Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Opeisbaarheid van de B. T. W. en facturatieplicht

Dovnload 26.15 Kb.

Opeisbaarheid van de B. T. W. en facturatieplicht



Datum31.10.2018
Grootte26.15 Kb.

Dovnload 26.15 Kb.

Ik verwijs naar mijn ereloonstaten van 17 november 2015 en 27 november 2015 in voormelde dossiers alwaar de problematiek dezelfde is betreffende mijn niet betwistte ereloonstaat.



Discussie:


Het betreft twee dossiers waar een particulier persoon, met een voertuig dat eigendom is van een vennootschap en door deze vennootschap verzekerd in rechtsbijstand bij DAS, uit hoofde van inbreuken op de wegcode (telkens alcohol) strafrechtelijk vervolgd werd voor de politierechtbank.
Ondergetekende raadsman heeft in het kader van de strafrechtelijke vervolging van deze particulieren de verdediging van deze particulieren waargenomen voor de politierechtbank.
Ondergetekende raadsman heeft na het beëindigen van de juridische bijstand zijn ereloonstaat op naam van de particulieren overgemaakt aan de verzekeraar rechtsbijstand ter betaling.
De ereloonstaat op zich wordt door de verzekeraar rechtsbijstand niet betwist, wel het feit dat deze ereloonstaat op naam staat van de particulier, terwijl dit ereloon volgens de verzekeraar rechtsbijstand onmiddellijk gefactureerd dient te worden aan de vennootschap die eigenaar is van het voertuig dat bij de verzekeraar rechtsbijstand werd verzekerd.
De verzekeraar rechtsbijstand dient in voormeld geval het factuurbedrag exclusief B.T.W. te voldoen, terwijl de advocaat de B.T.W. zelf dient te vorderen van de vennootschap die het verzekeringscontract afsloot met de verzekeraar rechtsbijstand.

Opeisbaarheid van de B.T.W. en facturatieplicht:


Ter zake voorziet de CIRCULAIRE BTW AA FISC 47/2013 in een onderscheid tussen de Business to Business (B2B) en de Business to Consumer (B2C) regeling

Business to Consumer:


In het geval de medecontractant van de advocaat een particulier is (Business to Consumer (B2C)) worden overeenkomstig art. 73 van de circulaire de diensten bedoeld welke de advocaat verricht voor natuurlijke personen die de ontvangen diensten bestemmen voor hun privé-gebruik.
In de Business to Consumer (B2C) regeling is de btw opeisbaar naarmate van de incassering van de prijs en is de advocaat niet verplicht een factuur uit te reiken (artikel 22bis, tweede lid, van het Btw-Wetboek; zie ook circulaire AFZ nr. 02/2013 van 23 januari 2013 (AFZ/2011-0272), randnummer 123 jo. 110:
Ten aanzien van de diensten verricht door een belastingplichtige die gewoonlijk diensten verricht voor particulieren en waarvoor hij niet verplicht is een factuur uit te reiken, wordt de belasting opeisbaar in verhouding tot de ontvangst van de prijs (...)”

Business to Business:


In de Business to Business (B2B) regeling anderzijds (art. 64, nr. 1.2.1. van de Circulaire) is de advocaat op grond van artikel 53, § 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek, verplicht een factuur uit te reiken wanneer hij een dienst heeft verricht voor een B.T.W. belastingplichtige of een niet-belastingplichtige rechtspersoon of wanneer de btw opeisbaar wordt over de gehele of een deel van de prijs van de handeling, vooraleer een dienst wordt verricht.

Aan wie moet de factuur worden overgemaakt?:


Opnieuw kan verwezen worden naar de CIRCULAIRE BTW AA FISC 47/2013, ditmaal naar punt 5.2.1 'bepaling van de medecontractant' pagina 31 onderaan.

5.2.1. De circulaire stelt ter zake de bepaling van de medecontractant;


132. Op grond van artikel 5, § 1, 3°, van het Koninklijk Besluit nr. 1 dient de factuur de naam of de maatschappelijke benaming, het adres en het btw-nummer van de medecontractant te vermelden.
133. Er bestaan tal van situaties waarin de advocaat wordt geraadpleegd door een persoon (natuurlijke persoon of rechtspersoon) maar wordt betaald door een andere persoon (natuurlijke persoon of rechtspersoon).

De persoon voor wie de advocaat in rechte tussenkomt of aan wie een advies wordt verleend en de persoon die het ereloon van de advocaat betaalt zijn dus niet noodzakelijk dezelfde persoon.

De vraag is dan wie de medecontractant van de advocaat is op wiens naam de factuur moet worden opgemaakt.
134. Deze vraag stelt zich meer bepaald wanneer rechtsbijstandsverzekeraars of verzekeraars burgerlijke aansprakelijkheid tussenkomen ten bate van hun verzekerden.
135. A. Tussenkomst van een rechtsbijstandsverzekeraar

De vrije keuze van advocaat is één van de fundamentele beginselen van de rechtsbijstandsverzekering (Circulaire CBFA 2010-22 van 19 oktober 2010, punt III F).

Een clausule in een overeenkomst van rechtsbijstandsverzekering die bepaalt dat de verzekerde de advocaat kiest, maar de verzekeraar hem aanstelt, is in strijd met de vrije keuze van advocaat (Circulaire CBFA 2010-22 van 19 oktober 2010, punt VI).

In iedere rechtsbijstandsverzekeringsovereenkomst dient verplicht en uitdrukkelijk bepaald te worden dat de verzekerde het recht heeft zelf de persoon te kiezen die hem zal verdedigen, vertegenwoordigen of zijn belangen zal verdedigen (artikel 92 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst).


Als een advocaat wordt aangesteld door een natuurlijke persoon of een rechtspersoon met een rechtsbijstandsverzekering, moet hij zijn factuur opmaken op naam van de natuurlijke persoon of rechtspersoon die hem vrij heeft gekozen.

Niets belet echter dat de advocaat zijn factuur rechtstreeks doet toekomen aan de derde betaler, met name de verzekeringsmaatschappij, die de hoofdsom buiten btw en de door de verzekerde niet aftrekbare btw voldoet en vervolgens de factuur doorstuurt naar de medecontractant voor het verschuldigd blijvend saldo.


De medecontractant van de advocaat is in dit geval dus de verzekerde en niet de verzekeringsmaatschappij.

“De verzekerde”:


In casu is de medecontractant van de advocaat de bestuurder van het verzekerde voertuig die strafrechtelijk werd vervolgd en niet de vennootschap welke eigenares is van het voertuig dat zij bestuurden ten tijde van de gepleegde strafrechtelijke inbreuken (alcohol).
Deze natuurlijke personen worden in het kader van de rechtsbijstandsverzekering eveneens betiteld als “de verzekerde”.
Ter zake bepaalt de wet van 4 APRIL 2014 betreffende de verzekeringen onder art. 5: definities onder nr.  17° "Verzekerde" :


  1. bij schadeverzekering: degene die door de verzekering is gedekt tegen vermogensschade;

  2. bij persoonsverzekering: degene in wiens persoon het risico van het zich voordoen van het verzekerde voorval gelegen is. Bij een kapitalisatieverrichting is er geen verzekerde;

art. 154 van dezelfde wet voorziet bij aanvang over het hoofdstuk rechtsbijstandsverzekeringen bij haar toepassingsgebied verder dat ;


De artikelen 155 tot 157 zijn toepasselijk op de verzekeringsovereenkomsten waarbij de verzekeraar zich verbindt diensten te verrichten en kosten op zich te nemen, ten einde de verzekerde in staat te stellen zijn rechten te doen gelden, als eiser of als verweerder, hetzij in een gerechtelijke, administratieve of andere procedure, tenzij los van enige procedure.”
Overeenkomstig art. 156 dient In elke verzekeringsovereenkomst inzake rechtsbijstand uitdrukkelijk ten minste worden bepaald dat:
1° wanneer moet worden overgegaan tot een gerechtelijke of administratieve procedure, de verzekerde vrij is in de keuze van een advocaat of van iedere andere persoon die de vereiste kwalificaties heeft krachtens de op de procedure toepasselijke wet om zijn belangen te verdedigen, te vertegenwoordigen of te behartigen;”
In casu voorziet de rechtsbijstandverzekering tussen de vennootschap die het voertuig verzekerde bij de rechtsbijstandsverzekeraar dat deze rechtsbijstandsverzekeraar zal tussenkomen in de kosten van de strafrechtelijke verdediging van de bestuurder van het verzekerde voertuig.
Er kan dan ook geen redelijke twijfel bestaan dat in casu niet de rechtspersonen, welke het voertuig verzekerden bij de rechtsbijstandsverzekeraar als de verzekerde moeten worden gekwalificeerd, doch dat de natuurlijke personen, de verzekerde betreffen waarvan sprake in deze ganse discussie.

Europese Hof van Justitie (Eerste Kamer) dd. 21-02-2013, Wolfram BECKER (zaak C-104/12) ECLI:EU:C:2013:99

De verzekeraar rechtsbijstand beroept zich op voormeld arrest om haar standpunt kracht bij te zetten;


In voormeld arrest diende het hof zich te buigen over de vraag of de kosten en ereloonnota’s van een advocaat voor wat betreft de B.T.W. in mindering kon worden gebracht door de vennootschap van de bestuurder van deze vennootschap;
Ten tijde van de feiten in het hoofdgeding oefende Becker voor eigen rekening een ondernemingsactiviteit uit en was hij meerderheidsaandeelhouder van A-GmbH (hierna: „A”), een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid naar Duits recht. Becker en X waren zaakvoerder van A, waarvan het maatschappelijke doel bestond in de uitvoering onder bezwarende titel van aan btw onderworpen bouwwerkzaamheden. P, de procuratiehouder van A, werd naderhand ook zaakvoerder van deze vennootschap.
Becker en A vormden contractueel een fiscale eenheid in de zin van de UStG. Becker en A werden dus beschouwd als één enkele belastingplichtige, waarbij op Becker, als zogenaamde „integrerende” onderneming, de belastingverplichtingen van de ondernemingsgroep, bestaande uit zijn eenmanszaak en A, rustten.
Nadat A een aan haar gegund en aan btw onderworpen bouwcontract onder bezwarende titel had uitgevoerd, stelde het bevoegde parket tegen Becker en P een strafrechtelijk onderzoek in. A werd ervan verdacht, vóór de gunning van de opdracht over vertrouwelijke informatie over de offertes van concurrenten te beschikken, zodat A de voordeligste offerte had kunnen indienen. Om deze informatie te verkrijgen zouden giften zijn gedaan, hetgeen voor Becker en P strafrechtelijk als corruptie of medeplichtigheid kon worden gekwalificeerd en voor de ontvanger van deze giften als passieve corruptie kon worden aangemerkt.”

Het arrest stelt echter in het beschikkend gedeelte;



Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:
Het bestaan van een rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen een gegeven handeling en de gehele activiteit van de belastingplichtige aan de hand waarvan moet worden bepaald of hij de goederen en diensten heeft gebruikt „voor zijn belaste handelingen”, in de zin van artikel 17, lid 2, sub a, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, zoals gewijzigd bij richtlijn 2001/115/EG van de Raad van 20 december 2001, hangt af van de objectieve inhoud van het door de belastingplichtige verkregen goed of van de door hem ontvangen dienst.
In casu geven de diensten van een advocaat, waarmee wordt beoogd strafsancties af te weren voor de zaakvoerders van een belastingplichtige onderneming die natuurlijke personen zijn, deze onderneming niet het recht de voorbelasting over de verrichte diensten af te trekken.
Dat het Hof derhalve in casu stelt bij de strafrechtelijke verdediging van de zaakvoerder van een vennootschap, deze vennootschap de B.T.W. niet als kost mag in mindering nemen….
dat het hof zodoende het stanpunt van ondergetekende advocaat ondersteunt.

abstractie van de verzekeringsovereenkomst:


Een andere manier om na te gaan wie de medecontractant van de advocaat is, bestaat er in abstractie te maken van de verzekeringsovereenkomst op zich.
In het geval de advocaat een natuurlijk persoon in een strafrechtelijke verdediging voor de politierechtbank zou bijstaan voor ten laste gelegde feiten van alcoholintoxicatie van een niet verzekerd voertuig dat eigendom is van een vennootschap, dan is het voor éénieder duidelijk dat deze advocaat voor wat betreft deze strafrechtelijke verdediging zijn ereloonstaat dient over te maken aan de natuurlijke persoon en niet aan de vennootschap die eigenaar is van het voertuig.

CONCLUSIE:


Vermits mijn ereloonstaten ondertussen reeds meer dan 1 maand vervallen zijn wordt u nogmaals formeel gesommeerd deze per kerende te regelen op bankrekening nr. IBAN: BE54 6301 5249 7597 (BIC: BBRUBEBB)
Bij ontvangst van voormeld bedrag wordt u binnen de 5 dagen een overeenkomstige slotfactuur overgemaakt op naam van de cliënt, in casu de natuurlijke persoon welke het voertuig bestuurde en uit hoofde van inbreuken op de wegcode (telkens alcohol) strafrechtelijk vervolgd werd voor de politierechtbank.
Bij gebreke van ontvangst van integrale betaling binnen de week wordt onverwijld tot gerechtelijke invordering wordt overgegaan.
Huidig schrijven wordt dan ook meteen overgemaakt aan mijn raadsman die desgevallend tot dagvaarding zal overgaan.


  • Opeisbaarheid van de B.T.W. en facturatieplicht
  • Business to Business
  • Aan wie moet de factuur worden overgemaakt
  • “De verzekerde”
  • Europese Hof van Justitie (Eerste Kamer) dd. 21-02-2013, Wolfram BECKER (zaak C-104/12) ECLI:EU:C:2013:99
  • Het arrest stelt echter in het beschikkend gedeelte;

  • Dovnload 26.15 Kb.