Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Op niveau onderbouw Naslag Grammatica

Dovnload 166.06 Kb.

Op niveau onderbouw Naslag Grammatica



Datum02.08.2017
Grootte166.06 Kb.

Dovnload 166.06 Kb.

Op niveau onderbouw - Naslag

Grammatica
In dit naslagdocument vind je de belangrijkste onderdelen van grammatica die in Op niveau onderbouw, leerjaar 1 t/m 3, worden behandeld. Als je wilt weten welke onderdelen in jouw editie (bijvoorbeeld 2 vmbo-t/havo) worden behandeld, kun je achter in het basisboek kijken. In het leerstofoverzicht en register kun je de leerstof van jouw editie terugvinden.
A Ontleden van zinnen

1

De persoonsvorm

2

Zinsdelen

3

Naamwoordelijk gezegde

4

Werkwoordelijk gezegde

5

Onderwerp

6

Lijdend voorwerp

7

Meewerkend voorwerp

8

Voorzetselvoorwerp

9

Bijwoordelijke bepaling

10

Bijvoeglijke bepaling

11

Bijstelling


B Woordsoorten benoemen

12

Lidwoord

13

Zelfstandig naamwoord

14

Bijvoeglijk naamwoord

15

Koppelwerkwoord

16

Zelfstandig werkwoord

17

Hulpwerkwoord

18

Voorzetsel

19

Persoonlijk voornaamwoord

20

Bezittelijk voornaamwoord

21

Wederkerend voornaamwoord

22

Wederkerig voornaamwoord

23

Vragend voornaamwoord

24

Aanwijzend voornaamwoord

25

Betrekkelijk voornaamwoord

26

Onbepaald voornaamwoord

27

Bijwoord

28

Telwoord

29

Voegwoord

30

Tussenwerpsel


C Soorten zinnen

31

De enkelvoudige zin

32

De samengestelde zin

33

De hoofdzin

34

De bijzin

35

De bijvoeglijke bijzin

36

De beknopte bijzin

37

De samentrekking

1 De persoonsvorm
Als je een zin gaat ontleden, zoek je altijd eerst de persoonsvorm.


Welke stap(pen) zet ik?

Voorbeelden

• Zet de zin in een andere tijd (de tijdproef).

• Verander het deel van de zin dat het getal aangeeft.

De werkwoordsvorm die verandert is de persoonsvorm.


Joris kijkt een spannende film.

Joris keek een spannende film.

Uitleg: Als de zin in een andere tijd zet, verandert kijkt in keek.
Joris kijkt een spannende film.

Joris en Freek kijken een spannende film.

Uitleg: Als je het getal van de zin verandert, verandert kijkt in kijken.




2 De zinsdelen
Een zin bestaat uit verschillende delen. Elk deel geeft een stukje informatie.

Je moet weten uit welke delen de zin bestaat, voordat je die delen gaat benoemen.




Welke stap(pen) zet ik?

Voorbeeld

• Zoek de persoonsvorm. Zet een streep voor en achter de persoonsvorm.

Let op!


- Zet tussen de woorden vóór de persoonsvorm geen strepen. Het woord/de woorden vóór de persoonsvorm vormen een zinsdeel.

- Als er meer werkwoorden in de zin staan, vormen ze samen één zinsdeel.

• Zet de overgebleven woorden alleen of in groepjes voor de persoonsvorm en probeer een goede zin te maken.

• Bekijk wat het maximale aantal woorden is dat voor de persoonsvorm kan staan.

• Begrens dat woord of groepje woorden als zinsdeel.


Jonas | stuurt | elke week een e-mail naar zijn vriendin.

Elke week | stuurt |Jonas een e-mail naar zijn vriendin.

Een e-mail | stuurt | Jonas | elke week | naar zijn vriendin.

Naar zijn vriendin | stuurt | Jonas | elke week | een e-mail


De zin bestaat uit vijf zinsdelen:

Jonas | stuurt | elke week | een e-mail | naar zijn vriendin.





3 Het naamwoordelijk gezegde
Als er een koppelwerkwoord in de zin voorkomt, heeft de zin een naamwoordelijk gezegde.

Het naamwoordelijk gezegde (nwg) bestaat uit twee delen:

• een werkwoordelijk deel.

In een zin met één werkwoordsvorm is dit het koppelwerkwoord.

• een naamwoordelijk deel.

Het deel van de zin waaraan het onderwerp is gekoppeld.


Let op: Als de zin een naamwoordelijk gezegde heeft, ontbreekt het lijdend voorwerp.


Welke stap(pen) zet ik?

Voorbeelden

• Kijk of er een koppelwerkwoord in de zin voorkomt.

• Kijk of er hulpwerkwoorden in de zin staan.

• Noteer alvast het werkwoordelijk deel.

Zoek het onderwerp

• Zoek het woord of deel dat iets over het onderwerp zegt.

• Noteer het naamwoordelijk deel.

• Noteer het naamwoordelijk gezegde.





Zin met één werkwoord

De lessen Nederlands blijven belangrijk.

kww: blijven
hww: -

werkw. deel: blijven

ond: De lessen Nederlands

zegt iets over ond: blijven belangrijk.


naamw. deel: blijven belangrijk

nwg: blijven belangrijk


Zin met meer werkwoorden

Mijn werkstuk is ontzettend mooi geworden.

kww: geworden

hww: is


werkw.deel: is geworden

ond: mijn werkstuk

zegt iets over ond: ontzettend mooi

naamw.deel: ontzettend mooi

nwg: is ontzettend mooi geworden




4 Het werkwoordelijk gezegde (wwg)
Het werkwoordelijk gezegde bestaat uit alle werkwoorden uit de zin. Als er in een zin één werkwoord staat, is dat het werkwoordelijk gezegde. Als er in een zin meer werkwoorden staan, vormen ze samen het werkwoordelijk gezegde.


Welke stap(pen) zet ik?

Voorbeeld

• Zoek de persoonsvorm.

• Zoek de andere werkwoorden in de zin.

• Noteer alle werkwoorden..



Tijmen fietst elke schooldag vijftien kilometer.

Uitleg: Het enige werkwoord is fietst.

wwg: fietst


Tijmen moet elke schooldag vijftien kilometer fietsen.

Uitleg: Er staan twee werkwoorden in de zin.

wwg: moet fietsen.




5 Het onderwerp (ond)
Het onderwerp van de zin geeft aan wie of wat iets doet of wat er gebeurt.

Voordat je het onderwerp van de zin gaat zoeken, moet je het gezegde van de zin weten.

Let op: Als een zin in de gebiedende wijs staat, ontbreekt het onderwerp.


Welke stap(pen) zet ik?

Voorbeeld

• Stel de vraag: Wie of wat + gezegde?


• Noteer het onderwerp


De apen spelen in hun nieuwe buitenverblijf.

Uitleg: Het gezegde is spelen.

Wie/wat spelen?

Antwoord: De apen

Het onderwerp is dus: De apen.



6 Het lijdend voorwerp (lv)


Als je het gezegde en het onderwerp van de zin hebt gevonden, ga je het lijdend voorwerp zoeken.

Let op:


• Als er een naamwoordelijk gezegde in de zin staat, ontbreekt het lijdend voorwerp.

• Zinsdelen die hoeveelheden (maten, gewichten, afstanden) aangeven, zijn nooit lijdend voorwerp.




Welke stap(pen) zet ik?

Voorbeeld

• Stel de vraag: Wie of wat + gezegde + onderwerp.

• Noteer het lijdend voorwerp

Joanne maakte tijdens haar vakantie mooie foto’s.

Wie/wat maakte Joanne?

Antwoord: mooie foto’s

Het lijdend voorwerp is dus: mooie foto’s




7 Het meewerkend voorwerp (mv)
Wanneer je het onderwerp en het lijdend voorwerp van een zin hebt gevonden, ga je op zoek naar het meewerkend voorwerp.
Het meewerkend voorwerp (mv) kan voorkomen in zinnen waarin het werkwoord aangeeft dat een voorwerp of een boodschap van de ene persoon naar de andere persoon gaat.


Welke stap(pen) zet ik?

Voorbeeld

• Zoek het gezegde, onderwerp en lijdend voorwerp.

• Stel de vraag: Aan/voor wie + gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp.
• Controleer je antwoord door voor het zinsdeel aan te zetten of aan weg te laten.
• Noteer het meewerkend voorwerp

De scholieren hebben de directeur hun verhaal verteld.

Aan wie hebben de scholieren hun verhaal verteld?

Antwoord: de directeur

Controle: De scholieren hebben aan de directeur hun verhaal verteld.
Het meewerkend voorwerp is dus: de directeur.



8 Het voorzetselvoorwerp (vzv)
Nadat je de vragen voor het onderwerp, lijdend voorwerp en meewerkend voorwerp hebt gesteld en je de zinsdelen wel of niet hebt gevonden, ga je het voorzetselvoorwerp zoeken.

Het voorzetselvoorwerp (vzv) is het zinsdeel dat met een voorzetsel begint. Dit voorzetsel is een vast voorzetsel bij het zelfstandig werkwoord of het naamwoordelijk gezegde van de zin. Je kunt dit voorzetsel niet of bijna niet vervangen door een ander voorzetsel.




Welke stap(pen) zet ik?

Voorbeeld

• Zoek het gezegde en stel de vragen voor onderwerp, lijdend voorwerp en meewerkend voorwerp.

• Bedenk of het werkwoord/gezegde een vast voorzetsel heeft.

• Zoek het zinsdeel dat het dat voorzetsel begint.

• Noteer het voorzetselvoorwerp.

Thomas twijfelt aan mijn woorden.

Vast voorzetsel twijfelen is aan: twijfelen aan.
Zinsdeel met aan: aan mijn woorden.

Het voorzetselvoorwerp is dus: aan mijn woorden.



9 De bijwoordelijke bepaling


Nadat je de vragen voor het onderwerp, lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp en voorzetselvoorwerp hebt gesteld en je de zinsdelen wel of niet hebt gevonden, ga je de bijwoordelijke bepaling(en) zoeken.

Een bijwoordelijke bepaling geeft antwoord op vragen als: waar, wanneer, waardoor, waarmee, wanneer, hoe, hoeveel?


Er kunnen meer bijwoordelijke bepalingen in een zin voorkomen. Het lijdend voorwerp en het meewerkend voorwerp kunnen ontbreken.


Welke stap(pen) zet ik?

Voorbeeld

• Zoek het gezegde en stel de vragen voor onderwerp, lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp en voorzetselvoorwerp.

• Stel een van de vragen: waar, wanneer, waardoor, waarmee, wanneer, hoe, hoeveel, enz.?

• Noteer de bijwoordelijke bepaling(en)

• Zoek woorden als: ook, wel, niet, toch.

• Noteer ook deze bijwoordelijke bepaling(en).



Onze leraar heeft ons de grammaticaregels het zesde uur toch uitgelegd.


Wanneer heeft onze leraar ons de grammaticaregels uitgelegd?

Antwoord: het zesde uur

bwb: het zesde uur

Het woord toch staat in de zin.

bwb: toch

De bijwoordelijke bepalingen zijn dus: het zesde uur en toch.





10 De bijvoeglijke bepaling
De bijvoeglijke bepaling is geen zinsdeel, maar een deel van een ander zinsdeel. De bijvoeglijke bepaling noemt een bijzonderheid, een kenmerk of een eigenschap van het belangrijkste zelfstandig naamwoord in het zinsdeel. De bijvoeglijke bepaling kan voor of achter het zelfstandig naamwoord staan. Als de bijvoeglijke bepaling achter het zelfstandig naamwoord staat, begint hij met een voorzetsel.


Welke stap(pen) zet ik?

Voorbeeld

• Benoem alle zinsdelen van de zin.

• Zoek in de zinsdelen het belangrijkste zelfstandige naamwoord

• Kijk of er voor of achter het zelfstandige naamwoord een bijvoeglijke bepaling staat.

• Noteer de bijvoeglijke bepalingen. Noteer bij welk zelfstandig naamwoord ze horen.

Vervelende buurjongens | hebben | de vuilnisbak op het schoolplein | omgekeerd.


Vervelende zegt iets over buurjongens.

op het schoolplein zegt iets over vuilnisbak.

De bijvoeglijke bepalingen zijn dus:

- vervelende bij buurjongens

- op het schoolplein bij vuilnisbak




11 De bijstelling
De bijstelling is geen zinsdeel, maar een deel van een zinsdeel. Hij is eenvoudig te herkennen. De bijstelling staat altijd tussen komma’s achter het zelfstandig naamwoord. Hij noemt dezelfde zaak of persoon nog een keer, maar dan met andere woorden.
Voorbeeld 00

a Myron, de beste junior van de vereniging, heeft zijn been gebroken.

b Heb jij Simone in ‘Het hapje’, de snackbar aan de Dorpsstraat ontmoet?
In zin a is Myron, de beste junior van de vereniging het onderwerp. De beste junior van de vereniging noemt in andere woorden nog een keer de persoon die voor de komma staat.

In zin b is ‘Het hapje’, de snackbar aan de Dorpsstraat een bijwoordelijke bepaling. De snackbar aan de Dorpsstraat noemt in andere woorden nog een keer de zaak die voor de komma staat.

De delen de beste junior van de vereniging en de snackbar aan de Dorpsstraat noem je bijstelling.


Welke stap(pen) zet ik?

Voorbeeld

• Benoem alle zinsdelen van de zin.


• Zoek in de zinsdelen een deel dat tussen komma’s staat.

• Noteer de bijstelling.


Simon, de aanvaller van ons team, heeft zijn been gebroken.

Tussen komma’s staat: de aanvaller van ons team

De bijstelling is dus: de aanvaller van ons team





12 Het lidwoord (blw of olw)
In het Nederlands zijn er drie lidwoorden: de, het, een.

Bepaald lidwoorden (blw) zijn de en het, onbepaald lidwoord (olw) is een.




Welke stap(pen) zet ik?

Voorbeeld

• Zoek de woorden de, het, een.


• Staan ze voor een zelfstandig naamwoord?
Let op: Lidwoorden komen niet zelfstandig in de zin voor. Ze horen altijd bij een zelfstandig naamwoord in een zinsdeel.


De hovenier heeft het bloemperk opnieuw aangeplant.

Ja.
Blw: de, het




13 Het zelfstandig naamwoord (zn)
Een zelfstandig naamwoord gebruik je voor mensen, dieren, planten en dingen.

Van de meeste zelfstandige naamwoorden kun je een meervoudsvorm of een verkleinwoord maken.

Voor een zelfstandig naamwoord kun je een lidwoord zetten.
Ook namen zijn zelfstandige naamwoorden. Je kunt er meestal geen lidwoord voor zetten en geen meervoud of verkleinwoord van maken. Je noemt ze eigennamen.


Welke stap(pen) zet ik?

Voorbeeld

• Zoek de eigennamen.

• Zoek woorden die je gebruikt voor mensen, dieren, planten en dingen.

• Controleer je antwoord, kies een manier:

- Kun je een lidwoord voor het woord zetten?

- Kun je een verkleinwoord van het woord maken?

- Kun het woord in een meervoudsvorm zetten?


Olivia is maandag naar de bioscoop in Antwerpen geweest.

Eigennamen: Olivia en Antwerpen

Woorden voor mensen, enz.: maandag, bioscoop

Controle: de maandag, de bioscoop

Maandagje, bioscoopje
Maandagen, bioscopen

De znw zijn: Olivia, Antwerpen, maandag, bioscoop





14 Het bijvoeglijk naamwoord (bn)
Een bijvoeglijk naamwoord geeft een eigenschap of kenmerk van een zelfstandig naamwoord aan. Het staat meestal direct voor het zelfstandig naamwoord.
Als er een koppelwerkwoord in de zin voorkomt, kan het bijvoeglijk naamwoord ook achter of voor het koppelwerkwoord staan.


Welke stap(pen) zet ik?

Voorbeeld

• Zoek de zelfstandige naamwoorden.
• Staat er een eigenschap of kenmerk voor?
• Noteer dit woord/deze woorden.
In een zin met een kww.
• Zoek het woord dat een eigenschap of kenmerk van het znw in het onderwerp aangeeft en voor of achter het kww staat.
• Noteer dit woord/deze woorden.

De zangeres zingt een prachtig lied.

znw: zangeres en lied

Ja, prachtig voor lied.
bnw: prachtig
De jongen is lui.
lui geeft een eigenschap van de jongen aan.

Het staat achter het kww.

bnw: lui




15 Het koppelwerkwoord (kww)
Het koppelwerkwoord (kww) geeft geen handeling in een zin aan, maar het koppelt het onderwerp van een zin aan het deel waarin een bijvoeglijk en/of zelfstandig naamwoord (naamwoordelijk deel) staat. Het koppelwerkwoord komt voor in zinnen met een naamwoordelijk gezegde.
Er zijn in totaal negen koppelwerkwoorden:

De koppelwerkwoorden zijn: zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen, heten, dunken en voorkomen. De laatste vier werkwoorden komen in het dagelijks taalgebruik bijna niet als koppelwerkwoord voor.


Let op:

• De werkwoorden zijn en blijven kunnen ook als zelfstandig werkwoord gebruikt worden. Ze hebben dan de betekenis van ‘zich ergens bevinden’. Bijvoorbeeld: Karin blijft nog een paar dagen in Barcelona.

• Er staat altijd maar één koppelwerkwoord in de zin.

• Een koppelwerkwoord en een zelfstandig werkwoord kunnen nooit samen in een zin staan.




Welke stap(pen) zet ik?

Voorbeelden

Zinnen waarin één werkwoordsvorm staat.
• Zoek het werkwoord van de zin.
• Kijk of dit werkwoord een vorm is van een van de koppelwerkwoorden is.
• Is je antwoord ja, dan noteer je dit werkwoord als kww.
• Is je antwoord nee, dan is het een zww.
Zinnen waarin meer werkwoordsvormen staan.
• Zoek de werkwoorden van de zin.
• Bepaal welk werkwoord het belangrijkste werkwoord is van de zin. In zinnen met meer werkwoordsvormen is de persoonsvorm nooit het belangrijkste werkwoord.
• Kijk of het belangrijkste werkwoord een van de koppelwerkwoorden is.
• Is je antwoord ja, dan noteer je dit werkwoord als kww.
• Is je antwoord nee, dan kijk je of het werkwoord een hww of een zww is.

Peter wordt later vast een goede piloot.
Werkwoord: wordt
Ja, worden staat in het rijtje met negen kww.

kww: wordt

Peter zal later vast een goede piloot worden.
werkwoorden: zal en worden
Het belangrijkste werkwoord is worden.

Ja, worden is een van de negen koppelwerkwoorden.


kww. worden



16 Het zelfstandig werkwoord (zww)
Het zelfstandige werkwoord geeft de handeling in de zin aan. Er staat altijd maar één zelfstandig werkwoord in de zin.
Let op als je het koppelwerkwoord ook al hebt geleerd:

• Bepaal altijd eerst of er een koppelwerkwoord in de zin staat.

• Een zelfstandig werkwoord en een koppelwerkwoord kunnen nooit samen in een zin staan.



Welke stap(pen) zet ik?

Voorbeelden

Zinnen waarin één werkwoordsvorm staat.
• Zoek de werkwoordsvorm van de zin.
• Noteer deze werkwoordsvorm als zww.

Zinnen waarin meer werkwoordsvormen staan.

.

• Zoek de werkwoordsvormen van de zin.


• Bepaal welke werkwoordsvorm de handeling aangeeft.
• Noteer deze werkwoordsvorm als zww.

Evert koopt een nieuwe schooltas.
werkwoordsvorm: koopt
zww: koopt

Evert wil morgen een nieuwe schooltas kopen.


werkwoordsvormen: wil en kopen
Kopen geeft de handeling in de zin aan.

zww: kopen





17 Het hulpwerkwoord (hww)
Het hulpwerkwoord geeft geen handeling in de zin aan. Er moeten minstens twee werkwoordsvormen in de zin staan, om in die zin een hulpwerkwoord aan te treffen.

Er kunnen meer hulpwerkwoorden in een zin staan.




Welke stap(pen) zet ik?

Voorbeeld

• Zoek de werkwoordsvormen in de zin.

• Bepaal welke werkwoordsvorm het zelfstandige werkwoord of het koppelwerkwoord is.
• Noteer de overige werkwoordsvormen als hulpwerkwoord.


In dat leesboek zul je geen plaatjes aantreffen.
Werkwoordsvormen: zul en aantreffen

In deze zin is aantreffen het zww.

hww: zul



18 Het voorzetsel (vz)
Een voorzetsel kun je meestal invullen op de puntjes in: ‘… het kooitje’, ‘… feestje’, ‘… de kant … de weg’. Een voorzetsel staat nooit los in een zin; het is altijd een onderdeel van een zinsdeel.
Let op: De delen van werkwoorden als opstaan, opbellen, uitgaan, overstappen kunnen los van elkaar in een zin voorkomen. Bijvoorbeeld: Ik bel jou morgen op.

Op hoort bij bel; bel en op vormen samen een zelfstandig werkwoord.




Welke stap(pen) zet ik?

Voorbeeld

• Zoek alle voorzetsels in de zin.


• Kijk of het een deel van het werkwoord is.
• Noteer de woorden als voorzetsels.

Na een half uur stap je over op lijn vier.

Voorzetsels: Na, over, op


Over hoort bij stap. Het is een deel van het werkwoord overstappen.

Voorzetsels: Na, op.





19 Het persoonlijk voornaamwoord (pers.vnw.)
Persoonlijk voornaamwoorden verwijzen naar een persoon, een groep personen, voorwerpen of onzichtbare zaken.
onderwerpsvorm voorwerpsvorm

(lv of mv)

enkelvoud

eerste persoon ik mij (me)

tweede persoon jij (je) jou (je)

u u


derde persoon hij hem

zij (ze) haar

het het
meervoud

eerste persoon wij ons

tweede persoon jullie jullie

u u


derde persoon zij (ze) hun, hen, ze

Let op!


Het is alleen een persoonlijk voornaamwoord als het een apart zinsdeel is.

Hun gebruik je nooit als onderwerp. Je gebruikt het uitsluitend als een meewerkend voorwerp zonder voorzetsel.

Hen gebruik je als lijdend voorwerp en na een voorzetsel.


Welke stap(pen) zet ik?

Voorbeeld

• Zoek de woorden uit het schema.


• Kijk of het een apart zinsdeel is.
• Noteer de woorden als persoonlijke voornaamwoorden.

Heb je mij haar boek gegeven?

Woorden uit het schema: je, mij, haar


Apart zinsdeel: je, mij
Pers.vnw.: je, mij


20 Het bezittelijk voornaamwoord (bez.vnw.)
Een bezittelijk voornaamwoord geeft een bezit aan. Het kan zelfstandig of bijvoeglijk in de zin voorkomen. Bij zelfstandig gebruik staat er een lidwoord voor.
Enkelvoud bijvoeglijk zelfstandig

eerste persoon mijn de (het) mijne

tweede persoon jouw de (het) jouwe

je

uw de (het) uwe



derde persoon zijn de (het) zijne

haar de (het) hare


Meervoud
eerste persoon onze de (het) onze

ons


tweede persoon jullie

uw de (het) uwe

derde persoon hun de (het) hunne


Welke stap(pen) zet ik?

Voorbeeld

• Zoek de woorden uit de eerste rij van het schema.


• Kijk of het geen apart zinsdeel is.
• Kijk of een zelfstandig gebruikt bezittelijk voornaamwoord in de zin staat.
• Noteer de woorden als bezittelijke voornaamwoorden.

Vind je zijn tekening mooier dan de mijne?

Woorden uit de eerste rij: je, zijn

Geen apart zinsdeel: zijn
Zelfstandig gebruikt bez.vnw.: mijne

Bez.vnw.: zijn, mijne




21 Het wederkerend voornaamwoord (wdd.vnw.)
Het wederkerend voornaamwoord komt alleen voor in combinatie met een wederkerend werkwoord. Wederkerende werkwoorden zijn onder andere: zich aanpassen, zich verzetten, zich vergissen.

De wederkerende voornaamwoorden zijn de schuingedrukte woorden in het schema.


Enkelvoud

eerste persoon me ik vergis me

tweede persoon je je vergist je

u u schaamt u (zich)

derde persoon zich hij/zij/het vergist zich
Meervoud

eerste persoon ons we schamen ons

tweede persoon je jullie schamen je

u u schaamt u (zich)

derde persoon zich zij schamen zich


Welke stap(pen) zet ik?

Voorbeeld

• Kijk of er een wederkerend werkwoord in de zin voorkomt.


• Kijk of een van de wederkerende voornaamwoorden uit het schema achter dat werkwoord staat.
• Controleer je antwoord en zet de zin in de derde persoon enkelvoud. Als het woord in zich verandert, is het een wederkerend vnw.
• Noteer het woord als wederkerend vnw.

Jullie schamen je toch niet voor mij?

Wederkerend werkwoord: (zich) schamen.

Het woord je staat erachter.

Controle: Hij schaamt zich toch niet voor mij?

Je verandert in zich.

Wederkerend vnw.: je


Om het wederkerend voornaamwoord in de zin te vinden, kun je het volgende hulpmiddeltje gebruiken: Zet de zin in de derde persoon enkelvoud.


Voorbeeld 00

Je schaamt je toch niet voor mij?


Vervang je door hij: Hij schaamt zich voor mij?

Je verandert in zich, je is dus het wederkerend voornaamwoord.

Voorbeeld 00

1 De inbreker verzette zich tegen de arrestatie.

2 Ik vergiste me in de datum.



22 Het wederkerig voornaamwoord (wdg.vnw.)
Het wederkerig voornaamwoord is elkaar. Het verwijst naar meer personen.

Ook woorden die van elkaar zijn afgeleid worden wederkerige voornaamwoorden genoemd. Dit zijn: mekaar en elkander.




Welke stap(pen) zet ik?

Voorbeeld

• Zoek een van de woorden: elkaar, mekaar, elkander


• Noteer de woorden als wederkerig vnw.

Wij hebben elkaar al maanden niet gezien.

Wederkerig vnw.: elkaar



23 Het vragend voornaamwoord (vr.vnw.)
De vragende voornaamwoorden zijn: wie, wat, welke en wat voor (een).

Meestal staan ze aan het begin van een vragende zin. Soms staan ze midden in een zin. Ze zijn dan moeilijker te herkennen. Je moet de zin dan vragend maken door het vragende voornaamwoord vooraan in de zin te zetten.


De woorden hoe, waar, wanneer, waardoor, waarom, waarmee enzovoort zijn geen vragende voornaamwoorden. Het zijn bijwoorden.


Welke stap(pen) zet ik?

Voorbeeld

• Zoek een van de woorden: wie, wat, welke wat voor (een)


• Maak de zin vragend als het woord in het midden van de zin staat.
• Noteer de woorden als vragend vnw.

Weten jullie wie vandaag de gymles geeft?

Woord midden in de zin: wie

Vragende zin: Wie geeft vandaag de gymles?

Vr.vnw.: wie




24 Het aanwijzend voornaamwoord (aanw.vnw.)
Een aanwijzend voornaamwoord wijst iets of iemand aan. Aanwijzende voornaamwoorden zijn: deze, dit, die, dat, zulke, zo’n en dergelijke

Een aanwijzend voornaamwoord kan in plaats van een lidwoord voor een zelfstandig naamwoord staan. Het verwijst dan naar het zelfstandig naamwoord.

Een aanwijzend voornaamwoord kan ook zelfstandig in een zin voorkomen. Het vervangt dan woorden of woordgroepen die voor mensen, dieren of dingen worden gebruikt. Je kunt er dan een zelfstandig naamwoord achter zetten.


Welke stap(pen) zet ik?

Voorbeeld

• Zoek een van de woorden: deze, dit, die, dat


• Kijk of het woord voor het zelfstandig naamwoord staat.
• Probeer een zelfstandig naamwoord achter het woord te zetten, als er geen een achter staat.
• Noteer de woorden als aanw. vnw.

Die man zei dat deze beter is.

Woorden in de zin: Die, deze


Die staat voor het znw. man.

Achter deze kun je een znw. zetten: Die man zei dat deze computer beter is.


Aanw.vnw.: Die, deze



25 Het betrekkelijk voornaamwoord (betr.vnw.)
De betrekkelijke voornaamwoorden zijn: die, dat, wat en wie.

Het betrekkelijk voornaamwoord verwijst terug naar een woord of een woordgroepje dat er vlak voor staat. Zo’n woord of woordgroepje noem je het antecedent.


• Het antecedent van het betrekkelijk voornaamwoord die is een de-woord.

• Het antecedent van het betrekkelijk voornaamwoord dat is een het-woord.

• Het antecedent van het betrekkelijk voornaamwoord wat kan een overtreffende trap (zin c), iets vaags (zin d) of een hele zin (zin e) zijn.


Welke stap(pen) zet ik?

Voorbeeld

• Zoek een van de woorden: die, dat, wat, wie


• Kijk of het woord achter het zelfstandig naamwoord, een overtreffende trap of een zin staat.
• Kijk of het woord verwijst naar het zelfstandig naamwoord, de overtreffende trap, iets vaags of de hele zin.
• Noteer de woorden als betr. vnw.

Het duurste wat je kon vinden, zijn zeker de schoenen die je hebt uitgezocht.

Woorden in de zin: wat, die


Die staat achter schoenen.

Wat staat achter het duurste.

De woorden verwijzen naar een van de mogelijkheden.

Betr.vnw: wat, die


• Soms staat er geen antecedent in de zin. Je kunt de betrekkelijke voornaamwoorden wie en wat dan vervangen door degene die en dat wat. Je noemt wie en wat dan betrekkelijk voornaamwoord met ingesloten antecedent.




Welke stap(pen) zet ik?

Voorbeeld

• Zoek een van de woorden: die, dat, wat, wie


• Kijk of je het woord kunt vervangen door dat wat of degene die.
• Noteer de woorden als betr. vnw.m.i.a.

Wat ik je wil vertellen, is belangrijk.
Woorden in de zin: Wat
Dat wat ik je wil vertellen, is belangrijk.

Betr.vnw. m.i.a.: Dat





26 Het onbepaald voornaamwoord (onb.vnw.)
Een onbepaald voornaamwoord verwijst vaag naar iets of iemand. Je kent geen bijzonderheden van de persoon of het ding.

Onbepaalde voornaamwoorden zijn onder andere: iets, niets, niemand, iemand, alles, men, wat (=iets), elke, ieder(een).



Wat is alleen een onbepaald voornaamwoord als je het kunt vervangen door iets.


Welke stap(pen) zet ik?

Voorbeeld

• Zoek een van de woorden: iets, niets, enz.


• Noteer de woorden als onb.vnw.

Iemand vertelde mij dat ik wat moet meenemen naar het feest.
Woorden in de zin: Iemand, wat (=iets)
Onb.vnw. m.i.a.: Iemand, wat



27 Het bijwoord (bw)
Een bijwoord geeft meestal extra informatie, je kunt het bijna altijd weglaten. Er zijn veel bijwoorden.


  • Een bijwoord kan iets van een ww, een ander bw of een bn zeggen.

• Een bijwoord geeft een plaats aan: hier, er, daar, ergens, nergens, waar

• Een bijwoord geeft een tijd aan: nu, soms, plotseling, ’s morgens, gauw, wanneer

• Andere bijwoorden zijn bijvoorbeeld: hoe, wel, toch, ook, nog, immers, nauwelijks
Let op:


  • Je moet een bijwoord en een bijvoeglijk naamwoord niet met elkaar verwarren. Een bijvoeglijk naamwoord zegt alleen iets van een zelfstandig naamwoord.

• In het Nederlands kun je de vorm van een bijwoord niet veranderen.


Welke stap(pen) zet ik?

Voorbeeld

• Zoek het woord/de woorden die extra informatie geven over een werkwoord, een bijvoeglijk naamwoord, een ander bijwoord, een plaats, een tijd.

• Zoek de andere bijwoorden als: hoe, wel, enz.
• Noteer de bijwoorden.


Waar heeft Tanja gisteren snel die ontzettend mooie uitnodiging gemaakt?
Extra informatie geven:

Waar geeft extra informatie over de plaats.

gisteren geeft extra informatie over de tijd.

snel geeft extra informatie over gemaakt.

ontzettend geeft extra informatie over mooie.
-

Bw.: waar, gisteren, snel, ontzettend





28 Het telwoord (telw.)
Een telwoord geeft een hoeveelheid aan. Je kunt verschillende soorten telwoorden.
1 Hoofdtelwoorden geven een hoeveelheid aan.

a Bepaalde hoofdtelwoorden geven een nauwkeurige hoeveelheid aan. Ook breuken behoren hiertoe.

Bijvoorbeeld: één, twee, honderd, miljoen, een derde, achttiende.

b Onbepaalde hoofdtelwoorden geven een onnauwkeurige hoeveelheid aan.

Bijvoorbeeld: alle, weinig, wat, veel, sommige, enkele, verscheidene.
2 Rangtelwoorden geven een plaats in een rangorde aan.

a Bepaalde rangtelwoorden geven de nauwkeurige plaats in een rangorde aan.

Bijvoorbeeld: eerste, tweede, honderdste, miljoenste.

b Onbepaalde rangtelwoorden geven de onnauwkeurige plaats in een rangorde aan.

Bijvoorbeeld: middelste, laatste, zoveelste, hoeveelste.


Welke stap(pen) zet ik?

Voorbeeld

• Zoek de woorden die een hoeveelheid aangeven.


• Bepaal of het woord een hoofd- of een rangtelwoord is.

• Bepaal of het woord een bepaald of een onbepaald telwoord is.


• Noteer het woord met de juiste soort telwoord.




In de zevende maand heb ik veel geld verdiend.
Woorden die een hoeveelheid aangeven:

zevende, veel


Zevende geeft een plaats in een rangorde aan en is dus een rangtelwoord.

Veel geeft een hoeveelheid aan en is dus een hoofdtelwoord.


Zevende geeft een nauwkeurige plaats aan en is dus bepaald.

Veel geeft een onnauwkeurige plaats aan en is dus onbepaald.


Bep.rangtelw.: zevende

Onbep.hoofdtelw.: veel




29 Het voegwoord (vw.)
Een voegwoord verbindt woorden, woordgroepen of zinnen met elkaar.

Er zijn twee soorten voegwoorden: nevenschikkende en onderschikkende voegwoorden.


1 Nevenschikkende voegwoorden (nevensch.vw) verbinden gelijkwaardige delen. Nevenschikkende voegwoorden zijn: en, want, maar, of en dus.
2 Onderschikkende voegwoorden (ondersch.vw) verbinden ongelijkwaardige zinnen. Je kunt een van de delen niet onafhankelijk van het andere deel gebruiken zonder de woordvolgorde van de zin te veranderen. Er zijn veel onderschikkende voegwoorden.

- het woord dat en woorden waarvan de tweede lettergreep dat is: nadat, doordat, voordat, zodat, totdat, omdat;

- andere woorden: aangezien, als, dan, hoewel, indien, mits, tenzij, toen, zodra, daarom, terwijl, ofschoon;

- het voegwoord of kan ook als onderschikkende voegwoord voorkomen.




Welke stap(pen) zet ik?

Voorbeeld

• Bepaal of de zin een samengestelde zin is.


• Bepaal of de zin bestaat uit twee hoofdzinnen of uit een hoofdzin en een bijzin.


• Bepaal of de zinnen gelijkwaardig of ongelijkwaardig aan elkaar zijn.

• Bepaal welk woord de zinnen aan elkaar verbindt.


• Bepaal tot welk soort voegwoord het verbindende woord

Vandaag kan ik niet naar het strand, omdat ik om twee uur ga werken.

De zin bestaat uit een hoofdzin en een bijzin.

De bijzin is: ik om twee uur ga werken.


De zinnen zijn ongelijkwaardig aan elkaar, want het tweede deel van de zin kan worden gebruikt zonder de volgorde van de zin te veranderen.
De beide zinnen zijn aan elkaar verbonden door het woord: omdat.
Omdat is een onderschikkend voegwoord.



30 Het tussenwerpsel (tussenw.)

Uitroepen en klanknabootsing heten tussenwerpsels. Naar betekenis kun je de tussenwerpsels indelen in woorden:

♦ Bevestiging/ontkenning:     ja, nee, jawel
♦ Emotie:                               au, ach, bah, oei, hoera
♦ Sociaal contact:                  hallo, doeg, doei, sorry, ajuus, goedemorgen
♦ Klanknabootsing:                kukeleku, boem, paf, waf


Welke stap(pen) zet ik?

Voorbeeld




  • Zoek de woorden die een uitroep of een klank weergeven.

  • Tussenwerpsels staan meestal aan het begin of einde van een zin, vaak gescheiden door een komma.

• Noteer deze woorden als tussenw.

Hé, let op!


Tussenw.: hé

31 De enkelvoudige zin

De enkelvoudige zin is een zin met één persoonsvorm.




Welke stap(pen) zet ik?

Voorbeeld

• Tel het aantal persoonsvormen van de zin.

• Bepaal of de zin enkelvoudig is.


Zin 1: Het programma over vulkanen kun je vanavond bekijken.

Deze zin heeft 1 persoonsvorm.

Zin 2: Als je op tijd thuis bent, kun je het programma over vulkanen bekijken.

Deze zin heeft 2 persoonsvormen.
Zin 1 is enkelvoudig.



32 De samengestelde zin

De samengestelde zin is een zin met meer persoonsvormen.

Samengestelde zinnen zijn nevenschikkingen of onderschikkingen.

De delen van een nevenschikking kun je ook als zelfstandige zinnen opschrijven. De delen van deze zin met elkaar verbonden door een nevenschikkend voegwoord.

Bij een onderschikking kun je niet elk deel als zelfstandige zin opschrijven. De delen van deze zin zijn vaak met elkaar verbonden door een onderschikkend voegwoord.


Welke stap(pen) zet ik?

Voorbeeld

• Tel het aantal persoonsvormen van de zin.

• Bepaal of de zin een enkelvoudige of samengestelde zin is.
• Bepaal of er sprake is van een nevenschikking of een onderschikking.


Zin 1: Het publiek begon te joelen, nadat de scheidsrechter de rode kaart trok.

Zin 2: Roberto wil heel graag surfen, maar hij is geblesseerd.
Zin 1 en zin 2 zijn samengestelde zinnen.

Zin 1: Je kunt niet elk deel als zelfstandige zin opschrijven.

a Het publiek begon te joelen.

b de scheidsrechter de rode kaart trok (niet juist)

Er is sprake van een onderschikking.
Zin 2: Je kunt de delen als zelfstandige zin opschrijven.

a Roberto wil heel graag surfen.

b Hij is geblesseerd.

Er is sprake van nevenschikking.




33 De hoofdzin
De hoofdzin is het deel van de zin waarin de persoonsvorm na het eerste zinsdeel of aan het begin van de zin staat.


Welke stap(pen) zet ik?

Voorbeeld

• Zoek de persoonsvormen


• Bepaal in welke delen de persoonsvorm aan het begin van de zin of na het eerste zinsdeel staat en of het deel een hoofdzin is.


Zin 1: De kopjes komen schoon uit de vaatwasser, maar het bestek is nog erg vuil.


Zin 2: Geef jij de visite een hand, als je de kamer binnenkomt?
Zin 1: In beide delen staat de persoonsvorm aan het begin of na het eerste zinsdeel.

a De kopjes komen

b Het bestek is

De zin bestaat uit twee hoofdzinnen.


Zin 2: Alleen in het eerste deel staat de persoonsvorm aan het begin of na het eerste zinsdeel.

a Geef jij

b je de kamer binnenkomt

Het eerste deel van de zin is een hoofdzin.




34 De bijzin
De bijzin is het deel van de zin waarin de persoonsvorm niet na het eerste zinsdeel of aan het begin van de zin staat. Hij staat meestal achteraan in de zin.

Bijzinnen benoem je als gezzin, ondzin, lvzin, mvzin, vzvzin of bwbzin.




Welke stap(pen) zet ik?

Voorbeeld

• Zoek de persoonsvormen

• Bepaal in welke deel de persoonsvorm achteraan in de zin staat.


Voordat je de opdracht maakt, lees je de theorie goed door.


a Voordat je de opdracht maakt.

b Lees je … door.

Deel a van de zin is een bijzin.



35 De bijvoeglijke bijzin
woord dat ervoor staat.

- Een bijvoeglijke bijzin begint meestal met een betrekkelijk voornaamwoord.

- Soms begint een bijvoeglijke bijzin met een voorzetsel.

- Soms begint een bijvoeglijke bijzin met een voornaamwoordelijk bijwoord.




Welke stap(pen) zet ik?

Voorbeeld

• Zoek de persoonsvormen.


• Staat achter een van de zelfstandige naamwoorden uit de hoofdzin een zin met een persoonsvorm?
• Geeft deze zin extra informatie?

• Begint deze met een betrekkelijk voornaamwoord of een voorzetsel of een voornaamwoordelijk bijwoord?


• Noteer de bijvoeglijke bijzin.



Zin 1: De politieagent die mij gisteren bekeurde, zwaaide vandaag naar me.

Zin 2: De reizigers met wie ik in de trein zat, klaagden over de reistijd.

Zin 3: Het pakket waarin de schoolboeken zitten, staat op de tafel.

Zin 1: achter De politieagent staat de zin: die mij gisteren bekeurde.

Zin 2: achter De reizigers staat de zin: met wie ik in de trein zat.

Zin 3: achter Het pakket staat de zin: waarin de schoolboeken zitten.
De zinnen: die mij gisteren bekeurde, met wie ik in de trein zat, waarin de schoolboeken zitten geven allemaal extra informatie.
Zin1: die = betr. vnw.

Zin 2: met = vz.

Zin 3: waarin = vnw.bw.

Zin 1: die mij gisteren bekeurde

Zin 2: met wie ik in de trein zat

Zin 3: waarin de schoolboeken zitten




36 De beknopte bijzin
De beknopte bijzin is een zinsdeel van de hoofdzin. Van een beknopte bijzin kun je een volledige bijzin maken.

De kenmerken van een beknopte bijzin zijn:

• het onderwerp ontbreekt;

• de persoonsvorm ontbreekt;

• er is een combinatie van te + infinitief of er is een onvoltooid deelwoord aanwezig.
Voorbeeld:

1 a Stefano is bang verkeerd begrepen te worden.

b Stefano is bang dat hij verkeerd begrepen wordt.
In zin a ontbreken het onderwerp en de persoonsvorm. Er is een combinatie van te + infinitief.

Je kunt het ontbrekende onderwerp en de ontbrekende persoonsvorm invoegen en een volledige bijzin maken, zie zin b.


2 a Hevig blozend keek Mike naar het meisje.

b Terwijl hij hevig bloosde, keek Mike naar het meisje.


In zin a ontbreken het onderwerp en de persoonsvorm. Er is een onvoltooid deelwoord (blozend) aanwezig. Je kunt het ontbrekende onderwerp en de ontbrekende persoonsvorm invoegen en een volledige bijzin maken, zie zin b.

37 De samentrekking


De samentrekking is een samengestelde zin waarin in een deel eerdergenoemde woorden zijn weggelaten.

Voorbeeld

a We hebben in Antwerpen gewinkeld en we hebben veel leuke kleren gekocht.

b We hebben in Antwerpen gewinkeld en veel leuke kleren gekocht.



In zin a zijn de woorden we en hebben twee keer genoemd. Dat is overbodig. De zin is beter als je deze woorden weglaat, zoals in zin b.
Je mag woorden niet zo maar weglaten. Het weggelaten woord of de weggelaten woordgroep moet in allebei de zinnen:

  • bij zinsontleding hetzelfde zinsdeel zijn;

  • bij woordsoortbenoeming dezelfde woordsoort zijn;

  • dezelfde betekenis hebben.

Op niveau onderbouw ©ThiemeMeulenhoff bv


Dovnload 166.06 Kb.