= middenschip] tussen de toren en het koor op drie bijzondere plaatsen parochiale kerk en dat zij jaarlijks veel reparaties moeten verrichten aan het gebouw. In dit verband vragen zij permissie om een bedrag van 1600 gl. te mogen opnemen [KSM inv.nr.13 dd. 19 maart 1742]
Reactie op dit rekest van de zijde van de Raad van State waarop is gedelibereerd en besloten het toestemming te geven tot het opnemen van dat bedrag mits ze geen hogere intrest nemen dan 3% [KSM inv.nr.13 dd. 4 juli 1742]

Missive van Jan Bowier drossaard van de baronie van Boxtel inhoudende dat alzo van tijd tot tijd aan het rooms kerkenhuis der baronie zowel van binnen als van buiten vernieuwingen worden aangebracht en dat het onlangs werd vernieuwd met een houten gewelf [verwulfsel] en dat hij als drossaard, direct nadat hij hier van op de hoogte was gesteld, zich verplicht had gevoeld nadere informatie sin te winnen. Indachtig de resoluties van 5 maart 1751, 29 augustus 1729 en 3 juli 1752 heeft hij de pastoor of diens deservitor die de dienst waarnam als ook de kerkmeesters van het rooms kerkenhuis benaderd en hen gevraagd of ze permissie hadden verkregen van de Ho: Mo:, waarop ze hebben verklaard geen permissie te hebben, wat trouwens ook bleek uit het relaas van de vorster. Hierop is een deurwaarder ingeschakeld om het kerkenhuis te sluiten en te verzegelen inde hoop dat de Ho: Mo; dit accepteren. Dit wordt nader onderzocht door de heren belast met de Meierijse zaken [KSM inv.nr.14 dd. 21 augustus 1752]



Onderzoek van een missive van de drossaard van de baronie van Boxtel Jan Bowier, inhoudende dat alzo van tijd tot tijd aan het rooms kerkenhuis te Boxtel zowel van binnen als van buiten vernieuwingen zijn aangebracht o.a. een houten gewelf en zodra hij daar kennis van had gekregen en zich nader had geïnformeerd heeft hij het als zijn plicht gevoeld om aan de orders, vervat in de resolutie van 5 maart 1721 en 3 juli 1752, om de pastoor of diens deservitor of kerkmeester te bevragen over die vernieuwing om te weten te komen of zij permissie hadden van de Ho: Mo: , waarop ze hebben verklaard geen permissie te hebben, wat overigens ook blijkt uit het relaas van de vorster van Boxtel dat aan deze missive is toegevoegd. De drossaard heeft vervolgens besloten door de deurwaarder het roomse kerkhuis van Boxtel te laten sluiten en verzegelen met een verzoek aan de Ho: Mo: die sluiting te accepteren. Uiteraard volgt een verzoek van Adriaan Harckmans rooms pastoor of deservitor der baronie van Boxtel met een verzoek dat het kerkhuis weer ontsloten mag worden en of geoordeeld zal worden of de supplianten zich hebben schuldig gemaakt aan enige contraventie van de orders van de Ho: Mo:. Waarop gedelibereerd zijnde is goedgevonden, en uit het certificaat van de administrateur van de Heer van Boxtel door de heren gecommitteerden van de Raad van State dat het aanbrengen van dat gewelf of beschieten van het dak van de roomse kerkschuur door de Heer van Boxtel uit zijn privé beurs betaald zal moeten worden, uitgezonderd een som van 90 gl. die door de gemeente is gecontribueerd. Voorts is besloten deze keer deze vernieuwing goed te keuren en door de vingers te zien en wordt de drossaard gelast de kerkschuur werderom te ontsluiten. Daarna volgt een verslag van een gehouden conferentie met enige heren van de Raad en op die vergadering is voorgesteld, dat door de roomse pastoors en kerkmeesters in de Meierij in contestatie werd getrokken [= betwist] verwijzend naar een resolutie van 5 maart 1744 waarbij was vastgesteld dat in Brabant geen roomse kerkenhuizen die ressorteren onder de staat, zullen mogen worden vergroot of vernieuwd zonder permissie van de Ho: Mo: , waaronder tevens is begrepen vernieuwingen of timmeringen en melioraties [= verbeteringen] die binnen een kerkenhuis worden aangebracht. Die maatregel wordt nog eens extra bekrachtigd. De order is ook van toepassing op Staats Vlaanderen en in het land van Cuijk [KSM inv.nr.14 dd. 20 december 1752]
Rekest van de pastoor en de kerkmeesters van de roomse kerkschuur te Boxtel in kwartier Oisterwijk aangevende dat na verloop van tijd het strooien dak van de kerkschuur is vergaan of versleten als ook de plavuizen op de vloer in de kerkschuur en men wilde graag de communiebank repareren of vernieuwen. Ook wilden ze graag een nieuw kabinetje of kastje op het altaar plaaatsen in plaats van het oude en versleten model en binnen in de kerkschuur zouden ze graag aan de linkerzijde van het altaar een gesepareerd vertrekje willen maken op dezelfde wijze als nu aan de rechterzijde van het altaar was geplaatst. En extract van dit bericht wordt aan de drossaard gestuurd [KSM inv.nr.15 dd. 11 december 1761]

Missive van de drossaard van Boxtel Bowier geschreven te ’s-Hertogenbosch als reactie op het rekest van de pastoor en kerkmeesters van de roomse kerkschuur aldaar waarop na deliberatie is besloten een kopie door te sturen naar de heren die belast zijn met de Meierijse zaken [KSM inv.nr.15 dd. 25 januari 1762]


Rapport van de heren belast met de Meierijse zaken die samen met enige heren van de Raad van State hebben onderzocht een missive van de drossaard der baronie van Boxtel de heer Bowier op een rekest van de pastoor en kerkmeesters der roomse kerkschuur die verlof vragen om die te mogen vernieuwen. Vervolgens een nieuw kabinetje of kastje op het altaar te mogen zetten en links van het altaar een gesepareerd vertrekje te mogen maken zoals er thans een aan de rechterzijde gemaakt is. Het strooien dak kan vernieuwd worden en met riet gedekt en waar nodig kan men het repareren, wat ook geldt voor de plavuizen vloer in de kerkschuur en daarvoor gebruiken het soort plavuizen van wat er nu in ligt. Bovendien kan vernieuwd worden de communiebank en het hekje dat erachter staat, dezelfde vorm als nu, maar men mag tegen de stijlen geen schilden mogen aanbrengen en de aantrede van genoemde bank moet in plaats van vierkant boogsgewijs uitspringen. Wat het kabinetje op het altaar betreft wordt aangegeven dat dit 5 à 6 duimen hoger en 3 à 4 duimen breder mag zijn als het oude, maar men dient er alle pracht en kostbaarheden bij te vermijden en ook geen ander uiterlijk versiersel aanbrengen. Al die vernieuwingen en reparaties zal men voor 1 november verricht moeten hebben en de drossaard van Boxtel zal daarover in kennis gesteld moeten worden [KSM inv.nr. 15 dd. 2 juli 1762]

Drunen en Nieuwkuijk

Rekest van Abraham Daverveld predikant te Drunen en Nieuwkuijk [in de tekst staat: Nieuburgh] en gedeputeerden van de classis van ’s-Hertogenbosch waarbij zij als klacht aangeven hoe dat de eerste suppliant in het assisteren van een zeker vrouwspersoon die ter dood was veroordeeld en aldaar op het kasteel gevangen zat, veel bespottingen, molest, insolentie te verduren had van de freule van Drunen en ze dienen een verzoek in om alle stukken door te sturen naar het officie fiscaal. Ook de substituut schout Gijsbert Oerlemans heeft nog een relaas samengesteld i.v.m. deze zaak [KSM inv.nr.9 dd. 6 maart 1713]

Rekest van Abraham van Daverveld predikant te Drunen en Nieuwkuijk in kwartier Oisterwijk en gedeputeerden van de classis van ’s-Hertogenbosch die aan de Hoog Mogenden hebben vertoond de menigvuldige bespottingen, molest en laster die aan de predikant zijn aangedaan door de freule van Warfuse i.v.m. zijn assistentie voor een vrouw die ter dood was veroordeeld. De Staten Generaal heeft daarop de freule verzocht bij resolutie van 15 oktober 1712 dat zij haar bericht over deze zaak aan de Ho: Mo: zou doen toekomen maar de freule is tot op heden in gebreke gebleven. Dan volgt een resolutie van 6 juli 1713 waarin de freule 14 dagen de tijd krijgt te reageren, maar volgens het relaas van de substituut-schout van Nieuwkuijk volgde alleen maar minachting en vilipentie [= kleinering, minachting]. Men vraagt van de Staten Generaal extra bescherming van de gereformeerde godsdienst en volledige assistentie t.a.v. hun bedienaars om die tegen alle spot en hoon te beveiligen [KSM inv.nr.9 dd. 17 augustus 1713]
Rekest van de regenten van Drunen in kwartier Oisterwijk met een lang relaas over hun verpondingen en de financiële toestand van het dorp, een rundveeziekte in 1718, 1719 en 1720 waarbij 350 beesten zijn gestorven, hun landerijen die onder water hebben gestaan en waarin tevens. staat vermeld dat de predikantswoning of pastorie in maart 1722 vanwege de harde storm is ingestort waarvan de reparatie hen meer dan 600 gl. heeft gekost [KSM inv,nr.10 dd. 12 november 1722]

Rekest van de roomse ingezetenen van de heerlijkheid Drunen die permissie vragen aan de Ho: Mo: om hun godsdienst te mogen belijden in een te bouwen bekwaam huis met stro of riet gedekt, ter lengte van 70 voeten, met zijmuren van steen ter hoogte van 11 voeten. Dit bericht wordt ter advisering doorgestuurd naar de drossaard van de heerlijkheid [KSM inv.nr.12 dd. 29 december 1729]

Missive van de drossaard van de heerlijkheid Drunen op bovengenoemd rekest. Na deliberatie wordt aangegeven dat de door de drost voorgestelde de plaats van de te bouwen kerkschuur te dicht bij de parochiekerk en de predikantswoning ligt en ook te dicht bij de openbare weg en dus naar een andere geschiktere plaats moet worden uitgekeken [KSM inv.nr.12 dd. 18 januari 1730]
Rekest van de regenten van de heerlijkheid Drunen als reactie op het bericht van 18 januari, waarbij ze een andere plaats voorstellen nl. ruim 540 passen verwijderd van de parochiekerk en wel 820 passen verwijderd van de openbare weg bij de Zuijdacker en verder worden als belending genoemd het erf van Anthony van de Grind en Jan van de Grind [KSM inv.nr.12 dd. 17 februari 1730]
Op 21 februari volgt de goedkeuring en worden als maten opgegeven 70 voeten lang en 42 voeten breed en de hoogte van de zijmuren 11 voeten voorzien van vensters naar proportie van de kerkschuur [KSM inv,nr.12 dd. 21 februari 1730]
Esch

Rekest van de roomse ingezetenen van Esch in kwartier Oisteriwjk inhoudende dat hun rooms kerkenhuisje aldaar niet groter zijnde dan 38 ¾ voet in de lengte binnenwerks, en 32 ¾ breed binnenwerks, sedert menigte van jaren ten dele rondom is beplankt om redenen dat het kerkenhuis naar proportie der werken zeer klein zijnde, vermits de uithoeken der andere plaatsen aan Esch grenzende van welke ingezetenen, voor het merendeel aldaar te kerk kwamen, de benauwdheid daarin niet te dulden was en welke beplanking door de roomse priester van Esch uit zijn privé beurs buiten kosten van de ingezetenen was betaald. De roomse ingezetenen hadden zich niet kunnen verbeelden iets misdaan te hebben en dat wat ze gedaan hebben strijdig zou zijn met de orders en bevelen van de Staten Generaal. De stadhouder van de kwartierschout van Oisterwijk heeft echter aan de roomse pastoor en de kerkmeester laten insinueren wat aan het rekest is toegevoegd. Hij heeft hen gerechtelijk ondervraagd om te weten te komen of de roomsen van Esch wel permissie en octrooi hadden verkregen van de Ho: Mo:. De beplanking is aangebracht in 1749. Ze verzoeken, indien ze iets misdaan zouden hebben, om hen dat te vergeven. Het stuk wordt doorgestuurd naar de kwartierschout van Oisterwijk voor commentaar [KSM inv.nr.14 dd. 19 oktober 1752]



Goirle

De drossaard van Tilburg Adriaan Bernage Heer van Melis stuurt een rekest in m.b.t. het weren van de paapse schepenen te Goirle en het aanstellen van leden van de gereformeerde religie [KSM inv.nr.7 dd. 1 maart 1698]


Haaren

Missive van Isack Verster stadhouder van de kwartierschout van het kwartier van Oisterwijk met een advies op een rekest van de kerkmeesters vande roomse kerk te Haaren op Belveren die aangeven dat ze met permissie van de Ho: Mo: onlangs een nieuw kerkenhuis hebben opgebouwd en het met pannen hebben gedekt en dat ze nu hebben geconstateerd dat de deuren kwalijk waren geplaatst en dat het pannendak in het winterseizoen veel kou en andere ongemakken veroorzaken. Ze verzoeken nu om permissie om de deuren te mogen verplaatsen en het pannendak met planken te mogen beschieten. De Raad keurt het verzoek goed en de grote deur zal verplaatst worden naar de zuidkant en de kleine deur wordt aan de oostkant geplaatst en om het dak van binnen met planken zoldersgewijs en niet gewelfsgewijs te beschieten en de planken tot conservatie van het hout te verven [KSM inv.nr.15 dd. 21 april 1756]

Rekest van de kerkmeester der roomse kerk van Haaren en Belveren aangevende dat hun kerkenhuis niet was voorzien van een hoogaltaar, communiebank en dergelijk noodwendigheden die bij het verrichten van de diensten altijd gebruikt dienen te worden. Ook het dak was slecht geworden en er waren diverse lekkages ontstaan zodat het gerepareerd moest owrden. Jaarlijks dienen repraties uitgevoerd te worden en zij willen nu, naar het voorbeeld van andere plaatsen, disponeren over de zitbanken, stoelen of banken die in het kerkenhuis staan en voorts vragen ze verlof om een hoogaltaar, een communiebank en andere noodzakelijkheden te mogen plaatsen en ze pleiten voor een geringe recognitie die door de lieden van de roomse gemeente betaald dient te worden. Een kopie van dit stuk zal toegezonden worden aan de kwartierschout van Oisterwijk [KSM inv.nr.15 dd. 9 april 1760]

Helvoirt

Rekest van de roomse ingezetenen van Helvoirt in kwartier Oisterwijk inhoudende dat hun kerkhuis waarin hen na de reductie van de stad ’s-Hertogenbosch is toegelaten hun godsdienst uit te oefenen inmiddels te enen male bouwvallig is geworden en de gelovigen gevaar lopen. Bovendien is het klein en ongeschikt om het aantal roomsen te bevatten en het staat in een laagte waardoor het vooral bij regenweer onder water komt te staan. Om te verhoeden dat hun kerkornamenten worden gestolen, zoals dat in de zomer nog was gebeurd, vragen ze verlof om hun kerkhuis te mogen verplaatsen en zodanig in steen leggen, repareren en tevens vergroten. Daar dit volgens het plakkaat van 5 maart 1724 niet meer mag zonder voorafgaande verlof van de Staten Generaal verzoeken ze die permissie om dat kerkhuis te mogen transporteren naar een geschiktere plaats in het dorp en aldaar hun godsdienstoefeningen mogen doen, weliswaar in alle stilte en zedigheid en de bevelen van hogerhand nauwgezet zullen nakomen. Besloten is om een kopie te sturen naar de kwartierschout van Oisterwijk en diens advies af te wachten [KSM inv.nr.11 dd. 10 februari 1724]



Missive van de kwartierschout van Oisterwijk A.Z.Haarsolte geschreven te Zwolle op een rekest van de roomsgezinden van Helvoirt die verlof hebben gevraagd om hun kerkhuis te mogen repareren of vernieuwen en tevens vergroten. Dat wordt bij deze aan hem gepermitteerd om tot reparatie over te gaan en het met stenen muren op te trekken in plaats van de bestaande lemen wanden. Wat de verplaatsing van deze kerkschuur betreft is hij van mening dat dit niet nodig is, omdat het naar het oordeel van Haarsolte te verhelpen is met het nieuw te bouwen kerkhuis te draaien van het westen een weinig meer naar het noorden ten noordoosten als daartoe plaats genoeg zijnde, wanneer de grond daartoe wordt verhoogd en in eigendom wordt genomen. Voorts meldt hij dat de vergroting van het kerkenhuis zal mogen worden gedaan zodanig, dat in plaats van 63 gemene voeten in de lengte het zal mogen worden verlengd tot 67 voeten en in plaats van 33 gemene voeten in de breedte tot 37 voeten en verder niet. Dat ook de stenen wanden of muren niet hoger mogen worden opgetrokken als ten uiterste tot 14 voeten van de grond en in iedere zijde van de stenen muur niet meer dan 5 kozijnen of glasramen geplaatst, niet ovaalsgewijs als in de kerken, maar alleenlijk 5 ½ voet breed en 6 voeten hoog binnenwerks, alles volgens Rijnlandse maten. De schilden in het oosten en het westen mogen niet verder worden opgetrokken en gemetseld als ter hoogte van 16 of 17 voeten uiterlijk. Aan de oostzijde twee glasramen van dezelfde hoogte en breedte, als in iedere zijde van de stenen muur van het kerkenhuis zullen worden geplaatst om daardoor het licht te kunnen scheppen op het zgn. oksaal. Aan de ingang van het kerkenhuis zal worden geplaatst een dubbele deur ter breedte van 5 en ter hoogte van 7 voeten binnenwerks, ook Rijnlandse maat. Het dak mag alleen maar gedekt worden met riet of stro. Voorts wordt aan de roomse ingezetenen van Helvoirt gemeld dat ze zich moeten onthouden van alle uiterlijke sieraden aan het gebouw, die aan de gereformeerden aanstoot zouden kunnen geven of tot ergernis kunnen strekken. Voor het overige wordt van hen verwacht dat ze zich in alle zedigheid zullen gedragen [KSM inv.nr.11 dd. 27 april 1724]
Hilvarenbeek en Diessen
Rekest van Johan de Ruijter kwartierschout over het kwartier van Oisterwijk met een bericht over stoutigheden der papisten binnen de heerlijkheid Hilvarenbeek zoals die zijn gemeld door zijn stadhouder en de vorster ter plaatse, die een grote vergadering hebben verstoord, waarbij de paapse godsdienst werd uitgeoefend. Daarbij is de paap Philip Rijsbosch gevangen genomen die daar aanwezig was in zijn volle miskleren of priestergewaad. Die heeft een boete gekregen van 600 gulden en vanwege zijn huis was hij nog 200 gulden verschuldigd, waarbij een zekere Tielman Lemmens zich voor die boeten borg had gesteld. Op dat moment was J.Emens drossaard van de heerlijkheid aangesteld door N.N. de Cort, die overigens wordt verboden zich verder met die boetes te bemoeien [KSM inv.nr.6 dd. 11 september 1686]
Rekest van Catharina Stevens als Vrouwe van Hilvarenbeek in een proces tegen de kwartierschout van kwartier Oisterwijk i.v.m. de gevangenneming van de pastoor van Hilvarenbeek en de opgelegde boetes tegen het licht van de jurisdictie van de vrijheid Hilvarenbeek en de bevoegdheden daaromtrent [KSM inv.nr.6 dd. 18 september 1686]
Rapport van de gedeputeerden van de Staten Generaal die een rekest hebben bestudeerd zowel van Johan de Ruiter kwartierschout in kwartier Oisterwijk en van Jacobus Emens aangestelde drossaard van de halve heerlijkheid Hilvarenbeek en van Catharina Stevens weduwe de Cort als Vrouwe van de halve heerlijkheid. Inzet is een dispuut tussen partijen over het opleggen van boeten zoals is voorgevallen rond de gevangenneming van pastoor Rijsbosch tijdens het verstoren van een paapse vergadering aldaar door de voornoemde kwartierschout. Na deliberatie is besloten dat de kwartierschout de gehele boete zou moeten ontvangen en dat de drossaard de helft daarvan niet kan pretenderen [KSM inv.nr.6 dd. 4 april 1687]
Rekest van Benjamin Tillius predikant te Hilvarenbeek met de mededeling dat daar in 1699 twee bittere papisten zijn aangesteld als schepen en op 6 oktober jl. is hun aanstelling gecontinueerd niettegenstaande er in Hilvarenbeek ‘stof genoeg is’ om schepenen van de gereformeerde religie te kiezen [KSM inv.nr.7 dd. 8 november 1700]

Rekest van de regenten van de vrijheid Hilvarenbeek inhoudende dat in het jaar 1699 op het menigvuldig aanhouden van enige heerszuchtige roomsgezinden door de raad en rentmeester generaal der domeinen van Brabant een reglement was geformeerd, dat door de Raad van State is geaccepteerd, inhoudende dat de supplianten daarbij geordonneerd werden te zweren dat reglement in alle punten na te komen op straffe van meinedig te worden aangezien en gestraft te worden, waarop een boete stond van 50 gulden. De supplianten verzoeken nu van die zeer kommerlijke eed als ook van die hoge boete, ontheven te mogen worden of op z’n minst, dat de Hoog Mogenden dat reglement nog eens extra laten onderzoeken en eventuele veranderingen daarin aan te brengen. In deze constructie was het voor de supplianten onmogelijk dit reglement na te komen, waarover ze hun grieven als eerder kenbaar hadden gemaakt ten aanzien van het afleggen van die eed. Het rekest wordt overhandigd aan de Raad van State om de Staten Generaal nader te adviseren en worden de supplianten gehouden voor diligent [= voor lief gehouden] ten opzichte van de eed die in het reglement was opgenomen [KSM inv.nr.7 dd. 3 december 1701]



Bericht van Peter van den Andel klagende over het aanstellen van paapse schepenen te Hilvarenbeek met een verzoek om hem zelf aan te stellen in plaats van die paapse schepen; een kopie van het rekest gaat naar de heren van de Meierijse zaken [KSM inv.nr.7 dd. 19 januari 1702]
Missive van kwartierschout de Ruijter in kwartier Oisterwijk geschreven in Den Haag inhoudende dat het tegenwoordig tijd was dat schepenen binnen de dingbank van Hilvarenbeek en anderen in dienst zijnde gemeentepersonen moest worden veranderd ofwel gecontinueerd. Dat de heer De Kort, die naast de Staten Generaal voor de helft Heer van Hilvarenbeek is, nu wonende te Brussel in het land van de vijand, geen akte van continuatie of aanstelling van schepenen en andere regenten vermocht te plegen. Daarom dat de kwartierschout het tot zijn plicht rekent dit aan de Ho: Mo: bekend te maken en te verzoeken dat men hem machtigt om in naam van de Staten Generaal de verandering of continuatie alleen te mogen doen. De Raad gaat akkoord [KSM inv.nr.7 dd. 19 september 1702]
Rekest van de ingezetenen van de heerlijkheid Hilvarenbeek, professie doende van de roomse religie, met een verzoek dat kwartierschout de Ruijter en zijn stadhouder, verboden mocht worden dat ze een meerdere recognitie zou invorderen als tot op heden gebruikelijk was om de roomsen hun godsdienst te laten uitoefenen in alle zedigheid en stilte en zonder de minste ergernis aan de gereformeerden of hun godsdienst te geven, welk rekest wordt overhandigd aan de kwartierschout die hierop binnen 14 dagen kan reageren [KSM inv.nr.8 dd. 18 december 1711]
Rekest van de roomse ingezetenen van Hilvarenbeek die zich hebben gewend tot de Staten Generaal met het verzoek om in consideratie te nemen de menigvuldige calamiteiten die zij hebben meegemaakt door het afbranden en de berovingen gedurende de oorlog en kwartierschout de Ruijter en diens stadhouder te verbieden meerdere recognities te vorderen om hun roomse godsdienst te kunnen en mogen uitoefenen in alle zedigheid en stilte en zonder de minste ergernis op te wekken bij de gereformeerden [KSM inv.nr.9 dd. 9 januari 1712]
Rekest van de roomse ingezetenen van de vrijheid en heerlijkheid van Hilvarenbeek inhoudende dat zij, supplianten, al meer dan 50 jaren onder oogluiking van de Ho: Mo: hun godsdienst hebben beleden in een schuur deels voorzien van stenen en deels van lemen wanden, staande binnen de vrijheid langs de openbare weg, maar die schuur is inmiddels vervallen en te vrezen was dat hij zou instorten en bij regenachtig weer zat men er al niet meer droog. Dit zou zelfs zeer veel hebben bijgedragen aan de voortgang van de laatste contagieuse [= besmettelijke] ziekte in het dorp, die twee jaren geleden veel oude mensen uit hun gemeenschap had weggerukt. Dat was voor de regenten ook aanleiding geweest om te verbieden dat in die dompige schuur nog langer dienst gedaan mocht worden, zodat de supplianten zeer lang in het open veld hun godsdienst hebben moeten belijden. Ze verzoeken nu de schuur een weinig te mogen verplaatsen op een stuk droge grond en wat meer afgelegen van de openbare weg, maar vanwege hun armoede hebben ze dat nagelaten. Nu echter zijn er enige vermogende mensen die ter voorkoming van verdere onheilen assistentie willen verlenen en enige penningen beschikbaar willen stellen, mits de supplianten van de Ho: Mo: permissie krijgen. Vandaar dat de supplianten nu verzoeken om de schuur ca. 20 roeden van de openbare weg af op een drogere plaats mogen verzetten. Het rekest wordt doorgestuurd naa de kwartierschout van Oisterwijk om daarop te berichten [KSM inv.nr.10 dd. 27 maart 1721]

Missive van kwartierschout A.Z. Haarsolte van kwartier Oisterwijk geschreven te Zwolle met een advies op het rekest van de roomse ingezetenen van de vrije heerlijkheid Hilvarenbeek. Die hebben immers permissie gevraagd om hun kerkschuur te mogen verzetten nl. ruim 20 roeden van de openbare weg en op een droge plaats, Na deliberatie is besloten die aan de roomsgezinden toe te staan, maar ze mogen hem niet plaatsen in de buurt van de gereformeerde kerk. Vervolgens is bepaald dat de lemen wanden mogen worden vervangen door stenen muren, met dien verstande, dat de gehele kerkschuur niet niet hoger of breder mag worden opgetrokken als de lengte van 7 gebonten elk tot 15 en hooguit 16 voeten van elkaar af geplaatst nl. van het oosten tot het westen en de breedte niet meer dan 52 à 53 voeten. De muur mag niet hoger zijn dan 16 voeten en tussen elk gebont niet meer dan een glasraam van ten hoogste 6 ½ voet en niet ovaalsgewijs als in kerken, maar slechts 5 ½ voet binnenwerks volgens de Rijnlandse maten. De schilden aan de oost- en westzijde mogen niet hoger worden opgemaakt dan tot 16 voeten en aan de westzijde mogen alleen twee glasramen worden geplaatst elk van 5 ½ voet, dit om licht te scheppen op het oksaal. de ingang mag bestaan uit een dubbele deur en een strooien of rieten dak is toegestaan. Voorts mag men geen uiterlijke sieraden aanbrengen die tot ergernis of aanstoot van de gereformeerden kunnen leiden. Men verwacht van de roomsen dat ze zich in alle zedigheid zullen gedragen [KSM inv.nr.10 dd. 13 januari 1722]

Missive van president en schepenen van Hilvarenbeek in kwartier Oisterwijk te kennen gevende aan de Hoog Mogenden dat er verschillende onordentelijkheden zijn voorgevallen en dat er geen behoorlijk onderzoek naar is verricht, waarop wordt besloten een kopie te sturen naar de Raad van Brabant om zich nader te informeren over de feitelijkheden die zijn gepleegd [KSM inv.nr.11 dd. 24 april 1724]
Missive van J. Coenraads drossaard van Hilvarenbeek in kwartier Oisterwijk die aan de Ho: Mo: bekend maakt welke recognitie door hem werd genoten van de roomsgezinden uit hoofde van zijn ambt en welke hij alsnog pretendeert, waarop is besloten dat een kopie van deze missive overhandigd zal worden aan de Heer van Heeckeren en andere gedeputeerden van de Ho: Mo: die bemoeienis hebben met de plakkaten en reglementen [KSM inv.nr12 dd. 3 februari 1728]
Rekest van de roomse ingezetenen van Diessen in kwartier Oisterwijk aangevende dat ze van de Ho: Mo: hun godsdienst altijd hebben mogen uitoefenen in een schuur in een afgelegen hoek van het dorp en dus buiten het oog en passage van eenieder. Deze schuur is echter door ouderdom zo erg vervallen dat daardoor voor degenen die hun godsdienst komen belijden de situatie te gevaarlijk wordt. Ze verzoeken de Ho: Mo: hen te permitteren om op die plaats een kerkschuur te mogen bouwen ter lengte van 94 voeten binnenwerks, de zijmuren ter hoogte van 40 voeten en de gevelhoogte 22 voeten, alles opgetrokken in steen en het dak bedekt met riet of stro en alle deuren en vensters naar proportie en ze vragen verlof om tijdens de bouw van die kerkschuur hun godsdienst te mogen uitoefenen in een nabij gelegen schuur of kamer ook afgezonderd van alle passanten en geen ergernis of aanstoot gevende aan de gereformeerden [KSM inv.nr.13 dd. 24 december 1736]
Missive van de Graaf van Rechteren hoogschout van stad en meierij van ’s-Hertogenbosch op het rekest van de roomse ingezetenen van Diessen als reactie op de verzoeken die door hen zijn gedaan. Na deliberatie is besloten verlof te geven om een nieuwe kerkschuur te bouwen maar qua afmetingen is ander voorstel gedaan nl. de kerkschuur mag lang worden 82 voeten, breed 40 voeten en de hoogte der muren 14 voeten en de gevel 22 voeten; alles in steen opgetrokken met een rieten of strooien dak, vierkante ramen en de deuren naar proportie. De kosten zouden moeten worden gedragen door particulieren. De oude kerkschuur mag worden afgebroken en tijdens de bouw mag men in alle stilte en zedigheid de godsdienst uitoefenen in de schuur van Hessen en Spaendonk, maar met dien verstande dat men met enige spoed de nieuwbouw probeert te realiseren [KSM inv.nr.13 dd. 23 januari 1737]

Rekest van Jacobus Timmers substituut drossaard, mr. Pieter Timmers, Adriaan van der Linde, Jasper Verster, Henricus Josephus Nagelmakers en Johan Lemmens, schepenen, Jan Batist de Grave, Jan Bosmans, Dirk van Trier, Peter Peter Weijten gezworenen, Johan Martin Bergman secretaris en Martinus van Litsenborgh vicaris en rooms priester in de vrijheid Hilvarenbeek in het kwartier van Oisterwijk, met een verzoek om aan genoemde vicaris te permitteren om een tweede priester als assistent te mogen aanstellen en hem met een zending te voorzien en hem een akte van admissie via de Raad van State te verlenen. Dit verzoek wordt voorgelegd aan de heren die zijn belast met de reglementen en plakkaten om het nader te onderzoeken en na hun vergadering verslag uit te brengen [KSM inv.nr.14 dd. 4 mei 1747]


Rekest van Martinus van Litzenburg rooms pastoor en mr. Hendrik Josephus Nagelmakers en Willem Cox kerkmeester van het roomse kerkenhuis, inhoudende dat haar Ho: Mo: een dusdanige order willen stellen omdat hun kerkenhuis, op last van de hoogschout gesloten en verzegeld, weer ontzegeld zou mogen worden en heropend, zodat ze in alle zedigheid en stilte onder oogluiking van de Ed: Mo: hun godsdienst weer zouden mogen uitoefenen [KSM inv.nr.14 dd. 18 mei 1752]

Rapport n.a.v. het rekest van Martinus van Litsenburg rooms pastoor en mr. Hendrik Josephus Nagelmakers en Willem Cox kerkmeester van het rooms kerkenhuis van Hilvarenbeek met het verzoek dat het kerkenhuis heropend en ontzegeld mag worden of het verzoek te revoijeren aan de ordinaris justitie en het gebouw wederom te ontsluiten zoals dat bij goede justitie bevonden wordt te behoren. Bovendien is hieromtrent een bericht verschenen van de hoogschout. Waarop na deliberatie is besloten na de resolutie van de de Ho: Mo: van 29 augustus 1729 nagezien te hebben, zoals destijds een gelijk geval als te Lommel is genomen.

Men blijft bij het besluit van 16 maart jl. en de verzegeling en sluiting wordt gehandhaafd en de supplianten zullen worden gelast om het houten verwulfsel [gewelf] en wat ze verder voor nieuws aan hun kerkenhuis hebben toegevoegd te laten afbreken en alles te herstellen in de oude staat. Een extract van deze resolutie zal gezonden worden aan de hoogschout met last om in genoemde kerk geen diensten te laten doen totdat hij ontdekt dat voldaan is aan genoemde resolutie [KSM inv.nr.14 dd. 3 juli 1752]
Reactie van nr. van Litzenburgh rooms pastoor te Hilvarenbeek met zijn kerkmeester die proberen te bewijzen dat het geval van de roomse ingezetenen van Lommel niet gelijk is aan de situatie te Hilvarenbeek en verzoeken nogmaals gerenvoijeerd te worden aan de ordinaire justitie, maar de Ho: Mo: persisteren bij hun besluit van 3 juli jl. en de supplianten zijn er verder vrij in zich te wenden tot de Raad van State met een ander rekest [KSM inv.nr.14 dd. 6 juli 1752]
Rekest van genoemde pastoor, Nagelmakers en Cox waarin ze reageren op het ‘bevel’ om het houten gewelf en wat ze verder aan nieuwigheden hebben toegevoegd aan hun kerkenhuis af te breken en alles in de oude staat te herstellen op straffe van een nadere dispositie. Daarover is bericht gestuurd aan de hoogschout met last om in het kerkenhuis van Hilvarenbeek geen diensten te laten verrichten totdat aan de resolutie is voldaan. De supplianten geven aan of het toch niet mogelijk is om alles wat aan timmerwerk is verricht te mogen behouden, maar in tegenstelling werden ze vermaand tot prompte gehoorzaamheid en blinde onderwerping aan de orders van de Staten Generaal. Wat ze gedaan hebben was immers tegen de intenties van de Staten Generaal en men blijft bij het besluit dat alles moet worden afgebroken en het kerkenhuis in de oude staat hersteld dient te worden. Ook de Otto Juijn, de stadhouder van de hoogschout, zou onderzoeken of men zich inderdaad punctueel houdt aan de uitgegeven resolutie van 3 juli en daaraan wordt voldaan. Toch vragen ze of de Ho: Mo: gelieven te permitteren dat ze in Hilvarenbeek het rieten dak van het kerkenhuis tot voorkoming van alle convenienten van binnen met planken mogen beschieten en verwulven. Een kopie van dit verzoek wordt doorgestuurd naar de heren belast met de Meierijse zaken om dit nader te bestuderen [KSM inv.nr.14 dd. 22 juli 1752]

Rekest van de regenten van Diessen in kwartier Oisterwijk inhoudende dat het dak van hun roomse kerkschuur van ouderdom bouwvallig en versleten was geraakt en eigenlijk onbruikbaar om in die kerkschuur nog godsdienstoefeningen te verrichten, omdat ze niet beveiligd waren tegen de regen of ander eongelukken vanuit de lucht. Het gebouw kon met geen mogelijkheid worden gerepareerd omdat ook het houtwerk finaal versleten was. Om een nieuw dak te mogen leggen was sowieso permissie nodig van de Ho: Mo: en om dat verlof verzoeken ze nu. Ze willen graag een nieuw dak gedekt met stro of pannen. Hun verzoek wordt doorgestuurd naar de kwartierschout van kwartier Oisterwijk [KSM inv.nr.15 dd. 29 juli 1755]



Missive van de kwartierschout van kwartier Oisterwijk als advies op het rekest van de regenten van Diessen die een verzoek hebben ingediend voor een octrooi om het dak van hun kerkschuur te mogen vernieuwen omdat het ten enenmale versleten is; de Raad gaat akkoord dat het dak i.p.v. met stro met riet gedekt mag worden [KSM inv.nr.15 dd. 10 september 1755]
Missive van de hoogschout op een rekest van Gerard Tabbers rooms pastoor te Hilvarenbeek die zich bezwaard voelt over de verrichting van de hoogschout die ter voldoening van de resolutie van 17 juni 1757 i.v.m. het vacante vicariaat van het bisdom van ’s-Hertogenbosch meenden te moeten realiseren. Het betreft de emolumenten en avantages welke de vicaris van het bisdom of ineens of jaarlijks profiteert [KSM inv.nr.15 dd. 14 juli 1757]

Hoge en Lage Mierde en Hulsel
Rekest van Gerrit Tonnemans schoolmeester te Hulsel gelegen in kwartier Oisterwijk met klachten over de insolenties en boosaardige acties van de papisten tegen hem en ook anderen begaan, met een verzoek aan de Hoog Mogenden of zijn de regenten van de dingbank aldaar willen ordonneren [= gelasten] en bevelen dat zij de suppliant ‘dat sij den suppliant sijn kost, pijn ende smerte in sijne ontfangene dodelijke quetsuur soude hebben te vergoeden’ en noemt een bedrag van 300 gulden. De hoogschout wordt verzocht zich over deze kwestie nader te laten informeren [KSM inv.nr.6 dd. 2 september 1681]
Goed een half jaar later volgt een reactie van de hoogschout op het rekest van Tonnemans berichtende dat hij zich nader heeft laten informeren over de geschetste moedwilligheden der papisten [KSM inv.nr.6 dd. 13 februari 1682]
Daarna volgt een nader onderzoek van een rekest van de regenten van Hulsel vallende onder de dingbank van Lage Mierde ter zake van de gevraagde vergoeding ‘de geledene pijnen en smerte’ in acht genomen en nadat de onschuld van Tonnemans nader is overwogen [KSM inv.nr6 dd. 16 mei 1682]
Rekest van de geautoriseerden van de verarmde ingezetenen van de dorpkes Hoge en Lage Mierde en Hulsel in kwartier Oisterwijk professie doende van de roomse religie, inhoudende dat zij haar godsdienst met de uiterste zedigheid en stilheid in slechte stallen en schuren hadden uitgeoefend en wel zodanig, dat niet de minste aanstoot of ontstichting aan de gereformeerden werd aangedaan, zelf integendeel volgens hun plicht de predikant alle genoegen hadden gegeven, dat zelfs in een verklaring van de gereformeerden kon worden onderschreven en betuigd. Dat ze bovendien aan diverse officieren, speciaal de kwartierschout den Baron van Haarsolte of diens stadhouder N.Hartten [elders Hartong] ter zake van de godsdienst meer hadden gegeven dan de roomsgezinden doen in de naburige dorpen. Dat deze arme en ongelukkige mensen hadden ervaren dat genoemde kwartierschout en diens stadhouder in augustus hadden kunnen goedvinden de supplianten te verbieden hun godsdienst uit te oefenen en zelfs een extra recognitie probeerden af te persen, terwijl andere kwartierschouten en officieren met de gebruikelijke recognitie genoegen nemen. Gevolg was dat de roomsgezinden van deze dorpkes, zijnde de allerarmste van de Meierij van ’s-Hertogenbosch, gelegen aan de frontieren van ‘des Keizers Brabant’, vanwege deze vexaties [= kwellingen] zijn weggelopen om op de zondagen en andere kerkdagen hun godsdienst uit te oefenen in naburige plaatsen onder ‘Keijsers Brabant’, vaak meer dan drie uren verwijderd van hun eigen dorp. Ze dienen nu een verzoek in bij de Ed: Mo: dat die gelieven te verbieden aan de kwartierschout en diens stadhouder om een hogere recognitie te heffen maar de recognitie te accepteren zoals die door hun voorgangers is genoten en het afgekondigde verbod in te trekken. Een kopie van het rekest wordt naar de kwartierschout gestuurd en die daarop zijn bericht kan sturen naar de Staten Generaal [KSM inv.nr.10 dd. 10 oktober 1718]
Missive van A.Z. van Haarsolte kwartierschout van Oisterwijk geschreven te Zwolle, in verband met de klachten van de ingezetenen der dorpen Hoge en Lage Mierde en Hulsel aanhangers van de roomse religie met een verzoek aan de Ed: Mo: dat ze aan de kwartierschout en diens stadhouder willen verbieden meer recognitiegelden te eisen en in te trekken en een volgend verzoek dat de Ed: Mo: hen willen vergunnen om vanaf nu provisorisch ter plaatse hun godsdienst mogen uitoefenen in alle nederigheid, totdat in deze zaak een definitief besluit is genomen, maar na deliberatie blijkt dat het verzoek van de supplianten niet kan worden gehonoreerd [KSM inv.nr.10 dd. 22 november 1718]
Rekest van de verarmde ingezetenen van de dorpen Hoge en Lage Mierde en Hulsel professie doende van de roomse religie, inhoudende dat haar Hoog Mogenden het vorige rekest op de 31e oktober hebben overhandigd aan de kwartierschout van Oisterwijk, zodat die zijn visie daarop zou kunnen geven. Nu blijkt dat hij daarvan in gebreke is gebleven met het gevolg dat de supplianten aan de Hoog Mogenden verzoeken om in de periode dat er nog geen finale dispositie over deze zaak heeft plaatsgevonden hen te willen toestaan om ter plaatse hun godsdienst uit te oefenen in alle stilte en zedigheid zoals dat gebruikelijk is en dat de kwartierschout en stadhouder via die finale dispositie wordt verboden hen de godsdienstoefening te beletten en dat men de normale recognitie daarover mag betalen [KSM inv.nr.10 dd. 29 november 1718]
Missive van C.V.Sijsen kwartierschout van kwartier Oisterwijk op een rekest van de regenten van Hoge Mierde die de roomse religie belijden en hun godsdienstoefeningen doen in een schuur of huisje, gratis aangeboden door een zekere Joost Coolen welke schuur ze graag wat willen uitbreiden in hoogte, breedte en lengte en voorzien van dak en ramen zoals bij andere roomse schuurkerken gangbaar is. Voorts is een serie bepalingen opgenomen. De vensters en ruiten zullen niet kerks- maar huisgewijs wordt aangebracht. Er mogen geen poort, dubbele deuren of deuren die aan beide zijden opengaan.. maar men dient simpele deuren aan te brengen. Verder mogen geen uiterlijke sieraden worden aangebracht die aan de gereformeerden aanstoot zouden kunnen geven [KSM inv.nr.12 dd. 23 maart 1734]
Missive van de Raad van State op een rekest van de regenten van Hoge Mierde in het kwartier Oisterwijk aangevende dat de spits van hun kerktoren bouwvallig is waardoor planken, leien en lood eraf vallen, waardoor zowel de kerk als ook het schoolmeestershuis wat eronder staat telkens schade oploopt, zodat er ongelukken zouden kunnen gebeuren die voorbijgangers treffen. Dit is de reden waarom de regenten genoodzaakt zijn geweest om op 8 april jl. de reparatie van het muurwerk en de vernieuwing van de spits publiek hebben moeten aanbesteden aan de minstbiedende. Ze krijgen verlof om een bedrag van 1000 gl. op te nemen tegen 3% en dat af te lossen over een periode van 10 jaren [KSM inv.nr.13 dd. 11 juli 1738]
Rekest van de roomse ingezetenen van Lage Mierde in kwartier Oisterwijk met een verzoek aan de Ed: Mo: of ze hen willen permitteren en autoriseren om op eigen kosten hun kerkhuis of schuur te vernieuwen en er rondom stenen muurtjes aan te mogen brengen ter lengte van 60 en breedte van 30 voeten, de zuidmuren [vermoedelijk ‘zijmueren’ bedoeld] van 12 voeten hoog met 4 glasramen of kozijnen aan iedere zijde ieder raam of kozijn 5 voeten in het vierkant en westwaarts een gebroken gevel 18 voeten hoog met een vierkanten deur hoog 8 breed 6 voeten met een glasraam daarboven 5 voeten in het vierkant en als dakbedekking riet of stro [KSM inv.nr.14 dd. 22 december 1749]
Missive van de stadhouder van de kwartierschout van kwartier Oisterwijk op een rekest van de roomse ingezetenen van Hulsel die verlof vragen om hun afgebrande kerkschuur weer op te mogen bouwen volgens de bestaande lengte en breedte. Na deliberatie wordt dat goedgekeurd mits ze hem bouwen op de plaats waar de afgebrande kerkschuur heeft gestaan ter lengte van 50 voeten en breedte van 28 voeten binnen de muur met twee opgaande gevels hoog 17 en de muren wederzijds hoog 12 voeten aan iedere zijde uiterlijk 4 of 5 vensters niet ovaalsgewijs maar slechts 5 voeten in ’t vierkant met een deurkozijn in de gevel aan de westzijde, hoog 6 voeten 6 duimen en breed 4 voeten met een licht daarboven, 5 voeten in het vierkant en van binnen achter aan de zijde van de blinde gevel een zolder ter lengte van 17 en ter breedte van 10 voeten, alles Rijnlandse maat en het dak zal moeten worden gedekt met riet of stro en de supplianten moet er zich voor wachten bij het optimmeren geen verdere uiterlijke ornamenten of sieraden aan te brengen die aan de gereformeerde ingezetenen geen ergernis of aanstoot zouden kunnen geven. Voorts is besloten en toegestaan om gedurende de periode dat het kerkhuis herbouwd wordt de godsdienst uit te oefenen in een schuur of kamer van een particulier huis mits men zich modest en zedig gedraagt, zodat geen openbare aanstoot wordt gegeven [KSM inv.nr.14 dd. 24 mei 1753]


Loon op Zand

Missive van Otto Juijn drossaard van Loon op Zand op een rekest van de roomsgezinde inwoners aldaar die aangeven dat ze sinds mensenheugenis in alle nederigheid en modestie hun godsdienst uitoefenen in een zeker huis, maar dat verkeert in een dusdanige vervallen staat dat het daar onmogelijk was daarin godsdienstige bijeenkomsten te houden en men is nu uitgeweken naar een hoeve die toebehoort aan de Graaf van Boshoven Heer van Loon op Zand nl. in een klein vertrek aldaar waarvoor ze jaarlijks huur moeten betalen en bovendien liet de engte en de geringheid van dat vertrek niet toe dat ze daar hun godsdienst naar behoren konden belijden en in wintertijd moesten zelfs roomsen buiten blijven staan in regen en wind. Ze verzoeken nu om permissie om in hun gemeente een kerkschuur te mogen bouwen ter lengte van 20 voeten en ter breeedte van 40 voeten, de blinde geven van 20 voeten en de deuren en lichtvensters van een dusdanige afmeting naar proportie. Ze krijgen daartoe verlof om op eigen kosten een kerkschuur te bouwen naar de afmetingen zoals in het rekest staat aangegeven. Het mocht niet gebouwd worden langs ‘de groote passage’ ter voorkoming van ergernis en men mag hem plaatsen achter het huis van Bartholomeus Bakers, oostwaarts op 50 of 60 voeten waar geen sprake is van grote passage en omtrent 25 à 30 voeten zuidwaarts de ingang, tevens beplant met een haag om het gezicht vanaf de straat te beletten en ca. 70 à 80 voeten geplaatst vanaf de overige huizen en akkers. De kerkschuur valt onder de administratie van rentmeester Lyclama à Nijeholt en men is gebonden aan de betaling van een recognitie [KSM inv.nr.13 dd. 30 november 1735]

Rekest van de ingezetenen van Loon op Zand aangevende dat op de 31e mei binnen genoemde heerlijkheid aan de oostzijde van de Kerkstraat aan het stratenkwartier aldaar een zeer zware vehemente brand heeft gewoed nog speciaal aangewakkerd door de oostenwind, zodat in nog minder dan één uur 42 huizen en 13 schuren als ook een brouwerij zowat de gehele Kerkstraat aan beide zijden in de as zijn gelegd. De ingezetenen aldaar zijn in grote armoede vervallen en de schade bedroeg 13.000 gl.. Ze verzoeken terecht om remissie op hun verpondingen. Of de kerk van Loon op Zand hierbij schade heeft opgelopen meldt de akte niet [KSM inv.nr.13 dd. 8 juni 1737]
Rekest van Adriana de Dongelberg markiezin van Refves/Reves [in Henegouwen] Vrouwe van de heerlijkheid Loon op Zand in het kwartier van Oisterwijk inhoudende dat in de genoemde heerlijkheid zijnde een ver uitgebreide plaats, de huizen der inwoners niet regulier maar met partijen om sommige plaatsen bij elkaar staan gebouwd staande in het centrum rondom de grote kerk een groot gedeelte bij elkaar en op andere plaatsen in het bijzonder op de grenzen naar Holland, wederom een andere partij, welke laatste meer dan een uur van de eerste af gelegen, dat ook geen van de gereformeerden buiten de predikant, schoolmeester en vorster in de eerstgenoemde huizen woonachtig waren, maar het merendeel van hen woont in de laatstgenoemde en aangrenzende plaatsen; dat daardoor ook veroorzaakt wordt dat de militaire partijen die aldaar moesten worden gelogeerd niet behoorlijk door de magistraat werden gebilleteerd, hetgeen veeltijds niet zonder veel confusie en op een onordentelijke wijze door de vorster alleen werden bestuurd was toegegaan, verzoekende de suppliante dat haar Ho: Mo: aan haar gelieven ter permitteren om in de tegenwoordige tijdsomstandigheden 2 à 3 personen van de roomse religie wonende in het centrum van de genoemde plaats tot schepen te mogen aanstellen [KSM inv.nr.14 dd. 9 januari 1747]

Rekest van de regenten en kerkmeesters van de heerlijkheid Loon op Zand in kwartier Oisterwijk die aan de Ho: Mo: verzoeken dat ze de supplianten gelieven te autoriseren om ten laste van haar gemeente tot herstel en reparatie van de kerk een bedrag van 450 gl. mogen opnemen tegen 4% welk verzoek ter advisering aan de Raad van State wordt toegezonden [KSM inv.nr.14 dd. 14 februari 1748]

Missive van Isack Verster stadhouder van de kwartierschout van kwartier Oisterwijk op een rekest van Jan Cauwenbergh en Jan van Rooij kerkmeesters van de roomse kerkschuur op het zgn. Vaarskwartier een gehucht onder de heerlijkheid Loon op Zand met een verzoek aan de Ho: Mo: de beplanking van de kerkschuur op het Vaarskwartier te accepteren zoals ze dat ook hebben gedaan via de resolutie van 21 maart 1753 voor Udenhout en Esch; idem is een rekest gevolgd van Justinus van Gennip drossaard van Loon op Zand maar diens verzoek wordt afgewezen [KSM inv.nr.15 dd. 1 oktober 1754]

Rekest van Arnoldus Verheijen in kwaliteit als rentmeester van Zijne Doorluchtige Hoogheid de Heer Prins van Zalm Zalm als Heer, kerkmeesters van de roomse gemeente der grondheerlijkheid Loon op Zand inhoudende dat op basis van een resolutie van 29 januari 1736 is goedgevonden dat binnen Loon op Zand twee kerkenhuzien gesloten zouden worden tot op het moment dat twee kinderen zouden zijn teruggebracht. Inmiddels hadden de supplianten de terugkeer van genoemde kinderen zonder al te veel moeite en kosten geëffectueerd zoals blijkt uit de toegevoegde bijlage en ze dienen nu een verzoek in dat de Ho: Mo: gelieven de eerste deurwaarder te gelasten de beide roomse kerken weer te ontsluiten. Na deliberatie is besloten de drossaard van de heerlijkheid te gelasten de twee roomse kerkenhuizen te ontsluiten.



Ter vergadering is een rekest gelezen van Anth. Glavemans stadhouder, Meekaff (?), Horwijnen en Ald. de Bruijn schepenen in kwaliteit als daartoe door en vanwege Pieter en Anthony Kievits, kinderen van Elisabeth Bouwens en wijlen haar eerdere man Jan Kievits indertijd woonachtig te Loon op Zand, daardoor speciaal verzocht , inhoudende dat Anthony en Pieter Kievits in het begin van de maand januari 1755 door hun voogden, te weten Ant. Kievits en Christoffel van Dijck naar Garderen in Gelderland waren gebracht en aldaar ter schole waren aanbesteed en dat deze kinderen in het begin gedurende de tijd van 8 dagen wel minzaam zijn behandeld, maar daarna zeer mishandeld waren geworden met harde slagen met een bullepees waar aan ’t einde een knuppel was, dat continueel wekelijks geschied was tot de vasten daaraan volgende, zodanig dat voorn: kinderen daar van littekens op hun lichaam gedragen dat voors: mishandelingen aan voorn: kinderen waren geschied uit oorzake zonderling dat zij op vrijdag, zaterdag en roomse vastendagen weigerig waren vlees te gebruiken, waarom dan ook door de schoolmeester verboden werd op die dagen droog brood te geven en geordonneerd was hen honger en dorst te laten lijden tot aan het moment dat ze vlees zouden gebruiken; dat de voorn: kinderen om die en om meer redenen en speciaal nog om de gedane dreigementen, dat de genoemde voogden hen op een schip zouden smijten en naar Oost Indië vervoeren en dat zij van de schoolmeester en de matres hadden horen zeggen, dat de voogden hem hadden geordonneerd , als zij niet wilden, dat ze maar geslagen moesten worden en niet de stukken betaald konden worden de voorn: kinderen van Garderen [er staat Gaarderen] voors: naar Oostenrijks Brabant hadden geretireerd. Dat genoemde kinderen op hoge orders wederom uit Oostenrijks Brabant weer teruggebracht zijn onder de jurisdictie van de Ho: Mo: en nu gelogeerd en bewaard werden op het kasteel van Loon op Zand. De kinderen waren bevreesd dat ze van daaruit vervolgens ofwel onder toezicht van hun voogden gebracht zouden worden die hen naar Oost Indië wilden laten brengen ofwel terug naar Gaarderen waar ze zo hard behandeld waren. De kinderen hadden vervolgens verzocht dat de schepenen of secretaris van Loon op Zand of de notaris en getuigen wilden komen om voor hen een zekere declaratoir en verzoek te willen doen. Hiermee werd akkoord gegaan want het declaratoir verzoek werd aan het rekest toegevoegd en ook een verklaring over de gedane dreigementen van de voogden. Uiteindelijk wordt verzocht aan de Ho: Mo: om deze kinderen onder hun protectie te houden en dat de voogden gelast worden de door hen geuite dreigementen niet ten uitvoer te brengen. Hiermee waren de kinderen tevreden en ze zullen naar een plaats gebracht worden die de Ho: Mo: hen zullen ordonneren. Dit stuk wordt toegezonden aan de drossaard van Loon op Zand ter berichtgeving [KSM inv.nr.15 dd. 14 juni 1756]
Missive van Isack Verster stadhouder van het kwartier van Oisterwijk op een rekest van B.Seijsen en Machiel Tijsmans [dubieus] kerkmeesters der roomse kerkschuur in Loon op Zand [Venloon] inhoudende dat de kerkschuur, staande op een binnenplaats van het kasteel van de Heer van Loon op Zand door de poort van het kasteel van de gemene passage en huizen afgesneden, lang 80 voeten en breed 29 voeten en voorheen gebruikt was geweest als brouwerij. Dat omtrent het midden van genoemde kerkschuur gevonden werd een middenmuur en een deurkozijn met twee toeslaande deuren ter hoogte circa van 10 en ter breedte van ca. 8 voeten. Dat de zijmuren doorgaans hoog waren 22 ½ voet, de muur aan de westkant voorzien van 9 kruiskozijnen ieder hoog 6 ½ voet en breed 4 ½ voet en 2 deurkozijnen en deuren ieder hoog 10 voeten en breed ca. 4 ½ voet en de oostzijde bezet met 4 kruiskozijnen hoog en breed als hiervoor vermeld, ook met een deurkozijn hoog 8 en breed 4 voeten. Ze verzoeken de Ed: Mog: dat ze hen gelieven te permitteren om de middenmuur en het daarin opgenomen deurkozijn te mogen verwijderen en afbreken met een gedeelte van de zolder in de kerkschuur blijvende als een galerij te maken en met pilaartjes zoals in het voorste gedeelte reeds zijn. Voorts om te mogen bezetten. In de muur aan de westzijde boven de kruiskozijnen die daarin zijn aangebracht nog te mogen stellen 2 à 3 kruiskozijnen met glasramen beneden opgaande alsmede in de oostelijke zijmuur nog te mogen stellen 4 à 5 bolkozijnen en glasramen voor de helft te openen en ’t deurkozijn en deur daar in wesende mede te mogen ruimen en weg te breken. Vervolgens in de noordgevel te mogen stellen een deurkozijn hoog en breed 8 voeten met 2 opgaande deuren en daarboven een deurkozijn, een bolkozijn met een glasraam ter helft opgaande hoog 5 en breed 10 voet en binnen de genoemde deuren te mogen brengen een portaal van 8 voet in het vierkant, door planken afgeschoten en met 2 daarin zijnde deuren tot sluiting [of: stuiting?] van de wind in de kerkschuur. Ook de vloer van de kerkschuur 2 voeten te mogen verhogen en die te beleggen met plavuizen. Ook vraagt men verlof om al het houtwerk zowel binnen als buiten te mogen oliën en verven en reparaties uit te voeren aan banken, preekstoel en stoelen in de kerkschuur en er ook een orgeltje te mogen plaatsen. Ten slotte verlof om ten oosten van de kerkschuur omtrent den hoek met een afdakje te mogen aanplakken een kamerke hoog 10 voeten uit de grond binnenwerks, 14 voeten lang en 12 voeten breed en daarin te mogen stellen een een binnen- en buitendeurkozijn met een deur van 8 voeten hoog en 4 voeten breed om daardoor de toegang in de kerkschuur te kunnen hebben, een zolderke te mogen maken en een plavuizen vloer erin te mogen leggen. dat verzoek wordt gehonoreerd en hierbij herhaalt men al het voorgaande [KSM inv.nr.15 dd. 18 april 1759]

Moergestel

Rekest van de opzichters van de roomse gemeente te Moergestel in kwartier Oisterwijk als ook van de erfgenamen ab intestato van wijlen Marcus de Beer, in zijn leven gewoond hebbende te Moergestel inhoudende, dat genoemde Marcus de Beer aan de roomsgezinde gemeente had geschonken een som van 2000 gl. bedoeld tot herbouw van hun vergaderplaats of kerkschuur en verzoeken nu permissie van de Hoog Mogenden.

Ze verzoeken nu om verlof om hun bestaande kerkschuur af te breken en er een nieuwe voor in de plaats te mogen bouwen. Door de Raad van State wordt dit verzoek afgewezen [KSM inv.nr.11 dd. 8 mei 1724]

Rekest van Petrus Becude professie doende van de ware gereformeerde religie zoals uit de annexe verklaringen blijkt. Het rekest houdt in dat Albert Charles Prince en Hertog van Ursel Heer van Moergestel in het kwartier van Oisterwijk de suppliant Becude had aangesteld tot drossaard van Moergestel. Volgens het reglement op de politieke reformatie moet een dergelijke commissie worden gepresenteerd aan de Hoog Mogenden en de persoon als aangenaam worden verklaard. De suppliant verzoekt de overheid de aanstelling te accepteren en hem als ‘aangenaam’ te verklaren. Men gaat akkoord [KSM inv.nr.11 dd. 1 november 1726]

Rekest van de inwoners van Moergestel die de roomse religie aanhangen klagende over het verval van hun kerkschuur en men vreest de nodige ongelukken, want eigenlijk is de kerkschuur niet meer bruikbaar, zoals ook blijkt uit een verklaring der schepenen en enige timmerlieden en enige beëdigde paalmeesters uit ’s-Hertogenbosch. Ze zijn aan gevaren bloot gesteld en aan bittere koud zeker nu de winter- en sneeuwtijd aanbreekt. Ze verzoeken nu aan de Ho: Mo: permissie om een nieuwe te mogen bouwen op de plaats van de oude, met een lengte van 90 voeten en de deuren en vensters naar proportie van het hele gebouw. Het verzoek zal doorgestuurd worden ter advisering aan de Raad van State [KSM inv.nr.12 dd. 20 april 1730]
Missive van de hoogschout van ’s-Hertogenbosch als advies op een rekest van de roomsgezinde ingezetenen van de heerlijkheid Moergestel in kwartier Oisterwijk die hebben verzocht om hun versleten kerkschuur te mogen vernieuwen qua lengte en breedte zoals in hun rekest stond aangegeven en om de lemen wanden te mogen vervangen door stenen muren, wat wordt toegestaan onder conditie dat er geen sieraden worden aangebracht, ook geen ovale vensters en grote deuren zodat de nieuwe kerkschuur uiterlijk niet op een kerk lijkt, zodat het geheel geen aanstoot geeft aan de gereformeerden [KSM inv.nr.12 dd. 23 juni 1730]
Rekest van de roomse ingezetenen van Moergestel in kwartier Oisterwijk die een verzoek indienen om op kosten van de abt van Tongerloo een kapelaan te mogen aanstellen zo lang de uitgebroken ziekte voortduurt [KSM inv.nr.12 dd. 28 juli 1733]

Rekest van Petrus Becude drossaard der heerlijkheid van Moergestel inhoudende dat op 4 maart 1743 binnen genoemde heerlijkheid voor de wet is getrouwd Willem Beex zijnde van de paapse religie met Johanna Geertruida van Andel oud 23 jaren lidnaat van de ware gereformeerde religie en daarvan professie doende, wonende te Moergestel dochter van Johan van Andel secretaris aldaar. Dat genoemde secretaris zo hij verklaart, ter oorzake dat zijn dochter door de genoemde Beex is gedefloreerd [= onteerd] en bezwangerd en dat huwelijk met veel hartzeeer en leedwezen had goedgekeurd. Dat genoemde Geertruijda in haar zwangerschap al zover was gevorderd dat zijn binnen korte tijd op het kraambed zou bevallen en dat genoemde Beex tegen zijn schoonvader had durven zeggen, dat hij alle kinderen die er zouden komen door een rooms priester zou laten dorpen en dat die in de roomse religie opgevoed zouden worden. Hij verzoekt de Ho: Mo: dat ze voorzieningen treffen om de stoutigheden van de pastoor van Moergestel zouden mogen worden gecorrigeerd en aan alle andere priesters te verbieden de kinderen van Geertruida te dopen. Het rekest wordt doorgestuurd naar de heren verantwoordelijk voor de reglementen en plakkaten om het nader te onderzoeken [KSM inv.nr.13 dd. 1 mei 1743]



Nieuwkuijk

Memorie van agent Moerkerken inhoudende dat het classis van ’s-Hertogenbosch bericht was dat aan de Hoog Mogenden verzocht zou worden dat niet meer de predikant maar de paap in het dorp Nieuwkuijk dienst zou doen onder voorwendsel dat dit dorp immers niet onder de Meierij van ’s-Hertogenbosch zou vallen. Uit de stukken van de extraordinaris kerkelijke vergadering van 1648 in verband met de aanstelling van predikanten en schoolmeesters, is gebleken dat het dorp wel onder de Meierij zou behoren [KSM inv.nr.6 dd. 9 maart 1686]


In genoemde memorie wordt verwezen naar een memorie van 30 januari 1686 waarin door de gedeputeerden van de keurvorst van Keulen, bisschop en prins van Munster en Luik, inhoudende bepaalde klachten van de officieren van haar Hoog Mogenden haar in bezit had gesteld van het dorp Nieuwkuijk en de jurisdictie van dat dorp zeer troebel was, zowel in politiek als in godsdienstig opzicht en dat zij het dorp zouden behandelen als gehorende onder de Meierij van ’s-Hertogenbosch, terwijl het toebehoort aan het Land van Luik en ze verzoeken de Staten Generaal om daarin te voorzien en de besluitvorming t.a.v. politie en religie over te laten aan Zijn Keurvorstelijke Doorluchtigheid de Prins van Luik [KSM inv.nr.6 dd. 30 januari 1686]
Enige maanden later wordt wederom gereflecteerd op de vermelde memorie betreffende Nieuwkuijk gelegen onder Drunen in het kwartier van Oisterwijk, verwijzend naar diverse documenten die niet uit de originele stukken waren af te leiden en dat enige mondelinge toelichting vereist was, maar dit verzoek wordt niet gehonoreerd [KSM inv.nr.6 dd. 17 juni 1686]
Memorie van de afgevaardigden van Zijne Keurvorstelijke Doorluchtige Hoogheid van Keulen Bisschop en Prins van Luik betreffende de soevereiniteit van het dorp Nieuwkuijk met een verzoek aan de Staten Generaal om in plaats van de heer Baer die absent is, iemand anders te nomineren om deze memorie nader te onderzoeken. Daarop volgt een rekest van agent Hertog Moerkerken die een bericht aanlevert van de classis van ’s-Hertogenbosch op deze memorie eveneens verband houdende met de soevereiniteit van Nieuwkuijk, welk rekest ook nader wordt bestudeerd [KSM inv.nr.6 dd. 4 juli 1686]
Memorie t.a.v. de jurisdictie van het dorp Nieuwkuijk met de conclusie dat het dorp valt onder het land van Luik en niet onder de Meierij van ’s-Hertogenbosch [KSM inv.nr.6 dd. 26 april 1687]
Missive van L.E.Duits drossaard van de heerlijkheid Nieuwkuijk onder kwartier Oisterwijk i.v.m. de stoutigheden en zwarigheden der papisten [KSM inv.nr.7 dd. 17 december 1699]
Oisterwijk

Rekest van de gedeputeerden van de classis van ’s-Hertogenbosch inhoudende dat de kwartierschout van het kwartier van Oisterwijk in september 1682 mutaties heeft aangebracht in de schepenstoel van Oisterwijk slechts één persoon van de gereformeerde religie heeft aangesteld ondanks dat daar zes personen woonden die de gereformeerde religie aanhingen en geschikt waren om het schepenambt te aanvaarden, zoals ook vermeld in een attestatie van de predikant van Oisterwijk, hetgeen strijdig zou zijn met het 3e, 13e en 14e art. van het reglement op de politieke reformatie van 20 juli 1655, 20 juni 1658 en 19 juni 1682 en de supplianten verzoeken nu aan de Staten Generaal om de hoogschout te gelasten dat de paapse schepenen gelast worden ‘het veld te ruimen’ en in hun plaats personen van de gereformeerde religie te benoemen [KSM inv.nr.6 dd. 19 oktober 1683]


Missive van kwartierschout de Ruijter betreffende klachten die geuit zouden zijn omtrent de schepenbank te Oisterwijk dat nl. bij de keuze van de schepenen niet de voorkeur was uitgegaan naar personen van de gereformeerde religie boven de roomsen ter plaatse. Voorgesteld werd te benoemen Gerard van Hogerlinden en Pieter de Gier, beiden van de gereformeerde religie [KSM inv.nr.6 dd. 2 september 1689]
Rekest van Jacob de Lange predikant te Oisterwijk alsmede de ledematen van de gereformeerde kerk Christi aldaar met een verzoek aan de Hoog Mogenden om de kwartierschout te gelasten, conform het 3e, 13e en 14e art. van het politiek reglement, de paapse schepenen uit de schepenstoel van Oisterwijk aanstonds en de facto te removeren [= weren, afwenden] en te vervangen door schepenen van de ware christelijke gereformeerde religie [KSM inv.nr.6 dd. 13 december 1689]
Rekest van de roomse ingezetenen van de vrijheid Oisterwijk inhoudende dat de stadhouder van de kwartierschout de Ruijter op 24 juni jl. ’s morgens om 6 uur onder voorwendsel dat enkele honderden roomsgezinden hun godsdienst uitoefenden, waarna hij hen had beboet tot een som van 1000 gulden buiten de executiekosten. De dienstdoende paap was geen jezuïet of van een andere orde maar een seculier priester die zelfs nog niet aan de dienst was begonnen, maar van te voren was ontvlucht en niet door de roomsgezinden ontweldigd en in het executoriaal [= bevelbrief tot uitvoering van een vonnis] stonden zelfs personen genoemd die er helemaal niet present waren. De supplianten waren natuurlijk niet bij machte die grote som op te brengen en dienen een verzoek in bij de Hoog Mogenden om die rigoureuze executie uit te stellen en haar hoge wijsheid aan te wenden om hierover een goed oordeel te geven, welk rekest wordt overhandigd aan de heer Schimmelpenning van der Oije en aan de kwartierschout de Ruijter [KSM inv.nr.6 dd. 18 oktober 1691 en ook 27 oktober 1691]
Rekest van de kwartierschout die vindt dat de Staten Generaal het verleende uitstel van die executie zou moeten intrekken en te permitteren dat hij als kwartierschout zijn executie mag voortzetten, de geëxecuteerden vrij te laten om na het gedane namptissement [= handvulling, opbrengen] in oppositie te komen tegen de kwartierschout [KSM inv.nr.6 dd. 10 november 1691]
Rekest van Johan de Ruijter kwartierschout van kwartier Oisterwijk inhoudende dat hij suppliant in het jaar 1691 op de 24e juni door zijn stadhouder een paapse vergadering had laten verstoren binnen de vrijheid Oisterwijk waar een zekere priester genaamd Jan de Wintes, daar staande in zijn vol misgewaad voor het altaar voor een talloze menigte de dienst deed. De stadhouder heeft toen geprobeerd deze priester gevangen te nemen, maar hij werd tegengehouden en naar de grond getrokken en mishandeld en wel zodanig dat men de priester wist te ontzetten en te ontweldigen en de stadhouder genoodzaakt was te klagen over kracht en geweld. De suppliant heeft zich in verband met dit voorval gewend tot de Raad van Brabant die alles op basis van waardevolle documenten heeft geverifieerd en nadien is aan de suppliant executoriaal verleend om de boetes te innen die zijn vastgesteld in geval van zulk soort feitelijkheden. Op een achterbakse wijze hebben roomse ingezetenen ook een rekest ingestuurd met een verzoek om surseance van de voorgestelde executie. Een kopie van dit rekest is overhandigd aan de hoogschout en van de suppliant. De roomsgezinden van Oisterwijk hebben echter ter contrarie zeer ‘malicieuselijk’ [= kwaadwillige wijze] dat rekest ter kwader trouw achtergehouden en niet aan de suppliant doorgegeven zodat hij niets van de inhoud kon te weten komen. Op 27 oktober daaraan volgende hebben de roomsgezinden weer een rekest naar de Staten Generaal gestuurd met een nieuw verzoek om surseance van executie, maar ‘studieuselijk’ [= ijverig] daarin verzwijgende dat zij haar eerste rekest en de resolutie van de Staten Generaal niet hadden doorgegeven aan de suppliant, hiermee de goedheid van de overheid op een onbetamelijke manier misbruikende en met opzet rechtstreeks tegen te gaan. De surseance volgde, waarop van de zijde van de suppliant weer werd verzocht de verleende surseance van 10 november 1691 in te trekken en de suppliant te permitteren om de executie tegen de daders voort te zetten [KSM inv.nr.7 dd. 8 januari 1701].

Rekest van enige ingezetenen van de vrijheid Oisterwijk inhoudende dat kwartierschout de Ruijter had kunnen goedvinden op 8 januari jl. van de Hoog Mogenden te verzoeken en obtineren [= verwerven, verkrijgen] afdoening van een zekere surseance en permissie, om met zijn executie door te gaan. De supplianten dienen nu een verzoek in dat de Staten Generaal de kwartierschout gelieven te interdiceren [= verbieden] om de executie te vervolgen naar aanleiding van de verstoring van de kerkdienst. Een kopie van dit rekest wordt aan de kwartierschout overhandigd met de intentie dat hij daar zijn eigen belangen tegen in kan brengen [KSM inv.nr.7 dd. 7 februari 1701]


Rekest van Jan de Ruiter kwartierschout van het kwartier Oisterwijk reagerend op het rekest van de roomsgezinden van 10 februari waarbij de pausgezinden hadden verzocht de op 8 januari ingetrokken surseance te mogen vernieuwen. Kopie van dit rekest wordt doorgestuurd naar de heren Ham en andere gedeputeerden der Meierijse zaken om het nader te onderzoeken en hun bevindingen te rapporteren [KSM inv.nr.7 dd. 15 december 1701]

Rekest van de classis van ’s-Hertogenbosch met een verzoek aan de Hoog Mogenden dat ze gelieven kwartierschout Johan de Ruijter te Oisterwijk te gelasten de paapse schepenen te Oisterwijk af te zetten en in hun plaats die van de gereformeerde aan te stellen en mocht het gebeuren dat er een gebrek is aan personen van de gereformeerde religie dat hij als dan nooit papisten jonger in bediening boven de gereformeerden ouder in bediening dan zij zouden hebben te preferen. Na deliberatie is verzocht aan de Hoog Mogenden op te geven de personen van de gereformeerde religie die bekwaam zijn om te Oisterwijk schepen te zijn met hun ouderdom en kwaliteiten [zie ook dd. 21 mei 1704] [KSM inv.nr.8 dd. 2 april 1704]


Missive van kwartierschout de Ruijter geschreven te Den Haag op een rekest aan de Hoog Mogenden gepresenteerd door de gedeputeerden van de classis van ’s-Hertogenbosch en door hem op 11 augustus 1704 overgegeven alsmede het bericht van zijn stadhouder op een bepaald voorafgaande ‘injurieuse request’ op naam van vier schepenen van Oisterwijk aan haar Hoog Mogenden gepresenteerd, waarbij hij ten onrechte valselijk werd beschuldigd alsof hij tegen het politiek reglement zou hebben misdaan [KSM inv.nr.8 dd. 30 september 1704]
Rekest van de schepenen en verdere ledematen van de gereformeerde religie binnen de vrijheid Oisterwijk verzoekende dat haar Hoog Mogenden geliefden de aanstelling te accepteren van de chirurgijn van de gereformeerde religie die door de schepenen is aangesteld om zijn kunst daar te mogen uitoefenen en het salaris te genieten zoals dat door gereformeerde chirurgijns wordt genoten , zonder dat enig roomsgezind persoon daar part noch deel aan heeft en contraventeurs [= overtreders] zullen beboet worden voor een bedrag van 25 gulden ten behoeve van de diaconie-armen binnen Oisterwijk [KSM inv.nr.8 dd. 8 december 1704]
Rekest van de vier schepenen van de gereformeerde religie binnen de vrijheid Oisterwijk als ook de predikant en de secretaris inhoudende dat op 11 november de laatste suppliant op zijn rijtuig, aan zijn rechterhand hebbende zitten de eerste der supplianten die hij had geassisteerd m.b.t. een bepaalde affaires, zowat ‘n uur buiten Oisterwijk maar wel binnen de jurisdictie van het dorp, had geassisteerd ’s avonds tussen 5 en 6 uur omtrent het inkomen van genoemde vrijheid. Eenmaal op ‘sHeren weg teruggekeerd werden er enige scherpe schoten gelost op de plek waar de laatste suppliant zat, door de huif of het overdek van het rijtuig, langs diens hoofd en aangezicht en zou hij door de schoten getroffen zijn dan was hij zonder meer vermoord geweest en zou ook de eerste suppliant het met zijn leven moeten bekopen. Men verzoekt nu aan de Hoog Mogenden of die willen toestaan dat alle gereformeerden die in Oisterwijk wonen overal een geweer mogen meevoeren of bij zich dragen om lief en leden te beschermen en te verdedigen. Voorts verzoekt men dat de ganse gemeente van de plaats waar iemand van hen door enige booswichten violentelijk [= met geweld] om jet leven wordt gebracht, de weduwe een jaarlijkse uitkering ontvangt, waarbij men verwijst naar de toezegging aan de personen van de gereformeerde religie van Valkenswaard getuige een besluit van 26 januari 1690 [KSM inv.nr.8 dd. 8 december 1704]

Missive van kwartierschout de Ruijter geschreven in Den Haag i.v.m. een resolutie van de classis van ’s-Hertogenbosch betreffende de aanstelling van een paapse chirurgijn voor de helft van het traktement [KSM inv.nr.8 dd. 6 januari 1705]


Missive van A.Z.Haarsolte kwartierschout in kwartier Oisterwijk over de recognitiegelden die hij geniet van de roomsgezinde ingezetenen van het dorp [KSM inv.nr.12 dd. 20 februari 1728]
Rekest van Petrus de Lange predikant te Oisterwijk die daar al rond de 30 jaren de dienst heeft waargenomen over de schade die hij vanuit ’t bisdom al had geleden waarbij hij het inslaan van ruiten, het uiten van lasterlijke woorden, het kappen van jonge bomen, het plunderen van zijn tuin. Dat de roomsgezinden zich niet ontzien langs de straat te gaan met paternosters omhangen. Hij klaagt over de insolenties die door grote booswichten worden bedreven . Zijn huisvrouw is door dit alles in een ellendige staat komen te verkeren. Na deliberatie wordt besloten hem de schade te vergoeden [KSM inv.nr.12 dd. 9 augustus 1728]
Missive van de kwartierschout van Oisterwijk die op grond van de gebeurtenissen zoals beschreven op 9 augustus over het geweld dat predikant Petrus de Lange is aangedaan besloten heeft het roomse kerkenhuis te sluiten en de roomse dienst daarin te verbieden [KSM inv.nr.12 dd. 30 augustus 1728]
Rapport van de gedeputeerden van de Meierijse zaken op het rekest van Johan Smits roomse werelds priester te Oisterwijk die een verzoek indient om binnen de vrijheid Oisterwijk de godsdienst te mogen uitoefenen. Dat wordt toegestaan mits hij zich zedig gedraagt en men meldt hem het feit dat tegen de predikant van Oisterwijk in het verleden geweld is gebruikt. Een kopie van dit stuk wordt toegezonden aan de kwartierschout [KSM inv.nr.12 dd. 10 februari 1729]
Rekest van Petrus de Lange predikant te Oisterwijk en enige ledematen van de gereformeerde religie, inhoudende dat zij in ervaring zijn gekomen dat de Heer en Vrouwe van Isere in de Spaanse tijd te Oisterwijk wonende aldaar ten behoeve van de armen op ‘t kerkhof hadden gesticht twee kleine huisjes met inkomsten van rogge nu gereduceerd tot 36 gulden jaarlijks gaande uit de korenmolen van Kerkhoven onder Oisterwijk en nu in eigendom van Abraham Huberdt en dat deze twee huisjes enige jaren geleden zijn verhuurd door Mevrouwe Bond of Boord en de 36 gl. door Abraham Huberdt zijn betaald aan genoemde Mevrouw Bond of Boord en nu aan haar twee dochters nl. de ene J.C.Boord gehuwd met ontvanger van ’s-Gravesande en Anna Boord te ’s-Hertogenbosch. deze gelden zijn besteed zonder regard op de behoeftigheid van de armen van Oisterwijk, op voorgeven dat zij de nabestaanden zouden zijn van de Heer en Vrouwe van Iseren, maar hen werd bericht dat er nog andere bloedverwanten in Brabant woonachtig waren. Naar aanleiding van de kwestie over de betaling veroorzaakte genoemde Abraham de nodig moeilijkheden [KSM inv.nr.12 dd. 10 september 1729]

Rekest van Anrhony Sweer van Haarslte kwartierschout van Oisterwijk over de recognitiegelden die betaald moeten worden door de roomsgezinde ingezetenen van de vrijheid Oisterwijk [KSM inv.nr.12 dd. 24 november 1729]


Missive van de graaf van Rechteren hoogschout van stad en meierij van ’s-Hertogenbosch ter voldoening van een resolutie van de Ho: Mo: van 22 december 1749 op een rekest van de roomse ingezetenen van Oisterwijk die een verzoek hebben ingediend om hun kerkenhuis te mogen vernieuwen. Na deliberatie is besloten hen verlof te geven hun bouwvallig kerkenhuis te vernieuwen en het romdom te voorzien en van stenen muurtjes 60 voeten land en 60 voeten breed, de zuidmuren [is hier zijmuren bedoeld?] hoog 12 voeten met 4 glasramen aan iedere zijde ieder van 5 voeten in het vierkant. In het westen een blinde of afgebroken gevel hoog 18 voeten met een deur daarin en daarboven een glasraam van 5 voeten in het vierkant. De kerkschuur te bedekken met een deken, rieten of sttrooien dak, maar wel alles op kosten van de roomse ingezetenen van het dorp of hetzij direct of indirect te mogen brengen ten laste van het corpus van de plaats [KSM inv.nr.14 dd. 31 januari 1750]

Sint Michielsgestel en Gemonde

Rekest van Isaac Elsevier drossaard van Sint Michielsgestel en Gemonde in het kwartier van Oisterwijk via een appointement van de Raad van State van 17 april jl. geautoriseerd zijnde om de gewone jaarlijkse visitatie van scholen en kerken te doen. Door de classis zijn daartoe gecommitteerd Gerard Sturenkamp predikant te ’s-Hertogenbosch en Isaac Boom predikant te Helvoirt en Willem Buschman predikant te Ravenstein. Na de visitatieronde te hebben voltooid in het kwartier zijn ze teruggekeerd naar ’s-Hertogenbosch is het voorgevallen dat zij, alle drie gekleed in het zwart en voorzien van hun beffen en tevens omhangen met een zwarte mantel, dus in predikantsgewaad, op zondag 6 mei jl. met een postkoets [postchaise] van Sint Michielsgestel komende tot nabij een zekere herberg van enen Willem Boerdonck aldaar, door verschillende mensen voor en in de herberg staande, met groot getier en bewegingen te maken, vele ‘affronteuse en injurieuse’ woorden roepende. Zo riepen ze hen toe en scholden hen uit voor ‘dondersche verdoemde papen’ waarna ze hen achtervolgden met de intentie om ze aan te vallen, waarvan ze zich hadden weerhouden. Maar ze hebben de genoemde predikanten wel met stenen nagegooid, welke predikanten op de vlucht waren geslagen. de predikanten hebben in een declaratoir dat aan het rekest was toegevoegd, verzocht dat de drossaard zich over de gepleegde insolenties nader zou moeten informeren , waartoe hij ook bereidwillig was, maar van de kant van de roomse ingezetenen en hun priester heeft hij niet de minste informatie kunnen bekomen. Toch zou tegen deze delinquenten als verstoorders van de algemene rust geprocedeerd moeten worden. Voor de predikanten zelf zal het moeilijk zijn de verstoorders te ontdekken. De drossaard heeft nu de Ho: Mo: verzocht om de kerken onder het district van Sint Michielsgestel, Den Dungen en Berlicum te sluiten en elke dienst daarin te verbieden, totdat de personen zijn opgegeven dit deze stoutigheden tegenover de drie predikanten hebben gepleegd. Dit rekest zal overhandigd worden de Heer Tork en andere gedeputeerden van de Staten Generaal om het nader te onderzoeken en hun bevindingen te rapporteren [KSM inv.nr.11 dd. 1 november 1725]


Missive van J. Elsevier drossaard van Sint Michielsgestel en Gemonde met een bericht over stoutigheden der roomsgezinden in mei 1735 gepleegd aan de gereformeerde kerk van Gemonde door het ingooien van ruiten en andere baldadigheden. De drossaard geeft de Ho: Mo: in overweging om goed te vinden dat dergelijke kerkschendingen door te geven aan de advocaat fiscaal van Brabant die zich op dit geval al had proberen te alten informeren ofwel door te geven aan de hoogschout van ’s-Hertogenbosch. Een extract van dit rekest wordt doorgestuurd naar de Heer Torck om het nader te onderzoeken [KSM inv.nr.13 dd. 14 januari 1736]

Missive van Herman Gideon Clemens predikant te ’s-Hertogenbosch en deputatis van de classis aldaar inhoudende dat bij de classis dikwijls klachten binnenkomen over de kwade gevolgen voortspruitende uit de huwelijken van gereformeerde met roomsgezinden met name t.o.v. het dopen van kinderen hetgeen door het aanwenden van allerlei middelen in de roomse kerk werd verricht; dat in de extrordinaris bijeenkomst aan het eind van 1748 gehouden, de predikant van Sint Michielsgestel en Gemonde geklaagd had dat een zekere vrouw, zijnde lidmaat van de gereformeerde kerk aldaar en getrouwd met een roomsgezinde man, bevallen zijnde van een dochter, de vader zich vergenoegde dat zijn eerste kind gedoopt zou worden in de roomse kerk en hij het heeft vervoerd naar ’s-Hertogenbosch en daar door een roomse priester heeft laten dopen niettegenstaande de moeder maar 8 dagen van te voren aan de predikant had beloofd er order op zou stellen dat haar kind waarvan zij stond te bevallen, indien net een meisje was, door een gereformeerd lidmaat ten doop gepresenteerd en in de gereformeerde religie opgevoed zou worden, verzoekende dat de vader dit niet zou beletten en zij aan de predikant haar bevalling tijdig zou doorgeven en zorg zou dragen voor een doop in de gereformeerde kerk hetgeen echter niet eerder was geschied dan nadat het kind naar ’s-Hertogenbosch was overgebracht. Dat de predikant van Sint Michielsgestel en Gemonde ook bekommerd was dat de vier kinderen in het eerste huwelijk van genoemde vrouw met de gewezen schoolmeester en voorlezer van Gemonde verwekt, die nog klein waren, van de gereformeerde godsdienst afgetrokken zouden worden. Aan deze missive is een lijst toegevoegd bevattende enige staaltjes waaruit zou kunnen blijken hoeveel nadeel dit kwaad veroorzaakte, verzoekende predikant Clemens derhalven uit naam van de classis dat haar Ho: Mo: daartegen de nodige voorzieningen willen treffen en erover oordelen naar behoren [KSM inv.nr.14 dd. 3 maart 1749]



Rekest van de classis van ’s-Hertogenbosch inhoudende dat vermits door de ongelijke huwelijken tussen gereformeerden en roomsgezinden vantijd tot tijd doorkruipende, niet alleen zeer grote inconvenienten maar ook doorgaans de allerschadelijkste gevolgen voor de gereformeerde religie veroorzaakt worden, gelijk van dergelijke gevallen een klacht permissive in het begin van dit jaar aan de Ho: Mo: was gestuurd en dat nu wederom aan de classis op haar laatste gehouden vergadering, tot haar gevoelige smart, een klacht was ingediend, bestaande in het feit dat een schoolmeestersweduwe in de gemeente Sint Michielsgestel, andermaal in het huwelijk getreden zijnde met een roomsgezinde man, niet alleen haar kinderen, zonder onderscheid van sexe, in de roomse kerk ofwel door een rooms priester had laten dorpen, maar eindelijk daarop gebracht was door kerk en onophoudelijke aanzoeken van haar roomsgezinde man en diens roomsgezinde vrienden, vermoedelijk door de overreiking van een of andere roomse prieste dagelijks daar een huis converserende, zodat de man de ware gereformeerde religie had afgezworen en was overgegaan naar de roomse religie en dat tot de uiterste smart van de predikant der genoemde plaatsen. Men verzoekt derhalve de Ed: Mo: tot wering van zulke doorkruipend kwaad, op een of andere manier de nodige voorzieningen te treffen hetzij door een heilzaam en lang gewenst plakkaat tegen de ongelijke huwelijken of anderszins naar goedvinden van de Ed: Mo: . Dit rekest wordt doorgestuurd ter advisering naar de Raad van Brabant [KSMinv.nr.14 dd. 23 december 1749]
Gehoord een rapport van de heer Van Heekeren tot den Brandenborgh en enige andere gedeputeerden belast met de reglementen en plakkaten als reactie op de resolutie van de Ho: Mo: van 23 december 1749 als advies op het schrijven van de classis van ’s-Hertogenbosch te kennen gevende dat ongelijke huwelijken zoveel kwaad geschiedt als hierboven aangegeven. Dan wordt de vorige akte herhaald en volgt de deliberatie. Hierna is besloten dat een plakkaat zal worden gedrukt en doorgestuurd wordt om gepubliceerd en aangeplakt te worden zoals dat behoort. Een behoorlijk aantal daarvan zal gezonden worden aan de magistraten, classissen en predikanten in het ditsrict van de generaliteit. Dat voorts aan alle respectievelijke classissen onder het resort van de generaliteit waar geklaagd wordt van doorkruipen van huwelijken van gereformeerden met roomsgezinden en over de schadelijke gevolgen die daaruit voortspruiten voor de gereformeerde religie, dat de Ho: Mo: met des te meer grote ijver, indachtig het leedwezen dat dit alles geschiedt, nastreven dat worden nagekomen alle zodanige salutaire wetten en reglementen gericht op de observantie van een goede opvoeding van de jeugd en de opbouw van de gereformeerde godsdienst en dat met name de predikanten niet moeten nalaten om door particuliere inspanningen [devoiren] visitaties en cathechisatie de ingezetenen te brengen tot de ware gereformeerde godsdienst, gebruik makende van alle geestelijke middelen van God in zijn Heilig Woord tot bekering der ‘blinde menschen’. Dit hebben de Ho: Mo; al in art.23 van de politieke reformatie uit 1660 begrepen, wat ook veel meer dan rigeur der plakkaten zou kunnen toebrengen tot voortplanting van het gereformeerde geloof en op die manier personen proberen af te houden van een huwelijk meteen roomsgezinde. Dat het derhalve de ernstige begeerte is van de Ho: Mo: dat de predikanten in hun plaatsen niet alleen nauwkeurig acht zullen geven op het schoolreglement van 1725 en dat ook nakomen en onderhouden en eenieder kennis geven van de observatie en contraventies van dat reglement, maar dat zij ook via publieke catechisaties op de tijden en plaatsen daartie vastgesteld, door hun handel en wandel een stichtend voorbeeld geven. Dat ze ook in het bijzonder gebruik maken van de gelegenheid om de gereformeerden te wijzen op de schadelijke gevolgen van een huwelijk aan te gaan met een roomsgezinde. Dat indien desniettegenstaande een zodanig huwelijk onverhoopt toch zou voltrokken worden, dat ze dan niet moeten nalaten om de gereformeerde partij in haar geloof te bevestigen en op te bouwen, en te pleiten voor een opvoeding van de kinderen in de gereformeerde religie en daarnaast de roomse partij te benaderen om die eventueel tot de gerefomeerde religie over te halen. Voorts worden alle classen gelast serieus acht hierop te slaan tijdens de visitaties van de kerken en scholen en na te gaan of alles volgens de politieke reformatie verloopt en mocht men nalatigheden, verzuimen of contraventies constateren deze in een verbaal kenbaar te maken bv. via het visitatieverslag. Bovendien wordt gesuggereerd om de preekstoelen te voorzien van subjecten die geschikt zijn om aan haar Ho: Mo: salutaire intentie te voldoen.
Hierna volgt de tekst van het plakkaat:

‘de Staten Generaal der Vereenigde Nederlanden allen dengenen die desen sullen sien of hoor lesen salut, doen te weten: alsoo wij tot ons leetweezen onderrigt werden dat int district van de generalitijt meer en meer komen in te kruijpen huwelijken tussen persoonen van de gereformeerde en die van de roomsche godsdienst, waer uit niet alleen veele twisten en oneenigheeden tusschen sodanige egtgenoten, des selver kinderen en huijsgezinden [vgl. huisgezinnen] ontstaan, maar waar door ook komt te gebeuren dat enige, zo niet alle de kinderen uit sodanigen huwelijken geboren in de roomsche religie worden opgevoed; ja dat selfs sulke gereformeerde egtgenooten door lastige aanhoudingen en vexatien van haar roomsgezinden mens of vrouw en derselver aanhang werden gepermoveerd [= beroerd]en verleijd, om tot openbaare ergernisse de ware gereformeerde religie te verlaaten en zig te begeeven tot de roomsche dwalingen.


Zoo ist dat wij willen voorkomen dat onse goede ingesetenen door jonkheid van jaaren, onversonne driften en sonder overweging aan de beklaaglijke en verderfflijke gevolgen aan de voors. huwelijken tot ’t aangaan van deselve werden verleijd en integendeel aan die sulken die daar reeds een voornemen mogten hebben of in eenige sodanige huwelijks- of troubeloften sijn ingewikkelt, de tijt en gelegenhijd willen geven om te luisteren na[ar] goede raadgevingen en van ’t voltrekken van de voornemens of engagementen af te sien, na ingenomen advis van den Raad van State der Vereenigde Nederlanden, goedgevonden hebben te statueeren en vast[st]ellen bij dezen.
Eerstelijk dat aan gene persoonen van de gerefomeerde off protestantsche religie deselve toegedaan en daar in opgevoed, hetsij militaire of andere, aen wat staat sij souden moogen zijn, eenige huwelijx gebooden aan persoonen van de roomsche religie sullen mogen werden gegund, solang de manspersonen den ouderdom van 25 en de vrouwspersoonen die van 20 jaaren niet ook komen sullen hebben vervult, waarvan bij exhibitie [= vertoning] van extracten uit de doopregisters aan die gene die de huwelijxgebooden moeten inschrijven, zal moeten blijken, sonder onderschijd, of deselve persoonen reeds in eerderen huwelijken moesten zijn getroud geweest dan niet, op pœne dat de inschrijving van d’voors: personen contrarie dit art. gedaan en de huwelijken daer op gevolgt zullen zijn nul en onbestaanbaar en de kinderen daaruit geboren onwettig, sonder ooijt gelegitimeerd te worden.
Ten anderen dat alle troubeloften tussen de voors. personen van wat jaren zij souden mogen sijn, sij mondeling of ook schriftelijk reeds gegegen of nog te geven, sullen sijn absolut kragteloos en sonder effect en dat ’t dienvolgende aan alle voorn: personen ten wedersijden zal vrijstaan om ten allen tijden, niet alleen voor ’t aantekenen van de huwelijxproclamatien, maar zelfs nadat die reeds zouden moogen zijn gegaan, aan voors. troubeloften te relieseren en af te gaan, sonder dat haar enig rechter gepermitteerd sal zijn op de voors. troubeloften regt te doen, veel min ijmand tot t’nakomen van de voors. troubeloften te constringeeren [= dwingen].
Ten derde dat de huwelijxproclamatien aan de voors. persoonen boven de 25 jaren respectivelijk oud sijnde, in plaads van in gevolge ons egtreglemend, te gaan week tot week, sullen moeten gedaan wrden van 6 weken tot 6 weken op gelijke pœne so ten aansien van voors. proclamatien als van een daar op gevolgt huwelijk als hier voor in ’t eerst art. gestatueerd.
En de wijl wij bedugt zijn dat onse goede intentie zoude kunnen werden geëludeerd door zodanige gereformeerde of protestanten, die, om met roomsgezinden te trouwen, soo ver sig souden laeten verleijden, om voor ’t aantekenen der gebooden tot ’t rooms geloof over te gaan, ten eijnde om dus niet on[der]hevig te sijn aan hetgeen hier voren gestatueerd,……en bevelen wij nog dat aan gene personen, van wat jaren of staat souden mogen sijn, die de ware protestantsche religie beleeden hebben of deselve toegedaan of daarin opgevoed zijnde, deselve sullen hebben verlaten en tot de roomschen sullen sijn overgegaan, roomschgezinde sullen mogen werden en vervolgen[s] met personen aan de laatst gem: religie, sig in huwelijken staat souden sullen begeeven, eenige huwelijx gebooden ……dat na verloop van 1 jaar nadat sij de gereformeerde religie versaakt en van het rooms geloof professie gedaan sullen hebben gehad, waarvan sij behoorlijk en voldoenlijk bewijs sullen moeten vertonen aan diegene door welke de geboden aangetekend worden, mede op pœne bij het eerste voorgaande art. gemeld en dat daar en boven omtrent welke personen mede plaads al hetgeen in de hier voorgem: ar[tike]len evenals of sij de gereformeerde of protestantsche religie niet hadden verlaaten
En also ’t insgelijx tot verlijdeeling (?) van ons salutaire intentie souden kunnen gebeuren, dat selfs roomsgezinden so verre souden gaan, van in uiterlijke schijn haar religie te verlaaten en tot de gereformeerde of protestantsche over te gaan ten eijnde met een persoon van deselfde religie te kunnen trouwen sonder aan ’t voorschrift van dit placaad gehouden te sijn, dog met intentie om na ’t voltrokken huwelijk tot ’t roomsche gelooff weder te keeren; so is laatelijk onse wille, dat tot voorkomingh van ’t selve omtrend personen van de gereformeerde tot de roomsche religie over tegaan en met iemand van de selve religie willende trouwen, vice versa, mede sal optineren al ’t geen hier voor ten reguarde van gereformeerde tot de roomsche godsdienst overgaande is gestatueerd
En worden alle magistraaten, commissarissen van huwelijx saken, kerkenraden en predikanten, door welke de inschrijving der gebooden gedaan en de trouw gesolemneerd wordt, respectiveijk gelast naukeurig te letten en sorge te dragen dat dit ons placaat (?) behoorlijk en exactelijk in allen delen nagekomen werde, op de verbeurte van 100 silvere ducatons bij een ijder van de selve die contrarie ’t voors: gestatueerd, de geboden in inge…..of den trouw gesolemniseerd sal hebben te applieren 1/3 ten behoeve aan de officier, die de calange sal hebben gedaan, het 1/3 ten behoeve van den aanbrenger en ’t resterende 1/3 ten behoeve van de armen van d eplaads daar de contraventie zal wezen gedaan
En dit alles onverminderd, hetgeen gestatueerd is bij ons egtreglemendt, in ’t generaal in so verre het dit iegenwoordig placaad contrarieerd en specialijk bij ’t vierde articul van ’t selve egtreglement tegen ’t ondertrouwen, trouwen of hertrouwen, door die van de roomsche geestelijkhijt alles mede bij onze resolutien van den 3 maard 1738 en 11 meij 1739, raakende het trouwen van gereformeerde militaire en politique officieren met roomsgezinde vrouwen alle welk wij willen dat sullen blijven in volkomen rigeur en observantie
En ten eijnd niemand hiervan eenig ignorantie komen te pretenderen lasten en beveelen wij, dat dese alomme in ’t district van de generalitijt sal werden gepubliceerd en geaffigeerdt daar sulx behoor[t] en gebruijkelijk is, want wij hier voor den dienst van den landen en ten besten van onse goede ingesetenen bevonden hebben alsoo te behooren
Aldus gedaan en gearresteerdt etc.

[KSM inv.nr.14 dd. 3 juni 1750]



Missive van C.Verster drossaard van de heerlijkheid Sint Michielsgestel en Gemonde te kennen gevende aan de Ho: Mo: dat eertijds binnen die heerlijkheid gewoond heeft een zekere Nicolaas van den Oetelaar met zijn huisvrouw. Nicolaas was roomsgezind en zijn vrouw gereformeerd. Zij meldde aan de predikant dat haar man genegen zou zijn over te gaan naar de geformeerde godsdienst en dat hij steeds meer lust kreeg om zo nu en dan in de gereformeerde kerk kwam en vervolgens daarin continueerde en zelfs ook liet hij zich op bepaalde dagen en uren onderwijzen m.b.t. de basis van de gereformeerde godsdienst, waarin hij bleef volharden, totdat hij van daar naar elders vertrok. In het jaar 1737 lag de vrouw van Nicolaas genaamd Cornelia Dehne in het kraambed en was toen bevallen van een zoon, die op 3 februari werd gedoopt in de gereformeerde kerk en de naam Cornelis meekreeg. Het ongeluk wilde dat Cornelia in het kraambed overleed en achterliet de pasgeboren Cornelis en nog een dochter genaamd Helena. Na het overlijden van zijn vrouw is hij als kleermaker vertrokken naar Haarlem omdat in Sint Michielsgestel de roomsgezinden na zijn changement naar de gereformeerde religie niet meer bij hem kwamen en hij zijn ambacht aldaar niet langer kon uitoefenen. Zijn twee kinderen liet hij in Sint Michielsgestel achter die onder de zorg terecht kwamen van de diaconie en grote armen. Geruime tijd later is Cornelis bij de predikant gekomen met een brief van een predikant uit Haarlem waarin geschreven staat dat Nicolaas als lidmaat was aangenomen. Ook zou Nicolaas hebben laten weten dat hij zijn ambacht kom uitoefenen en nu wel in staat was om de armen van Sint Michielsgestel te ontlasten van de zorg voor zijn kinderen. Hij zou vervolgens zijn oudste dochter Helena mee naar Haarlem genomen te hebben nadat de diaconie hiermee akkoord was gegaan. Cornelis bleef onder de zorg van de armen en werd gekleed door de diaconie tot aan 6 januari 1751 op 14 jarige leeftijd, opgevoed in de gereformeerde religie en naast zijn leeftijdgenoten ijverig de catechisaties van de predikant had bijgewoond en zondags in de kerk had geantwoord op catechismusvragen. Ondertussen had Nicolaas van den Oetelaar als vader van Cornelis de gereformeerde religie verlaten en was wederom overgegaan naar de roomse godsdienst nadat hij een relatie had gekregen met een roomse vrouw of zijn roomse bijzit. Die zou overigens niet meer bij hem zijn maar inmiddels in Schijndel wonen. Zij zou ruim een jaar geleden de vrijmoedigheid hebben gehad zich te wenden tot de drossaard en schepenen van Sint Michielsgestel verzoekende dat haar pretense stiefzoon Cornelis van den Oetelaar tot ontlasting van de armen aan haar overgegeven mocht worden, maar dat verzoek is zowel door de predikant als de drossaard afgewezen. Intussen is het komen te gebeuren dat genoemde Cornelis van den Oetelaar daarna op de genoemde 6e januari van dit jaar uit de genoemde heerlijkheid, blijkbaar door toedoen en hulp van zijn vader, zijn pretense stiefmoeder en andere roomsgezinden en zeker op inductie van de roomse geestelijkheid is overgebracht naar Vorstenbosch in het land van Ravenstein. De drossaard heeft vervolgens wel de nodige inspanningen geleverd om deze jongeling te laten terugkeren, maar die pogingen zijn tevergeefs geweest en had ook allerlei middelen beproefd om dit soort ‘ontvoeringen’ tegen te gaan en tevens te ontdekken wie dat gedaan had. Hij had wel ontdekt dat deze jongeling ’s middags om 3 uur nog binnen Sint Michielsgestel verbleef maar ’s avonds om 6 uur al in Vorstenbosch was gearriveerd, welk dorp ongeveer 4 uren verwijderd ligt van Sint Michielsgestel, zoals bleek uit aan de missive toegevoegde stukken. Bovendien was het te duchten dat twee kinderen van de schoolmeester van Gemonde, wier moeder met een roomse man was hertrouwd en reeds de ware christelijke religie had verlaten en de roomse religie was geen omhelzen, zijnde deze vrouw weduwe, waarover de classis van ’s-Hertogenbosch zich al gewend had tot de Ho: Mo: , waarop toen het plakkaat is gevolgd van 3 juni 1750 betreffende de ongelijke huwelijken, ook overgebracht zouden worden naar het land van Ravenstein. Het betreft Johan en Johanna Cicilia van Ophuijzen resp. 13 en 11 jaar oud, die al geruime tijd en mogelijk onder dwang niet naar school waren gekomen, wat de tegenwoordige schoolmeester al had gemeld aan de predikant. Ten slotte zal de drossaard aangeschreven worden en tevens gelast om de pastoor van Sint Michielsgestel op een serieuze manier aan te zeggen dat hij zal moeten effectueren dat genoemde Cornelis van den Oetelaar uiterlijk binnen 14 dagen na deze aanzegging, op kosten van de roomse gemeente aldaar zal worden teruggebracht en bij ontstentenis dat de drossaard dan in Sint Michielsgestel de roomse kerk zal sluiten en dat de pastoor verboden zal worden nog langer zijn pastorale functies uit te oefenen, totdat deze jongeling is teruggebracht. Bovenden worden de stiefvader van de twee kinderen van wijlen de schoolmeester van Gemonde en hun moeder gelast hun kinderen weer terug te brengen bij de gereformeerde vrienden en bij weigering zullen ze desnoods daartoe verplicht worden [KSM inv.nr.14 dd. 14 april 1751]
Missive van Verster drossaard van Sint Michielgestel en Gemonde inhoudende een bericht van wat hij gedaan had na de resolutie van de Ho: Mo: van de 14e april genomen op zijn mededeling over de ontvoering, door of vanwege het pausdom, van een jongeling genaamd Cornelis van den Oetelaar naar het land van Ravenstein, die onder de zorg van de diaconie en de armen in de ware gereformeerde religie opgevoed zou worden en aangevende dat hij gelast heeft dat die jongeling op kosten van de roomsgezinden, teruggebracht moest worden en ook had hij de kwestie gemeld van de twee kinderen uit Gemonde, zodat hij ervan overtuigd is aan de intentie van de Ho: Mo: te hebben voldaan [KSM inv.nr.14 dd. 28 mei 1751]
Missive ontvangen van de graaf van Rechteren hoogschout van stad en meierij van ’s-Hertogenbosch op een rekest van Christiaan de Haan pastoor te Sint Michielsgestel. Na deliberatie is besloten dat de drossaard van Sint Michielsgestel Abraham Verster zal worden aangeschreven en geautoriseerd om met de regenten van het burgerweeshuis te ’s-Hertogenbosch een overeenkomst te sluiten om genoemde jongeling Cornelis van den Oetelaar onder de gewone condities in hun huis op te nemen en te alimenteren en hem een zodanig ambacht te laten waartoe men Cornelis geschikt oordeelt zodat hij op termijn in staat is voor zichzelf de kost te winnen en het oordeel daarover ligt bij de drossaard en predikant te Sint Michielsgestel. De grote armen, de diaconie van het dorp zullen hun jaarlijkse bijdrage continueren resp. 31:4:0, de diaconie-armen 10:0:0 en 28:0:0 uit de gemeentekas [KSM inv.nr.14 dd. 15 juni 1751]
Missive van Isack Verster stadhouder van de kwartierschout van Oisterwijk op een rekest van Hendrik Jacobs van Eindhoven, Jan Fransen Haarwasser en Igrum van Remund, inwoners van de grondheerlijkheid Sint Michielsgestel, Oud en Nieuw Herlair, professie doende van de roomse religie, inhoudende dat het roomse kerkenhuis staande binnen hun heerlijkheid, door de oudheid des tijds bouwvallig was geworden en buiten staat geraakt was van reparaties, met een verzoek om permissie om aldaar in plaats van die oude kerkschuur een nieuwe te mogen bouwen omtrent de plaats waar de oude thans staat. De Raad gaat akkoord en men mag de nieuwe iets groter maken nl. in de lengte 16 voeten meer en in de breedte 7 voeten gerekend in Rijnlandse maten, zodat de maten van de nieuwe neerkomen op een lengte van 96 voeten en een breedte van 43 voeten, de zijmuren optrekken uit steen tot een hoogte van 12 ¼ voet; in de muren 7 bolkozijnen, in de noordermuur een deurkozijn terhoogte van 6 ½ voet en ter breedte van 3 voeten binnenwerks; voorts de voor- en achtergevel in steen optrekken ter hoogte van 22 ½ voet en ter breedte van 6 voeten; in de zuidelijke muur 2 bolkozijnen en in de oostelijke geven een deurkozijn en deur met een lichtraam daarboven. Het dak mag men bedekken met pannen of leien en op de vloer van de nieuwbouw kan men plavuizen leggen. Gedurende het bouwen van de nieuwe kerkschuur hebben ze permissie om hun godsdienst nog uit te oefenen in de oude kerkschuur met opdracht om de neiuwe zo spoedig mogelijk te bouwenen daarna de oude kerkschuur onmiddellijk af te breken en bij de bouw van de nieuwe dient men er op te letten dat die mogelijk 30 of 40 m achterwaarts van de straat geplaatst moet worden met daar rondomheen een heg, zodat de gereformeerden die voorbijkomen nergens aanstoot aan kunnen nemen. Vervolgens mogen ze aan de buitenkant geen opvallende sieraden of ornamenten aanbrengen en er zich voor waken dat ze die van de gereformeerde religie geen ergernis geven [KSM inv.nr.15 dd. 28 april 1756]

Missive van de schepenen en van Iasack Verster stadhouder van de kwartierschout van kwartier Oisterwijk op een missive van Ab: Verster drossaard van de grondheerlijkheid van Sint Michielsgestel en Gemonde, dat hem hem als verwonderlijk is voorgekomen dat een preparatie is opgemaakt tot het opbouwen van een nieuwe kerkschuur en dat hij daarover met de roomse priester gesproken en hem gevraagd of hij daartoe permissie had wat de bouw was al een eind gevorderd en binnenkort voltooid zou zijn en de opening zou volgen. Dat hij drossaard van gedachten was dat niet de stadhouder van de kwartierschout tot de opening van de genoemde kerkschuur gerechtigd was maar hij als drossaard in zijn kwaliteit, verzoekende dat haar Ho: Mo: hem gelieven te autoriseren om te zijnder tijd de opening der voors: nieuwe kerkschuur te mogen doen, mitsgaders de exercitie van haar Ho: Mo: resolutie van 18 april 1756 aan hem over te laten, sustinerende daarbij de opening van genoemde nieuwe kerkschuur van niemand anders departement te wezen dan van hem drossaard, zich funderende van haar Ho: Mo: resolutie van 29 juli 1739 ten opzichte der vernieuwing van de roomse kerkschuren van Nuland en Lithoijen. De missive wordt nader onderzocht door heren van de Raad van State [KSM inv.nr.15 dd. 28 oktober 1756]



Tilburg

Rekest van de predikant en de kerkenraad der gereformeerde kerk te Tilburg inhoudende dat hier vier gereformeerde scholen zijn waar de jonge jeugd genoegzaam kan worden geïnstrueerd, maar wat te beklagen valt is het feit dat zich daar tweemaal zoveel paapse scholen bevinden en de scholen der gereformeerde tienmaal van kinderen ontbloot, zijnde daarenboven de paapsgezinden zo stout dat zij de gereformeerde schoolmeester publiekelijk aanzeggen, indien hij paaps wilde leven, dat zij dan hun kinderen naar zijn school zouden sturen en anders niet. Ook wordt er de gereformeerde schoolmeester afgeslagen en de paapsgezinden hebben zich niet ontzien de gereformeerde schoolmeester de hals te breken en andere pertinente bejegeningen meer en bedreiging van hun goederen, zodat de drossaard van Tilburg, die meermaals door predikant en kerkenraad was verzocht om deze overlast te weren, maar steeds te vergeefs. De Hoog Mogenden wordt verzocht of zij de fiscaal van Brabant willen gelasten zowel de paapse scholen als de paapse stoutigheden te weren en de gereformeerde schoolmeesters in hun rechten te handhaven en te voorkomen dat de gereformeerden nog meer klachten hebben te melden [KSM inv.nr.7 dd. 20 januari 1698 en 8 maart, 19 maart en 14 april]

Rekest van de regenten van de heerlijkheid Hilvarenbeek en drossaard en schepenen van de heerlijkheden Tilburg en Goirle in het kwartier van Oisterwijk inhoudende dat enige weken geleden binnen Tilburg vele onrustige roomsgezinde mensen zich aldaar hebben opgehouden die van tijd tot tijd in aantallen groeiden en zich niet ontzagen om publiekelijk in herbergen of andere plaatsen samen te rotten en te ‘complotteren’[= complotten te bedenken] om alle omstanders tegen de gereformeerden op te hitsen. Zelfs in de straten werd ‘gesparageerd’ [= verspreid], dat ze de duivelse geesten wel zouden hebben en dat de een of de ander tot een schandelijke straf zou moeten worden veroordeeld. Bovendien ontzagen ze zich niet om met papieren langs de straten der gehele heerlijkheid te trekken om te laten tekenen tegen de supplianten zonder dat die konden bespeuren wat de intentie was van die roomsgezinden. Kort geleden hadden sommigen zich verzameld en waren gezamenlijk opgetrokken terwijl ze sloegen op ketels en pannen, diverse huizen hadden geforceerd en ingezetenen hadden bedreigd hen de hals te breken [KSM inv.nr.10 dd. 4 augustus 1721]
Rekest van de roomse ingezetenen van Tilburg in kwartier Oisterwijk aangevende dat ze sinds vele jaren hun godsdienst belijden in een kerkenhuis of schuur genaamd de ‘Heijkens schuurkerk’ maar dat die schuur vanaf het begin in slechte staat verkeerde, met lemen wanden en tevens dusdanig bouwvallig is geraakt dat er gevaar van instorten is. De lemen wanden zijn zo slecht en hier en daar stuk dat alle nachten dieven en vagebonden in die kerk kunnen binnenkomen en inbreken en de roomsen daardoor beroofd worden van hun kerkelijke ornamenten. Bovendien is de kerk veel te klein om het grote aantal roomse ingezetenen er in onder te brengen, Via de lakenhandel is de stad is hun aantal sterk toegenomen. Ze verzoeken nu het kerkhuis te mogen vergroten en vernieuwen met stenen muren wat niet mag zonder voorafgaande goedkeuring van de Staten Generaal. Het rekest wordt doorgestuurd naar de kwartierschout van Oisterwijk om advies [KSM inv.nr.11 dd. 23 maart 1724]

Missive van A.Z.Haarsolte kwartierschout van Oisterwijk en geschreven te Zwolle met een advies op een rekest van de roomse ingezetenen van Tilburg die hebben verzocht hun kerkenhuis te mogen vernieuwen en vergroten. Na deliberatie is besloten dat zijn hun kerkenhuis of schuur mogen vernieuwen en vergroten onder de volgende limitatie of bepalingen nl.: a) het kerkenhuis mag worden vernieuwd maar niet vergroot b) de stenen muren die in de plaats komen van de lemen wanden mogen niet hoger worden opgetrokken en gemetseld als uiterlijk 14 voeten van de grond c) dat in iedere zijde van de muur tussen ieder gebont niet meer dan één glasraam of kozijn geplaatst mag worden en dan niet ovaalsgewijs als in kerken maar slechts 5 ½ voet breed en 6 voeten hoog binnenwerks d) de schilden in het oosten en westen mogen niet hoger worden gemetseld als ter hoogte van 20 voeten Rijnlandse maat e) in het westen mogen twee glasramen geplaatst worden van dezelfde hoogte en breedte als die tussen ieder gebont in de zijmuren zijn gesteld om daardoor licht te scheppen op het oksaal f) bij de ingang mag men een dubbele deur plaatsen breed 5 en hoog 7 voeten binnenwerks alles volgens Rijnlandse maten g) het dak mag alleen bedekt worden met riet of stro h) voorts wordt de roomsen gevraagd zich te onthouden van het plaatsen van allerlei sieraden die kunnen leiden tot aanstoot of ergernis der gereformeerden en zich verder in alle zedigheid dienen te gedragen [KSM inv.nr.11 dd. 26 juni 1724]


Missive van P. van Hoven drossaard van Tiburg in kwartier Oisterwijk met advies op een rekest van de roomsgezinde gemeente van de schuurkerk in het gehucht het Gurke [vgl. Goirke], die een verzoek hebben ingediend om het huis waarin ze hun godsdienst belijden wederom mogen laten repareren. Het mag iets zuidelijker geplaatst worden maar het mag niet vergroot worden [KSM inv.nr.11 dd. 9 september 1724]
Rekest van de regenten en roomsgezinde ingezetenen van de heerlijkheid Tilburg n.a.v. het bericht van hun drossaard over het herbouwen van hun schuurkerk op de grond zuidwaarts van de plaats waar die gestaan heeft. De aannemers hebben echter verklaard dat, als die schuurkerk gebouwd werd op dezelfde manier als de vorige dezelfde kerkschuur wederom zou instorten zoals in een attestatie staat aangegeven. De supplianten verzoeken daarom dat de schuurkerk gebouwd mag worden met een wolvendak en egaal opgestreken in zijn muren tot 14 voeten hoog en de west- en oostschilden tot 20 voeten Rijnlandse maat, in welk geval de te maken schuurkerk nog 22 voeten langer van dak zou zijn als de ingestorte. Een kopie van dit rekest wordt toegezonden aan de drossaard van Tilburg [KSM inv.nr.11 dd. 22 september 1724]
Missive van P. van Hoven drossaard van Tilburg geschreven op 30 september als een advies op het rekest van de regenten en roomse ingezetenen van Tilburg die verzocht hebben om wederopbouw van hun ingestorte schuurkerk en te voorzien van een wolfdak en egaal opgetrokken in zijn muren tot 14 voeten hoog en de west- en oostschilden tot 20 voeten Rijnlandse maat. Na deliberatie is besloten de permissie te verlenen conform hun verzoek [KSM inv.nr.11 dd. 2 oktober 1724]
Missive van P. van Hoeven drossaard van de heerlijkheid Tilburg en Goirle inhoudende dat te Schaijk in het land van Ravenstein een kerkdief actief is geweest en dat het vermoeden bestaat dat de dader een zekere Jan Florijn Dedin is geboortig van ’s-Hertogenbosch. De drossaard van stad en land van Ravenstein geassisteerd met een gerechtsdienaar heeft de dader tot in de heerlijkheid Tilburg achtervolgd en heeft hem uiteindelijk in een herberg aldaar weten te arresteren. Inmiddels heeft de drossaard hiervan kennis gegeven aan de regenten van Tilburg. De schepenen van de stad hebben verzocht genoemde Dedin te mogen horen over deze diefstal, die overigens ontkende dat hij de dader was en die zelfs heeft aangeboden met de drossaard naar de plek te gaan waar de kerkdieverij heeft plaats gevonden of waarvan gezegd werd dat ze begaan was [KSM inv.nr.12 dd. 21 maart 1729]

Missive van de drossaard van Tilburg inhoudende dat hij is geïnformeerd over de stoutigheden door de roomsgezinden uit Tilburg gepleegd i.v.m. een collecte m.b.t. het organiseren van een processie of bedevaart naar Kevelaar. In een hem toegezonden brief wordt gesproken over de ‘godlosen en quadaardige inborst der roomschgesinden’.

De Ho: Mo: schrijven hem terug dat hij tegen personen die hem wat aandoen mag procederen en dat hij permissie krijgt om de pastoor en de priesters aldaar bij hem te ontbieden om hen op de hoogte te stellen van de bedreigingen die hem worden aangedaan en hen te verzoeken de roomse ingezetenen te instrueren dat ze ervoor zorgen dat de drossaard niet wordt lastig gevallen [KSM inv.nr.13 dd. 22 mei 1739]
Missive van P. van Hoven drossaard van Tilburg inhoudende dat hij vanwege de indispositie van de pastoor der roomse kerk aldaar bij provisie aan de kapelaan van de roomse gemeente had voorgehouden de resolutie van de Ho: Mo: van 22 mei en ging er vanuit dat aan de inhoud van die resolutie zou worden voldaan en dat hij zou procederen tegen degenen die een collecte houden i.v.m. een processie naar Kevelaer en hun medeplichtigen. Er zou sprake zijn van vele duizenden guldens die men in gereedheid zou hebben voor de aanleg van de processie en de daders werden opgehitst door kwaadaardige mensen van de roomse religie, waarbij de drossaard nog zou moeten opmerken, dat hij buiten de resolutie van 19 juli 1730 geen wettig plakkaat vond, als alleen dat van 14 april 1649 dat hem zou obligeren tegen het collecteren van gelden te procederen tot lijfstraffen toe [KSM inv.nr.13 dd. 9 juli 1739]
Rekest van drossaard en schepenen der heerlijkheid Tilburg verzoekende om de goedkeuring en autorisatie van de Ho: Mo: om een zekere Johan du Peijrouw zijnde van de gereformeerde religie die heeft verzocht zich te Tilburg te mogen vestigen om onderwijs te geven in de Franse taal, de principes van het Latijn en schrijven, cijferen en geografie tegen een jaartraktement van 150 gl. Een kopie van dit schrijven wordt naar de Raad van State gestuurd die het ter advisering zullen voorleggen aan de Ho: Mo: [KSM inv.nr.15 dd. 23 april 1756]

Missive van Isack Verster kwartierschout in het kwartier Oisterwijk op een rekest van Hendrik Maas drossaard van Tilburg als reactie op een rekest van de kerkmeesters van de roomse kerk binnen de heerlijkheid Tilburg verzoekende om autorisatie om een andere vernieuwing aan haar kerkschuur te mogen aanbrengen en hem wordt het volgende toegestaan: ‘eerstelijk de voorn. kerkschuur te brengen onder een dack en ten dien eijnde de steijlen 8 à 10 duijm te mogen opsetten en deselve van onder met metselwerk te voorsien voor in de grond sakken; in de twede plaats daar op te mogen leggen een egaal nieuw dack van pannenen ’t selve van binnen met planken of leijen te mogen beschieten en de selve ter conservatie van ’t hout te doen verven; in de derde plaats met muuren te ondersteunen daar sulx nodig is en voornamentlijk aan de hoeken van de gevel en daar ’t vereijst word met planken te mogen insluijten; in de vierde plaats de vloer te mogen voirtleggen met ordinaire blauwe hartstenen plavuijsen; in de vijfde plaats den predikstoel te mogen vernieuwen en eijndelijk in de bijplaats een muur welke binnen de kerkschuur agter de voorgevel gestelt is te mogen amoveren [= afbreken] met dien verstaande nogtans dat bij ’t vernieuwen van voors. kerkschuur aan de selve geen uijterlijke ciraden sullen mogen gebragt worden, waar door eenige ergernisse aan die van de gereformeerde religie soude kunnen worden toegebragt”[KSM inv.nr.15 dd. 30 mei 1757]

Missive van Hendrik Maas drossaard van Tilburg op een rekest van de kerkmeesters van de roomse kerk in de heerlijkheid Tilburg nadat bevonden is dat de muren van de sacristie en ’t spreekhuis [consistoriezaaltje of biechtstoel ?] naast het hoogaltaar binnen de kerkschuur die noodzakelijk vernieuwd zouden moeten worden. Ze vragen verlof om de uitgeweken muur van de sacristie en het spreekhuis nog 8 voeten voorwaarts in de diepte en 4 voeten in de breedte te mogen uitsteken; men gaat hiermee akkoord [KSM inv.nr.15 dd 9 september 1757]
Missive van Hendrik Maas drossaard van de heerlijkheid Tiburg op een rekest van de kerkmeesters van de roomse kerken binnen deze heerlijkheid inhoudende dat haar Ho: Mo: in een resolutie van 31 mei 1757 o.a. hadden gepermitteerd om hun kerkenhuis genaamd ‘ de Goirkensche schuur’ staande omtrent de roomse pastorie onder één dak te brengen en ten dien einde de stijlen 8 à 10 duimen te mogen opnemen. Nadat dit werk volgens de richtlijnen was voltooid hebben ze ontdekt dat het hoogaltaar veel te laag was en ze dit graag zouden willen verhogen en daaraan pilaren toe te voegen en deze ter verven in een marmeren kleur en vervolgens de lijsten en bloemwerk te vergulden en er gordijnen te maken; idem tussen de sacristie en het spreekhuis [misschien de biechtstoel bedoeld ?] een deur te maken en de stijlen en ander houtwerk in twee kleuren te verven.

De supplianten zouden ook wel graag ‘de Heikensche kerkschuur’ van binnen willen vernieuwen.

Na deliberatie is besloten de supplianten ter permitteren om in de Goirkense kerkschuur het hoogaltaar te verhoegn en daaraan pilaren te zetten, die met een marmeren kleur te verven en de lijsten en bloemwerk, en waar het verder vereist wordt te vergulden en daarvoor een soort grodijn te maken aan beide zijden van de pilaren. Tussen de sacristie en het spreekhuis deuren te maken. De stijlenen het houtwerk in de kerk te verven met een kleur die daar het beste lijkt.

Wat de Heikense kerkschuur betreft mag men die binnen met planken beschieten, een nieuw altaar aan te brengen en de te verven met een marmeren kleur en te vergulden ondien nodig. Voorts mag men het gewelf [verwulfsel] en het andere houtwerk verven en de vloer gedeeltelijk met blauwe hardstenen plavuizen beleggen [KSM inv.nr.15 dd. 23 mei 1758]



Udenhout

Rekest van de roomsgezinde ingezetenen van Udenhout in kwartier Oisterwijk met een verzoek aan de Ed: Mo: om hen te permitteren op basis van hun privé kosten voor ieder de supplianten nog geen 10 stuivers per jaar, om daarmee een seculier rooms priester, geboren onderdaan van haar Hoog Mogenden, te mogen onderhouden die dan de uitoefening van de roomse godsdienst mag doen, van welk rekest een kopie gestuurd zal worden aan de kwartierschout van Oisterwijk die daarop zijn visie kan geven aan de Raad [KSM inv.nr.9 dd. 12 november 1717]


Missive van kwartierschout Haarsolte van Oisterwijk met zijn advies op het rekest van de roomse ingezetenen van Udenhout nl. dat de roomsen aldaar op basis van zeer abusieve middelen verzochten dat haar Hoog Mogenden via een gunstige tolerantie hen zouden permitteren om op basis van hun eigen privé kosten een seculier rooms priester, onderdaan van de staat, zouden mogen onderhouden. Na deliberatie is besloten dat verzoek niet te honoreren [KSM inv.nr.10 dd. 31 oktober 1718]

Rekest van de roomse ingezetenen van het dorp Udenhout inhoudende dat zij supplianten hun godsdienst hadden uitgeoefend in een afgelegen kerkschuur maar dat deze door ouderdom slecht en bouwvallig was geworden, de dakbedeling was vermolmd, en de gehele opstal met kap, dak als anderszins was versleten. De kerkschuur lag als het ware open en men was al eens beroofd. Gevreesd werd dat de kerkschuur door de minste sterke wind geheel en al zou instorten wat zware ongelukken zou kunnen veroorzaken. Om hun godsdienst in de toekomst te kunnen uitoefenen vragen ze permissie om een nieuwe kerkschuur te mogen bouwen ter lengte van 95 houtvoeten, ter breedte van 46 houtvoeten, de gevel aan de oostzijde 22 houtvoeten en de deuren en vensters naar proportie, het geheel bedekt met riet. Een kopie wordt gestuurd naar de kwartierschout van Oisterwijk [KSM inv.nr.13 dd. 19 oktober 1740]




Vught en Cromvoirt

Missive van de Graaf van Rechteren hoogschout van stad en meierij van ’s-Hertogenbosch als reactie op een rekest van Pieter Karmans, Henricus van Weerd en Franciscus Bortel en verdere ingezetenen van de roomse gemeente van Vught inhoudende dat in het naastgelegen dorp Cromvoirt , voorheen gecombineerd zijnde met de St.Lambertusparochie te Vught, het kerkenhuis van die parochie en nu van elkaar gescheiden [gesepareerd] en nu een eigen rooms priester en kerkenhuis heeft en dat voor die tijd af de 91 roomse ingezetenen ver buiten hun dorp ter kerke gingen die in een andere parochie was gelegen wat vooral in de wintermaanden problematisch was en ongemakkelijk en nadelig voor de gemeente en zelfs voor enkele vooral oude lieden onmogelijk was; het kerkenhuis bleek bouwvallig en in plaats van reparaties uit te voeren vragen ze om het te mogen afbreken en een nieuw stenen gebouw te zetten, waartoe ze verlof krijgen als ze dezelfde hoogte en breedte aanhouden [KSM inv.nr.13 dd. 19 mei 1736]



Rekest van de regenten van de roomse kerkschuur te Vught met een verzoek hen te permitteren om de nodige reparaties aan hun kerkschuur te mogen uitvoeren o.a. de muur op het fundament, de reparatie van het dak, de nodige zitplaatsen te maken en enige plankjes te verven. Dit bericht wordt doorgestuurd aan de hoogschout van stad en meierij van ’s-Hertogenbosch voor nadere berichtgeving in deze [KSM inv.nr.15 dd. 14 maart 1758]
Missive van R.B.R. Graaf van Rechteren hoogschout van stad en meierij op een rekest van de kerkmeesters van de parochie van de roomse kerk te Vught, waarop na deliberatie is besloten hen te permitteren om eerst de gescheurde muur van het kerkenhuis dicht te strijken en enigszins te repareren, het dak te repareren en enige nieuwe zitplaatsen te mogen maken van de oude en ten slotte het houten beschot onder het dak te mogen verven [KSM inv.nr.15 dd. 24 april 1758]
Missive van de pastoor en kerkmeesters van de roomse gemeente Cromvoirt gehorende onder de temporele heerlijlheid van de hoogschout van stad en meierij van ’s-Hertogenbosch, Vught, verzoekende permissie om hun kerkschuur te mogen vernieuwen en aan de zuidzijde te verlengen 9 Rijnlandse voeten als ook daar aan te maken een gevelmuur zo breed als de oude kerkschuur nu is, 14 voeten hoog boven de oude vloer, tot onder de muur van het schild van het dak, na beloop van hetzelfde aangemerkt, ter dikte van een mop of ijsselsteen en daarin aan te brengen een deur hoog 7 en breed 4 voet 8 duijm, alsmede daarin te maken 2 dubbele ramen hoog 5 ½ voet breed 4 ¾ en dan nog een derde raam wat kleiner als de 2 vorige, naar de eis van het werk; bovendien aan de oost- en westzijde een muur te mogen metselen 10 Rijnlandse voeten hoog boven de fundamenten opgewerkt, mede ter dikte van een mop of ijsselsteen en in ieder van de genoemde zijmuren 3 dubbele glasramen te mogen maken hoog 5 en breed 4 ½ voet; voorts om het oude dak van onder op te winden dat het over de zijmueren [zuijdmuren] op een geschikte manier kan afwateren en het houtwerk dat vergaan of slecht bleek te zijn te mogen repareren alsmede om een gebint van 2 staande stijlen, dwarsbalk, wormen of gordingen en hetgeen daar verder aan vereist wordt, zowel wat betreft het oude dak dat te zwak was en het nieuwe dak boven dat gedeelte dat de kerkschuur vergroot zou worden te ondersteunen en verder om het nieuwe schild en de 2 zijstukjes. De vergrote kerkschuur zou men dan kunnen beleggen met dezelfde soort vloerstenen of bakken als die nu in de oude kerkschuur liggen, de trap naar de zolder kan verplaatst worden achter tegen de nieuw te maken gevelmuur en wat daaraan bouwvallig is kan gerepareerd worden en ook het deurtje kan verplaatst worden. Bovendien mag men het dak met planken beschieten en daartoe het nodige ‘biggelwelwerk’ (?) te maken dat tot sluiting van de kap zou dienen en voorts het nodige ijzerwerk zowel voor muurankers als andersinds. Ook wil men graag al het houtwerk verven met olieverf tot conservering van het hout. Het bericht wordt doorgestuurd naar de hoogschout [KSM inv.nr.15 dd. 11 juni 1761]
Missive van de hoogschout van stad en meierij van ’s-Hertogenbosch geschreven te Gramsbergen op de 14e als reactie op het rekest van de pastoor en kerkmeesters van de roomse gemeente van Cromvoirt in kwartier Oisterwijk die hebben verzocht om reparatie en vernieuwing van hun kerkschuur welke missive wordt doorgestuurd naar de Haagse heren belast met de Meierijse zaken [KSM inv.nr.15 dd. 18 augustus 1761]

Missive van de hoogschout geschreven te Gramsbergen op een rekest van de pastoor en kerkmeeesters van de roomse gemeente Cromvoirt die om vergroting, vernieuwing en verbetering van hun kerkschuur hebben verzocht en hen wordt gepermitteerd om de kerkschuur naar de zuidzijde te mogen verlengen 9 Rijnlandse voeten als wanneer die lang zal zijn 39 voeten en ze mogen er een gevel aan maken zo breed als de oude kerkschuur nu is, 14 voeten hoog boven de oude vloer tot onder het schuin oplopende strooien dak aangewerkt ter dikte van een mop of ijsselsteen en daarin te stellen een deur hoog 7 en breed 4 voeten 8 duimen en daarin mogen ze naken 2 dubbele glasramen hoog 5 en breed 4 ¾ voeten en nog een 3e raam iet skleine als de 2 vorige boven de deur, alles naar de eis van het werk en het lood gehecht; aan de oost- en westzijde mogen ze een muur metselen 10 Rijnlandse voeten hoog boven de fundamenten opgewerkt mede ter dikte van een mop of ijsselsteen en in ieder der beide zijmuren een dubbel raam hoog 5 voeten en breed 4 ½ voeten om het oude dak van onder op te winden, zodat het over de zuidmuren [zijmuren] op een geschikte manier kan afwateren; het houtwerk dat vergaan of slecht is mag men repareren en binnen een gebint toevoegen van 2 staande stijlen, dwarsbalk, worm of gordingen en hetgeen daar verder aan vereist wordt, zo om het oude dak dat te zwak is alsmede het nieuwe dak boven dat gedeelte dat de kerkschuur vergroot zou worden, te ondersteunen en verder om het nieuwe gevelmuurtje en de 2 zijstukken, waarmee de kerkschuur vergroot wordt, met gordingen, muurplaten of scheuten te voorzien en dus als een dak met het oude aangevoegd en bij gedekt te worden alsmede de vloer van het gedeelte dat de kerkschuur vergroot zou worden, te beleggen met dezelfde soort steenen of bakken als in de oude kerkschuur liggen en hetgeen aan de oude versleten of door het leggen der fundamenten gebrokenwordt te repareren, gelijk ook de zangzolder en de trap die tot opgang diende, te verzetten tegen de te maken gevelmuur en wat daaraan bouwvallig is meteen te repareren en bij de planken niet boogsgewijs maar spits opgaande tegen het spoorwerk te beschieten. Voorts het nodig ijzerwerk zowel tot anders aan de muren als andersinds te mogen maken naar de eis van het werk. Vervolgens is toegestaan al het houtwerk zowel binnen als buiten de kerk met gewone olieverf, tot conservering van het hout te mogen verven met conditie dat na de permissie de bouw binnen 6 maanden voltooid moet zijn en een extract van dit schrijven wordt naar de hoogschout gestuurd [KSM inv.nr.15 dd. 9 november 1761]

Rekest van pastoor en kerkmeesters van de roomse gemeente van Cromvoirt in kwartier Oisterwijk aan wie is geaccordeerd om hun kerkschuur te mogen verbeteren en vergroten mits de bouw binnen 6 maanden is voltooid. De supplianten hebben van het aanbod van november 1761 geen gebruik kunnen maken uit vrees voor de vorst en de overstroming vanwege het hoog water. Ze zijn pas kunnen beginnen in april of begin mei 1762. Ze vragen nu om interpretatie van de resolutie van 9 november 1761 en dat het werk pas zal beginnen mei 1762. De zaak wordt voorgelegd aan de heren der Meierijse zakne om alles nader te onderzoeken [KSM inv.nr.15 dd. 4 maart 1762]
Waalwijk

Op deze dag volgt een bericht over het nader onderzoek van een rekest van drossaard, borgemeesters en schepenen der vrijheid Waalwijk m.b.t. een door de Raad van Brabant opgesteld reglement over het functioneren van de lokale schepenbank, die bij voorkeur zal bestaan uit gereformeerde schepenen. Het reglement omvat 15 artikelen die kort samengevat op het volgende neerkomen:



  • de vergaderingen zullen gehouden moeten worden op het stadhuis

  • de gerechtdagen zullen door de schepenen gehouden worden als vanouds

  • ze mogen geen verteringen opnemen ten laste van de vrijheid

  • de schouwen die gebruikelijk zijn zullen worden gehouden op de gewone tijden en met het aantal personen zoals men vanouds gewend is te doen nl. 5 à 6 personen

  • op de gewone schouwdagen mag men verteringen opnemen zoals vanouds gebruikelijk

  • de borgemeesters zullen jaarlijks hun rekening overleggen en deze laten afsluiten binnen een periode van 6 weken of hooguit twee maanden

  • alvorens de rekeningen te sluiten dient er een publieke en tijdige aankondiging aan vooraf te gaan via aanplakbiljetten [affixie van biljetten] zodat de geërfden en ingezetenen zich naar het raadhuis kunnen begeven

  • de rekeningen dienen op de vastgestelde dag gesloten te worden met open deuren ten aanhore van allen die present zijn zoals men naar ouder gewoonte gewend is en moeten worden ondertekend door schout, schepenen en de notabelste geërfden

  • mocht de rendant [= rekeninghouder] meer heeft ontvangen dan uitgegeven zal hij het overschot overdragen aan de volgende borgemeester om tot nut van de gemeente aangewend te worden

  • mocht hij meer hebben uitgegeven dan ontvangen kan hij gedwongen worden tot restitutie

  • mochten de regenten enige penningen nodig hebben ten behoeve van de vrijheid van Waalwijk dan dient een convocatie [= algemene oproep] te volgen voor een vergadering

  • hetzelfde geldt in geval de regenten betrokken worden in bepaalde processen zowel vanuit eigen initiatief als de vrijheid aangedaan via derden

  • de regenten zullen een jaarlijkse vertering genieten wanneer de schepenbank wijzigingen ondergaat tot een bedrag van 100 gulden

  • het reglement van 12 november 1681 zal hierbij te niet verklaard worden

  • voorts zal onderhouden worden wat gebruikelijk is vanuit het reglement van de Hoog Mogenden dd. 1 april 1660 [KSM inv.nr.6 dd. 1 april 1682]

Rekest van de kerkmeesters van de roomse gemeente van Waalwijk met het verzoek aan de Ho: Mo: hen te permitteren het rietendak van hun kerkschuur te mogen vernieuwen, zo ook de vloer, die nu ten dele uit planken bestaat voor het geheel te mogen leggen met plavuizen en daarbij de dorpels van de 2 kerkdeuren in steen; voorts het vernieuwen of repaeren der deuren, vensters, beschot, trappen, zoldering en de ribben en kozijnen daaraan behorende, zo ook de poorten en heiningen van de kerkplaats. Alles wat tot de kerk behoort te mogen verven en 2 dakvensters in steen te zetten en nog een klein dakvenster gelijk ook een ander daar tegenover te maken; vervolgens het dak nog 24 voeten land en 10 voeten breed met planken te beschieten gelijk het overige beschoten is, een klein blind tegen de glazen boven, de ene kerkdeur te maken gelijk ook de andere blinden te veranderen en dan voorts de kerkschuur achterwaarts uit naar de dijk 2 gebinten ter lengte van 25 voeten te mogen vergroten, aan de ene zijde en de andere zijde 2 nieuwe kozijnen en vensters, komende achter in de gevel 1 voet in het vierkant te vergroten. De kerkdeur en vensters met hun kozijnen, preekstoel, biechtstoel zangersplaatsen daar bij te maken naar de eis van het werk. Ze verzoeken ook om de voorplaats van de kerk te mogen vergroten, de kerk van binnen verder te beschieten, achter en wederzijds, de zoldering, balkons, stijlen en verder alles te maken en te verzetten naar proportie en de eis van het werk en daarbj nog een andere trap te maken zoals de andere daar tegenover. Wat de stoelen, banken en zitplaatsen van hun kerkschuur betreft verzoeken ze de Ho: Mo: hetzelfde te besluiten zoals ze dat hebben gedaan op 27 december 1756 voor de pastoor en kerkmeesters van de stad Helmond. Een kopie van dit schrijven gaat naar de kwartierschout van Oisterwijk en men wacht diens reactie af [KSM inv.nr.15 dd. 27 april 1761]




Kwartier Maasland
Alem Maren en Kessel

Missive van de Raad van Brabant als advies op een rekest van de regenten van Alem en Maren in kwartier Maasland verzoekende dat haar Ho: Mo: van het privilege of recht van benadering gelieven te ontslaan de koop van hen gedaan van een zeker huis toebehorende aan Johanna Catharina Wardeveld weduwe van luitenant Moller om te dienen tot een pastoriehuis voor de predikant en dat de Ho: Mo: de regenten van Alem gelieven te permitteren om ten laste van haar corpus te mogen negotiëren [= opnemen] een som van 1200 gl [KSM inv.nr.14 dd. 16 april 1745]


Missive van de Raad van State op een rekest van de regenten van de heerlijkheid Alem die hebben verzocht geld te mogen opnemen ten laste van het corpus van Alem vanwege de aankoop van een zeker huis dat zou kunnen dienen als pastoriewoning voor de predikant waarvan eigenaresse is de weduwe Muller [elders Moller]. Na deliberatie is besloten dat ze 1200 gl. tegen 3% mogen opnemen [KSM inv.nr.14 dd. 10 september 1745]
Rekest van de regenten van Alem inhoudende dat O.Juijn en J.L. Verster via die van Alem en Maren hadden verkocht het huis van de weduwe van Cornelis Coenraad Muller om te dienen als pastoriewoning voor de predikant van Alem voor een bedrag van 1200 gl. [KSM inv.nr.14 dd. 21 september 1745]
Rekest van de roomse ingeetenen van Maren inhoudende dat hun pastoor Nicolaas Smelders die pastoor was van Kessel en Maren onlangs is overleden en dat bij die gelegenheid de roomse ingezetenen der heerlijkheid Kessel, zoals de supplianten geïnformeerd waren, via een rekest aan de Ho: Mo: hebben verzocht dat aan hen afzonderlijk een pastoor zou worden geaccordeerd. Die van Maren bepleiten echter dat de beide dorpen niet in staat zijn ieder een afzonderlijke pastoor te onderhouden en dat daarom beide plaatsen door een en dezelfde pastoor moeten blijven bediend worden. Men verwijst in dit verband naar een resolutie van 18 septmber 1709 door de Ho: Mo: uitgeschreven op een rekest van Arnoldus van Blankendaal predikant te Kessel waarbij aldaar een zekere priester was geremoveerd. de supplianten verzoeken om een authentieke kopie van die resolutie, welk verzoek wordt gehonoteerd [KSM inv.nr.14 dd. 3 december 1745]
Missive van de Raad van State op het rekest van de regenten der heerlijkheid Alem betreffende de aankoop van een zeker huis van de weduwe Muller om te dienen tot pastorie voor de predikant aldaar. Na deliberatie is besloten de rentmeester der geestelijke goederen Tengnagel te gelasten een bedrag van 600 gl. a;ls van 400 gl. uit te reiken aan de supplianten tegen 3% en worden nadere deatils gegeven over de verdere finaciële afwikkeling [KSM inv.nr.14 dd. 10 december 1745]

Missive van de Raad van State op een rekest van de Roomse ingezetenen van de heerlijkheid Kessel te kennen gevende dat vóór de reductie van stad en meierij van ’s-Hertogenbosch binnen hun heerlijkheid altijd een parochiekerk die door een afzonderlijke pastoor is bediend, doch dat enige jaren geleden binnen de heerlijkheid geen rooms pastoor de dienst heeft waargenomenen de ingezetenen verplicht waren geweest in het naastgelegen dorp Maren ter kerke te gaan, maar nu dienen ze weer een verzoek in voor een eigen afzonderlijke pastoor zijnde een rooms werelds priester voorzien met een missie van de vicaris en geadmitteerd door de Raad van State, maar na deliberatie is besloten het gedane verzoek af te slaan [KSM inv.nr.14 dd. 13 mei 1746]


Berghem

Missive van de hoogschout van stad en meierij van ’s-Hertogenbosch aangevende dat hij onlangs heeft geconstateerd dat te Berghem in het kwartier van Maasland een zekere Dirk Hoex woonde, behorende tot een geschikte roomse familie, die sedert geruime tijd zich in stilte had bezig gehouden met het lezen en onderzoeken der christelijke religie en dat daarover onder de roomsche veel beweging was en hij als hoogschout gemeend had dat sulks toch wel dienstig was om nader onderzocht te worden. Dat hij daarom de predikant van Berghem bij zich had ontboden die het aangehaalde wel had bevestigd maar dat hij deze Dirk Hoex, uit vrees van het pausdom, nooit had durven aanspreken, met de bijvoeging, dat de zussen van genoemde Hoex zijnde 5 in getal en mogelijk meer andere ingezetenen van zijn gevoelens niet vreemd zouden zijn, dan die uit bekommering zich niet openlijk durfden declareren. Dat hij hoogschout daarop, zowel met de predikant als met de roomse priester en pastoor te ’s-Hertogenbosch Lambertus Hoex, zijnde een neef van genoemde Dirk, gesproken heeft en de predikant op de 22e van deze maand in substantie had geschreven, dat hij genoemde Dirk Hoex gesproken had en hem had gevraagd welke reden hij had om niet meer naar de roomse kerk te gaan, waarop die antwoordde, dat hij door het lezen van boeken zoveel licht had bekomen, dat hij de pastoor kon dood doen of pal zetten en dat hij hem niet meer wilde horen wanneer hij schriftuurteksten bijbracht en dat hij gewild had hij zich van de boeken wilde onthouden. Voorts meldt de hoogschout dat hij op basis van de binnengekomen informatie en ook vanwege de importantie van de zaak, besloten had om samen met zijn stadhouder naar Berghem af te reizen om alles van nabij te onderzoeken. Daar eenmaal aangekomen was hij verder geïnformeerd door de predikant. Hem werd tevens verteld door een van de zussen van Hoex , die was getrouwd met de molenaar Jan Schuurmans, waarbij ze 7 kinderen had, door haar man was vervoerd naar Deursen in het land van Ravenstein waar ze in een klooster was gebracht, dat ook een andere zuster, die, zoals de broeder zei, de beste kennis had en getrouwd was met een zekere Jan Claasen van den Heuvel, die met haar man met achterlating van huis en hof, dezelfde dag, kort voor de komst van de hoogschout, naar Megen waren getrokken en dat er ook al enige malen tumulteuze vergaderingen van enige ingezetenen door het blazen op de hoorn bijeengeroepen waren om genoemde Dirk Hoex zowel zijn persoon als goederen geweld aan te doen, dat hij dat onverschrokken afgewacht en door goede woorden en waarschuwingen had afgekeerd.

Dat zij daarop genoemd Dirk Hoex ontmoet hadden en hij daar is gehoord door de predikant en twee naburen die daar ook present waren geweest en dat hij [hoogschout] alles conform het rapport van de predikant van het dorp gevonden hebbende, gemeend had aan Dirk Hoex en de zijnen alsmede aan de predikanten tot aanmoediging te moeten en te mogen geven alle verzekering van de hoge protextievan haar Ho: Mo; tegen alle insultes of kwade bejegeningen die haar rond deze zaak zouden worden aangedaan. Dat hij hoogschout de roomse pastoor bij zich heeft laten komen en hij, nadat hij op haar voorgehouden vragen in substantie hetzelfde geantwoord had als de pastoor te ’s-Hertogenbosch Lamberrtus Hoex, hiervoor gemeld, op een uiterst serieuze wijze heeft gereprimendeerd en voor oegen gehouden, hoe hij zich door de conduite [gedrag] van hem en andere roomse priesters in deze gehouden, de gunstige coniventie [oogluiking] van de Ho: Mo; onwaardig gemaakt had, met ernstige recommandatie van deze en andere lieden die genegen mochten zijn om tot de ware gereformeerde religie over te gaan omgemoeid en op z’n minst ongemolesteerd te laten. Voorts gelast hij de roomse pastoor er voor te zorgen dat de ontvoerde zussen van Dirk Hoex weer teruggebracht worden onder de genade en coniventie van de Ho: Mo: in hun woningen en zegt de pastoor aan en dreigt hem, om bij ontstentenis van dien tegen hem en de roomse gemeente maatregelen worden genomen. Dat heeft zijn uitwerking gehad want op aanschrijven van de pastoor was de molenaarsvrouw reeds thuis gekomen. De hoogschout liet bovendien weten aan de persoon en diens zussen dat zij konden rekenen op de protextie van de Ho: Mo: tegen de acties die aan haar door die van de roomse religie zouden worden toegebracht en bij continuering zal hij de roomse pastoor van Berghem er aan houden dat hij de ontvoerde vrouw die nog niet teruggekeerd is ten spoedigste zal terugbrengen onder de gehoorzaamheid van de Ho: Mo: . De predikant van Berghem gelast hij om een toezicht op alles te houden en zich hiervan niet uit vrees van zijn plicht laat afbrengen [KSM inv.nr.14 dd. 30 juni 1750]

Missive van de hoogschout van stad en meierij van ’s-Hertogenbosch inhoudende dat de roomse priester N. van Venrooij aan de hem gegeven order had voldaan en de volgende dag aan hem had te kennen gegeven dat hij op de gegeven order aldaar gekomen was en dat de voornoemde priester hem zich zeer tevreden getoond had en verzocht had te mogen weten wat de redenen daartoe waren en waarin hij mocht misdaan te hebben. De hoogschout heeft hem toen alleen gezegd dat het de wil was van de Ho: Mo: en dat hij hem ernstig vermaande eevoudig daaraan te gehoorzamen en dat ’s morgens tevoren de predikant van Berghem was komen vertellen, dat wanneer hij de dag te voren de vrouw van Jan Claasen van den Heuvel, die naar het graafschap Megen vervoerd was geweest, was wezen opzoeken en haar had aangemoedigd geen enkele vrees te hebben om dat voornemen dat zij mocht hebben om van de roomse dwalingen tot de ware gereformeerde godsdienst over te gaan, langer te verbergen en dat, zo zij nog enige zwarigheden of twijfel had dat aan hem te openbaren, zodat hij die van haar mocht oplossen. Ze heeft toen aan hem openlijk en met veel ‘bemoedsbeweging’ verklaard dat ze absoluut van intentie is om over te gaan naar de ware gereformeerde religie. Ze verzocht verder, dat de man die buiten het huis was, op die samenspraak thuis komende zeer ontevreden was geweest en op een ruwe wijze aan de predikant had aangezegd dat hij niet begreep dat hij in zijn huis kwam en de vrouw van haar werk hield en dat, zo zijn vrouw van hem onderwezen wilde worden hij zulks maar in de kerk moest doen. De hoogschout heeft vervolgens aan de predikant de boodschap gegeven zich hierdoor niet te laten afschrikken want hij heeft immers een vrije toegang tot de mensen en in de huizen mocht gaan wetende dat hij in bescherming werd genomen. De predikant rapporteerde hem vervolgens dat Jan Claasen van den Heuvel bezig was met een en meubilaire goederen te verkopen, zodat het scheen dat het zijn voornemen was om in stilte op te breken en wellicht de vrouw van alles bevrijd te laten zitten, waartegen de hoogschout zover het hem doenlijk was, haar in protectie te nemen, speciaal ten einde van al zijn vaste goederen niet mochten worden veraliëneerd, doch dat men ondervond dat de mannen haar vrouwen en ook wel de vrouwen haar mannen onderhielden van de goddelijke waarheden te onderzoeken onder voorwendsel dat zij de tijd daartoe gebruikende haar dagelijks werken dus haar huishouden verzuimden. Daarom had hij gemeend haar Ho: Mo: in overweging te moeten geven of zij niet zouden kunnen goedvinden, mede tot wegneming van die verwijten, aan den predikant, tot aanmoediging, op een of andere wijze in staat te stellen van de lieden waarvan het nodig geacht werd, somtijds met een gratificatie die niet important hoeft te zijn te ondersteunen. Dit schrijven wordt ter hand gesteld aan de heren gedeputeerden in Den Haag die belast zijn met de Meierijse zaken [KSM inv.nr.14 dd. 20 juli 1750]


Missive van de hoogschout met een missive van de predikant van Berghem aan zijn stadhouder geschreven, waarin de Ho: Mo: zouden kunnen zien dat Jan Claasen van den Heuvel die men had moeten noodzaken om zijn vrouw, die hij naar het graafschap Megen had vervoerd, wederom onder de gehoorzaamheid van de Ho: Mo: te laten terugkeren en die haar op allerlei wijzen mishandelde; dat de andere zusters nl. de ongehuwde en de molenaarsvrouw, naast nog een derde getrouwde, en broeder Dirk Hoex bij de predikant waren komen klagen over bedreigingen. Voorts is het de mening van de hoogschout om de samenleving tussen genoemde Dirk Hoex en de zijnen met de tot nog toe roomsgezinden niet te scheuren, maar dat het scheen dat de bitterheid van het pausdom zo groot was dat die luiden zonder zonder zachte middelen voor de wraakzucht en vervolging de roomsgezinden niet zou kunnen worden gedekt, gevende hij de hoogschout aan de Ed: Mo: in overweging, tot voorkoming van verdere onheilen en tot geruststelling van de bekommerde mensen, dat zij zouden goevinden om bij provisie enige militie van zo’n 25-30 man daar heen te sturen totdat de rust is hersteld en logeren in de huizen [KSM inv.nr.14 dd. 1 augustus 1750]
Missive van stadhouder Juijn die afgelopen week een bericht had ontvangen over de stoutigheden van het pausdom te Berghem in kwartier Maasland en dat Dirk en Geertruij Hoex, die beiden openlijk tot de gereformeerde religie waren overgegaan zeer mishandeld werden, dat hij daarop aanstonds een expresse te paard zond aan de predikant aldaar, om over alles nader geïnformeerd te worden. Het antwoord van de predikant bevestigde de berichten aan het adres van Geetruij die dit alles niet langer kon lijden verwijzend naar de mishandelingen maar ook van de standvastigheid van Geertruij. Het aldaar orde op zaken stellen was volgens hem bittere noodzaak alleen al vanwege de afschrikwekkende werking van de waarheid van de gerefoemeerde religie te omhelzen. De stadhouder begrijpt ook dat de informatie over de gepleegde feitelijkheden niet hoorden of konden gelicht worden voor schepenen van Berghem die allen roomsgezind zijn en die zich trouwens hadden vervoegd bij de schepenen van ’s-Hertogenbosch om te Berghem zich nader te laten informeren. Zij hadden om orde op zaken te stellen twee commissarissen op de 28 augustus ’s morgens met het openen van de poort naar Berghem gestuurd nadat daags te voren de secretaris van het hoog officie daar heen was gegaan met twee dienaars, mede ter geruststelling van de predikant en andere goede luiden. Ter plaatse hebben zij de informatie gekregen over Dirk en Geertruij Hoex, van de weduwe van Willem van ’t Hoffen van dominee Schonenberg predikant aldaar, zoals blijkt uit de authentieke kopie die bij het rekest is gevoegd. Voorts hebben de schepenen een declaratoir opgesteld dat ook is toegevoegd aan dit rekest. Men hoopt dat de Ho: Mo: accpeteren dat maatregelen genomen worden ter plaatse, ter bescherming en beveiliging van de genoemd elieden alsmede tot aanmoediging van alle anderen die genegen zijn om de gereformeerde religie te omhelzen [KSM inv.nr.14 dd. 5 september 1750]

Missive van de hoogschout van stad en meierij aangevende dat het de Ho: Mo: behaagd had hem te gelasten om zorg te dragen voor de protectie van enige gereformeerden aldaar en van hen die genegen zouden zijn over te gaan naar de gereformeerde godsdienst en om ‘den blinden godsdienst van roomsche godsdienst te betugelen’ zal provisioneel voor een periode van 2 à 3 maanden te Berghem, op kosten van de roomse ingezetenen, 3 of 4 extra ordinaire dienders worden geplaatst. Het ware wenselijk om als die periode voorbij is dergelijk maatregelen niet meer genomen hoefden te worden, maar uit reacties van de stadhouder van de hoogschout en de predikant van Berghem is hen gebleken dat men een verlenging van die termijn noodzakelijk achtte. De hoogschout heeft zich hierom gewend tot de Ho: Mo: om verlof voor die verlenging te krijgen. Resutaat was dat de hoogschout de inkwartiering of het logeren van die dienders mag verlengen met drie maanden [KSM inv.nr.14 dd. 30 december 1750]


Missive van de graaf van Rechteren hoogschout van stad en meierij van ’s-Hertogenbosch inhoudende een bericht over de stand van zaken te Berghem in kwartier Maasland i.v.m. de reformatie van diverse roomse ingezetenen met een uitgebreide verklaring van die lieden, die volgens haar Ho: Mo: resolutie de dienders ingelogeerd hebben gekregen en een missive van de predikant Schonenberg van Berghem dat de stoutigheden van de roomsgeznden hoe langer hoe meer de overhand krijgen en wel zodanig dat grotere onheilen te duchten zijn indien er niet efficiënt tegen opgetreden wordt. Voorts geeft de hoogschout in overweging of de Ho: Mo: niet zouden kunnen goedvinden de inlogering van twee assistenten ten laste van de roomse ingezetenen van Berghem voor een periode van 2 maanden te continueren. Na deliberatie is besloten dat deze missive aan de gedeputeerden van de raad van State doorgestuurd zal worden voor nader onderzoek. Uiteindelijk wordt de inlogering van de twee assistenten bij provisie voor een periode van 3 maanden verlengd als de vorige termijn afloopt [KSM inv.nr.14 dd. 20 maart 1751]
Missive van de graaf van Rechteren aan haar Ho: Mo: berichtende wat hij allemaal heeft gedaan om te voldoen aan hun resolutie van 26 maart jl. waarbij de pastoor van Berghem uit zijn bediening is gezet met last om binnen 24 uur na deze insinuatie uit Berghem te vertrekken en zich te begeven buiiten het resort van de staat en zich daar binnen ergens op te houden of daar weder in te komen op pœne van zwaardere straffen en de hoogschout wordt gelast er zorg voor te dragen dat dit besluit ten uitvoer wordt gebracht en bovendien aan de vicaris van het bisdom ’s-Hertogenbosch uit naam van de Ho: Mo: aan te zeggen dat hij aan haar moest overgeven 3 à 4 moderate, vredelievende en behoorlijk gekwalificeerde subjecten, om daaruit door haar Ho: Mo:, nadat gebleken zou zijn dat aan diegenen die de roomse religie verlaten hebben en tot de gereformeerde religie zijn overgegaan of die zich daartoe genegen toonden, volkomen vrijheid daartoe gelaten zou worden. Te Berghem kan door de vicaris een pastoor met een akte van zending en voorzien van een admissie worden voorgedragen en deze voordracht door de vicaris zal de hoogschout doorsturen naar de Ho: Mo: met toevoeging van zijn eigen beschouwing in deze zaak [KSM inv.nr.14 dd. 24 juni 1751]

Missive van de vicaris van het bisdom ’s-Hertogenbosch die aan de hoogschout een voordracht doet van drie personen die volgens hem in aanmerking omen om als pastoor te Berghem aangesteld te worden nl. Johannis van den Broek die nu kapelaan is te Waspik in de Langstraat, Johannes Vervorst kapelaan te Boxtel en Wilhelmus Beeckmans kapelaan te Schijndel en volgens de hoogschout zou daaruit Johannis van den Broek, geboren te Waalwijk en dus afkomstig uit de Meierij, van een akte van zending kunnen worden voorzien door de vicaris van het bisdom en met een akte van admissie van de Raad van State. De hoogschout geeft dat de Ho: Mo: in overweging om genoemde Van den Broek, eenmaal aangesteld zijnde, te recommanderen of te laten recommanderen om zich naar vermogen in te spannen om alle onlusten te Berghem te herstellen en er naar vermogen zorg voor te dragen, dat aan de gereformeerden en aan allen die de gerefomeerde religie zijn toegedaan, alle vrijheid te geven. De assistentie en inkwartiering van dienaren zal gecontinueerd worden totdat de pastoor in functie is getreden en via hem de rust in Berghem zal zijn teruggekeerd [KSM inv.nr.14 dd. 24 juni 1751]


Rapport van de Haagse heren belast met de Meierijse zaken en andere gedeputeerden die een missive hebben onderzocht van de Graaf van Rechteren hoogschout van stad en meierij van ’s-Hertogenbosch die daarin had aangegeven dat hij de pastoor van Berghem uit zijn functie had ontslagen met last om zich binnen 24 uur buiten het resort van de staat te vestigen en dus uit Berghem te vertrekken [zie 24 juni 1751]. Daarop is gedelibereerd en besloten aan genoemde hoogschout te gelasten dat hij aan de vicaris van het bisdom verzoekt Johannes van den Broek thans kapelaan te Waspik een akte van zending te geven die ook voorzien zal worden van een akte van admissie namens de Raad van State en dat de hoogschout de ingekwartierde assistenten te Beghem daar voorlopig nog laat blijven tot 1 oktober en hij wordt gelast de Ho: Mo: van tijd tot tijd te informeren over de uitwerking van de aanstelling van de nieuwe pastoor voor wat betreft het herstellen van de rust te Berghem. Een extract van de resolutie van de Ho: Mo: zal worden toegezonden aan de Raad van State met speciaal verzoek dat men van daar uit er op toe zal zien dat de nieuwe pastoor zich naar vermogen inspant om zijn parochianen aan te manen en te brengen tot verdraagzaamheid zoals de Ho: Mo: die begeren ten opzichte van degenen die reeds zijn overgegaan tot de ware gereformeerde religie of genegen zijn dat te doen en de burgerlijke samenleving niet te laten vertroebelen door de verschillen in godsdienst [KSM inv.nr.14 dd. 21 juli 1751]

Missive van A.J.Verster stadhouder van kwartier Maasland inhoudende dat op de 1e van deze maand november nl. op de feestdag van Allerheiligen ’s avonds tussen kwart over 8 en kwart voor 10 aan het huis van predikant Schonenbergh ‘seer groote insolentien en vehemente geweldenarijen zoo met het inslaan en verbreijselen van glaasen en glasraamen als sterck bonsen en stooten op de voordeur’ gepleegd zijn, vermeld in bijage 1 en 2 die bij deze missive zijn gevoegd. Hierop heeft de stadhouder terstond onderzoek [recherche] uitgevoerd en de nodige inspanningen gedaan om de daders van dat enorm feit en in ieder geval enigen van hen te ontdekken, maar daarin was hij niet in geslaagd. Volgens hem was het geenszins geschied door dieven, landlopers of vagebonden die uit waren op roven en stelen. De 12e november, terugkerende vanuit Den Haag waar hij was voor zaken betreffende het hoogschoutambt, had hij bij thuiskomst een brief ontvangen van predikant Schonenbergh met de mededeling dat die gewelddadigheden gepleegd waren door roomsgezinden als ook de mishandelingen aan het adres van Geetruij Hoex die van de roomse religie was overgegaan naar de gereformeerde godsdienst. Daarop heeft de stadhouder de secretaris van het Hoog Officie naar Berghem gestuurd om de nodige informatie te vergaren. Uiteindelijk meldt hij zich bij de secretaris van Berghem N.Nieuwenhuijzen om een authentieke kopie van de reeds eerder opgegeven informatie, die hij op basis van een resolutie van 13 mei 1670 en van 11 juni 1751 verplicht was te geven. Nieuwenhuijzen maakte echter bezwaar daaraan te voldoen zonder orders van de stadhouder van het kwartier. De secretaris van het Hoog Officie kon daarop onverrichterzake terugkeren naar ’s-Hertogenbosch [KSM inv.nr.14 dd. 13 november 1751]


Rapport van de heren gedeputeerden van de Meierijse zaken en van de Raad van State die de missive hebben onderzocht van stadhouder Verster van kwartier Maasland aangaande de gebeurtenissen op Allerheiligen 1751. Het schrijven van de 13e november wordt grotendeels herhaald en de geweldpleging wordt toegeschreven aan de ‘bittere roomsgezinden’ uit Berghem zelf of uit naburige dorpen. Om verdere insolenties te voorkomen worden de inwoners van Berghem gelast om ’s avonds en verder de hele nacht de wacht te houden bij de pastorie van de dominee met zes gewapende mannen en erop toe te zien dat er geen overlast zou kunnen geschieden en dat anders tegen hen vanwege het gepleegde geweld geprocedeerd zou worden. Inmiddels was hem door Geerrtuij Hoex de vrouw van Jan Clasen, die de roomse godsdienst had verlaten, te kennen gegeven dat ze op donderdag 28 oktober 1751 ’s avonds door haar man, omdat zij in een bijbel zat te lezen, roomse boeken werden aangeboden maar die accepteerde zij niet, zodat zij door hem op een wrede en onmenselijke manier werd geslagen, getrapt, mishandeld en dat het verder te duchten was, dat de predikant en de gereformeerden en nieuw bekeerden, ondanks dat ze extra beschermd werden door een detachement militie of een groter getal dienaren van justitie, meer overlast te verduren zouden kunnen krijgen, en aan beschimpingen en geweld blootgesteld zouden kunenn worden met alle droevige gevolgen van dien. De stadhouder vraagt de Ho: Mo: hem te adviseren hoe hij zich in deze situatie moet opstellen. Voorts is een missive onderzocht van hoogschout de Graaf van Rechteren met verzoek dat de missive en bijlagen van de stadhouder hem toegezonden zou mogen worden. Na deliberatie is besloten de stadhouder van het kwartier van Maasland zal worden teruggeschreven dat haar Ho: Mo: zich laten welgevallen de recherche die hij heeft gedaan om de gewelddadigheden gepleegd aan het huis van predikant Schonenberg te ontdekken en dat hij de ingezetenen van Berghem gelast heeft ’s avonds en ’s nachts de wacht te houden bij het huis van de predikant en vervolgens wordt hij aangeschreven over het feit dat hij de beschikbare informatie niet heeft doorgestuurd naar de hoogschout of diens stadhouder, wat hij op basis van een plakkaat van de Ho: Mo: van 28 april 1691 wel had moeten doen o. a. de informatie over de mishandeling van Geertruij Hoex door Jan Claasen. Voorts zal secretaris van Nieuwenhuijzen te Berghem worden gelast om aan haar Ho: Mo: ten spoedigsten te berichten, waarom hij ter odedientie van haar Ho: Mo: van 13 mei 1670 de informatie niet had doorgegeven aan de secretaris van het hoog officie. Ten slotte besluit men de missive van stadhouder Verster en een authentieke kopie van de bijlage ter hand zal worden gesteld aan de hoogschout van stad en meierij om het recht van de generaliteit in genoemde zaak waar te nemen [KSM inv.nr.14 dd. 2 december 1751]
Missive van de Graaf van Rechteren hoogschout van stad en meierij van ’s-Hertogenbosch die het rapport doorstuurt van zijn stadhouder en twee commissarissen aan de schepenstoel van de stad, die op de 29e november gezamenlijk op bezoek zijn geweest in Berghem om aldaar, voor zover doenlijk, de nodige informatie in te winnen wegens de geweldenarijen gepleegd aan het huis en de persoon van predikant Schonenberg en van de mishandeling die enige vrouwen ondergaan die van de roomse godsdienst zijn overgestapt naar de gereformeerde religie. Ook de Ho: Mo: worden geïnformeerd over het aanvaarden van de pastorie door Johan van den Broek die er al ingetrokken is en bezit van heeft genomen. Omdat een zekere Jan Claasen van den Heuvel voortgaat met mishandeling van zijn vrouw is hij door de hoogschout in arrest genomen waarna hij mag logeren op de gijzelkamer te ’s-Hertogenbosch, in de hoop dat de Ho: Mo: dit arrest zullen accepteren en dat ze daar orders voor geven alsmede orders t.a.v. het loon van de assistenten. Deze missive wordt doorgestuurd naar de heren in Den Haag belast met de Meierijse zaken die dan met enige heren van de Raad van State dit stuk nader op inhoud en consequenties onderzoeken [KSM inv.nr.14 dd. 27 december 1751]
Missive van de hoogschout o.a. aangevende dat hij zich genoodzaakt had gevoeld de persoon van Jan Claasen van den Heuvel in arrest te nemen en hem op de gijzelkamer te laten ‘logeren’ maar de missive houdt ook in dat uiteindelijk is goedgevonden om Jan Claasen van den Heuvel al zijn begane mishandelingen ten opzichte van zijn vrouw, die van de roomse religie was overgegaan naar de gereformeerde godsdienst te vergeven en hem uit zijn gijzeling te ontslaan, maar dat men hem op een ernstige wijze heeft voorgehouden dat hij, nu hem eigenlijk een onverdiende gratie wordt verleend, hij zich als een ‘sedaat en ordelijk man’ zal moeten gedragen op straffe van opnieuw in arrest genomen te worden indien hij in zijn oude patroon zou vervallen. Bovendien wordt hem gelast dat hij zich voorlopig moet onthouden van samenwoning en aan zijn huisvrouw het vrij bezit en het beheer van de goederen zal overlaten en haar daarin niet mag bemoeilijken. Dit alles zal geschieden totdat men constateert dat hij een beter gedrag vertoont en dat ook zijn huisvrouw weer genegen is tot samenwoning over te gaan, met last aan de kwartierschout van Maasland om. In naam van de Ho: Mo:, aan genoemde Jan Claasen van den Heuvel het bovenvermelde voor te houden en hem daarvan ook een akte te laten passeren waarin zijn belofte van beterschap verwoord wordt [KSM inv.nr.14 dd. 12 februari 1752]

Missive van Otto Juijn stadhouder van de hoogschout van stad en meierij van ’s-Hertogenbosch die aan haar Ho: Mo: meedeelt dat hij te Berghem de geschikste roomsgezinden en de pastoor aldaar heeft gehoord en hen vermaand heeft hun plicht te vervullen en ook dat de predikant aldaar schriftelijk heeft verklaard dat hij de mening was toegedaan dat de inkwartiering van de assistenten voortaan onnodig zou zijn en die order ingetrokken zou kunnen worden, wat op 12 mei 1752 is geëffectueerd. Tevens wordt een lijst met declaraties gepresenteerd vanwege de onkosten die gmaakt zijn i.v.m. het verblijf van die assistenten, die uiteindelijk nader beoordeeld wordt in de generaliteitsrekenkamer [KSM inv.nr.14 dd. 19 juni 1752]


Berlicum en Middelrode

Missive van A.B.Schortes drossaard van Berlicum en Middelrode betreffende de stoutigheden der papisten [KSM inv.nr.7 dd. 19 december 1699]


Rekest van D.A.Glaze wonende te Boxtel en zijnde van de gereformeerde religie zoals blijkt uit een akte van de predikant, predikant A.Hoos [dubieus] en een toegevoegd rekest van Gijsbert Josephus Bernards erfsecretaris van Berlicum en Middelrode en Kaathoven, waarin duidelijk wordt dat Glaze is aangesteld om de genoemde secretarie te mogen bedienen zijn leven lang waarvan de commissiebrief is gedateerd 30 december 1728 [KSM inv.nr.12 dd. 21 februari 1729]
Rekest van Thomas Coets drossaard van Berlicum en Middelrode verwijzend naar het 10e art. van het echtreglement van 18 maart 1657 dat al lang buiten gebruik is geraakt, waarbij hij bericht dat de ingezetenen ten plattenlande gewoon waren om, wanneer zij in ondertrouw waren opgenomen, vrijwillig en uit eigen beweging bij naburen en goede vrienden bruiloft te houden waarbij dan een hele of halve ton bier wordt geschonken of kwanselbier en dat die gewoonte door de overheid nergens schijnt te zijn afgekeurd of, in zoverre de bruiloften ontijdig mochten worden gehouden nl. voor de gedane inschrijving zoals dat kon blijken uit het 48e art. van het echtreglement, dat ook het afkeuren van zulke bruiloften nadeel zouden toebrengen aan ’s lands financiën ten opzichte dat de bruiloft- of kwanselbieren bij de ordonnantie van de bieraccijns zo hoog waren getrokken, als de bieren die bij tappers en herbergiers werden geconsumeerd. Vervolgens dat niemand bevoegd was de ingezetenen m.b.t. zodanig gebruik te verontrusten zo lang door de Ho: Mo: daar geen orders voor waren vastgesteld. Dat echter Claas van Rijswijk rooms pastoor in genoemde heerlijkheid had kunnen goedvinden de ingezetenen ten beste te geven van zodanige bruiloft- of kwanselbieren openlijk en generalijk te ververbieden [interdiceren] en wel zodanig dat zij niet hadden ontzien de boeten en straffen te incuneren die tegen ’t trouwen en hertrouwen van priesters, papen en monniken waren gestatueerd blijkende uit een verklaring die aan het rekest is toegevoegd on der de nummers 1 en 2, verzoekende derhalve dat genoemde Claas van Rijswijk zodanig mag worden gestraft als haar Ho: Mo: zullen vinden te behoren en dat haar Ho: Mo: inmiddels de execitie van de roomse godsdienst in genoemde heerlijkheid gelieven te interdiceren [= verbieden] [KSM inv.nr.1`3 dd. 8 april 1735]
Rekest van de classis van Peel- en Kempenland waarbij de Ho: Mo: in kennis worden gesteld dat in haar vergadering van 3 november 1751 een schandelijk gerucht is gemeld ten laste van B.Bengeman schoolmeester te Gemert nl. dat deze schoolmeester enige tijd geleden een schaamteloos dubbel overspel gepleegd zou hebben met een gehuwde vrouw. Dat zij daarover met de grootste droefheid en niet mindere verontwaardiging zich naar Gemert hebben begeven om nadere informatie in te winnen bij de drossaard en schepenen van Berlicum. De gedeputeerden van de classis beklagen er zich over dat die van Berlicum niets los willen laten en men beschouwt dit als een ongegronde weigering. Ze verzoeken daarom de Ho: Mo: maatregelen te nemen en de schepenen, secretaris en schout plus een zekere Spierinx te Berlicum te gelasten een getuigenis der waarheid te komen geven en de gedeputeerden de gelegenheid te geven de ter secretarie berustende stukken te mogen inzien of daarvan een authentieke kopie mogen verkrijgen. Een kopie van dit stuk zal overhandigd worden aan de fiscaal van Brabant [KSM inv.nr.14 dd. 18 mei 1752]
Empel

Rekest van de roomgezinde ingezetenen van het gehucht Gewande gelegen onder de heerlijkheid van Empel in kwartier Maasland die aan de Ho: Mo: permissie vragen om tot het timmeren van een nieuwe schuur van 50 voeten lang en 50 voeten breed over te mogen gaan om daarin hun godsdienst uit te oefenen, maar dat verzoek wordt afgeslagen [KSM inv.nr.10 dd. 5 maart 1722]



Geffen

Rekest van Hendrik de Booij inwoner van Geffen onder kwartier Maasland inhoudende dat hij suppliant enige jaren achtereen na examinatie van de classis van ’s-Hertogenbosch en acceptatie van de Raad van State, vanwege de indispositie van zijn vader zaliger Gerling Arentse de Booij in zijn leven koster en schoolmeester te Geffen, dezelfde ambten heeft bediend en waargenomen in de hoop daartoe ook gebeneficieerd te zullen worden. Dat heeft hij niet kunnen verwerven tot subsistentie [= ondersteuning] van zijn vrouw en kinderen allen zijnde van de ware gereformeerde religie genoodzaakt is geweest tot het uitoefenen van brood bakken en in veil houden van winkelwaren. Dat een zekere Lucas Hoebens, zijnde een Franciscaner ordepriester uit het convent van Megen die de roomse godsdienst in zijn woning te Geffen publiek uitoefende, had kunnen goedvinden door zijn bloedverwanten insgelijks de genoemde nering aan hetzelfde kerkenhuis te laten doen. De suppliant verzoekt nu aan de Hoog Mogenden de officier op zware straffe te ordonneren op Lucas Hoebens uit de heerlijkheid Geffen conform het plakkaat van 3 november 1699, te laten vertrekken en te verbieden aldaar de roomse godsdienst uit te oefenen of nering te laten doen. Een kopie van dit rekest gaat naar de officier van Geffen die gelast wordt de Franciscaner monnik te laten vertrekken en geen nering te laten doen [KSM inv.nr.8 dd. 15 oktober 1703]


Rekest van pastoor en kerkmeesters van de roomse gemeente van Geffen in kwartier Maasland die verlof vragen om de muren aan de noord- en zuidzijde van hun kerkschuur te mogen vernieuwen, te voorzien van stenen en 6 voeten te verhogen en het dak op te trekken en in iedere zijmuur het nodige licht aan te brengen van dezelfde grootte en breedte als thans in de zijmuren bestaaat en vervolgens in elke zijmuur 3 lichten [= ramen] te plaatsen breed 2 ½ voet en hoog 3 ½ voet te verlengen. Voor dat doel zou ook de westgevel naar buiten gezet moeten worden en het raam dat in de oude gevel staat kan men overbrengen in de nieuwe of een nieuw raam van dezelfde hoogte en breedte. Ook kan men nog enkele deuren aan zuidzijde en noordzijde plaatsen van de muur waarmee de kerkschuur is verlengd, ieder hoog 7 ½ en breed 4 ½ voet en te brengen onder een dak en hetzelfde te mogen beschieten zocer als het dak wordt verlengd. He toxaal of de zingzolder of avhter uit te brengen of wel te vergroten zo ver de kerkschuur wordt uitgezet en ten slotte mag men de preekstoel van binnen verplaatsen alles conform het opgestelde bestek [KSM inv.nr.15 dd. 4 maart 1762]

Heeswijk Dinther

Missive van de kwartierschout van kwartier Maasland als Heer van Heeswijk en Dinther met 12 bijlagen i.v.m. het begaan van stoutigheden en andere wanordelijkheden door monniken, papen en papisten [KSM inv.nr.7 dd. 13 december 1699]


Rekest van de ingezetenen van Heeswijk in kwartier Maasland professie doende van de roomse religie, inhoudende dat zij sinds de reductie van de stad ’s-Hertogenbosch altijd zeer bescheiden en zonder de minste wanordelijkheden hun godsdienst hebben beleden onder oogluiking van de Ho: Mo: . Ze doen dat nu al meer dan 30 jaren in een schuur maar die is na verloop van tijd bouwvallig geworden, zodat hij van beneden uit geheel vernieuwd zou moeten worden om het dak goed te kunnen schragen. De eigenaar van de schuur had beoordeeld dat het ’t beste zou zijn en het voordeligst een stenen muur te zetten in plaats van de oude versleten en bouwvallige wand. Hij heeft dat ook gedaan maar wel zo dat niet de minste verandering is aangebracht in de hoogte, lengte of breedte, dan alleen dat de achterste uitstekende zijhoeken waren omgetrokken en van achteren het gebouw 3 à 4 voeten smaller waren uitgezet en is het oude strooien dak gelaten zoals het was. Ondanks dat bij deze reparatie niets uitzonderlijks is geschied en de schuur geen groter aanzien had dan op naburige roomse vergaderplaatsen, waar veel minder gereformeerde ledematen wonen dan in Heeswijk, hebben zij supplianten het ongeluk gehad, dat door het officie fiscaal van Brabant de pastoor van de supplianten was afgevraagd, op wiens order en autorisatie de schuur was gerepareerd als ook de autorisatie van de eigenaar van de schuur, de pastoor verboden werd de godsdienst te belijden. De supplianten hadden geenszins de intentie gehad de gereformeerden te beledigen, ook niet de Heer van Heeswijk, de drossaard, de predikant of de secretaris en verzoeken de Ho: Mo: deze reparatie niet als kwaad bedoeld op te vatten en hen te permitteren de uitoefening van hun godsdienst weer te mogen oppakken in de genoemde schuur, onder belofte dat ze te allen tijde de resoluties en plakkaten van de overheid zullen opvolgen. Een kopie van dit rekest wordt overhandigd aan het officie fiscaal van Brabant en hun bericht over deze zaak wordt afgewacht [KSM inv.nr.11 dd. 22 februari 1721]
Missive van W. van Erpecum advocaat fiscaal van de Raad van Brabant geschreven in Den Haag op de 4e maart op het rekest van de roomse ingezetenen van Heeswijk in kwartier Maasland. Eindresultaat is dat de roomse ingezetenen inderdaad verlof krijgen hun godsdienst in genoemde schuur uit te oefenen mits ze zich in alle zedigheid zullen gedragen. Bovendien werd bij occasie generaal vastgesteld dat geen roomse kerkhuizen in Brabant onder het ressort van de staat, zullen mogen worden vergroot of vernieuwd worden zonder voorgaande permissie van de Hoog Mogenden en wie zich daar niet aan houdt loopt het risico die vrijheid van godsdienstuitoefening te verliezen [KSM inv.nr.10 dd. 5 maart 1721]

Rekest van de roomse ingezetenen van de heerlijkheid Dinther in kwartier Maasland die tot op heden onder oogluiking van de Ho: Mo: zonder het minste geruis te geven aan die van de gereformeerde religie, hun godsdienst hadden uitgeoefend in een zekere schuur of kerkenhuis. Door ouderdom en verloop van tijd is die kerkschuur ingestort en volledig buiten gebruik geraakt. Ze verzoeken nu om deze vervallen schuur te mogen herbouwen om vervolgens, met oogluiking van de overheid, hun godsdienst weer te kunnen belijden in alle stilte en zedigheid, zonder de minste ergernis aan de gereformeerden te geven. Een kopie van dit rekest wordt doorgestuurd naar de kwartierschout van Maasland om nader advies [KSM inv.nr.11 dd. 7 augustus 1726]


Missive van Johan Theodorus Velters kwartierschout van Maasland en geschreven te Leiden op de 28e augustus op het rekest van de roomse ingezetenen van Dinther i.v.m. het weder opbouwen van hun vervallen kerkschuur. Na deliberatie is besloten hen die permissie te verlenen en de kerkschuur weer op te bouwen, doch niet anders dan met stro gedekt, de zijmuren niet hoger dan 8 voeten en de voorgevel navenant; dat ook de ramen niet anders mogen worden geplaatst dan als in een gewoon huis zonder de vorm van die van een kerk te hebben; binnen in het huis of schuur mogen geen gewelven worden gemaakt of enige uiterlijke versieringen worden aangebracht. Het gebouw moet en uitzien als een gebruikelijke boerenwoning of schuur en de roomsen worden bovendien gelast zonder de minste aanstoot aan de gereformeerden te geven hun godsdienst te plegen. Houden ze zich niet aan deze orders dan verliezen ze de toestemming en zal hen de uitoefening van hun godsdienst belet worden [KSM inv.nr.11 dd. 30 augustus 1726]

Missive avn de Raad van State op een rekest van de gecommitteerden van de roomse gemeente van Dinther verzoekend e vanwege het overlijden van de roomse pastoor Petrus Brunen zijn opengevallen pastoorsplaats niet ingevuld kan worden vanwege het feit dat het vicariaat vacant is. Dat betekent dat de ingezetenen voor zover hun gezondheid dat toelaat, genoodzaakt zijn buiten Dinther ter kerke te gaan en ook dat ze genoodzaakt waren hun zieken, niet zonder grote moeite en kosten ja zelfs dikwijls met levensgevaar te transporteren naar naburige plaatsen om in hun uiterste de kerkrechten te mogen ontvangen. Ze verzoeken de Ho: Mo: dat ze aan Hendrik van Dijck uit de abdij van Berne of aan degenen die bij zijn absentie of ziekte zijn plaats bekleden, te permitteren om in de gemeente van Dinther ad interim de nodige assistentie te doen en de dienst te verrichten in de plaats van de overleden pastoor. De raad gaat op dit verzoek niet in en het wordt afgewezen. Doch dat de pastoor van Heeswijk Hendrik van Dijck alleen bij provisie en totdat een ander priester te Dinther zal zijn geadmitteerd zal worden gepermitteerd om de zieken in de gemeente Dinther de gewone kerkelijke assistentie te bieden. Dit bericht wordt aan de hoogschout van ’s-Hertogenbosch toegestuurd [KSM inv.nr.15 dd. 10 maart 1760]



Lith

Rekest van Gilles de Fournaij gewezen bierbrouwer te Lith zijnde een lidmaat van de gereformeerde religie meldende dat zijn huis en brouwerij door kwaadaardige mensen in brand is gestoken en totaal verwoest en heeft al in 1697 verzocht aan de schout Nicolaas de Leeuw en de regenten van Lith de geleden schade te vergoeden [KSM inv.nr.7 dd. 23 juni 1699] – zie ook 19 februari 1700



Lith en Lithoijen

Rekest van Everardus Schuijl predikant te Lith en Lithoijen inhoudende dat hij met zijn zoon Johan Schuijl, schout te Lith, na hun gevangenschap te Maaseijk en Maastricht niet de vrijheid hebben kunnen verkrijgen om te Lith te gaan wonen, maar zich uiteindelijk hebben moeten terugtrekken in een bemuurde stad. Verder meldt hij dat te Lith zich een paap heeft gevestigd met een kapelaan en dient een verzoek in dat de overheid alles in het werk stelt om die paap en zijn assistent daar uit de weg te ruimen en vervolgens pleit hij ervoor dat de ambassadeur Beverning hem en zijn zoon een schriftelijke vrijheid zal aanbieden om zich wederom te mogen vestigen in zijn oorspronkelijke woonplaats Lith, zoals dat ook is toegestaan aan andere predikanten en schouten. Na deliberatie over deze verzoeken is er een brief gegaan naar de schout van Maasland om zich nauwkeurig te laten informeren over de situatie te Lith voor wat betreft die paap met zijn kapelaan en ook zal werk gemaakt worden van het verkrijgen van de vrijheid om de heren Schuijl in staat te stellen zich weer in Lith te vestigen. [KSM inv.nr.6 dd. 19 juli 1677]


Rekest van de predikant en kerkenraad van de gereformeerde gemeente van Groot Lith in kwartier Maasland inhoudende dat een zekere Hendrik Steenbakkers geboren via een gereformeerde vader in de gereformeerde religie is opgevoed. Dat deze Steenbakkers die reeds diacoon van de gereformeerde gemeente is geweest zich niet heeft ontzien de diaconie te verlaten en zijn zoon Dirk Steenbakkers, verwekt bij Johanna van der Cribbe en door haar in de gereformeerde religie onderwezen en opgevoed op de 19e van deze lopende maand met zijn moeder naar de gereformeerde kerk zou gaan, dit heeft weten te beletten. Hij ging zelf zover dat hij genoemde Dirk met geweld de hele dijk over sleepte tot in de roomse kerk, hem vervolgens gebood daar neer te knielen en in een paaps boek te bidden. Genoemde Dirk heeft zich daarover beklaagd bij Johan van der Meulen de secretaris van genoemde heerlijkheid en bij vacature van het drossaardambt aldaar die ambt waar te nemen. Dat de suppliant van alle kanten werd onderricht, dat reeds toeleg was gemaakt en gemaakt werd om genoemde Dirk Steenbakkers te lichten en naar Megen in een klooster te brengen en dat dit al gebeurd zou zijn, wat ook blijkbaar door de waarnemende drossaard niet belet zou zijn. De drossaard als zijnde ook lid van de kerkenraad, was daardoor wel in verlegenheid gebracht en wist niet hoe hij zich moest opstellen tegen de stoutigheden van het pausdom. Binnen de schepenbank van Groot Lith waren 5 van de 7 schepenen van de roomse religie en exorbitant veel roomsen of pausgezinden aldaar de maat te buiten gingen. De supplianten verzoeken de het officie fiscaal van Brabant de waarnemende drossaard Johan van der Meulen te gelasten zich nader over deze kwestie te informeren en na bevinding van zaken het recht van de hoge overheid tegen Hendrik Steenbakkers en zijn medeplichtigen waar te nemen. En dat wordt hem vervolgens gelast [KSM inv.nr.13 dd. 27 augustus 1739]

Rekest van Hendrik Maas rooms werelds priester en pastoor te Groot Lith inhoudende dat de roomse kerkschuur als daar, te klein zijnde om zijn gemeente te kunnen omvatten en hij uit dien hoofde beducht is dat dit kan leiden tot aanstotelijkheden voor de gereformeerden als vanwege het gebrek aan plaats roomsgezinden buiten moeten blijven staan in de open lucht. Hij verzoekt derhalven om tegen de achtergevel een houten zoldering te laten maken ter lengte van 22 voeten en breed 10 voeten Rijnlandse maat en die van boven met planken te beschieten ten einde op die manier meer plaatsruimte in de kerkschuur te realiseren. Voorts meldt hij dat de preekstoel zeer kaduuk is en er een andere voor in de plaats zou moeten komen en vraagt daartoe, zoals het behoort, permissie en goedkeuring van de overheid. Een kopie van dit verzoek wordt doorgestuurd naar de kwartierschout van Maasland wiens bericht men afwacht [KSM inv.nr.15 dd. 9 december 1760]



Maren

Rekest van de ingezetenen van Maren in kwartier Maasland professie doende van de roomse religie dienen een verzoek in bij de Ho: Mo: dat ze gelieven te ordonneren aan de kwartierschout van Maasland of diens stadhouder on het kerkenhuis te Maren te openen en aan de supplianten te permitteren om in alle stilte en zedigheid, zonder geruis aan de gereformeerde religie te geven, door de pastoor aldaar hun religie te mogen uitoefenen. Een kopie van dit rekest zal aan de kwartierschout worden doorgestuurd [KSM inv.nr. dd. 19 juni 1726]


Nistelrode

Missive van Theodorus Velters kwartierschout van Maasland op een rekest van de roomse ingezetenen van Nistelrode met het verzoek om hun kerkhuis dat van de heerbaan af staat en buiten het gezicht van de gereformeerden te mogen vergroten. Na deliberatie is besloten hen daartoe permissie te geven onder conditie dat ze de breedte en hoogte van het oude kerkhuis aanhouden en het met 15 voeten verlengen en ze moeten verder de orders van de Staten Generaal stipt volgen [KSM inv.nr.12 dd. 28 juni 1732]



Nuland

Missive van G. de Kroon te Nuland over de stoutigheden en ongeregeldheden der monniken, papen en papisten [KSM inv.nr.7 dd. 24 december 1699]


Rekest van Simon van der Weijden rooms priester te Nuland met een verzoek dat de Ho: Mo: hem willen permitteren dat hij vanwege zijn noodzakelijke absentie [= afwezigheid] zijn dienst aldaar op zijn kosten door een andere priester mag laten waarnemen en dat dit ook gedoogd mag worden door de drossaard, welke rekest ter examinatie wordt doorgestuurd naar de Raad van State [KSM inv.nr.12 dd. 14 oktober 1730]

Rekest van Willem Steenhuijs drossaard van de heerlijkheid Nuland met het bericht dat sinds twee jaren binnen de heerlijkheid woonachtig is geweest een zekere Johannes Haarlegger zijnde een geboren Zwitser en geëngageerd soldaat, zijnde van de gereformeerde religie. Hij heeft twee dochters waarvan de ene 15 jaar oud is en ook haar moeder is van de gereformeerde religie geweest. Genoemde Haarlegger zou met zijn beiede dochters naar Josias de Waal gaan de predikant van Geffen. Op die dag is het gebeurd dat enige roomsgezinden geprobeerd hebben de kinderen tot het pausdom te verleiden en hebben ze meegenomen naar de roomse kerk te Uden in het land van Ravenstein vervoerd. De suppliant heeft toen besloten het kerkenhuis van Nuland te sluiten en de roomsen te verbieden om pastorale functies uit te voeren. Na deliberatie is besloten de roomse priesters te Nuland te gelasten aan te zeggen dat ze binnen 14 dagen de genoemde kinderen bij hun vader moeten terugbrengen en als dat binnen die periode niet gebeurt, dat dan de roomse kerk van Nuland gesloten zal worden en genoemde priesters verboden wordt hun pastorale functies uit te oefenen [KSM inv.nr.13 20 april 1743]


Missive van het officie fiscaal van Brabant inhoudende dat Hendrik Meijers en Geertruij Plenus echtelieden wonende op het herenhuis genaamd Duijnendael onder de heerlijkheid Nuland zich gisteren via een rekest hebben gewend tot de Raad van Brabant betreffende hun dochter Geertruij oud 16 jaren die in de ware gereformeerde religie was opgevoed, in stilte uit het huis van de supplianten is weggeraakt en naar het dorp Uden in het land van Ravenstein is getransporteerd waar ze zich momenteel bevond in het nonnenklooster. Toen ze dit als ouders ontdekten hebben ze onmiddellijk alles in het werk gesteld om hun dochter terug te halen en werderom onder hun gehoorzaamheid te brengen, maar die pogingen waren vruchteloos en tervergeefs gebleken zoals te lezen was in de bijgevoegde verklaring. Dat de suppliant intussen allerhande pogingen had gedaan om de ouders met raad en daad bij te staan en op de 29e der voorbije maand mei Willem Aanhuis, drossaard van Nuland, daarvan in kennis had gesteld en op de 31e over dit voorval nadere klachten had gedaan met het verzoek om de suppliant hierin behulpzame hand te bieden en via de gewone middelen te effectueren dat hun ontvoerde dochter wederom teruggebracht mocht worden en weer terecht zou zijn, maar daar was tot op heden nog geen werk van gemaakt, zonder dat de supplianten de reden kenden waarom de drossaard daarin wederhouden was. Vandaar dat ze zich hebben gewend tot de Raad van Brabant en verzocht dat zij het officie fiiscaal geliefden te autoriseren om de gebruikelijke middelen te hanteren om de dochter weer terug te krijgen of dat de Raad andere voorzieningen zou treffen zoals ze vinden te behoren. Via de Raad van Brabant is het rekest ter hand gesteld aan het officie fiscaal van Brabant om zich op de inhoud ervan nader te informeren zoals dat behoort. Men beschouwde dit voorval als een zaak van groot gewicht en consequenties en aan de Ho: Mo: is in overweging gegeven om ten aanzien van deze gebeurtenis desnoods de roomse kerkschuur van Nuland te sluiten en te verzegelen en ook om aan de roomse priesters aldaar alle pastorale functie ste verbieden op pæne van te ‘incurreeren’ de penaliteiten tegen de roomse priesters zonder admissie dienst doende zoals gestatueerd in de resolutie van de Staten Generaal van 19 juli 1730, totdat de ontvoerde dochter weer is teruggebracht. Daarop is door het officie fiscaal van Brabant besloten de roomse kerkschuur te Nuland te sluiten en te verzegelen conform de maatregel die hierboven staat beschreven [KSM inv.nr.15 dd. 25 juni 1756]
Rekest van het officie fiscaal van Brabant ter voldoening van de resolutie van de Ho: Mo: van de 2e augustus als advies op een rekest van Hendrik en Geertruijd Plenus echtelieden wonenden op het herenhuis Duijnendael te Nuland verzoekende dat haar Ho: Mo: gelieven voorzieningen te treffen ten behoeve van de terugkeer van hun minderjarige dochter vanuit het nonnenklooster te Uden [KSM inv.nr.15 dd. 10 augsutus 1756]
Rekest van Hendrik en Geertruijd Plenus echtelieden wonende op het herenhuis Duijnendael binnen de heerlijkheid Nuland inhoudende dat de Ho: Mo: op 25 augustus 1756 de goedheid hebben gehad om ten behoeve van hun ontvoerde dochter, die in een nonnenklooster te Uden is ondergebracht, en een verzoek hebben gedaan om de Ho: Mo: gedeputeerden van de buitenlandse zaken te verzoeken om te committeren aan de Heer Cornet resident van Zijne Keurvorstelijke Doorluchtigheid van de Paltz in een conferentie te representeren, om die dochter weer onder de gehoorzaamheid van haar ouders te kunnen terugbrengen. Aan Cornet wordt vervolgens verzocht daartoe zijn goede officie aan te wenden in deze zaak die hopelijk tot een succes zal leiden. Maar men heeft nu vernomen, tot de alleruiterste smart en droefheid, dat de minderjarige dochter van Hendrik en Geertruijd, die nu reeds sinds mei van dit jaar in het genoemde nonnenklooster opgesloten bleef, daar niet alleen de roomse religie had aangenomen maar zelfs op de zgn. Lieve Vrouwedag nl. 18 september jl. de communie volgens de roomse gebruiken had ontvangen, zoals uit een getuigenis blijkt dat aan her rekest is toegevoegd [KSM inv.nr.15 dd. 11 oktober 1756]
Onerzoek van een rekest van Hendrik Meijers en Geertruid Plenus op huize Duijnendael die aan de Ho: Mo: hebben bekend gemaakt het droevige geval van hun 16-jarige dochter die uit hun huis is vervoerd naar het land van Ravenstein en in een nonnenklooster te Uden is ondergebracht en ‘opgesloten’ en daar is verleid tot een openbare professie van de roomse godsdienst. De supplianten hebben zich ten uiterste beklaagd over deze ontvoering en verleiding van hun dochter. De Ho: Mo: hebben inmiddels al twee keer de goedheid gehad nl. 23 augsutus en 11 oktober jl. de Heer Cornet, resident van Zijne Keurvorstelijke Doorluchtigheid van de Paltz zich hiervoor in te zetten en de supplianten hadden gehoopt op een goede uitslag en dat hun dochter zou worden teruggebracht. Tot hun groot leedwezen is dit nog niet gebeurd en de zaak vor het Hof van de Platz ‘in longeur getrocken wierde’ en in plaats van te verbeteren dagelijks erger wordt. Men had hen van te voren nog wel toegelaten dat ze in het genoemde klooster hun dochter van voor de tralies hadden mogen zien en spreken hetzij in persoon of via goede vrienden, maar dat was na de resolutie van de Ho: Mo: van 11 oktober niet meer gepermitteerd. Ze verzoeken nu de Ho: Mo: nadere stappen te zetten in deze zaak met het doel dat zij of degenen die vanwege hen naar haar dochter worden gestuurd het contact niet geweigerd wordt, die nu al 6 maanden in dat klooster wordt opgehouden met alle goederen die aan haar toebehoren die in genoemd klooster berusten. Na deliberatie is besloten dat bij provisie en onverminderd door de Ho: Mo: nader en nog meer nadrukkelijke dispositie het officie fiscaal van Brabant zal worden geautoriseerd om de roomse priester te Nuland te arresteren en gevangen laten nemen en hem in strikte detentie te houden totdat de genoemde minderjarige dochter weer is teruggebracht onder de gehoorzaamheid van haar ouders en dat deze priester niet eerder uit zijn detentie zal worden ontlsagen en ook nadat alle kosten zijn voldaan zowel van het officie fiscaal als van de supplianten [KSM inv.nr.15 dd. 15 november 1756]

Rekest van Gerard Pennings broer van W.Pennings rooms priester en pastoor te Nuland inhoudende, dat wanneer de minderjarige dochter van Hendrik Meijers en Geertruijd Plenus, echtelieden te Nuland, zich aan de gehoorzaamheid van haar ouders heeft onttrokken en zich heeft teruggetrokken buiten het gebied van de generaliteit en daarop e Nulandse kerkschuur is gesloten. Bovendien had het de Ho: Mo: behaagd om bij resolutie van 15 november 1756 het officie fiscaal van Brabant te gelasten om de broer van de suppliant[ de pastoor dus] gevangen te nemen en hem in strikte detentie te houden totdat die dochter weer naar haar ouders en onder diens gehoorzaamheid zou zijn teruggekeerd. Bovendien zouden alle kosten betaald moeten zijn rond die ontvoering en het verblijf in het nonnenklooster te Uden. De pastoor is vanwege het officie fiscaal van Brabant door deurwaarder Van Reijsel met de normale assistentie op de 21e november 1756 als een crimineel gearresteerd en overgebracht op de gevangenpoort te ’s-Hertogenbosch. Dit alles was ter kennis gekomen van de Ho: Mo: en de suppliant was vanaf dat moment beducht dat zijn broer ervan verdacht zou worden dat hij een aandeel zou hebben in deze ontvoeringszaak, wat de aanleiding van zijn arrestatie is geweest. De suppliant is diep bedroefd over wat zijn broer is overkomen en hij wil vernemen en overtuigd worden van het feit dat de pastoor in geen enkele opzicht iets met deze ontvoering te maken heeft gehad. Volgens getuigenverklaringen van drie consonante getuigen hebben de ouders van de ontvoerde dochter aangegeven de pastoor niet beschuldigd te hebben, wat ze zelfs met een solemnele eed willen bekrachtigen. Gerard Pennings dringt er verder bij de Ho: Mo: en het officie fiscaal van Brabant op aan dat zijn broer uit zijn intentie op de gevangenpoort van ’s-Hertogenbosch ontslagen mag worden en op vrije voeten gesteld mag worden. Een kopie van dit rekest wordt doorgestuurd naar het officie fiscaal van Brabant met verzoek met speod hun visie hierop te geven [KSM inv.nr.15 dd. 15 september 1757]



Rapport van het officie fiscaal van Brabant inhoudende een reactie op het rekest van Gerard Pennings van de 15e september broer van de roomse priester en pastoor van Nuland Willem Pennings en diens rol in de ontvoering van de dochter van Hendrik Meijers en het feit dat toen de kerkschuur van Nuand gesloten is en de pastoor in strikte detentie is geplaatst op de gevangenpoort te ’s-Hertogenbosch. Voorts volgen alle feiten zoals in de akte van 15 september is beschreven. Aan het slot wordt aangegeven dat het officie fiscaal van Brabant zal worden geautoriseerd om nogmaals bij provisie en onverminderd haar Ho: Mo: nadere en meer nadrukkelijke dispositie zowel aan de gedetineerde priester als aan alle priesters in het kwartier van Maasland aan te zeggen dat binnen de tijd van 6 weken ze hebben te effectueren dat de minderjarige dochter wederom te Nuland terugkeert, dat men de kosten rond die zaak betalen moet, dat de kerkschuur gesloten blijft en aan de priesters en kapelaans aldaar verboden wordt pastorale functies uit te voeren, mede verwijzend naar een resolutie van 19 juli 1730. Voorts is gelezen een memorie van het officie fiscaal van Brabant ter voldoening van de resolutie van de H.M. van de 28e september als reactie op het rekest van Hendrik Meijers en diens vrouw dat de Ho: Mo: gelieven het verzoek om het ontslag van de roomse priester van Nuland gelieven van de hand te wijzen maar daarenboven zodanig nadeel en meer uitdrukkelijke voorzieningen doen als oordelen zullen te behoren en terwijl zodanige efficatieus [efficatie = kracht, werking] zullen kunnen zijn, dat der supplianten dochter breder in hetzelfde rekest genoemd naast haar goederen zonder dilay [= uitstel] kost en schadeloos wordt gebracht onder der supplianten gehoorzaamheid en bewind en dat voldaan zou worden in alle kosten zowel aan de zijde van het officie fiscaal als een de suppliantren [KSM inv.nr.15 dd. 5 oktober 1757]
Rekest van F.Herck en Hendrik de Meelen respectievelijk roomse priesters te Heesch en Rosmalen als gecommitteerden van de gezamenlijke roomse priesters in kwartier Maasland inhoudende dat op de 12e en 13e oktober 1757 zowel aan de supplianten als generalijk aan alle priesters in Maasland van wge het officie fiscaal van Brabant en haar Ho: Mo: resolutie van de 5e was gedaan, dat zij binnen een tijd van 6 weken zouden hebben te effectueren dat de minderjarige dochter van Hendrik Meijers en Geertruijd Plenus met en benevens de goederen die deze dochter ten tijde van haar ontvoering of retraite bijzich had gehad, kost en schadeloos wederom onder het bewind en de gehoorzaamheid van haar ouders mocht worden teruggebracht, alsmede de betaling van alle kosten zowel aan de zijde van het officie fiscaal als aan de ouders. Mocht daaraan niet binnen de aangegeven tijd worden voldaan dan zouden alle kerkschuren die in de buurt van Nuland liggen gesloten worden en aan de priesters zou de uitoefening van alle pastorale functies verboden worden. De genoemde roomse priesters hebben inmiddels met anderen gesproken en zijn intussen geïnformeerd dat de dochter van Meijers en Plenus zich bevindt in het nieuwe klooster in het land van Kleef, dat kerkelijk ressorteert onder de aartsbisschop van Keulen. Ze hebben zich tertsond met brieven gewend tot dat bisdom en ook aan de regering van Kleef, om de terugkeer van de minderjarige dochter te willen faciliteren en haar onder de gehoorzaamheid van haar ouders terug te brengen en inmiddels te voorkomen dat ze zich opnieuw absenteert. Tevens verzoeken de supplianten aan de Ho: Mo: om de gestelde termijn van 6 weken te prolongeren tot een considerabele tijd, in acht genomen de plechtige gehoorzaamheid van de roomse priesters in kwartier Maasland aan de soevereine orders van de staat. Ze krijgen nog 2 weken extra de tijd [KSM inv.nr.15 dd. 23 nobember 1757]

Gelezen is een memorie van het officie fiscaal van Brabant daarbij aan de Ho: Mo: kennis gevende van de reprodcutie van de minderjarige dochter van Hendrik Meijers en Geertruijd Plenus en tevens in bedenking gevende of in de vaste verwachting, dat aan het engagement in de voors. memorie gementioneerd in alle delen en promptelijk zal worden voldaan genoemd officie fiscaal niet behoorde geautoriseerd te worden tot het doen relaxeren van de roomse priester te Nuland die reeds geruime tijd is gedetineerd te ’s-Hertogenbosch terzake van het ophouden van genoemde dochter in een zeker nonnenklooster in het land van Ravenstein als ook tot het ontsluiten en ontzegelen van de roomse kerkschuur te Nuland en eindelijk van de ontheffing der interdictie aan genoemde priester zoals in de memorie vermeld verwijzend naar een resolutie van de Ho: Mo: van 25 juni 1756. Waarop is goedgevonden en verstaan dat in de vaste verwachting dat aan het engagement in de voors. memorie gementioneerd in alle delen en promptelijk zal wezen voldaan, ’t genoemde officie fiscaal van Brabant zal worden geautoriseerd om de genoemde gedetineerde priester wederom uit zijn detentie te doen ontslaan, mitsgaders de roomse kerkschuur te Nuland te ontsluiten en te ontzegelen en eindelijk om op te heffen de interdictie of aanzegging aan dezelfde priester ingevolge haar Ho: Mo: resolutie van 25 juni 1756 [KSM inv.nr.15 dd. 19 december 1757]



Oss

Rekest van de roomse ingezetenen van de vrijheid Oss in kwartier Maasland klagende over de jurisdictie van de hoogschout van 8 februari 1730 tegen de executie van haar godsdienst ter zake van hun achterstalligheid in de betaling der recognitie die men aan hem schuldig was maar men verzoekt de Ho: Mo: om oogluikend toe te staan dat hun godsdienst weer mogen uitoefenen en dat ze de hoogschout en andere officieren willen gelasten om dit ook te gedogen, welke rekest wordt doorgestuurd naar de hoogschout [KSM inv.nr.12 dd. 15 juni 1730]

Bericht op een rekest van Hendrik van Erp, Willem van de Pas, Aart Jacob Loenders en Hendrik van Hoorn roomse ingezetenen van stad en vrijheid Oss in kwartier Maasland die hebben verzocht om de woningen van hun pastoor te mogen vergroten, wat de Raad goedkeurt en hen verlof geeft om de woningen ter lengte van 18 en te rbreedte van 55 voeten te mogen vergroten en het dak van het roomse kerkenhuis met de nieuwe woningen van de pastoor te mogen verbinden [KSM inv.nr.15 dd. 12 april 1757]
EINDE VAN DIT INVENTARISNUMMER


Onthullingen vanuit de plattelandskamer bundel 1 Hervormden versus Roomsgezinden


1   2

  • Kwartier Oisterwijk Boxtel
  • Hoge en Lage Mierde en Hulsel
  • Sint Michielsgestel en Gemonde
  • Kwartier Maasland Alem Maren en Kessel
  • EINDE VAN DIT INVENTARISNUMMER

  • Dovnload 0.9 Mb.