Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Oorlogschade en schulden in Veghel in de vijftiende en zestiende eeuw

Dovnload 174.35 Kb.

Oorlogschade en schulden in Veghel in de vijftiende en zestiende eeuw



Pagina1/3
Datum26.10.2018
Grootte174.35 Kb.

Dovnload 174.35 Kb.
  1   2   3

Oorlogschade en schulden in Veghel in de vijftiende en zestiende eeuw

Martien van Asseldonk

28 april 2014



Deze gegevens mogen gebruikt worden onder verwijzing naar: Martien van Asseldonk, www.oudzijtaart.nl
In een studie uit 2002 concludeerde ik dat in de zestiende eeuw in de kleinere plaatsen op het platteland van de Meierij van ’s-Hertogenbosch ingrijpende bestuurlijke ontwikkelingen plaats vonden, zoals het ontstaan van een permanente algemene dorpskassen en het alom aanstellen van borgemeesters die die dorpskas beheerden. (De steden en enkele vrijheden hadden al eerder een algemene kas.) Die ontwikkeling was niet het resultaat van een positieve organische groei, waarbij een gemeenschap of dorp geleidelijk een steeds complexere organisatiegraad bereikt, zoals men wel eens leest. Nee, die veranderingen waren het gevolg van bittere noodzaak en lijden. Vanwege brandschattingen en andere oorlogslasten waren de dorpen gedwongen om geld te lenen. Die geleende bedragen werden pas na een aantal jaren afgelost en in de tussentijd moest er rente over betaald worden. In de vijftiende en vroege zestiende eeuw had dat nog een ad-hoc karakter, maar in de laatste decennia van de zestiende eeuw ontstonden overal permanente schulden, dorpbelastingen, dorpskassen en werden overal borgemeesters aangesteld.
We zullen die brede ontwikkelingen hierna beschrijven en daar de gegevens over Veghel naast zetten. We proberen ons dan een beeld vormen van:

  • De directe oorlogsschade in Veghel

  • De lasten vanwege de oorlog opgelegd door de overheid: de stad en Meierij van ‘s-Hertogenbosch en het kwartier Peelland

We hopen vanuit dat perspectief wat meer te kunnen zeggen over het tijdperk van onstaan van de algemene dorpskas in Veghel. De reguliere belasting van de overheid, de bede, droeg niet bij tot de vorming van een algemene kas, omdat er voor dat doel overal speciale bede-beurders waren die de bede ophaalden en daarna afdroegen aan de ontvanger van de hertog van Brabant.


We bespreken achtereenvolgens:

  • De Gelderse oorlogen tussen 1478 en 1499

  • De Gelderse oorlogen tussen 1504 en 1543

  • De eerste decennia van de Tachtigjarige oorlog

En kijken per periode naar:




De Gelderse oorlogen tussen 1478 en 1499
De oorlogen:
In 1465 had Adolf, zoon van hertog Arnoud van Gelre, zijn vader gevangen laten zetten en de macht in Gelre overgenomen. Door bemoeienis van Karel de Stoute, die ook hertog van Brabant was, kwam Arnoud van Gelre weer op vrije voeten en belandde zoon Adolf op zijn beurt in de gevangenis. In ruil voor Karels hulp hield Arnoud van Gelre het hertogdom Gelre en het graafschap Zutphen voortaan in leen van Karel de Stoute. Ondanks tegenstand van een aantal Gelderse steden nam Karel de Stoute in de loop van 1473 het hertogdom Gelre in bezit. In 1477 overleed Karel de Stoute. Hij werd opgevolgd zijn dochter Maria, die gehuwd was met Maximiliaan van Habsburg. Hierna ontstond er een oorlog tussen Brabant en Gelre, omdat Gelre Maximiliaan niet als zijn heer wilde erkennen. In 1478 brak er een oorlog uit. Gelderse troepen staken Heesch en Oss in brand. In 's-Hertogenbosch werden de klokken geluid en de stedelijke troepen trokken op. De Bosschenaren brandden Driel af. De stad 's-Hertogenbosch verzamelde meer troepen uit de stad en het platteland, die in Gelre grote schade aanrichtten. Enige tijd later werd Grave ingenomen en van een bezettingsleger voorzien. In 1481 werd er vrede gesloten. Oijen en Dieden behoorden hierna bij Brabant.
In 1482 raakte Brabant in oorlog met Luik, omdat de hertog van Brabant besloot tot wraak op de moord op de bisschop van Luik door Willem van der Mark, die zijn zoon tot bisschop wilde laten kiezen. De Luikenaars, die Van der Mark steunden, werden verslagen. Enkele jaren later namen vijandig gezinde Luikse troepen Eindhoven in en staken de stad in brand. Nadat Karel van Egmond in 1492 de macht in Gelre had overgenomen, kocht hij de rechten op Oijen en Dieden terug. De verplichtingen die Karel vanwege deze koop aan de stad 's-Hertogenbosch had, kwam hij niet na. De Bosschenaren eigenden zich beide plaatsen weer toe en sloopten het kasteel van Oijen. Kort daarna maakte Karel van Gelre zich weer meester van Oijen en Dieden. De Geldersen betwistten ondertussen nog steeds het oppergezag van Maximiliaan. In 1497 trok de graaf van Buren met een Brabants leger, grotendeels bestaande uit Bosschenaren, de Maas over en brandde dorpen in de Tielerwaard af. Ook bevocht hij met zijn leger de Gelderse troepen uit Nijmegen. Karel van Gelre verbrandde op zijn beurt Oss en een deel van Geffen. De Bossche ambachts- en schuttersgilden en de opgeroepen plattelandsbewoners verdreven de Geldersen uit de Meierij. Maximiliaan viel in 1498 met een groot leger Gelre binnen. In 1499 werd er een bestand gesloten.

De oorlogsschade in Veghel:
Voor zover is te overzien had Veghel niet direct veel te lijden gehad van deze oorlogen. Wel was de oorlog dichtbij geweest, en kunnen er wel leveranties aan troepen zijn geweest. De archiefgegevens uit die periode zijn schaars en zeggen er niets over, dus we kunnen daar alleen maar naar raden. Veghel en de andere dorpen werden in 1483 wel aangeslagen voor de door Den Bosch gemaakte kosten.

De schulden
Tijdens de oorlog tussen Brabant en Gelre in de jaren 1478-1481 verdedigde de stad 's-Hertogenbosch de stad en het platteland van de Meierij met ruiters in dienst van de stad, die enige tijd in Grave gelegerd werden. Op 6 augustus 1479 gaf de hertog de stad toestemming om ter bestrijding van deze kosten 30.000 rijnsguldens of meer te lenen op naam van niet alleen de stad, maar tevens namens de ‘goede luden in den voirscreve Meyerye van Den Bosch ten plattenlande geseten’.
Na de vrede tussen Brabant en Gelre in 1481 rezen er problemen tussen de stad en het platteland over de verdeling van de oorlogskosten en over de omslag van de bede. Op 17 juli 1482 werden de Bossche poorters door de hertog gelast om voor hun bezittingen op het platteland aan de bede bij te dragen. De hertog schonk de dorpen, die klaagden over oorlogsschade en armoede, een achtste deel van de bede kwijt. 's-Hertogenbosch vroeg echter van het platteland een bijdrage van 109.000 rijnsguldens vanwege gemaakte oorlogskosten. Het platteland eiste geschreven bewijsstukken van alle door de stad gemaakte kosten en wilde aanvankelijk slechts 18.000 rijnsguldens betalen. In januari 1483 werden door vertegenwoordigers van de stad, de edelen, de geestelijken en de dorpen op het platteland acht arbiters aangesteld; vier namens de hoofdstad en vier namens de dorpen. Op 24 juni 1483 deden de arbiters een bindende uitspraak. In dit ‘compromisse’ werd een verdeling van de kosten gemaakt. Het platteland diende 54.000 gulden bij te dragen in de kosten die de stad gemaakt had. Voor de omslag van de kosten die in 1483 door het platteland gedragen werden, werd gebruik gemaakt van de haardstedentelling van 1480. Dat betekende dat alle plaatsen in 1483 schulden en schuldeisers toegeschoven kregen.
Ook werd afgesproken dat de stad met de geestelijken, de belangrijke heren, de steden en de vrijheden in de Meierij zou overleggen als er opnieuw diensten of bedragen geëist werden. Als de hoofdstad dat naliet, zou zij in het vervolg alleen voor de kosten opdraaien. Na 1483 bleef de relatie tussen stad en platteland problematisch, hetgeen in 1495 leidde tot een nieuwe regeling, de zogenoemde ‘raminghe’. Hierin werd onder meer de omslag van de bede nader geregeld.
Om aan de betaling en eventueel andere schulden te voldoen leenden een aantal plaatsen geld leenden en die bedragen werden soms pas na een aantal jaren afgelost. Eindhoven leende in 1483 geld van het klooster ‘Schwarzenbroich’ in het Land van Gulik om haar schuld te vervangen door een gunstigere lening. In 1485 loste Helmond zijn schulden af. In de Meierijrekening van 1495-1496 wordt vermeld dat in dat jaar de inwoners van Heeze en Leende, van Waalwijk en van Gestel, Strijp en Stratum hun schuld afgelost hadden. 's-Hertogenbosch was in 1520 nog belast met een in 1480 aangegane schuld.
Een andere manier om aan geld te kopen was het verkopen van percelen van de gemene gronden. Daarvoor was formele toestemming (een octrooi) nodig van de overheid. Deze octrooiverleningen zijn bewaard gebleven. Octrooiverleningen uit de 15de eeuw zijn:



Octrooi verleend aan:


Jaar van verlening:


Motivering:

Berlicum

1481

Vanwege kosten van de oorlog tegen Gelre, met name plunderingen, gevangennemingen en ook om bij te dragen aan de kosten van soldaten die zij uitzonden naar de oorlog.


Oirschot

1484

Men heeft geld nodig om de tijdens de oorlog ontstane schulden af te betalen.


Vught

1484

Het dorp wordt gekweld door vele lasten.


Sint- Oedenrode

1486

Men heeft 8.000 rijnsguldens moeten betalen aan soldaten. Verder heeft men 2.000 rijnsguldens nodig voor de herbouw van de toren en het dekken van de kerk met leien.


Esch

1487

De opbrengst moet worden gebruikt om de belastingen en oorlogsschulden te betalen.


Lieshout

1487

De opbrengst moet worden gebruikt om de belastingen en oorlogsschulden te betalen.


Schijndel

1487

De opbrengst moet worden gebruikt om daarmee hun oorlogsschulden te betalen.


Rosmalen en Berlicum


1491

Vanwege kosten van de oorlog tegen Gelre.

Helvoirt


1491

Om de schulden af te lossen. Helvoirt heeft vanwege de oorlogen geld moeten lenen.


Nuland

1491

Vanwege oorlogskosten en om schulden aan diverse personen af te lossen.


Berlicum en Rosmalen


1495

Vanwege oorlogsschade, oorlogslasten en om soldaten te betalen.


De Veghelse schulden:
In de haardstedentelling van 1480 werden er buiten Den Bosch 12.543 haardsteden geteld, waarvan 240 in Veghel. Hieruit is te berekenen dat Veghel in 1483 1.033 gulden aan Den Bosch moest betalen. Dat is in de orde van grootte van wat men in Veghel in het midden van de zestiende eeuw als een eenmalige omslag voor de bede beschouwde. Veghel zal het in 1483 opgelegde bedrag daarom wel over de bevolking omgeslagen hebben. Van een verlening van een octrooi om percelen van de gemeint te verkopen om daarmee schulden af te lossen is voor deze periode niets bekend.


De Gelderse oorlogen tussen 1504 en 1543
De oorlogen:
In 1504 verklaarde Filips de Schone als hertog van Brabant Gelre opnieuw de oorlog. Filips verzamelde een leger in 's-Hertogenbosch, dat in Gelderland verwoestingen aanrichtte. Gelderse troepen staken in oktober 1504 Lith in brand, terwijl Kessel, Maren en Alem brandstichting afkochten. Vanuit het zuiden trokken de Geldersen vanuit Roermond op en verbrandden Budel. In de hele Meierij werden de klokken geluid om een leger te verzamelen. In 1505 werd Grave door een Brabants leger ingenomen. Op 2 oktober 1506 plunderde Karel van Gelre Heeze, Leende en Someren en kort daarna werden Lommel, Eersel en Bergeijk gebrandschat, waarna het Gelderse leger naar Roermond terugkeerde. De Bosschenaren legerden vierhonderd burgers in Lith, waarbij zich alle weerbare mannen uit de kwartieren Oisterwijk en Maasland voegden. Het kasteel van Oijen werd door de Bosschenaren bezet en enkele jaren later afgebroken. De Geldersen gaven na een belegering door Brabantse troepen Poederoijen over. In de herfst van 1508 werd een bestand gesloten.
In juli 1511 belegerde een Brabants leger Venlo. De belegering mislukte en in het voorjaar van 1512 stroopten de Geldersen vanuit Roermond en Venlo de Meierij af. Ze brandden huizen in Deurne, Asten, Geffen en Nuland af. De burgerij van 's-Hertogenbosch riep de inwoners van het platteland nabij de stad met klokslag op. Een leger van tweeduizend mannen stak de Maas over en plunderde Driel en Rossum. De Geldersen namen honderden soldaten van dit leger gevangen en doodden velen. Korte tijd later vielen de Gelderse troepen de Meierij weer binnen en in september 1512 werd een aantal plaatsen geplunderd en verbrand, onder andere Rosmalen, Orthen, Hintham, Heeswijk, Dinther, Oss, Schijndel, Sint-Oedenrode, Geldrop, Heeze, Leende, Nederwetten, Nuenen, Lieshout en Stiphout. De hertog van Brabant voerde kort daarna een strenge strafexpeditie in Gelderland uit. In 1513 werd een bestand gesloten. Het platteland had zwaar van de oorlogen te lijden gehad.
In 1524 werden de vijandigheden hervat toen Orthen door de Geldersen in brand gestoken werd en het vee geroofd. De stad trok uit met ongeveer honderd ruiters en honderd voetknechten en veel Geldersen werden gedood of gevangen. Driel, Rossum en Heerwaarden werden verbrand. De Geldersen brachten op hun beurt schade toe aan Tilburg, Reusel, Borkel en Heeze. Ze werden verdreven en opnieuw werd er een bestand gesloten.
In 1528 vielen drieduizend Gelderse soldaten vanuit het zuiden via de Peel Brabant binnen. De weerbare mannen werden per klokslag opgeroepen om het land te verdedigen. Op 1 juni 1528 werden de Geldersen verslagen op de heide tussen Heeze en Leende. Later in dat jaar verbrandden de Geldersen Oss en Nuland. Ze werden door een leger ruiters onder leiding van de hoogschout van 's-Hertogenbosch teruggedreven. Op 5 oktober 1528 werd vrede gesloten.
Rond 1533 werd getwist over de belening van Boxmeer. De inwoners van 's-Hertogenbosch waren beducht dat de hertog van Gelre de heerlijke rechten in Boxmeer van de hertog van Brabant zou kopen. Hierdoor zou Gelre een bruggenhoofd aan de Brabantse zijde van de Maas krijgen. Floris van Egmond, graaf van Buren, die de heerlijkheid Cuijk en Grave in pand hield van de hertog van Brabant, werd door 's-Hertogenbosch en de andere plaatsen in de Meierij financieel in staat gesteld, om de heerlijkheid Boxmeer te kopen.
Op 20 juli 1542 trok Maarten van Rossum als legerbevelhebber in dienst van de hertog van Gelre met zijn troepen de Maas over en trok plunderend over Erp, Veghel, Sint-Oedenrode, Oirschot, Oostel- en Middelbeers richting Antwerpen. Oisterwijk, Moergestel en Hilvarenbeek kochten brandstichting af. Op 22 oktober 1542 brandden de Geldersen Oss voor de zoveelste keer af.
In juli 1543 staken de Geldersen troepen weer de Maas over en trokken via Berghem, Oss en Veghel naar Boxtel. Inwoners van Oisterwijk, Haaren, Vught, Boxtel en andere plaatsen stelden gezamenlijk een verdedigingsleger samen, maar werden verslagen en gevangen genomen, waarna Boxtel geplunderd werd. Maarten van Rossum eiste 's-Hertogenbosch tevergeefs op en koelde zijn woede op Vught. Hierna werd een groot aantal plaatsen geplunderd en gebrandschat, waaronder Boxtel, Oisterwijk, Hilvarenbeek, Tilburg, Oirschot, Vessem, Wintelre, Oerle, Esch, Helvoirt, Den Dungen, Breugel, Asten, Someren, Lierop, Gestel bij Eindhoven, Woensel, Blaarthem, Waalre, Valkenswaard, Heeze, Leende, Geldrop en Eindhoven. De heer van Helmond wist zijn stad met succes te verdedigen, maar het klooster Binderen werd door de Geldersen verbrand en de omgeving van Helmond geplunderd. In augustus 1543 viel keizer Karel V met een groot leger Gelre binnen. De hertog van Gelre gaf zich in september 1543 over. Hiermee waren de Gelderse Oorlogen ten einde en was het voor korte tijd rustig op het platteland.

De oorlogsschade in Veghel:
Wat heeft Veghel van deze Gelderse oorlogen gemerkt? Volgens de Bossche stadrekeningen werd de Veghelse brug twee keer afgebroken.
“Item die selve daige (25 september 1511), Arnt van Empel gesonden tot Heeswyck, Dungen, Middelroye, die bruggen af te werpen, insgelix tot Vechel ende Erp, mits den toigh der voirscreven Gelderschen.”

 

“Item 4 octobri 1543, Jan van Eyndhouts met eenen openen placaet gesonden tot Vechel, Erpe, Berlycken ende Middelroye, omme die bruggen inden lesten oirloige affgebroken, weder omme opte maken.”



 

“Item 21 aprilis 1544, Herman int Molenvelt met brieven gesonden tot Vechel, aende schepenen aldair, om de bruggen op te maken.”

 

“Item, alsoe inden lesten oirloighe van Gelre, dese stat metten platten lande hadde aff doen werpen, tot gemeyn profijt ende tot bescermenisse deser meyerien, ende bysander Pedelant die langhe brugge tot Vechel, soe hebben die naegebueren van Vechel, die selve brugghe, tot gerieve vanden selven lande, weder omme doen maken, die vele gecost heeft soe se groot ende lanck was”


Dat Veghel te lijden heeft gehad van de twee veldtochten van Maarten van Rossum in 1542 en 1543 blijkt ook uit een verklaring die op 17 februari 1547 voor schepenen van Veghel werd afgelegd. Er werd verklaard dat Jan zoon van wijlen Ariaen Blaffarts die jonge in de twee doortochten van Maarten van Rossum ‘bescadicht is aen syne gerede have’. Hij had onder andere daardoor voor meer dan 100 Carlus gulden aan schulden. Tot 1572 draaide in Veghel elke inwoner bij oorlogsschade voor de eigen schade op. De afbreken en opbrouwen van de brug over de Aa was al wel een gezamenlijke aangelegenheid.


Op 15 maart 1547 werden er in Veghel verklaringen afgelegd over Goert die Becker die Danelt, knecht van Ygram van Achellen op het Ham, in zijn rug had verwond. Men zei onder andere dat Goert die Becker ‘by den toch van Marten van Rossem is geweest’. Hij was kennelijk huursoldaat bij de vijand geweest, wat hem in een kwaad daglicht zette.

De schulden
Op 10 december 1512 sloten de steden 's-Hertogenbosch, Helmond en Eindhoven en de vrijheden Sint-Oedenrode, Oisterwijk, Oerle, Oss, Hilvarenbeek en Oirschot een overeenkomst in naam van ‘allen der andere vryheiden ende dorpen inden Meyeryen’. Er werd overeengekomen dat de stad 's-Hertogenbosch een vierde deel zou dragen in de onkosten voor de jaarlijkse renten verkocht ter financiering van de oorlog met Gelre en de overige plaatsen tezamen drievierde deel.
Op 20 mei 1528 sloten vertegenwoordigers van Antwerpen en 's-Hertogenbosch, mede namens hun kwartieren, een overeenkomst voor de verdeling van de kosten om in de maanden juni tot en met augustus 1528 een leger van 5.250 ‘crychs knechten’ en 1.200 ‘mannen te peerde’ in dienst te nemen voor de verdediging van het land. Een deel van de troepen werd in de Meierij (aan de Maas en in de Peel) gestationeerd. Op 7 augustus 1528 werd op de vergadering van de vier kwartieren van de Meierij van 's-Hertogenbosch besloten om de kosten van de Gelderse oorlog om te slaan over de steden, vrijheden en dorpen van de Meierij. Tevens besloot men op die dag een lening van 8.000 gulden uit te schrijven. Hierbij werd overeengekomen dat ‘elck principael stat ende vryheyt van elcken quartier in den voorgeschreven geloeften souden vervangen die vryheyden ende dorpen van denselven zynen quartier’. Als zodanig traden op: 's-Hertogenbosch, Helmond, Sint-Oedenrode, Oisterwijk, Hilvarenbeek, Oss, Eindhoven, Oerle en Oirschot.
Op 12 juni 1529 hadden de Brabantse Staten aan keizer Karel V een extra bede toegestaan van 240.000 ponden Artois ter gelegenheid van zijn huwelijk met Isabella van Portugal, de geboorte van zijn zoon en zijn reis naar Italië voor de keizerskroning. Het aandeel van de Meierij in deze bede was 40.434 ponden en 18 schellingen Artois. Volgens afspraak zou deze som betaald worden in twaalf halfjaarlijkse termijnen. De keizer wilde echter het geld snel hebben en daarom besloot de Meierijvergadering op 1 augustus 1529 om het benodigde bedrag te lenen. Karel V gaf daar op 8 september 1529 toestemming voor. Ook van deze lening is een totaaloverzicht gegeven in de onderlinge garantieverklaring die de betrokken steden en vrijheden elkaar gaven. Karel V wilde naast het geld van de extra bede ook het geld van de gewone zesjarige bede snel in handen hebben. Men accepteerde het aanbod van de keizer dat met betaling van 32.000 gulden ineens de totale bede voor zes jaren van 40.446 gulden voldaan zou zijn, zoals werd vastgelegd in een akkoord van 3 augustus 1529. Dezelfde steden en vrijheden als die op 7 augustus 1528 optraden, zegelden deze schuldbekentenis.
Op 17 november 1542 gaf keizer Karel V als hertog van Brabant aan het platteland in de Meierij van 's-Hertogenbosch toestemming om 2.000 carolusguldens losrenten te verkopen om de kosten van de gewone en buitengewone beden te betalen, vanwege de grootschalige verbrandingen, brandschattingen, roof en gevangennemingen in dat jaar aangericht door het leger onder leiding van Maarten van Rossum en het betalen van het maandelijkse loon aan soldaten. Ook hierna bleef de Meierij geld lenen.
De Staten van Brabant leenden in de zestiende eeuw eveneens geld. In 1528 had de hertog naast de lopende bede de Staten om een bedrag van 100.000 kronen verzocht. Voor dat doel werden door de Staten voor 6.000 gulden aan losrenten verkocht. In 1536 verkochten de Staten lijfrenten om een bede van 300.000 gulden te betalen. De rentebrieven werden betaalbaar gesteld op de rentmeesters van de kwartieren van Brabant, waarvan de Meierij van 's-Hertogenbosch er één was. Van aflossing kwam niets, zodat de schulden een permanent karakter kregen.
In de eerste helft van de zestiende eeuw blijken steeds meer dorpen geld te lenen. Dit moet grotendeels (maar niet uitsluitend) gezien worden in het licht van de opeenvolgende Gelderse oorlogen, die in de Meierij grote schade aanrichtten. Op 20 februari 1511 leenden de schepenen, gezworenen, kerkmeesters en armmeesters van Kessel geld. In 1515 werd door de stad Eindhoven geld geleend van een inwoner voor de financiering van een verbouwing aan de kerktoren. In 1524 werd een erfcijns gevestigd ten laste van het corpus van Lith. Om de quotisatie door de Staten van Brabant ten behoeve van de oorlogslasten te kunnen opbrengen had Hilvarenbeek in 1528 en 1529 leningen gesloten bij het Sint-Lambertuskapittel te Luik. In 1542 werd een erfcijns gevestigd op het corpus van Maren. In hetzelfde jaar werd ook geld geleend door Moergestel, Someren en Eersel. In 1543 sloot het corpus van Lieshout een lening af ter betaling van oorlogslasten en schade. In 1546 blijkt ook Beek en Donk kapitalen opgenomen te hebben. De gegevens blijven fragmentarisch maar wekken wel de indruk dat er in der eerste helft van de zestiende eeuw door meer plaatsen geld geleend werd, dan in de laatste decennia van de vijftiende eeuw.
De jaarlijkse renten over deze leningen werden over de bevolking omgeslagen. Dat werd een jaarlijkse dorpsbelasting. In deze periode wordt op het platteland van de Meierij voor het eerst een dorpsbelasting vermeld en wel te Deurne. In Deurne werd op 18 maart 1545 de jaarlijkse levering van broden door de inwoners van Deurne aan de plaatselijke vicaris en koster omgezet in een jaarlijks bedrag van 11 carolusguldens. De gezworenen zouden dit bedrag elk jaar ‘uter beden’ betalen. Met deze bede werd waarschijnlijk een omslag bedoeld waaruit zowel de bede aan de hertog als de plaatselijke kosten betaald werden. De dorpsbelasting lifte dus mee in de omslag van de bede.
Men kon ook aan geld komen door percelen van de gemene gronden te verkopen. Uit deze periode zijn de volgende octrooiverleningen bekend.


Octrooi verleend aan:


Jaar van verlening:


Motivering:

Esch

1512

De opbrengst moet worden aangewend om door de oorlog ontstane schulden te betalen.


Lommel

1517

Men mocht het dorp omringen met vestingwerken en percelen uit de gemeint verkopen teneinde dit werk te bekostigen.


Someren

1523

Verkoop van enige percelen ten gevolge van hun lasten in de oorlog tegen Gelre.


Oisterwijk

1546

Men heeft het geld nodig om de schulden te kunnen betalen.


Eersel

1551

De opbrengst moet worden gebruikt om de renten drukkend op de vrijheid af te lossen.


Esch

1553

Het dorp heeft als gevolg van de schade aangericht door Maarten van Rossum geld moeten lenen.



De Veghelse schulden:
Ook in Veghel vinden we we voor het eerst een geldlening. Op zondag 25 oktober 1532 werd er op het kerkhof in Veghel een corporele vergadering gehouden. Goessen vander Aelsfoert Willemss, Willem Hanrick Houbraken, en heer Jan Willem Goert Hanrickssoen, optredend namens ‘der gemeynen naeburen van Vechel’ hadden beloofd een erfcijns 15 Carolus gulden te betalen aan wijlen heer Robbrechten van Erp. (Dit waren aanzienlijke inwoners. Goessen en Willem traden in de periode ook vaak namens de inwoners op bij het verkopen van nieuwe erven. Het is opmerkelijk dat ze verder geen formele functie hadden. Het was de elite met een zekere mate van informeel leiderschap.) De corporele vergadering besloot Goessen, Willem en Jan schadeloos te houden van de belofte die zij aan voornoemde Robbrecht deden. Met andere woorden het hele dorp was verantwoordelijk voor het betalen van deze erfcijns en niet alleen genoemde drie personen.
Als we uitgaan van een rente van 5 % dan vertegenwoordige een erfcijns van 15 Carolus gulden een kapitaal van 300 gulden. Dat is een relatief klein bedrag, ongeveer eenderde van wat men als een normale omslag voor de bede beschouwde. Deze erfcijns en de bederagen die betaald moesten worden vanwege de regelingen met Den Bosch uit 1483, 1512, 1528, 1529 en 1542 betekenen dat er Veghel toen ook iets geregeld moet zijn wat betreft het ophalen van die ‘commer’. In verklaring uit 1573 schrijft dat men in Veghel in dergelijke gevallen ‘als gewoentelycken is’ twee mannen aanstelde om het bedrag volgens de verdeelsleutel van de bede om te slaan en twee andere mannen om het geld op te halen. Als die erfcijns van 15 Carolus gulden lange tijd niet afgelost zou blijven, dan zal men in Veghel dat bedrag jaarlijks omgeslagen hebben. Dat is nogal veel werk en het is mogelijk dat het bedrag vrij snel weer afgelost is.
Verder zijn er in het Veghelse archief vermeldingen van enkele corporele vergaderingen overlegeverd, waarin personen gemachtigd werden om te onderhandelen met de stad ’s-Hertogenbosch.

  • Op 24 november 1538 werden Willem Surmonts soene wylen Loenis, Aerden soene wylen Hanrick Aertss en Jannen Hanricxs van Tillair gemachtigd om namens Veghel op 29 november met de ‘heeren en raet der stadt van sHertogenbossche’ te onderhandelen.

  • Op 30 november 1541 werden Aerd Hanrick Aertssoen en Jannen Hanricxs van Tillair ‘onse mede scepenen’ gemachtigd om aanstaande zaterdag voor ‘die heeren ende raet’ van ’s-Hertogenbosch met andere vertegenwoordigers van het platteland de rekening te horen van de kosten die namens de stad en het platteland gemaakt zijn.

  • Op 14 november 1542 werden Jan Hanricxs van Tillair en Aernd Hanrick Aertssoen, ‘onse mede scepen’, gemachtigs om met anderen ‘der stadt van Shertogenbosch ende haerre Meyerien’ het ‘dorp’ te mogen belasten, om geld bijeen te brengen om daarmee ‘die knechten ende andere saecken den orloge aentreffende’ te betalen, volgens het accoord dat op 25 oktober laatstleden gesloten werd tussen voornoemde stad en haar Meierij.

Op 6 februari 1547 werd er in Veghel een corporele vergadering gehouden,waarin Jaspar Surmonts soene wylen Jans gemachtigd werd om namens het dorp ‘inden Rade van Brabant informatie ende clear onderwys te versoecken hoe wy ons regelen sullen int saken van alle tauxen ende byletten die den dorpe van Vechel tot elcken termyn van diverse ontfangers ende rentmeesteren vuytgesonden worden, ende hoe men die onwillge ende rebbellen inder beden geset achtervolgende der ordinantien mit recht bedwingen sal.’


  1   2   3

  • De Gelderse oorlogen tussen 1478 en 1499
  • De Gelderse oorlogen tussen 1504 en 1543

  • Dovnload 174.35 Kb.