Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Oorspronkelijke definitie vanuit traditionele opvattingen over het geest-lichaam probleem

Dovnload 448.84 Kb.

Oorspronkelijke definitie vanuit traditionele opvattingen over het geest-lichaam probleem



Pagina1/14
Datum13.11.2017
Grootte448.84 Kb.

Dovnload 448.84 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   14

Hoofdstuk 1: Situering van Psychologie als wetenschap en van functieleer als basisdomein in de psychologie

  1. Oorspronkelijke definitie vanuit traditionele opvattingen over het geest-lichaam probleem

  • Geest ≠ onderhevig aan zelfde wetten als het lichaam  bestaan van vrije wil

  • Dualisme: René Descartes  interactie tussen lichaam en geest via epifyse

  • Probleem van de interactie tussen beide entiteiten = “Mind-Body problem”

  • Pupilverwijding zowel een fysische oorzaak (= lichtsterkte) als een psychische oorzaak (= belangstelling)

  • Monisme: “geest” en “lichaam” = twee aspecten van één entiteit

    • Materialisme: nadruk op ontologische aspect; in termen van de aard van het zijn  alleen het fysische bestaat echt en kunnen we wetenschappelijk bestuderen  Reductionisme: alles wordt tot één soort werkelijkheid herleid

    • Idealisme: nadruk op epistemologische aspect; in termen van wat we kunnen kennen  we kennen de werkelijkheid enkel via onze zintuigen en ons eigen denken  Solipsisme: elke geest zit opgesloten in zijn eigen leef-en betekeniswereld  Panpsychisme: Alles in de natuur heeft een ziel

  • Theodor Fechner, 1801-1887: Bekende voorstander van het Monisme

    • Beeldspraak: cirkel is bol van binnen uit gekeken en hol van buiten uit gekeken (en omgekeerd) ≈ denken  van binnen uit bekeken is denken subjectief en komt het voort vanuit de geest zelf, van buiten uit bekeken is denken objectief en komt het voort vanuit de hersenen (= wetenschappelijk standpunt)

    • Elemente de Psychophysik”, 1860  Psychofysica: de exacte wetenschap van de functionele relatie tussen lichaam en geest, tussen het fysische en het psychische



  1. Hedendaagse definitie vanuit een visie op complexiteit van de psychologie

“Mentale processen zijn gebonden aan fysische systemen maar zijn niet te reduceren tot fysische processen”

  • Psychologie: de wetenschap van het gedrag en de factoren die dit beïnvloeden, die zowel mentaal als fysisch kunnen zijn en zowel zichtbaar als verborgen

  • “Wat voor soort wetenschap is psychologie eigenlijk?”:

Wilhelm Dilthey, 1833-1911:

      • Natuurwetenschappen: gericht op het verklaren van wetmatigheden in de natuur + onveranderlijke krachten laten herhaling in labo’s toe  makkelijker de wetmatigheden achterhalen

      • Menswetenschappen: gericht op het begrijpen van de mens en zijn geschiedenis + verschijnselen zijn van een andere aard als natuurfenomenen en komen voort uit een langdurige samenwerking tussen mensen

De psychologie moet dus de totale ervaring tot onderwerp nemen, die zich enkel van binnen uit laten begrijpen, o.a. door inleving  Psychologie moet dus proberen gedragsverschijnselen zowel te verklaren als te begrijpen

Enkele voorbeeldstudies die aantonen dat gedrag door meerdere factoren bepaald wordt:



  • Herman Rorsarch, 1884-1922: Rorsarch inktvlekkentest  persoonlijkheid testen met de veronderstelling dat elke betekenis in een betekenisloze prikkel van de persoon zelf moet komen  de persoon projecteert een deel van zijn persoonlijkheid in zijn antwoorden

Twee benaderingen in de psychologie:

    • Nomothetische benadering: zoeken naar algemene wetten

    • Idiografische benadering: zoeken naar specifieke factoren die individueel verschillend kunnen zijn

  • “Hawthorne”-onderzoek: nagaan of verbetering van de werkomstandigheden de arbeidstevredenheid en dus ook de arbeidsprestatie bevordert  vaststelling: de verbetering van arbeidsprestatie lag niet aan de verbetering van de werkomstandigheden, maar aan de plotse stijging van aandacht die de werknemers kregen

Gedrag wordt dus beïnvloed door verschillende factoren, maar het is niet altijd even gemakkelijk de ‘echte’ gedragsdeterminanten te achterhalen  interne factoren zijn niet direct observeerbaar  oplossing: factoren zo goed mogelijk operationaliseren

  • “Betula”-studie: achterhalen welke factoren bepalen of mensen succesvol ouder worden of juist niet

    • Longitudinale/cross-sectionele proefopzet

    • Resultaat: vb. hebben van eigen tanden is één van de sterkste voorspellers om ouder te worden (dit verband wordt waarschijnlijk gemedieerd door opleidingsniveau, algemene gezondheid,…)

! belangrijk: in deze studie mogen correlationele verbanden zeker niet begrepen worden in termen van oorzaak en gevolg  Het geheel van de gegevens zo zuinig mogelijk verklaren, met zo weinig mogelijk eenvoudige factoren = “Occam’s razor”

  1. De positie van de psychologie naast andere wetenschappen

Zie cursus p 7

  1. Basisdomeinen van de Psychologie

  • Bert duijker, 1959: 5 basisdomeinen

    1. Methodenleer: hoe psychologische fenomenen wetenschappelijk onderzocht moeten worden (testpsychologie = onderdeel methodenleer)

    2. Functieleer: studie van de algemeen-menselijke functies of capaciteiten

    3. Persoonlijkheidsleer: studie van datgene waarin het individu uniek is en zich onderscheidt van de anderen

    4. Ontwikkelingsleer: studie van de ontwikkeling van de mens

    5. Gedragsleer: studie van de gehele mens in zijn wisselwerking met de omgeving

  • John T. Cacioppo: Psychologie kan beschouwd worden als een “Hub science”  er wordt vaak naar Psychologie verwezen vanuit naburige disciplines en neemt dus een centrale plaats in in het netwerk van wetenschappelijke disciplines



  1. Geschiedenis van de psychologie

“Psychologie heeft een lang verleden maar een korte geschiedenis”  Komt voort uit een samengaan van filosofie en fysiologie

Empirisme haalt het van het rationalisme in de 17e en 18e eeuw

  • Rationalisme: alle kennis komt voort uit het verstand, de ratio (Kant)

  • Empirisme: alle kennis komt voort uit de zintuiglijke ervaringen, de empirie (Francis Bacon en Thomas Hobbes)

  • John Locke, 1632-1704: grondlegger van het empirisme

    • mens = “tabula rasa”; ervaring is de enige bron van kennis

    • An essay concerning human understanding”, 1960: alle ideeën komen voort uit de ervaring  idee = fundamentele eenheid van de geest + onderscheid tussen eenvoudige en complexe ideeën

  • George Berkeley, 1685-1753: Vertegenwoordiger van het immaterialisme

    • “Esse est percipi”: “Zijn is waargenomen worden”

    • Visie: Hoe brengt de geest de materie voort (= vorm van idealisme)

    • Essay towards a new theory of vision”, 1709: licht en kleur = resultaat van waarneming + visuele waarneming is gebaseerd op ervaring

    • “Probleem van Molyneux”: wat gebeurt er als een aangeboren blinde opeens kan zien?  De associatie aan eerdere zintuiglijke ervaringen via een leerproces is essentieel alvorens je vormen kan herkennen op basis van visuele prikkels alleen

    • Treatise concerning the principles of human knowledge”, 1710: externe werled bestaat enkel uit ideeën

  • David Hume, 1711-1776: hoogtepunt van het empirisme

    • A treatise of human nature”, 1739: legt de psychologische basis van de menselijke natuur

    • An enquiry concerning human understanding”, 1748: onderscheid tussen empressies en ideeën + aandacht aan het belang van associaties om van eenvoudige tot complexe ideeën te komen

    • Solipsisme: we kunnen de realiteit buiten ons niet met zekerheid kennen, ook an “het zelf” moeten we twijfelen ↔ Descartes

Belangrijke fysiologische ontdekkingen e.a. ontwikkelingen in de 18e en 19e eeuw

  • Charles Bell, 1774-1842: twee soorten zenuwbanen

    • Zintuiglijke zenuwbanen = afferente, sensorische banen: zintuigen centraal zenuwstelsel

    • Motorische zenuwbanen = efferente banen: centraal zenuwstelsel  spieren

  • Johannes Müller, 1801-1858: zenuwen ‘bemiddelen’ tussen objecten en bewustzijn  leer van specifieke zenuwkwaliteiten; een eigen soort zenuwenergie voor verschillende sensoriële kwaliteiten

  • Hermann von Helmholtz, 1821-1894: de eerste empirische metingen van de snelheid van transmissie van signalen in zenuwbanen  één van de grote voorvaderen van e experimentele psychologie

  • Philippe Pinel, 1745-1826: pionier van de psychiatrie:  gekken = geesteszieken ≠ bezeten door de duivel

  • Franz Joseph Gall, 1758-1828: Frenologie: ontwikkeling methode om iemand persoonlijkheid en vaardigheden af te lezen van de knobbels van iemands schedel

  • Ernst Weber, 1834: doctoraat over de meting van gewaarwordingen in verschillende zintuiglijke modaliteiten  belangrijkste voorloper van de psychofysica

  • Friedrich Wilhelm Bessel, 1784-1848: onderzoek over interindividuele verschillen

  • Franciscus Cornelius Donders, 1818-1889: basis voor de hedendaagse cognitieve psychologie met “On the speed of mental processes”, 1869  Substractiemethode = basis van de “mentale chronometrie” (= meting van de tijdsduur van mentale processen): informatieverwerking bestaat uit verschillende discrete, seriële stappen en men kan deze meetbaar maken door verschillende experimentele condities, die maar op één component van elkaar verschillen, met elkaar te vergelijken



Andere belangrijke voorlopers van de psychologie in de 18 en 19e eeuw

  • Johann Friedrich Herbart, 1776-1841: psychologie = afzonderlijk vakgebied

    • Opvolger van Kant

    • Psychologie = empirisch en kwantitatief

    • Psychologie ≠ experimenteel en fysiologisch  leiden tot fractionering

    • Geest = dynamisch systeem



  • Ernst Mach, 1838-1916: belangrijk voor de waarnemingspsychologie

    • Tijd en ruimte = essentieel voor alle waarneming (Nativisme) (Kant)

    • Waarneming = enige epistemologische basis van alle wetenschap

    • Grote invloed op fenomenologie en logisch positivisme

  • Franz Brentano, 1838-1917:

    • “Intentionaliteit” = hoofdkenmerk van alle mentale fenomenen  elk mentaal fenomeen heeft een inhoud en is gericht op een object  = de zingevende betrokkenheid van het subject op het object

    • Belangrijke basis voor de “gestaltpsychologie”: psychische fenomenen zijn geen inhouden, maar activiteiten of functies = “Aktpsychologie”

    • Belangrijke voorloper van het functionalisme ↔ functionalisme (Wundt)

    • Psychische fenomenen zijn inherent subjectief  externe perceptie zegt ons niets over het bestaan van de wereld, over onze interne perceptie kunnen we wel zeker zijn

  • Edmund Husserl, 1859-1938:

    • Belangrijkste leerling van Brentano

    • Verdere uitwerking van de fenomenologie die zowel gekant is tegen het empirisme als tegen het rationalisme (kennis vloeit noch voort uit de ervaring, noch uit de rede)

De eigenlijke start van de psychologie als wetenschap

  • 1879: oprichting laboratorium voor Experimentele Psychologie in Leipzig door Wundt

  • Wilhelm Wundt, 1832-1920:

      • Grondlegger van de experimentele psychologie

      • Oprichting één van de eerste tijdschriften in de psychologie: “Philosophische Studien”, 1881  later; “Psychologische Studien”, 1906

      • Levenswerk: “Grundzüge der physiologischen Psychologie”

      • ≠ enge dogmaticus

      • ≠ enge experimentalist

      • Essentie van Wundt’s wetenschappelijke aanpak: interne, mentale processen onderzoeken door introspectie, in de zin van de psychofysica = rechtstreekse studie van bewustzijnsprocessen

      • Gebruik van reactietijden = onrechtstreekse methode

      • Aandacht aan complexere sociaalpsychologische onderwerpen in “Völkerpsychologie”

      • Belangrijke theoretische bijdragen:

        • “Fysische prikkels zijn een noodzakelijk maar geen voldoende voorwaarde voor bewuste waarneming”  bestaan van psychische causaliteit die veranderingen in bewustzijn of psychische ervaringen kan veroorzaken

Centraal belang: Apperceptie; activiteit van onze geest die van binnenuit werkt = aandachtsfunctie

        • Bewustzijn = activiteit, proces waarbij soms iets uit de achtergrond naar voor treedt als je er aandacht aan besteedt (“Blickfeld”  “Blickpunkt”)

        • Onderscheid tussen psychische en fysische causaliteit

          • Fysische causaliteit: gelijke oorzaken  gelijke gevolgen + behoud van energie

          • Psychische causaliteit: gelijke oorzaken  verschillende gevolgen (afhankelijk van andere factore) + eigen soort mentale energie

    • William James, 1842-1910:

      • Grondlegger van de psychologie in de VS

      • Goed schrijver + kritisch denker

      • Descriptieve psychologie; “Arm chair psychology”

      • Principles of psychology”, 1890: functies van het bewustzijn, onderscheid tussen primair en secundair geheugen, aandacht en de structuur van het zelf,…

= vorm van associationisme, maar deelt minder het atomisme dat het empirisme en het structuralisme kenmerkt

  • Edward Badford Titchener, 1867-1927:

    • Outline of psychology”, 1896

    • Primer of psychology”, 1898

    • Reeks handboeken met correcte richtlijnen voor uitvoeren en opzetten van experimenten

    • Structuralisme

  1. Belangrijkste stromingen in de psychologie in de 19e en 20e eeuw

Structuralisme

 Psychologische gehelen zijn samengesteld uit elementaire delen



  • Wil weten wat de geest is, uit welke structuren ze bestaat

  • Elementen = bewuste mentale inhouden

  • Methode: systematische introspectie door sterk getrainde observatoren

  • Titchener:

    • onderscheid tussen drie soorten elementen

      • Gewaarwordingen

      • Beelden

      • Affecties

  • Benadrukt de noodzaak om de stimulusfout te vermijden: introspectieve beschrijvingen moeten beperkt worden tot de analyse van de inhouden van de bewuste ervaringen en mogen niet beïnvloed worden door de kennis van de aard van de stimulus

  • Britse empirische traditie van “elementaire gewaarwordingen” en hun associaties ↔ Wundt: complexe bewustzijnsinhouden komen niet enkel tot stand d.m.v. associatie van elementaire gewaarwordingen, het geheel is meer dan de som van de elementaire gewaarwordingen

Functionalisme

  • Welke functies de geest vervult

  • Bewustzijn = toolbox van functies om adaptief te reageren op nieuwe situaties

  • Voorlopers: Franz Brentano, William James

  • Twee soorten functionalisten:

    • Chicago functionalisten

      • John Dewey, 1859-1952:

        • kritiek op “The reflex arc concept in Psychology” = kritiek tegen de S-R representatie van de reflexboog

        • stimulus, sensatie en respons bestaan wel degelijk maar zijn geen afzonderlijke gebeurtenissen

        • gedrag ≠ opsplitsen

      • James Angell

    • Columbia functionalisten

      • Edward Thorndike:

        • pionier in het gebruik van dieren

        • “puzzle box” trial and error

        • “law of effect” : responsen gevolgd door beloning worden versterkt, responsen gevolgd door een straf worden geëlimineerd = basis van operante conditionering

      • Robert Woodworth:

        • invoering S-O-R formule

        • voorstander van de dynamische psychologie

Gestaltpsychologie

GRAZ SCHOOL

BERLIJN SCHOOL

Gestalt = emergerende kwaliteit die afhankelijk is van objecten, maar er bovenuit stijgt

Gestalt = een op zichzelf staand geheel, eigen entiteit met ontologische status

Geest = productiesysteem; gestalten komen door mentale acten tot stand

Geest = dynamisch systeem; percepten organiseren zichzelf door wederzijdse interacties tussen prikkels en hun fysiologische correlaten

Meinong (1853-1920): onderscheid tussen dingen met een echt fysisch bestaan en dingen met een louter intentioneel bestaan (“object of thought”)

Wertheimer (1880-1943): experimenten over “apparent motion” = zien van beweging tussen 2 kort aangeboden, kort op elkaar volgende prikkels (start van berlijnse school)

Phi motion: zien van snel flikkerende prikkels die zichzelf zo organiseren dat je spontaan een nieuwe Gestalt waarneemt.

Gestalt = meer dan de som van de delen en fundamenteel anders dan de som van de delen


Von Ehrenfels (1859-1932): introductie ‘Gestalt’

Kurt Koffka (1886-1941):

Uitdieping van de theoretische implicaties van Wertheimer



Vittorio Benussi (1878-1927):belangrijkste onderzoeker van Meinongs “gegenstandstheorie” + introductie gestalt-psychologie in Italië (zelfmoord)

Wolfgang Köhler (1887-1976):

“mentality of apes”

Cognitief inzicht in een probleem dat als één geheel uit het niets lijkt op te duiken (“Aha erlebniss”) ↔ “trial and error”

Voorloper van de huidige dynamische systeemtheorie





  • Tweede generatie

          • Kurt Lewin (1890-1947): ontwikkeling groepsdynamica

          • Rudolf Arnheim (1904-2007): introductie gestaltdenken in de kunst en kunsttheorie

          • Fritz Heider: attributietheorie

          • Hans Wallach: grote invloed op Neisser en Rock

        • Aangetoond dat in het geheugen voor vormen en patronen, vervormingen en vertekeningen kunnen optreden in de richting van betere Gestalts.

Vb. Frederic C. Bartlett: experiment met methode van seriële reproductie

  • Inzicht in betekenisgeving: “Maluma-takete” effect (Köhler)

  • Toepassingen in probleemoplossend denken; “out of the box”

Behaviorisme

  • Exclusieve focus op stimuli en responsen als enige objectief waarneembare entiteiten en de connecties of associaties ertussen

  • Introspectie = subjectief, niet wetenschappelijk

  • John B. Watson (1878-1958): theoretische grondlegger

  • Ivan Pavlov (1849-1936): “de hond van pavlov”  Klassieke conditionering

  • John Watson (1878-1958): grondlegger van het behaviorisme

          • Manifest: “Psychology as a behaviorist views it”  frontale aanval op stucturalisme van Titchener en functionalisme van James; interne, mentale toestanden zijn subjectief en niet wetenschappelijk te bestuderen  psychologie mag als enige objectieve wetenschap geen introspectie dulden en moet de nadruk leggen op stimulus-respons relaties

          • “Little Albert”

          • Alles psychologische functies zijn reflexen: 3 vormen

            1. Emoties: interne activiteiten op basis van ongestreepte spieren, erfelijk

            2. Instincten: op basis van gestreepte spieren, erfelijk

            3. Gewoonten

        • Burrhus Frederic Skinner (B.F.) (1904-1990):

          • “Skinner box”

          • “law of effect”  operante conditionering

Cognitieve psychologie

  • Informatieverwerkingstheorie

  • Deeldomein van de functieleer

  • Bartlett, Craik, Broadbent, Piaget, Vygotsky, Tinbergen,

  • 2 factoren die de opkomst van de cognitieve psychologie bepalen:

    • Inhoudelijke ontwikkelingen in de psychologie (praktische noden tijden WO2)

      • Ontwikkeling van de signaaldetectietheorie

      • Donald Hebb (1949): schreef boek over de organisatie i.p.v. atomistische S-R ketens die via associaties steeds langer worden + introductie “cell assemblies”

      • Noam Chomsky (1959): kritiek op skinners “verbal behavior”

    • Ontwikkelingen in de computerwetenschappen

      • Alan Turing (1936): “Turing machine” = theoretisch abstracte voorloper van de computer

  • Eigenlijke cognitieve revolutie in 1956: symposium on information theory + 3 belangrijke publicaties

  • Essentiële vernieuwing: opvatten van de psychologische verwerking tussen prikkels en gedragingen als informatieverwerking door een soort computer met centrale verwerkingseenheid en geheugenbank

Hoofdstuk 2: Waarneming
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   14

  • Hedendaagse definitie vanuit een visie op complexiteit van de psychologie
  • De positie van de psychologie naast andere wetenschappen Zie cursus p 7 Basisdomeinen van de Psychologie
  • Geschiedenis van de psychologie
  • Belangrijke fysiologische ontdekkingen e.a. ontwikkelingen in de 18 e en 19 e eeuw
  • Andere belangrijke voorlopers van de psychologie in de 18 en 19 e eeuw
  • De eigenlijke start van de psychologie als wetenschap
  • Belangrijkste stromingen in de psychologie in de 19 e en 20 e eeuw Structuralisme
  • GRAZ SCHOOL BERLIJN SCHOOL

  • Dovnload 448.84 Kb.