Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Oorsprong en geschiedenis van het carnavalsfeest De oorsprong van carnaval

Dovnload 2.11 Mb.

Oorsprong en geschiedenis van het carnavalsfeest De oorsprong van carnaval



Pagina2/3
Datum28.10.2017
Grootte2.11 Mb.

Dovnload 2.11 Mb.
1   2   3

Blauwe Schuit


In de 15e eeuw mochten alleen “wie in gebreke gebleven waren” aan boord van de “carrus navalis”, de zogenaamde Blauwe Schuit: hoge geestelijken die achter de vrouwen aan zaten, dronkelappen, verarmde edelen, enz. Blauw was al van oudsher de kleur van het bedrog. Rondtrekkende gezelschappen voerden bovendien wagenspelen op waarin getoond werd hoe het de mens zou vergaan als hij de tien geboden of de sociale leefregels niet naleefde.


Frankrijk

Van 1000 tot 1500 vonden in Frankrijk de Narren- en Ezelsfeesten plaats. In deze parodieën op de kerkelijke liturgie nam de geestelijkheid aanvankelijk de centrale rollen op zich. De subdiakens traden op als zottenbisschop of ezelpaus. Later namen burgers hun rol over. Na de kerkelijke leiders werden nu belangrijke burgers en edelen op de korrel genomen. In die tijd ontstonden ook de eerste echte narrenverenigingen, met een prins, vorst, adjudant en lijfwacht.



Aan het eind van de 16e eeuw trokken de geestelijken fel van leer tegen deze feestelijkheden. Het concilie van Trente (1545-1563) en de Contrareformatie veroorzaakten een complete omwenteling in de opvattingen over carnaval. In Nederland zou het feest tot in de 18e eeuw grondig versoberen.


Venetië


Merkwaardig genoeg bloeide het net in die periode in Venetié op. Op het San Marcoplein werd op vastenavond een ware plechtigheid gehouden. Onder trompetgeschal werd een stier naar voor gebracht en ter plekke de kop afgehakt. Vervolgens werd een vuurwerk afgestoken en beklommen acrobaten de toren van San Marco. Ook de maskerindustrie bloeide op. Het masker stond immers voor anonimiteit, vermomming en spel. Naar dit Italiaans voorbeeld kwamen in het midden van de 19e eeuw de gemaskerde bals in alle grote steden van Europa in de mode. Tijdens de Franse bezetting van het Rijnland (1796-1814) kwam het carnaval er weer tot leven. Onder die invloed ontwikkelde zich ook het Zuidnederlandse carnaval.


De hervorming

Carnaval wordt door christenen gevierd die bij de kerk van Rome, de roomskatholieke kerk horen. Maar in de 16e eeuw keerden steeds meer christenen zich tégen de rooms-katholieke kerk en sloten zich bij een protestantse kerk aan. Ze wilden geen carnaval meer vieren, omdat ze tegen de losbandigheid waren. Als in een dorp of stad de bevolking protestants werd of er kwam een protestants stadsbestuur, dan werd er geen carnaval meer gevierd. Dat gebeurde ook in Nederland tijdens de Tachtigjarige Oorlog. In ’s-Hertogenbosch bijvoorbeeld werd carnaval in 1629 verboden nadat protestanten de stad op de rooms-katholieke Spanjaarden hadden veroverd. Pas vanaf 1794, het begin van de Franse tijd, mochten de Bosschenaren weer Carnaval vieren.




18e eeuw

In dit tijdperk trokken zowel volwassenen als kinderen door de straten en zongen vastenavondliedjes.

Ze bedelden om allerlei lekkers en speelden daarbij op de foekepot. Dit is een kom of een pot met daarin een varkensblaas gespannen. Een riet werd met een knoop aan het eind tegen de blaas gestoken (maar niet er doorheen), als de blaas nog nat en zacht was, werd deze bij de kachel gedroogd. Door het riet op en neer te bewegen en langs het riet te wrijven maakte men een geluid. De jeugd maakte zo dus muziek. De jeugd trok rond met een foekepot, zong liedjes en te bedelde om eten. De jongen zong dan: "Ik heb zo lang met de foekepot rondgelopen...."en kreeg daarvoor een beloning. De dingen die zij verzameld hadden, zoals bijvoorbeeld spek, werden 's avonds naar de herberg gebracht. Hier werd het eten dan klaargemaakt en de mensen konden dit dan samen opeten. Bier werd bij dergelijke gerechten veel gedronken.

Er werden ook allerlei spelen gedaan zoals gansrijden, hanenslaan en haringbijten. Deze spelen werden zowel in de 18e als in de 19e eeuw gehouden.

Bij het hanenslaan en het gansrijden moesten de spelers de kop van het beest eraf slaan of de kop eraf trekken. In Venlo werden deze spelen in 1775 verboden, maar in Wijnandsrade werd deze traditie in 1848 nog gehouden.

Bij het haringbijten moesten de spelers proberen de haringen die aan draadjes aan het plafond hingen met de tanden van deze draadjes af te bijten.


19e eeuw
In de 19e eeuw is Carnaval één van de twee grote feesten van het jaar. Het andere feest is de kermis. Beide feesten geven de boeren en arbeiders, die vaak grote armoede lijden, de kans om eens níet hard te werken, maar in plaats daarvan flink uit de band te springen. Dat doen mensen door op straat te dansen, te zingen en (veel) te drinken. Ze sparen er maandenlang voor.

Maar soms loopt het feest uit op vechtpartijen en richten vandalen vernielingen aan. Het stadsbestuur denkt er dan over om het feest te verbieden en soms gebeurt dat ook. Cafébazen komen in verzet om een verbod te voorkomen of om die op te laten heffen omdat ze zonder carnavalsfeest minder verdienen. En liefhebbers van carnaval willen het feest niet missen. Ze richten carnavalsverenigingen op om het feest te organiseren en zorgen ervoor dat er tijdens het feest niet wordt gevochten en niets wordt vernield. Ze huren zalen af waar carnavalsliefhebbers zich kunnen uitleven. Carnaval begon zich te verspreiden, dat wil zeggen steeds meer mensen gingen het vieren. Kranten speelden hierbij een belangrijke rol.




Het Rijnlandse carnaval

Ons carnavalsfeest vindt zijn oorsprong in het Rijnlandse (gebied in Duitsland langs de Rijn) carnaval.

In Keulen werd namelijk in 1823 een carnavalsoptocht geregeld. Deze optocht was georganiseerd door een groep mensen die allemaal boeken en dergelijke schreven. Keulen hoorde, nadat het eerst in Frans bezit was geweest, vanaf 1815 bij Pruisen ( dit was de toenmalige machthebber in dit gebied). Keulen was in die tijd een belangrijke plaats en kreeg zelfs bezoek van de keizer van het Duitse rijk. Als deze keizer kwam, werd hij altijd verwelkomd met mooie bloemen, wagens, enzovoorts. Een soort optocht dus.

Een belangrijke Duitse schrijver, Goethe, had een boekje geschreven over de Romeinse carnaval die hij gezien had in 1788. Dit boekje bracht de schrijvers op verschillende ideeën en sommige personen die in dit boek voorkwamen liepen ook mee in de optocht van Keulen.De schrijvers wilden net zo een mooie stoet door de stad laten gaan en daarmee hun nieuwe baas (Pruisen) voor gek zetten. Het hoogtepunt van deze optocht was de wagen van "Held Karneval".



Held Karneval wordt vanaf 1870 prins carnaval genoemd. Hij draagt een middeleeuws pak dat lijkt op het kostuum van de keizer van het Habsburgse Rijk. Net zoals een echte keizer heeft ook een prins carnaval een hofhouding met een nar (die mensen moet laten lachen), een minister en een raad. De Held werd vroeger begeleid door soldaten die het uniform droegen van de beschermers van de stad (voormalige Keulse stadsgarde).

Het dansmarietje was oorspronkelijk een imitatie van de marketentster, de vrouw die met het leger moest meereizen om ervoor te zorgen dat de soldaten genoeg te eten kregen, aanvankelijk een mannenrol. Tegenwoordig treedt zij namens de carnavalsvereniging op bij toernooien en zittingen.


Hiernaast is een afbeelding uit 1879 uit Keulen met de prinsenwagen en de wagen van de Rozengeest. De optocht heet dan ook de Rozenmaandagsoptocht.