Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Ontroostbaar

Dovnload 34.01 Kb.

Ontroostbaar



Datum13.11.2017
Grootte34.01 Kb.

Dovnload 34.01 Kb.

ONTROOSTBAAR

- preek over Zondag 35 –


Aanwijzingen voor de liturgie
Orde van Dienst A, morgendienst

Votum en vrede-/zegengroet

Zingen: Psalm 90:1 en 2

Lezing van de wet

Zingen: Psalm 90:5 en 7

Lezen: 2 Samuel 18:19-19:9a

Zingen: Psalm 119:51 en 52

Gebed


Collecte

Zingen: Gezang 177:1 en 2 (Gereformeerd Kerkboek)

Tekst: Zondag 35

Preek


Zingen: Psalm 90:8

Dankgebed

Zingen: Gezang 90:1 en 2 (Gereformeerd Kerkboek)

Zegen
ONTROOSTBAAR

- preek over Zondag 35 –
Gemeente van onze Here Jezus Christus!

De koning heeft zich terug getrokken, in het vertrek boven de poort. Maar als je goed luistert, kun je hem buiten nog horen jammeren. ‘Mijn zoon Absalom, mijn zoon, mijn zoon Absalom! Was ik maar dood in plaats van jij! Absalom, mijn zoon, mijn zoon!’ En dat is verdriet, waar de mensen verlégen mee zijn. De soldaten, ze sluipen de stad binnen – zegt de Heilige Schrift in vers 4. Als een leger dat zich schaamt, dat het de strijd is ontvlucht.

En toch, was dat allerminst het geval geweest. Intégendeel, zelfs! Ze hadden een klinkende overwinning behaald. Op de koningszoon, die tegen zijn vader in opstand was gekomen. En hadden dus ook verwácht, dat de koning blij zou zijn. Blij, omdat ze zijn leven hadden gered. En zijn leven niet alleen, maar ook dat van zijn zonen en dochters. Zijn vrouwen, en bijvrouwen. Maar niets blijkt minder waar: de koning, heeft verdriet.

Ja, het is nog stérker zelfs: de koning, hij is niet ‘maar’ verdrietig. Nee, hij is ontroostbaar. Omdat Absalom dan weliswaar tegen hem in opstand was gekomen, maar tegelijk toch ook zijn zoon was. Zijn zoon was én bleef, ondanks alles. En ja, wie troost een vader. Of, een moeder. Die net zijn of haar kind heeft verloren? Zeg nou zelf, dat is een móeilijk iets! Want wat moet je zeggen? Woorden schieten te kort, voor zulk groot verdriet.

En zo zijn de mensen verlegen, met het verdriet van de koning. Die ook, en zelfs: in de allereerste plaats. Een vader is. En eerlijk is eerlijk: we kunnen ons er ook alles bij voorstellen. En om die reden, het Schriftgedeelte dat we lazen. Ook een lastig en pijnlijk Schriftgedeelte vinden. En tóch, heb ik het vanmorgen met u gelezen. Omdat het alles te maken heeft, met het tweede gebod van Gods heilige wet. Dat vanmorgen aan de beurt is.

En dan verkóndig ik u dat gebod, aan de hand van Zondag 35 van de Heidelbergse Catechismus. In een preek, die ik als volgt voor u zou willen samenvatten:


HET TWEEDE GEBOD REIKT VER! Het brengt

1. vloek

2. zegen
1. Vloek.

Gemeente, wat moeten ze zéggen? Tegen hun koning, die zo verdrietig is? De mensen, ze wéten het eigenlijk niet zo goed. Zijn verlegen, met de situatie. Maar dan trekt Joab, de legeraanvoerder. De stoute schoenen aan, en gaat bij de koning naar binnen. En het moet gezegd: die Joab, die dúrft wel! Want als je hoort, wat of hij zegt. Tegen koning David. Kun je je niet best aan de indruk onttrekken, dat hij de koning toch wat op zijn nummer zet.

‘Vandaag hebt u al uw aanhangers te schande gemaakt’ – zegt Joab. Alle mensen, die hun leven gewaagd hebben. Om dat van u te redden. Daar ook wonderwel, in gesláágd zijn. En dus gerekend hadden, op de dank van hun koning. Maar die dank, die krijgen ze niet. En dat, zegt Joab tegen David – is een gróte schande! En zal ook zeker, niet zonder gevolgen blijven. Ja, ‘als u nu niet naar buiten gaat, is er vannacht geen man meer bij u.’

En ja, dat is dúidelijke taal – die Joab hier spreekt. Want eigenlijk zegt hij, tegen David. Je huilt nu, als een váder. Maar zou moeten juichen, als een kóning. Omdat je leger de overwinning heeft behaald, op de man die je naar de kroon stak. En uiteindelijk, laat David zich dan ook tot rede brengen. En neemt hij plaats in de poort, zodat het leger zijn opwachting bij hem kan maken. De kóning, hij vermant zich. Maar hoe zit het, met de váder?

Want het is niet niks, om je zoon te verliezen. En zeker niet, op deze manier. Want Absalom, was tegen zijn vader in opstand gekomen. Had hem naar de kroon gestoken, en naar het leven gestaan. En had, alsof dat allemaal nog niet pijnlijk genoeg was. Het daarmee ook opgenomen, tegen de Gód van zijn vader. De HERE. Nu, en zal ook dat niet een belangrijke rol hebben meegespeeld? Bij het grote verdriet van David, waarvan we lazen?

Want ja, zegt David niet terecht – in de tweeëndertigste Psalm: ‘wie God verlaat, heeft smart op smart te vrezen’? Omdat daar namelijk, geen zégen op kan rusten? En toch: Absalom had het wel gedaan! Was ten strijde getrokken, tegen zijn aardse vader. Maar daarmee ook, tegen zijn hemelse Vader. Tegen de HERE. En had, zoals te verwachten was. In die strijd het onderspit gedolven. Maar dat niet alleen: hij was in die strijd, ook gestorven.

En ja, ook dat. Moet voor de koning, die tegelijk zijn vader was. Een hard gelag zijn geweest, en een groot verdriet. Want om je kind, je jongen – toch zó te zien eindigen. In zonde en opstand, zonder zich bekeerd te hebben. Ja, dan gaat er inderdaad – een siddering door je heen. Maar gemeente, moet je dan niet zeggen. Dat het gebod, dat vanmorgen onze aandacht vraagt. Het tweede gebod van Gods wet. De last nóg wat zwaarder maakt?

Want de Catechismus gaat daaraan voorbij. Maar het tweede gebod is méér, dan een gebod alleen. Want hoor maar, wat het nog méér zegt. ‘Voor de schuld van de ouders laat ik de kinderen boeten, en ook het derde geslacht en het vierde, wanneer ze mij haten.’ Nu, en juist tegen de achtergrond van de geschiedenis van 2 Samuel 18 en 19. Wordt pijnlijk duidelijk, wat hier eigenlijk gezegd wordt. En, dat ook: hoeveel vrágen het oproept.

Ik bedoel: we hoorden al even, hoe groot het verdriet van vader David was. Om zijn zoon Absalom, die het leven gelaten had bij zijn opstand ook tegen de HERE. En dat is ook, onvoorstelbaar zwaar en moeilijk. Maar moet David, op grond van het tweede gebod van Gods wet. Dan óók de vraag onder ogen zien, of hij het aan zichzelf te wijten heeft? En de HERE, in wat er deze dagen gebeurd is. De zoon straft, om de zonde van de vader?

Wees eerlijk: daar wordt het nóg weer moeilijker van! Want dan héb je al zo’n last op je schouders liggen. Door wat er allemaal gebeurd is, met je kind. Maar word je, door de tekst van het tweede gebod. Oók nog geconfronteerd met de vraag, of het misschien je eigen schuld is. En de HERE jouw zonde straft, in het leven van je kind. Want ja, als je eenmaal op dát spoor terecht bent gekomen. Zijn er ook altijd wel, fouten en gebreken te noemen.

Ik bedoel: in het geval van David, kunnen wij zelfs wel dingen noemen! Die de HERE mogelijk ‘bezoekt’ aan zijn kinderen. Want David was ‘de man naar Gods hart’. Zo spreekt de Bijbel over hem. Maar dat betekent allerminst, dat hij een man zonder fouten of gebreken is geweest. Integendeel, zelfs: één naam is voldoende, om dat duidelijk te maken. Die van Davids vrouw Batseba namelijk. Nu, en is de HERE die zonde dan nu komen straffen?

Gemeente, je zou het misschien bijna gaan denken! Als je de tekst van het tweede gebod ‘op zich’ neemt. En losmaakt, van de rest van de Bijbel. Maar dat is dan ook niet de bedoeling! Ook de tekst van het tweede gebod, moeten we lezen. En: laten staan. In de context van het geheel van de Bijbel. En die maakt zonder enige twijfel duidelijk, dat de HERE kinderen niet straft om de zonden van hun ouders. En elk mens, zélf verantwoordelijk is.

Met andere woorden: als kinderen afdwalen, doen wat God verboden heeft. Is dat niet, om de zonden die hun ouders wellicht gedaan hebben. Toegepast op David: het is en blijft voor hem een onmetelijk verdriet. Dat zijn bloedeigen zoon, in opstand is gekomen. Tegen hem, en de HERE. En in die strijd, zelfs ook het leven gelaten heeft. Maar hij hoeft dat zichzelf, als vader niet te verwijten. Want Absalom stierf niet, om de zonde van David.

En natuurlijk: dat neemt het verdriet niet weg. Het verdriet van deze vader, om zijn kind. Maar tegelijk: het maakt dat verdriet ook niet groter, dan nodig is. Want het tweede gebod bedoelt niet te zeggen, dat de HERE kinderen straft om de zonden van hun ouders. Maar gemeente, wat is dan wél de boodschap van het tweede gebod? Nu, dat zal ik u zeggen. Het bepaalt ouders, bij de grote verantwóórdelijkheid die ze hebben. Voor hun kinderen.

Want als de HERE, in zijn grote goedheid en genade. Je één of meer van zijn kinderen toevertrouwt. Dan schenkt hij je daarmee, als ouder. Een grote zegen. Maar ook: een grote verantwoordelijkheid. Want wat hebben juist ouders, vaak niet een grote en beslissende invloed. Op welke kant het opgaat, met hun kinderen. Want zij zijn degenen, die in de eerste plaats verantwoordelijk zijn voor de opvoeding. Hoe hun kinderen ‘groot’ worden.

En ja, als je je daar met een ‘jantje van leiden’ van af maakt. Kun je je kinderen zomaar op het verkeerde spoor zetten in hun leven. Een spoor, dat ze niet ‘naar de HERE toe’ leidt. Maar juist, ‘van de HERE af’. En ja, zoiets werkt ook door – in het derde en het vierde geslacht. Want als je je kinderen al ‘op het verkeerde spoor’ zet. Dat hen bij de HERE vandaan brengt. Hoef je je over je kleinkinderen al helemaal geen illusies meer te maken!

Nu, en dáár legt de HERE de vinger bij. In het tweede gebod van zijn heilige wet. Bij wat je als ouders je kinderen ‘mee geeft’. En hoe groot je verantwoordelijkheid daarin is. Maar zonder dat dat dus de ‘eigen verantwoordelijkheid’ van je kinderen weg neemt. Want óók als je ze ‘het goede’ mee geeft. Kunnen ze, net als Absalom. Ervoor kiezen, om ‘eigen wegen’ te gaan. En dat is verdrietig genoeg, maar toch niet: de schuld van de ouders.
2. Zegen.

Gemeente, we hoorden al: het tweede gebod is méér, dan een gebod alleen. De HERE vraagt er ook aandacht mee – voor de grote verantwoordelijkheid, die ouders hebben voor hun kinderen. En het spoor, waarop hun kinderen gezet worden. Maar als je je dat realiseert, juist als ouder. Kan de schrik je zomaar om het hart slaan. Want hoe zet je je kinderen, dan eigenlijk precies op het juiste spoor? En hoe voorkom je, dat ze later van de HERE afdwalen?

Nu, gemeente: dat voorkom je niet! Want eerder is óók al gezegd, en benadrukt. Dat kinderen een eigen verantwoordelijkheid hebben. En het dus niet is uitgesloten, dat je ze als ouders de weg wijst. En: op het goede spoor zet, achter de HERE aan. Maar ze daar toch van afwijken, om eigen wegen te gaan. Oftewel, je hebt het als ouder niet ‘in de hand’. En je ‘dwingt het niet af’. Het enige wat je doen kunt, is je verantwoordelijkheid nemen.

Maar goed, hoe doe je dat dan? Je verantwoordelijkheid nemen, als ouder? Nu, gemeente – dat wordt uitgerekend duidelijk, in het tweede gebod. Want wat eist de HERE daarin precies van ons? Nu, dat we Hém dienen – die de enig ware God is. Maar we dat ook nog ‘ns een keer doen, op de manier waarop Hij ons dat bevolen heeft. Of, met de woorden van Zondag 35: we ‘Hem op geen andere wijze vereren dan Hij in zijn Woord bevolen heeft.’

En daarmee brengt het tweede gebod, ons terug bij de Bijbel. En dat is ook precies de plek, waar ouders wezen moeten. Die hun verantwoordelijkheid willen nemen. En hun kinderen, ‘op het goede spoor’ willen zetten. Want wie dat wil, doet er wijs aan. Om zijn kinderen vertrouwd te maken met de Bijbel. Hun de boodschap van de Bijbel ‘in te prenten’, maar ook. En dat is minstens zo belangrijk. Hun die boodschap ook voor te leven.

Ja, eigenlijk – zou je kunnen zeggen. Geldt daarom ook van een ouder, wat het bevestigingsformulier van een ouderling zegt. En u kent wellicht dat zinnetje. ‘Om deze taak als herder over Gods kudde trouw te kunnen vervullen, moeten de ouderlingen de Schrift ijverig onderzoeken en zich oefenen in de dienst van God.’ En precies hetzelfde geldt ook voor een ouder: ook als die zijn taak trouw wil kunnen vervullen, moet die datzelfde doen.

En daarbij komen we dan, bij een juist vandaag de dag aangelegen punt. De vraag namelijk, welke plek de Bijbel heeft. In onze gezinnen, en: onze huizen. De Bijbel, en de oefening in de dienst van God. Concreet: hoe vaak gaat de Bijbel open, bij ons in huis? Hoe vaak lezen we daaruit? Samen, en persoonlijk? En, dat ook: hoe vaak vouwen we met elkaar de handen? Om de grote naam van de HERE onze God aan te roepen in het gebed?

Want om eerlijk te zijn: ik ben daar niet gerust op! Denk soms signalen op te vangen, die er op wijzen. Dat we de strijd op dat punt aan het verliezen zijn. En natuurlijk wil daarmee niet gezegd zijn, dat vroeger alles beter was. Want misschien, deden we het toen wel eens wat teveel uit gewoonte of sleur. Zonder dat het veel inhoud had. En toch: dan was het in ieder geval, een goede gewoonte! En werd de Bijbel in ieder geval regelmatig gelezen!

Maar gemeente, hoe zit dat nu? Vandaag, de dag? Gaat de Bijbel nog open, in onze huizen? En bidden we nog? Of gunnen we ons daar, als we eerlijk zijn – geen tijd meer voor? Dat zijn belangrijke vragen! En zeker, als de HERE kinderen aan onze zorgen heeft toevertrouwd. Want een christelijke opvoeding, zoals we die bij de doopvont aan de HERE beloofd hebben. Begint altijd, bij een geopende Bijbel. En, dat ook: met gevouwen handen.

En natuurlijk – het kan niet genoeg benadrukt worden. Als aan die ‘voorwaarden’ voldaan is, is dat nog geen garantie dat het wel goed komt. En onze kinderen zullen gaan, ‘de weg die onze vaad’ren gingen’. Want ook kinderen, die godvrezend zijn opgevoed. Hebben en houden, een eigen verantwoordelijkheid. En kunnen dus ook beslissen, om andere wegen te gaan. Dan waarin hun ouders hun zijn voorgegaan. Denk maar weer, aan Absalom!

Maar toch: een weg, die je niet gewezen is. In woord, en in daad. Kun je natuurlijk, sowieso niet gaan, als kind. En daarmee hebben uitgerekend ouders, wel een grote plaats. En: een grote verantwoordelijkheid. In de zegen, die hun kinderen ontvangen. Want hoe je het ook wendt of keert: de HERE is de God van het verbond. Die werkt, ‘in de lijn van de geslachten’. En dus kinderen met name ook ‘zegenen’ wil, in en door hun vader en moeder.

En vandaar ook, dat het zo’n groot verdriet is. Als kinderen die zegen laten, voor wat die is. En eigen wegen gaan. Weg, bij de HERE vandaan. Hè, we merkten dat al even – toen we lazen en hoorden van Absalom, die dat ook deed. En het verdriet, dat zijn vader daarover gehad heeft. Juist, toen het helemaal verkeerd afliep. En om eerlijk te zijn: dat verdriet, dat blijft ook. En het bepaalt je, altijd weer. Als mens, bij je kleinheid en machteloosheid.

En misschien, dat we daarom ook wel eens de neiging hebben. Om, als we met dat verdriet geconfronteerd worden. Bij ouders, in onze directe omgeving. Met een grote boog, om hen heen te lopen. Of angstvallig, in de gesprekken – dat onderwerp te vermijden. Want wees eerlijk: dat gebeurde in de tijd van David ook al. Omdat de mensen zich machteloos voelden, er verlegen mee waren. En niet goed wisten, wat of ze precies zeggen moesten.

En eerlijk is eerlijk: dat is ook moeilijk! Omdat we de oorzaak van het verdriet, niet weg kunnen nemen. En ook kinderen niet bewegen kunnen, om terug te keren naar de HERE. En Hem te dienen naar zijn Woord. Aan de andere kant: wat we wél kunnen doen, is die kinderen in ieder geval niet te snel op te geven. En: los te laten. Alsof er voor iemand, die de kerkdeur achter zich dicht heeft getrokken. Niet meer komt. Geen enkele hoop meer is.



Want ja, dan nemen we te snel afscheid. Want goed, het werkt niet mee! Dat is waar. Als je de plek verlaat, waar het geloof gevoed wordt. Dan sla je een verkeerde weg in. Maar zonder dat dat betekent, dat je de HERE daarmee dan ook al definitief vaarwel zegt. Want in veel gevallen, is daar geen sprake van. En ja, dan is er dus ook nog hoop. En een weg, om te gaan. In onze machteloosheid. Naar Hem toe namelijk, die de Almachtige is.

Want ook al kunnen wij mensen niet meer bereiken, en hun harten niet neigen. De HERE kan dat wel, en we mogen Hem erom vragen. Of Hij de mensen, om wie wij ons zo’n zorgen maken. Nog in het hart wil grijpen, en ze terug wil brengen bij Hem en zijn Woord. En zo: bij de Here Jezus Christus, die geleden heeft en gestorven. En zullen we samen, dat gebed nu ook bidden? Door te zingen, als amenlied – van Psalm 90, het achtste vers? Amen.

  • ONTROOSTBAAR
  • HET TWEEDE GEBOD REIKT VER! Het brengt 1. vloek 2. zegen

  • Dovnload 34.01 Kb.