Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Op 1 Januari schreef ik aan de Minister met bepaald verzoek my te benoemen,inaien de Heer van Leeuwen er geen bezwaar tegen had

Dovnload 2.62 Mb.

Op 1 Januari schreef ik aan de Minister met bepaald verzoek my te benoemen,inaien de Heer van Leeuwen er geen bezwaar tegen had



Pagina6/27
Datum28.10.2017
Grootte2.62 Mb.

Dovnload 2.62 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   27
elfde resultaat. Dit vond ik onrechtvaardig en ik schreef alles op, stelde een verzoekschrift en toonde dit aan de President,die er zeer mee was ingenomen en het verzoek met de Griffier ondertekende. Het strekte tot verhoging van de Rechtbank in de 2e klasse,ten gevolge waarvan ook de traktementen werden verhoogd en met die der Rechtbank van de 2e klasse als Alkmaar en andere gelijk gesteld werden. Ik behoef niet te zeggen dat ik daardoor de harten der leden van het College won. Of het verzoek is ingewilligd herinner ik my niet,maar wel weet ik dat in 1876 myn vriend Th.van Lynden van Sandenburg,die tot Minisj^ér van Justitie was benoemd,voorstelde om de Rechtbank te Nymegen op te heffen en die van Tiel te behouden. Dasr hy my dikwerf raadpleegde,
U?Pb

&


XXXVI


532



(ik was toen Off.v.J.te Amsterdam) ried ik hem dit ten sterkste af, niet uit oude liefde voor Nymegen,maar omdat de grote meerderheid der bevolking in dat Arrondissement Rooms en het dus dringend nodig was dat er een Prot.Off.v.J.bleef. Van Lynden gaf echter geen gehoor daar aan en tot myn leedwezen moet ik zeggen dat de reden waarom hy aan Tiel de voorkeur gaf hierin was gelegen,dat hy als Lid der Staten Gen. door Tiel was afgevaardigd geweest. Hoe nodig een Prot.Off.v.J.in Nymegen was,wist ik by ervaring. Meermalen was het voorgekomen dat in een of ander dorp een misdrijf was gepleegd zonder dat er ons iets van was ter ore gekomen. De pastoor had het in de biecht of op andere wijze vernomen en aan de getuigen verboden te spreken,m.a.w.de zaak gedocht zoals men het daar noemde. Stond er nu daar ter plaatse een Prot.Rijksveldwachter,die de moed had het gebeurde aan de Off.v.J.te openbaren,dan kwam de zaak aan het licht,echter niet altyd en in elk geval niet zonder moeite,want de priester had eenmaal de getuigen be- vol^fti te zwijgen. Welk een vrees die papen inboezemden (en zy doen het nu na 40 jaar nog) was my o.a.gebleken uit de behandeling ener zaak.

iSdi'



Een huurkoetsier uit een dorp in de Betuwe had de pastooijvan zyn dorp naar een naburige plaats gereden. Onderweg had hy het ongeluk een vrouw te overrijden. Judica Pas, ik herinner my haar naam, werd nogal ernstig gejond. De voerman hield op, maar de pastoor,die naast hem zat,(want het was een open fourgon) beval hem door te rijden. Intussen was het gebeurde bekend geworden en toen de vrouw hersteld was dagvaardde ik de voerman ter zake van verwonding door onvoorzichtigheid en de pater als getuige, en ter terechtzitting veegde ik deze de mantel uit over zyn onchristelijke,onmenselijke daad van zich om het lot der overreden vrouw niet bekommerd te hebben. En daar heb ik wat over moeten horen ! Men verbaasde zich dat ik de moed gehad had een Booms priester de waarheid te zeggen. Zelfs Mr v.d.Brugghen waarschuwde my voorzichtig te wezen,daar hy de grootste/ onaangenaamheden gehad had over een brochure,die hy tegen de paap- sche processies geschreven had.
|8


U


XXXVI


533



Te Maasbommel woonde een weduwe met haar dochter,beide Rooms.

Het meisje was met een prot.jongen geëngageerd. Op zekere dag was zy verdwenen. De moeder kon evenmin als de vrijer enige inlichting geven en niemand had enige verdenking. Van Tricht werd terstond gewaarschuwd maar bleef even wijs. De Minister van Justitie zond de Inspecteur Nierstrasz maar ook deze vond niets. Zowel de Regering als de moeder loofden grote premiën uit maar niets werd ontdekt. Eindelijk kwam een Jood vertellen dat hy op de weg naar Cleef twee priesters op een kar had zien zitten met een meisje,dat naar zyn beschrijving het verdwenen meisje wezen moest. Terstond reed van Tricht naar de Oberprocurator te Cleef en deze verzekerde hem dat byaldien het meisje naar een kloosw ter in zyn Bezirk vervoerd was,hy het zou weten te vinden. Al spoedig berichtte hy dat het meisje inderdaad in een der in het Bezirk Cleef gelegen kloosters gebracht maar vandaar in de richting van Dusseldorf vervoerd was. De Oberprocurator van Dusseldorf deed onderzoek,maar vruchteloos. Het meisje werd niet gevonden en bleef verdwenen. Kennelijk was de roof gepleegd om het huwelijk met een protestant te beletten.

Na deze uitweiding keer ik tot half April '61 terug. Ik had slechts een paar weken de Dond.zaken behandeld en bevonden dat die niet altyd van de gemakkelijkste waren,te minder omdat er van dien aard nooit in Nymegen waren voorgekomen. Vooral de accijnszaken waren my geheel vreemd en de stedelijke verordeningen van Amsterdam evenzeer. Het was de gewoonte de feiten te stellen en die eerst in een Register in en dan op de dagvaarding over te schrijven. Bijleveld deed dit laatste niet maar gaf het register aan de deurwaarder Leepel,die met de dienst by de corr.kamer belast was en was daardoor het register gedurende enige tijd kwijt,terwijl hy bobendien niet zeker kon zyn dat de feiten juist werden overgenomen. Backer was niet zo lui en schreef de feiten uit het register zelf in het bevelschrift tot dagvaarding over,en ik volgde zyn voorbeeld.

Nu biel ik half April op eens in de strafzaken. Bijleveld zond de stukken,die hy nog onder zich had,met zyn register en de klapper naar de Herengracht,en ik aag terstond dat er een antal verbalen onder waren,die nog niet in het Register waren ingeschreven en voorts dat dit Register zeer slecht was bygehouden. De kolommen waren niet alle ingevuld,en dit gold inzonderheid die,welke bestemd was om de straf of de vrijspraak te vermelden,en die welke de aan-of opmerkingen behelsde^ bijv.de vroegere veroordelingen,de afloop van een verzoek om gratie enz. Was een zaak afgelopen,dan werd vóór de naam van de beklaagde een kruisje geplaatst +. Nu heb ik reeds één bewijs van van Wensens domheid gegeven,maar a propos van dit kruisje voeg ik er een tweede bij.

Op zekere dag zeide hy my dat hy wel wist wat dit kruisje betekende.

Ik vroeg:" Wel? wat dan ?"- " Dat de beklaagde Rooms is en dus geen gratie verdient !". En toc& zag de stoffel dat voor elke naam een kruis gezet werd !

In Bijlevelds register vond ik ettelijke namen ,waar achter de kolom niet was ingevmld,die bestemd was voor de dag der behandeling, waaruit ik opmaakte dat de beklaagden nog niet waren gedagvaard. Ik schreef dit dus in het Register over en gaf de bevelschriften aan Lee- pel,maar tot myn verbazing gaf hy ze my terug met de woorden:" Die "zaken zyn al lang afgelopen. Meneer Bijleveld zal wel weer verzuimd "hebben dat te noteren. Ik ken hem !".Tien jaar lang ben ik substituut in Amsterdam geweest en gedurende al die jaren heb ik het ongeluk gehad van in het hokje onder dat van Bijleveld te zitten,m.a.w. altyd van hem de strafzaken te moeten overnemen en telkens deed ik dezelfde ervaring op als in April '61.

Eens gaf hy my 80 processen-verbaal over,waarin niets gedaan was met de woorden:" Je schijnt toch myn werk te willen doen !".Ik had namelijk in de vakantie op een Request om gratie geadviseerd hetwelk een veroordeelde had ingediend,wiens zaak hy behandeld had,en dit had hy kwalijk genomen. Zulk een neetoor was hy !

De substituut,die met de Dond.zakem belast was,moest,gelijk ik reeds zeide,ook de appellen behandelen en dus ook die der vonnissen, welke de Kantonrechter in jachtzaken gewezen had. Betrof het een be- machtiging van wild met behulp van strikken,dan kreeg de beambte,die de overtreding had geconstateerd,een premie van ƒ 6- en de subst.Off was verplicht hem een bewijs ter hand te stellen dat hy dat geld ten kantore van de Ontvanger der Registratie kon ontvangen. Welnu ! Bijleveld bleef geregeld in gebreke die verklaringen af te geven. De verbalisanten durfden niet klagen;althans niet by Hartogh,daar zy wisten dat deze zich met het werk der substituten niet bemoeide, en wachtten dus totdat Backer of ik met de jachtzaken belast was om ons hun nood te klagen.

De civiefe conclusies van Bijleveld waren zó mager dat de Rechtbank er niets aan had,en meermalen gaf hy zich niet eens de moeite om ze uit te werken,maar schreef hy eenvoudig op het dossier:" Tot toe- wijzing;" zonder er een enkele grond by te voegen.

Enige jaren nadat ik substituut geworden was,werd hy door de Eng. Directeur der Eng. dascompagnie,die een vriend van hem was,aangezocht om mededirecteur te worden. De aandeelhouders kozen hem en hy nam het aan. Hartogh zechde hem niet anders dan dit: " Als ik bemerk dat je werk "er onder lijdt zal ik je waarschuwen !". Het spreekt van zelf dat zyn werk als substituut er onder leed,maar Hartogh zag dit niet.

Bijleveld kwam 's ochtends meest te laat op het Parket en als hy door de bode geroepen werd om aan de Rechtbank te komen,was hy er niet. Hy leefde met een dochter van de diligenceondernemer Koentz, die de naam had van " de hit van Koentz", Ik zag haar eens en ontwaarde dat zy uitblonk door lelijkheid. Daarby was hy alles behalve matig zodat hy er al meer en meer verlopen begon uit te zien en meestal katterig was als hy op het Parket kwam. Herhaaldelijk moest Schoone- veld,die destijds adv.gen.was,hem de zaken terugzenden,welke hy ter examinatie gezonden had,omdat Bijleveld er niet op had gelet dat de instructie niet volledig was en Schooneveld aan Bijlevelds geleidende missive niets had daar die nooit meer behelsde dan de onbeduidende woorden:" Ik heb de eer UEOA. hierby ter examinatie te zenden de pro-

"cesstukken i.z en de verwijzing des Beklaagden ten criminele voor

"te stellen."

Henk Backer was van een geheel ander maaksel. Hy was eerst pl. rechter te Amst.geweest en in '56 subst.Off. geworden zonder eerst by een kleiner Rechtbank werkzaam geweest te zyn. Dientengevolge k>-ostte het hem evenals later Frans de Koek,in de aanvang moeite om zich er door heen te slaan,te meer daar hy langzaam werkte en van zyn dagvaardingen en requisitoiren altyd eerst een kladje moest maken,daar hy niet als ik had geleerd in zyn hoofd door te schrappen en alles terstond in het net te schrijven,en steeds bleef hy een langzaam werkman. Toen Lore en ik in '61 zyn vrouw Olomine Alewijn bezochten,zeide zy ons dat hy zelden vóór 2 uur naar bed ging. Hy was en is nog (1903) een stijf,koud,net,modern man,maar tevens door langjarige studie een goed jurist geworden. Ha tien jaar subst.Off geweest te zyn werd hy in '66 adv.gen.by het Hof en in '76 (toen ik Officier was) President der Rechtbank in de plaats van Mr C.Dedel,die zyn ontslag had genomen. Backer was a$s subst.O^f.vasthoudend,in dien zin dat hy by de behandeling van correct.zaken altyd repliceerde om de argumenten der advoka- ten te weerleggen.

De Officier zelf,Harry A.Hartogh,was tegelijk met Bijleveld in '53 substituut geworden onder Boot,en reeds in '55 tot Officier benoemd. Zulk een snelle bevordering valt slechts weinigen ten deel. Hy was dus nog geen drie jaar substituut geweest en had dus slechts eenmaal een jaar aan elk der drie kamers gezeten en dus ook slechts eenmaal de strafzaken behandeld,. „Bedenke m&n dat Bijleveld 29,Backer en ik ieder 10 jaar lang suDst.Ofr.gebleven zyn en wy dus
L



(Bäcker en ik) ieder 3 a 4 maal by het strafbataillon zyn ingedeeld

en bovendien elk jaar gedurende de vacantie één maaft. lang de correctie




hebben waargenomen,dan kan men hieruit het onderscheid gewaar worden. Van 't ogenblik dat Hartogh Officier werd,voerde hy niets of byna niets meer uit. Hy kwam te 10 uur op het Parket behalve Zaterdag en verliet het al te 12 uur. Hy opende de brieven en stukken,gaf die aan de 1ste klerk Kloemeyer,een klein gebocheld bentje,en wachtte totdat die ingeschreven waren,terwijl hy onderwijl enkele brieven tekende, die de vorige dag door de klerken waren overgeschreven. Zodra de klerken de stukken,brieven,processen-verbaal hadden ingeschreven,verdeelden zy die,d.w.z. die welke voor de drie substituten bestemd waren legden zy in de voor hen bestemde loketten en die,welke de Officier zelf moest behandelen,gaven zy aan Hartogh.

Hu kwam het echter meermalen voor dat er geen enkel stuk by was dat hem
aanging en dan had hy niets te doen. Was er echter een brief van de Proc.Gen.b/h Hof bij,die omtrent het een of ander inlichting

vroeg,dan zond hy die met een eenvoudige apostille aan de Hoofdcomm. heraeci van politie de Bie om 12.. en advies,en wanneer deze daarvan gediend




had,zond hy diens brief met een eenvoudig conductoir aan de Proc.Gen. nadat er door een der klerken afschrift van genomen was. Een zelfstandig rapport voegde hy er nooit by en toen Schooneveld Proc.Gen. was,klaagde hy daarover,maar Hartogh,die evenals Bijleveld een gloeiende hekel aan Schooneveld had,antwoordde dat hy het niet nodig vond iets te voegen by het rapport van de Hoofdcommissaris,omdat hy zich daarmede volkomen verenigde.

Ik zeide dat Hartogh o.a.stukken ondertekende en zo tekende hy b.v.ook de adviezen op requesten om gratie,ofschoon de subst.Off. die gesteld hadden. Dit hinderde my geweldig daar hy de zaak niet behandeld had en dus ook niet beoordelen kon of er al dan niet termen waren om gunstig te adviseren. Het enige wat hy zelf moest
behandelen was een rapport op requesten van cand.notarissen,die voor een opengevallen notarisplaats verzochten in aanmerking te komen. Stierf een notaris zonder een ander benoemd te hebben die met de bewaring zyner minuten zich te belasten had,dan moest de Officier er een aanwijzen en in elk geval zorgen dat de,hetzy door hem of door de overlederg aangewezen notaris hem binnen een bepaalde tijd een volledige lijst indiende van het overgenomen protocol.

Een andere werkzaamheid,welke Hartogh zelf verrichtte,was het geven van een schriftelijk advies op huwelijksaanvragen,tot het sluiten waarvan dispensatie van de Koning nodig was,b.v.tussen een weduwnaar en de zuster zyner overleden vrouw,tussen oom of tante en nicht of neef,en tussen hen,die de daartoe bepaalde leeftijd nog niet hadden bereikt. In dit laatste geval werd de dispensatie gevraagd omdat het meisje zwanger was en niet kon wachten totdat de jongen 18 jaar geworden was. Ik herinner my dat er zulk een verzoek inkwam toen ik Off. maar in de vacantie afwezig was en de subst.Kist het Parket waarnam.

Hy riep de beide belanghebbenden op en werd gewaar dat de jongen pas 16 jaar was,de meid daarentegen 12 jaar ouder en hoogst zwanger.

Zy kwam hem zeer verdacht voor en by nader onderzoek kreeg hy de overtuiging dat zy ook met anderen geleefd had. De jongen was,naar hy meende,er ingelopen en moest,gelijk het volk zich uitdrukt,tot potdeksel dienen. Zeer terecht adviseerde Kist tot afwijzihg.

In al die gevallen riep de Officier de ouders en bloedverwanten op, en waar het een verzoek gold om met de schoonzuster te hertrouwen en er uit het vorige huwelijk kinderen in leven waren,kwam het er op aan




tweede huwelijk in het belang dier kinderen was. Ik

herinner my op het request van Prof Marius Gunning geadviseerd te hebben,die met Juffr.Ramaer,de zuster zyner eerste vrouw,wilde hertrouwen. De bloedverwanten waren er allen voor,met uitzondering van Prof J.H.Gunning, Jan Willems schoonvader,die van oordeel was dat,dewijl man en vrouw één vlees werden,de zuster van de vrouw dus ook de eigen
zuster van de man werd en het dus bloedschande werd om met haar te trouwen. Agnes Beels was van hetzelfde gevoelen.

Ook op requesten om by procuratie (met de handschoen) de mogen trouwen moest de Off.adviseren en evenzo op die van naamsverandering. Zo werd/een in myn handen gesteld van zekere Heer de Vries,die op dezelfde gracht woonde als myn ouders. Hy vroeg de Koning verlof om by zyn geslachtsnaam die van Wyckama te mogen voegen,zynde dit de fami-




lienaam zyne^ moeder. Ik verzocht hem dus\4e geboorteakte van zyn moeder ter handels tellen. Het duurde vrij lang eer hy terugkwam en my een bewijsje overhandigde van de Burgemeester van een dorp in Friesland luidende:" Geboren Grietje,dochter van M.Wiekema,ongehuwd." Ik wees ^ hem op het verschil in spelling tussen de namen Wyckama en Wiekema, en adviseerde tot afwijzing van het verzoek. Dit geschiedde en van dat ogenblik groette de Vries my niet meer.

Zekere Weduwe Dentz,geb.van Schaik,dochter van een winkelier uit Utrecht,was hertrouwd met Dr Groenewegen en vroeg de Koning verlof om by de familienaam van haar zoon uit het le huwelijk de hare te mogen voegen,zodat hy zich noemen kon Dentz van Schaik. Ik riep de bloedverwanten op,o.a.ook de dentiste George W.Dentz, en deze verzette zich evenals zyn broers met kracht tegen de inwilliging van het verzoek op grond dat de naam Dentz,waarop niets te zeggen viel,dan van lieverlede zou geëlimineerd worden en de jongen zich brutaalweg D.van Schaik noemen zou. Ik adviseerde dan ook ongunstig en meen zeker te weten dat het verzoek werd afgewezen; desniettemin noemt de zoon zich eenvoudig D.van Schaik.

Een ander geval: Een Jood kwam my vertellen dat zyn grootvader onder Napoleon en later onder Koning Willem I had verzuimd een geslachtsnaam te kiezen,tengevolge waarvan hy nog altyd Jakob Abrahamsz heette. Ik vroeg hem hoe hy zich dan wenste te noemen en daarop antwoordde hy dat hy de naam Beffie zo mooi vpnd. Ik verzocht hem toen 4 een request in te dienen,en toen ik het kreeg,riep ik hem en ettelijke
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   27

  • UPb
  • my
  • iSdi
  • U
  • 66
  • L
  • heraeci

  • Dovnload 2.62 Mb.