Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Opening congres door dr. Hanke Dekker, hoofdorganisator nvmo congres 2014 10. 10-10. 40 en prof dr. Janke Cohen-Schotanus, voorzitter nvmo 10. 40-10. 45 Welkomstwoord

Dovnload 1.15 Mb.

Opening congres door dr. Hanke Dekker, hoofdorganisator nvmo congres 2014 10. 10-10. 40 en prof dr. Janke Cohen-Schotanus, voorzitter nvmo 10. 40-10. 45 Welkomstwoord



Pagina11/24
Datum04.04.2017
Grootte1.15 Mb.

Dovnload 1.15 Mb.
1   ...   7   8   9   10   11   12   13   14   ...   24

C1.3 / Zaal 522
Goede feedback is pas het halve werk: het bespreken van feedback over opleiderskwaliteiten in de opleidersgroep
Engelen TSR van, Leeuw RM van der, Lombarts MJMH

Academisch Medisch Centrum, Universiteit van Amsterdam


Probleemstelling

Goede opleiders zijn onontbeerlijk om de kwaliteit van medische vervolgopleidingen te ontwikkelen en optimale patiëntenzorg te kunnen bieden. Feedback is een belangrijke eerste stap om te kunnen komen tot (verbeter)actie [1]. SETQ (System for Evaluation of Teaching Qualities) faciliteert het (anoniem) beoordelen van opleiderskwaliteiten van individuele supervisoren door aios en supervisoren zelf en koppelt de verzamelde feedback terug aan de supervisoren. Het is niet bekend of en hoe SETQ-feedback in opleidersgroepen besproken wordt. Het bespreken van feedback kan het reflectieproces faciliteren [2]. Wij onderzochten 1) of de SETQ-feedback wordt besproken, en zo ja wat 2) het doel van de feedbackbespreking, 3) de wijze van bespreking en 4) het resultaat van de bespreking is. Ook inventariseerden we 5) de behoeften van opleiders met betrekking tot toekomstige feedbackbesprekingen.

Methoden

In de periode september 2013 – januari 2014 voerden we een vragenlijstonderzoek uit onder 255 formele opleiders van medisch specialistische vervolgopleidingen in 54 opleidingsinstellingen. Alle opleidingen maakten eerder gebruik van het SETQ-systeem. De digitale vragenlijst werd door de auteurs ontwikkeld en gepilot.

Resultaten

De vragenlijstrespons was 61% (156 opleiders), werkzaam in UMC’s (39%), ziekenhuizen aangesloten bij de Samenwerkende Topklinische opleidingsZiekenhuizen (38%) en andere opleidingsinstellingen (24%). In antwoord op de onderzoeksvragen bleek:



  1. 86% van de opleiders de SETQ-feedback te bespreken: in de opleidersgroep (69%), in aanwezigheid van de aios (68%) en/of individueel met supervisoren (34%).

  2. Respondenten noemden als doel van de feedbackbespreking in de opleidersgroep het komen tot verbeterpunten (45%), feedback krijgen (21%), inzicht krijgen in opleidingsstrategieën (16%) en aan een verplichting voldoen (16%).

  3. In de groepsbespreking werden naast de groepsrapportage soms ook de individuele feedbackrapporten besproken (46%). Supervisoren hadden in het merendeel van de gevallen geen inzage in elkaars individuele feedbackrapporten (66%), maar brachten concrete punten uit het eigen individuele feedbackrapport naar voren (74%).

  4. Beoogde resultaten van de groepsbespreking waren (succespercentage tussen haakjes): bewustwording van het feit dat alle leden opleiders zijn (92%), inzicht krijgen in de kwaliteit van de opleider/opleiding (86%), de intentie uitspreken om te komen tot aanpassing/verbetering van opleiding- en opleiderskwaliteiten (88%) en het komen tot concrete afspraken over verbeterplannen (55%).

  5. Opleiders gaven aan bij een toekomstige groepsbespreking van feedback behoefte te hebben aan een voorbeeld powerpoint (43%) of agenda (36%) als leidraad voor de bespreking.

Discussie

Het faciliteren van reflectie kan zorgen voor (verbeter) actie, waarbij het komen tot concrete afspraken van belang is [1]. Onderzoek laat zien dat in (kleine) groepen effectieve reflectie plaats kan vinden [2]. Deze studie geeft voor het eerst een overzicht hoe SETQ-feedback besproken wordt in opleidersgroepen. De belangrijkste bevinding van dit onderzoek is dat verkregen SETQ-feedback niet onbesproken blijft. 69% van de opleiders bespreekt de feedback binnen de eigen opleidersgroep. Zodoende dragen opleidersgroepen in belangrijke mate bij aan het individuele reflectieproces en de professionalisering van opleiders met als uiteindelijke doel het optimaliseren van de patiëntenzorg.

Referenties

[1] van der Leeuw RMSlootweg IAHeineman MJLombarts KM. Explaining how faculty members act upon residents' feedback to improve their teaching performance. Med Educ. 2013 nov;47(11):1089-98

[2] Mann KGordon J. Reflection and reflective practice in health professions education: a systematic review. Adv Health Sci Educ Theory Pract. 2009 Oct;14(4):595-621
Trefwoorden: Teachers/Trainers: Teacher evaluation, Medical education: Postgraduate education, Teachers/Trainers: Faculty/Staff development

Wijze van presentatie: Wetenschappelijke paper


Correspondentieadres:

T.S.R. van Engelen

Academisch Medisch Centrum

Professional Performance

Kr. J1A-119
Postbus 22660

1100 DD AMSTERDAM

E-mail: vanengelen.tjitske@gmail.com

C1.4 / Zaal 522
De impact van contextuele factoren op de doceerkwaliteit in interactieve werkcolleges
Spruijt A1, Leppink J2, Wolfhagen HAP2, Scherpbier AJJA2, Beukelen P van1, Jaarsma ADC3

1Faculteit Diergeneeskunde, Universiteit Utrecht, 2Universiteit Maastricht, 3Universiteit van Amsterdam
Probleemstelling

In werkcolleges wordt met een groep van 25 studenten onder leiding van een docent gediscussieerd over opdrachten en casuïstiek. Docenten spelen een belangrijke rol in interactieve werkcolleges als zowel inhoudsdeskundige van het onderwerp als begeleider van het groepsproces. In de bestaande literatuur over de kwaliteit van doceren wordt de invloed van de context waarin gedoceerd wordt vaak buiten beschouwing gelaten (Dolmans et al. 2001). Kwalitatief onderzoek naar werkcolleges wees uit dat de contextfactoren 1) mate van voorbereiding van de student 2) groepsgrootte 3) mogelijkheid tot interactie en 4) inhoud van het werkcollege van invloed zijn op de manier waarop docenten hun rollen kunnen waarmaken (Spruijt et al 2012, 2013). Het verkrijgen van meer inzicht in de impact van deze vier factoren op de doceerkwaliteit is relevant om de bijdrage van docenten aan de effectiviteit van werkcolleges voor studenten te optimaliseren. In deze studie onderzoeken we in hoeverre de doceerkwaliteit te verklaren is aan de hand van bovenstaande vier factoren.

Methode

We hebben de Utrecht Seminar Evaluation (USEME) vragenlijst gebruikt om informatie te verzamelen over de ‘doceerkwaliteit’ (8 items; = 0.92) en verklarende variabelen ‘mate van voorbereiding van de student’ (3 items; = 0.80), ‘de groepsgrootte’, ‘interactie’ (3 items; = 0.79) en ‘de inhoud van het werkcollege’ (5 items; = 0.82). De items die gebruikt worden om deze factoren te meten, zijn gebaseerd op eerder onderzoek (Spruijt et al. 2012, 2013). Deze vragenlijst is afgenomen bij studenten na afloop van 80 werkcolleges, waarin 36 verschillende docenten acteerden. Om rekening te houden met intra-student, intra-werkcollege en intra-docent correlatie is mixed-effects lineaire regressie gebruikt om 988 vragenlijsten te analyseren.



Resultaten

Interactie en inhoud van het werkcollege hadden respectievelijk een groot (β = 0.418, SE = 0.032, p = <0,001) en medium (β = 0.212, SE = 0,032, p = <0,001) positief effect op de doceerkwaliteit. Dit betekent dat studenten die hogere punten gaven voor interactie en/of inhoud ook de doceerkwaliteit vaak beter beoordeelden. Daarentegen waren de effecten van de mate van voorbereiding van de student (β = -0.055, SE = 0.025, p = 0.028) en groepsgrootte klein en negatief (β = -0.130, SE = 0.042, p = 0.004).

Discussie

De resultaten van de relatie tussen interactie en doceerkwaliteit sluiten aan bij de resultaten van een studie die gedaan is in probleemgestuurd onderwijs (PGO/PBL). Daarin droegen de vaardigheden van de tutor die gerelateerd waren aan groepsinteractie positief bij aan hun evaluatiescores (Dolmans et al. 2001). Ondanks dat het nog niet duidelijk is wat de sterke relatie tussen interactie en doceerkwaliteit betekent voor de leeruitkomsten van werkcolleges, raden wij docentprofessionaliseringstrajecten aan om werkcollegedocenten te laten oefenen met het verbeteren van hun discussie vaardigheden en hen te laten oefenen met verschillende activerende manieren die binnen werkcolleges gebruikt kunnen worden.

Referenties


  • Dolmans D, Wolfhagen H, Scherpbier A, Van Der Vleuten C: Relationship of Tutors’ Group-dynamic Skills to Their Performance Ratings in Problem-based Learning. Academic Medicine 2001, 76(5):473-476.

  • Spruijt A, Jaarsma A, Wolfhagen H, van Beukelen P, Scherpbier A: Students' perceptions of aspects affecting seminar learning. Med Teach 2012, 34(2):e129-135.

  • Spruijt A, Wolfhagen I, Bok H, Schuurmans E, Scherpbier A, van Beukelen P, Jaarsma D: Teachers’ perceptions of aspects affecting seminar learning: a qualitative study. BMC medical education 2013, 13(1):22.

Trefwoorden: Teaching & learning: Small group, Teachers/Trainers: Roles of the teacher, Medical education: Undergraduate education

Wijze van presentatie: Wetenschappelijke paper
Correspondentieadres:

A. Spruijt

Universiteit Utrecht, Faculteit Diergeneeskunde

Leerstoel Kwaliteitsbevordering Diergeneeskundig Onderwijs

Yalelaan 1

3584 CL UTRECHT

E-mail: a.spruijt@uu.nl
C2.1 / Zaal 525
Grip en zicht op de opleiding geneeskunde: samenhang in gemeten kwaliteit
Baartman EG, Eijk MM van der, Koens F

VU medisch centrum


Probleemstelling

Externe en interne beoordelingskaders zorgen er voor dat de opleiding beschikt over veel verzameld materiaal en indicatoren om de kwaliteit en de kwaliteitszorg rond de opleiding te evalueren. Deze verschillende kaders zijn niet altijd op elkaar afgestemd en vormen geen logische eenheid met elkaar. Hoe zorg je als opleiding dat deze gegevens, die soms voor verschillende doeleinden zijn verzameld, effectief worden samengevoegd en geoptimaliseerd zodat ze rechtstreeks de kwaliteit van de opleiding ten goede komen? Kortom, hoe houd je als opleiding grip en zicht op de opleiding?

Opzet

VUmc School of Medical Sciences heeft net als andere geneeskundeopleidingen te maken met richtlijnen vanuit de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie NVAO prestatieafspraken met het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de universiteit, uitslagen van landelijke studentenenquêtes en de eigen opleidingsevaluaties. Er wordt steeds meer geschreven en gecontroleerd, maar dat lijkt niet direct een positieve invloed te hebben op de kwaliteit van de opleiding. Er is geïnventariseerd welke parameters bijgehouden worden en hoe deze met zich met elkaar verhouden. Daarnaast wordt duidelijk welke input in deze overvloed aan gegevens juist ontbreekt.



Resultaten

Het resultaat is een meta-overzicht van de gegevens die verzameld worden en de samenhang hiertussen. Uit de resultaten blijkt dat een belangrijke groep stakeholders over het hoofd wordt gezien, namelijk docenten.

Discussie (implicaties voor de praktijk)

Het meta-overzicht van de verschillende parameters en wat er wordt bijgehouden blijkt een nuttig instrument te zijn om de blinde vlekken op het gebied van kwaliteitszorg van de opleiding te identificeren. Uit het overzicht wordt duidelijk dat docenten in het vervolg meer en beter betrokken kunnen worden bij de kwaliteitszorg.


Trefwoorden: Education management: Quality Assurance, Curriculum: Evaluation of curriculum, Education management: Institutional accreditation / regulatory bodies

Wijze van presentatie: Poster


Correspondentieadres:

E.G. Baartman

VU medisch centrum

IOO


Postbus 7057

1007 MB AMSTERDAM

E-mail: e.baartman@vumc.nl

C2.2 / Zaal 525
Een opwaartse spiraal: een Integraal Kwaliteitszorgsysteem voor Medische VervolgOpleidingen gebaseerd op dialoog
Martens JPL, Braak EWMT, Mulder H, Schroder C, Mooij J

UMC Utrecht


Probleemstelling/achtergrond

Goede zorg vraagt om goed opgeleide artsen. O.a. in de regelgeving (kaderbesluit) en wijze van toezicht houden (opleidingsvisitaties) wordt van Medische VervolgOpleidingen verlangd om zichtbaar te maken hoe zij werken aan een opleiding die deskundige artsen opleidt langs een verantwoorde leerweg. Mede op basis van het rapport Scherpbier (2009) heeft het UMC Utrecht een integraal kwaliteitszorgsysteem vorm gegeven. In de gevolgde methodiek staat de dialoog tussen aios en opleiders(groep) centraal.

Methode / Opzet

Het kwaliteitszorgsysteem van het UMC Utrecht is opgezet als een vijfjarige cyclus rond de opleidingsvisitatie. Er vindt twee keer een interne kwaliteitsmeting plaats (dOORkijk) en twee keer een opleidingsaudit met als auditoren opleiders en aios van andere opleidingen uit het UMC Utrecht. Met behulp van het plan-do-check-act model van Deming wordt op continue basis systematisch gewerkt aan het realiseren van verbeteringen in de opleiding.

Per opleiding worden meerjarige afspraken gemaakt over de beoogde kwaliteitszorg. Tijdens dOORkijk wordt met behulp van (gevalideerde) vragenlijsten (o.a. D-RECT, SETQ, EFFECT), interviews en opleidingsaudits systematisch kwaliteitsdata verzameld. Op vastgestelde momenten (vier jaar voor de opleidingsvisitatie en twee jaar voor de opleidingsvisitatie) volgen kwaliteitsrapportages en bijeenkomsten met aios en stafleden over de kwaliteit van de opleiding (leren in interactie). Benoemde verbeterpunten worden door de opleiding zelf SMART uitgewerkt in een verbeterplan. Deskundige adviseurs geven desgewenst adviezen over de aanpak van verbeterpunten. Vergelijking met voorgaande metingen maakt veranderingen zichtbaar. Tijdens de opleidingsaudits (2,5 jaar voor de opleidingsvisitatie en een jaar voor de opleidingsvisitatie) wordt vooral de voortgang van ingezette verbeteracties getoetst. Het dagelijks bestuur van de COC heeft een kwaliteitsbevorderende rol en fungeert als auditbestuur.

Resultaten

Sinds eind 2013 nemen alle 37 vervolgopleidingen in het UMC Utrecht deel aan dit kwaliteitssysteem.

- Alle medische vervolgopleidingen beschiken over een eigen meerjarige planning die is afgestemd op het aflopen van de erkenning van de betreffende opleiding.

- Alle medische vervolgopleidingen beschikken over een recente dOORkijkrapportage met kwaliteitsdata (o.a. D-RECT en SETQ-EFFECT) en een verslag van de Rond-de-tafelbespreking over deze rapportage.

- Er hebben inmiddels 15 opleidingsaudits plaatsgevonden.

- Geaggregeerde kwaliteitsdata worden jaarlijks besproken met de Centrale OpleidingsCommissie en de Raad van Bestuur van het UMC Utrecht.

Discussie (implicaties voor de praktijk)

Deze resultaten illustreren dat het mogelijk en haalbaar is om voor de kwaliteitszorg voor alle opleidingen in een grote opleidingsinstelling eenzelfde opzet en methodiek te gebruiken. Gezien de verschillen tussen opleidingen (o.a. aantal aios, vastgestelde verbeterpunten en visitatierapporten) is daarnaast ook maatwerk nodig. Dit betreft bv. de keuze van meetinstrumenten aangepast aan de grootte van de opleidingen, een aangepaste timing van kwaliteitzorgactiviteiten of advies over de aanpak van verbeterpunten.
Trefwoorden: Education management: Quality Assurance, Medical education: Postgraduate education Education management: General

Wijze van presentatie: Poster


Correspondentieadres:

J.P.L. Martens

UMC Utrecht

Medische vervolgopleidingen

Postbus 85500

3508 GA UTRECHT

E-mail: j.p.l.martens-3@umcutrecht.nl
C2.3 / Zaal 525
Is de NESP bruikbaar voor evaluatie van Simulatiepatiënten? Opbrengst, consequenties en tevredenheid
Weel-Baumgarten EM van, Elstrodt N, Plattel van Os E

Radboud UMC


Probleemstelling

Voor optimale gezondheidsuitkomsten bij patiënten moeten artsen naast medische kennis ook beschikken over goede communicatievaardigheden. Zelf oefenen en feedback ontvangen (‘experiential learning’) blijkt de beste manier om goed te leren communiceren. Naast feedback op communicatie met echte patiënten worden in veel medische opleidingen simulatiepatiënten (SP) ingezet in communicatievaardigheidstrainingen. Voor de kwaliteit van rollenspel en feedback is training en kwaliteitscontrole van SP van essentieel belang. Vanwege het ontbreken van een geschikt evaluatie-instrument ontwikkelden en valideerden wij de ‘Nijmegen Evaluation of the Simulated Patient list’ (NESP)1. Na de validering wilden wij weten of de SP-scores van de NESP bruikbaar zouden zijn voor individuele en groepsfeedback en/of training, met als doel de kwaliteit van de SP betrokken bij het programma communicatie en consultvaardigheden (C&C) in het geneeskunde curriculum van het Radboud UMC verder te verbeteren.

Methode

Studenten vulden tussen januari en juni 2013 de NESP in tijdens meerdere C&C-vaardigheidstrainingen. Scores hebben een range van 1-6 (1: zeer slechte prestatie - 6 zeer goede prestatie). Data werden geanalyseerd met SPSS. Afkappunten werden berekend waarbij de 25% laagste scores onvoldoende waren, de 25 % hoogste goed en scores daartussenin voldoende. Voor alle SP’en werden individuele scores berekend. Ook werd onderzocht op welke items > 30% van de SP’en een onvoldoende scoorde.



Resultaten

Tussen januari and juni 2013 werden door 3e, 4e en 5e-jaarsstudenten in totaal 1200 NESPs ingevuld over 43 SP’en. Op grond van de 25% regel werden scores boven 5.6 beschouwd als goed, tussen 5.6 en 4.7 als voldoende en onder 4.7 als onvoldoende. Dertig % van alle SP’en scoorde onvoldoende op 7 van de 28 items. Wij ontwikkelden een training om de kwaliteit van 4 van die items te verbeteren (genereren van alternatieven; te lang doorgaan op een onderwerp; negatieve balans tussen positieve en negatieve feedback; geven van concrete feedback). De andere 3 items werden besproken tijdens het verplichte SP-jaargesprek waarin ook alle overige scores werden besproken.

Discussie

Onze resultaten laten zien dat de NESP scores genereert, die bruikbaar zijn voor feedback op individueel en training op groepsniveau. De jaargesprekken hebben voor trainers en SP’en meer diepgang gekregen vanwege de toegevoegde waarde van concrete NESP scores.

De volgende stap zal zijn te onderzoeken of de scores van de SP op de NESP ook daadwerkelijk verbeteren na de jaargesprekken en de training.

Referentie



1 Bouter, S., E. van Weel-Baumgarten, et al. (2013). 'Construction and validation of the Nijmegen Evaluation of the Simulated Patient (NESP): assessing simulated patients' ability to role-play and provide feedback to students.' Acad.Med. 88(2): 253-259.
Trefwoorden: Assessment: Feedback, Education management: Quality Assurance, Teaching & learning: Standardized patients

Wijze van presentatie: Poster


Correspondentieadres:

E.M. van Weel-Baumgarten

Radboud UMC

Eerstelijnsgeneeskunde, afd ELG 16


Postbus 9101

6500HB NIJMEGEN

E-mail: evelyn.vanweel-baumgarten@radboudumc.nl

C2.4 / Zaal 525
Wetenschappelijke resultaten van kindergeneeskundige onderzoekstages binnen de Master fase geneeskunde
Madhuban AA, Draaisma JMTh, Roeleveld N, Schreuder MF, Alfen AAEM van

Radboud UMC


Achtergrond

Binnen de Masterfase van de opleiding Geneeskunde in Nijmegen volgen alle studenten een wetenschappelijke stage. De doelstelling van deze stage is tweeledig: 1) werken aan verplichte en persoonlijke leerdoelen gerelateerd aan het verrichten van onderzoek en 2) schriftelijke verslaglegging van het wetenschappelijk onderzoek, bij voorkeur in de vorm van een conceptartikel. De stage bestaat uit een voorbereiding van 2 weken, waarin nogmaals ingegaan wordt op methodologie en statistiek en een onderzoeksvoorstel geschreven wordt. Hierna volgt een periode van 12 aaneengesloten weken waarin het feitelijke onderzoek wordt uitgevoerd. Vanuit Kindergeneeskunde is er per project één inhoudsdeskundige begeleider (staflid) betrokken, die de student begeleidt met betrekking tot beide doelstellingen. Het doel van deze studie was de wetenschappelijke uitkomsten van de kindergeneeskundige onderzoekstages in de vorm van publicaties, presentaties en posters te evalueren.

Methode

In een retrospectief, descriptief onderzoek werden alle onderzoekstages binnen de afdeling Kindergeneeskunde van het Radboudumc in de periode van 2010 tot en met 2013 geïncludeerd. Hierbij werd gebruik gemaakt van het databestand van het bureau Onderwijs en Opleiding van de afdeling. De wetenschappelijke uitkomsten werden geëvalueerd door middel van een vragenlijst ingevuld door de begeleiders.



Resultaten

In de studieperiode werden 80 studenten begeleid door 21 verschillende stafleden van 9 verschillende subspecialisaties. Van 65 studenten konden wij gegevens verkrijgen over de wetenschappelijke opbrengsten van hun stages. In totaal leidde 25 van de 65 onderzoekstages tot ten minste één publicatie, presentatie of poster. Er werden 11 artikelen gepubliceerd waarvan 10 in internationale wetenschappelijke tijdschriften en 1 in een nationaal tijdschrift. Hierbij waren zeven studenten eerste auteur. Daarnaast werden er 17 mondelinge presentaties gehouden en 7 posterpresentaties verzorgd tijdens congressen, waarvan respectievelijk 11 en 5 op een internationaal congres.

Discussie

Hoewel het streven is om kwalitatief hoogstaande onderzoekstages aan te bieden die uitmonden in wetenschappelijke prestaties, resulteerden de onderzochte stages in de minderheid van de gevallen in een publicatie, presentatie of poster. Deels is dit te verklaren door de relatief korte duur van de stages, deels speelt kwaliteit mogelijk een rol. De resultaten van dit onderzoek worden gebruikt om het huidige onderzoekstagebeleid te verbeteren en de begeleiding te optimaliseren met 2 begeleiders per stage. De ene begeleider coacht de student bij het behalen van de leerdoelen en bewaakt het proces, terwijl de andere begeleider vakinhoudelijk verantwoordelijk is. Het effect van deze interventie op de kwaliteit en het wetenschappelijk rendement van de onderzoekstages zal prospectief geëvalueerd worden.


Trefwoorden: Medical education: All, Students/Trainees: All, Research in medical education: All

Wijze van presentatie: Poster


Correspondentieadres:

A.A. Madhuban

Marga Klompélaan 64

6836SM ARNHEM

E-mail: aamadhuban@live.nl
C2.5 / Zaal 525
Functioneren in de masteropleiding als voorspeller voor het cijfer van de semi-artsstage
Koens K, Mulder BF, Daelmans HEM, Croiset G

VU medisch centrum


Probleemstelling

Beoordelingen in masterstages geneeskunde blijken weinig betrouwbaar. Er worden te hoge cijfers gegeven en de cijfers correleren vaak niet met de gegeven feedback. Een oorzaak die wordt genoemd is dat beoordelaars niet in staat zijn in korte tijd een goed beeld van de student te krijgen. Eén van de laatste stages van de masteropleiding geneeskundeopleiding is de semi-artsstage. Dit is meestal een langere stage waarin de student meer verantwoordelijkheid draagt voor patiëntenzorg dan in de voorgaande jaren. De student werkt onder strikte supervisie van een begeleider, meestal een staflid. Deze observeert goed om potentiële AIOS te scouten en de student doet goed zijn best om dezelfde reden. Hierdoor kan een beoordelaar een goed beeld van een student krijgen. Verschilt dit beeld van het beeld dat beoordelaars in eerdere, kortere stages van de student hebben gekregen?

Methode

We hebben voor elk cijfer (5-9)voor de semi-artsstage zes tot negen studentendossiers bekeken. We vergeleken het cijfer van de semi-artsstage met de cijfers en de feedback in eerdere stages. Van het eindoordeel van de stages uit masterjaar 1 en 2 hebben we positieve en negatieve feedback geteld. Hiermee is een positief/negatief-feedbackratio berekend. We hebben positieve feedback gedefinieerd als bemoedigende opmerkingen en bekrachtiging van geobserveerd gedrag en negatieve feedback als verbeterpunten of als het afkeuren van geobserveerd gedrag.



Resultaten

Het gemiddeld cijfer van masterjaar 1 en 2 lijkt samen te hangen met het eindcijfer voor de semi-artsstage. De positief/negatief-feedbackratio nam toe naarmate het cijfer voor de semi-artsstage hoger werd. Studenten die een onvoldoende hadden voor de semi-artsstage, kregen de meeste negatieve feedback gedurende de eerdere stages. Er is weinig verschil in de ratio voor studenten die hun semi-artsstage met een 6 of 7 afsluiten. Studenten die een negen behaalden kregen minder negatieve feedback tijdens hun coschappen dan studenten die een acht hadden behaald.

Discussie

Hogere cijfers voor de semi-artsstage lijken samen te hangen met een grotere positief/negatieve feedbackratio in de eerdere stages. Interessant is dat studenten die een 6 of 7 hebben behaald weinig verschil vertonen in gemiddeld cijfer voor de eerdere stages en ook in feedback ratio weinig verschillen. Wel krijgen studenten met een 6 als semi-artsstagecijfer gemiddeld minder negatieve feedback dan studenten met een 7. Het beeld van beoordelaars in een semi-artsstage lijkt samen te hangen met dat van beoordelaars in eerdere, kortere stages.

Trefwoorden: Assessment: Workplace-based (on-the-job), Assessment: Feedback

Wijze van presentatie: Poster


Correspondentieadres:

F. Koens


VU medisch centrum

Instituut voor Onderwijs en Opleiden

Postbus 7057

1007 MB AMSTERDAM

E-mail: f.koens@vumc.nl

1   ...   7   8   9   10   11   12   13   14   ...   24

  • C1.4 / Zaal 522
  • C2.1 / Zaal 525
  • C2.2 / Zaal 525
  • C2.3 / Zaal 525
  • C2.4 / Zaal 525
  • C2.5 / Zaal 525

  • Dovnload 1.15 Mb.