Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Opening congres door dr. Hanke Dekker, hoofdorganisator nvmo congres 2014 10. 10-10. 40 en prof dr. Janke Cohen-Schotanus, voorzitter nvmo 10. 40-10. 45 Welkomstwoord

Dovnload 1.15 Mb.

Opening congres door dr. Hanke Dekker, hoofdorganisator nvmo congres 2014 10. 10-10. 40 en prof dr. Janke Cohen-Schotanus, voorzitter nvmo 10. 40-10. 45 Welkomstwoord



Pagina12/24
Datum04.04.2017
Grootte1.15 Mb.

Dovnload 1.15 Mb.
1   ...   8   9   10   11   12   13   14   15   ...   24

C2.6 / Zaal 525
Hoe kiezen bachelorstudenten geneeskunde in Nijmegen tussen keuzevakken?
Bosman GJCGM, Schouten LS, Janssen CCM, Bazelmans E

Radboud UMC


Achtergrond

We weten niets of weinig over het relatieve belang van de informatiebronnen die bachelorstudenten geneeskunde raadplegen bij het kiezen van keuzeblokken, noch of over de invloed van de blokkarakteristieken.

Methode

Meteen na hun registratie voor en het aangeven van hun voorkeur in het keuzecurriculum in het zesde semester van de bachelorfase, werd de studenten gevraagd een digitale vragenlijst in te vullen.



Resultaten

De belangrijkste bron van informatie bleek de door de Studentenorganisatie voor Onderwijs en Studie (SOOS) uitgegeven keuzegids. Verdieping van onderwerpen uit het kerncurriculum en het meer te weten komen over een eventuele specialisatie droegen het meest bij aan de voorkeur voor een specifiek keuzeblok. Studenten die veel waarde hechtten aan de onderwijsvormen vonden veel praktijk en veel hoorcolleges positieve factoren. De mening was verdeeld over de mate van tijd die besteed werd aan wetenschappelijke aspecten en over een schriftelijke toets als onderdeel van de uiteindeliljke beoordeling. Als het werken in een groep veel bijdroeg aan de eindbeoordeling, werd dit beschouwd als een negatieve factor.

Conclusies

De informatie over het keuzecurriculum moet zeker ook de meningen van studenten bevatten, aangezien die door medestudenten zeer op prijs gesteld wordt. In de officiële informatie dient meer aandacht besteed te worden aan de hoofddoelstellingen van het keuzeonderwijs.


Trefwoorden: Curriculum: Options / electives, Medical education: Undergraduate education

Wijze van presentatie: Poster


Correspondentieadres:

G.J.C.G.M. Bosman

Radboud UMC

Biochemie

Postbus 9101

6500 HB NIJMEGEN

E-mail: g.bosman@ncmls.ru.nl

C2.7 / Zaal 525
Selectief effect van het bindend studie advies
Klis BM van der

Faculteit Diergeneeskunde, Universiteit Utrecht


Probleemstelling/achtergrond 

Sinds 2006 wordt het Bindend Studie Advies (BSA) gebruikt op de Faculteit Diergeneeskunde, Utrecht, als middel voor selectie van studenten na hun eerste studiejaar. Er zijn weinig studies gepubliceerd die onderzoeken of selectie door middel van een BSA een studentenpopulatie levert die beter presteert. Dit onderzoek poogt de selectieve effectiviteit van het BSA te evalueren, met als onderzoeksvraag:



Heeft het BSA een positief selectief effect dat leidt tot betere studievoortgang en betere behaalde cijfers?

Hierbij werd ook onderzocht of de hoogte van de BSA-norm, het aantal European Credits (EC) waarop het BSA gebaseerd wordt, invloed heeft. Daarnaast werd geëvalueerd hoe studenten die een Aangehouden BSA ontvangen, bedoeld voor studenten die de BSA-norm niet halen maar hier een goede reden voor kunnen aangeven, presteren gedurende de rest van hun studie.

Methode/Opzet 

Examenresultaten en BSA van cohorten 2005-2012 zijn verzameld uit OSIRIS. Studenten werden vergeleken op basis van 3 groeperingen:

(1) Studenten die een BSA-regeling in jaar 1 hadden (BSAx) tegenover studenten die geen BSA-regeling in jaar 1 hadden (NoBSA),

(2) Gebaseerd op de hoogte van de BSA-norm (respectievelijk groep BSA30, BSA37,5 en BSA45),

(3) Gebaseerd op ontvangen BSA, waarbij onderscheid gemaakt tussen studenten met een Aangehouden BSA en een Positief BSA

Studievoortgang werd geëvalueerd aan de hand van het aantal ECs behaald in jaar 1 en 2, aantal maanden benodigd voor afronding doctoraal of bachelor, behalen propedeuse in jaar 1 en uitvalpercentages na start van jaar 2. Uit OSIRIS verkregen EC-gewogen gemiddelden werden vergeleken om gemiddelde cijfers te beoordelen.

Resultaten 

Studenten in groep BSAx presteren in hun eerste twee studiejaren beter op variabelen gerelateerd aan studievoortgang dan studenten in groep NoBSA. De hoogte van het BSA heeft hierbij geen significante invloed. Kijkend naar de tijd benodigd om een bachelor of doctoraal programma af te ronden zijn er geen significante verschillen gevonden tussen BSAen NoBSA. Wel is er sprake van minder uitval in latere jaren in groep BSAx. Gemiddelde cijfers lijken licht positief beïnvloed te worden door de BSA-regeling. Groep Aangehouden BSA scoorde op alle vlakken minder dan groep Positief BSA. 

Discussie 

Het onderzoek laat zien dat het BSA positieve selectieve effecten heeft op variabelen gerelateerd aan studievoortgang, met name in de eerste jaren. Het ontbreken van een significant verschil in afstudeertijd kan veroorzaakt zijn doordat dit voor een deel van de testgroep geschat is, en het feit dat studenten in de NoBSA groep door de invoering van een nieuw curriculum reeds positief gestimuleerd zijn. Dit zou verder onderzocht moeten worden. Het BSA lijkt een goede tool voor selectie van studenten na hun eerste jaar.


Trefwoorden: Education management: Selection of students/trainees, Students/Trainees: Student support and counselling

Wijze van presentatie: Poster


Correspondentieadres:

B.M. van der Klis

Kometenlaan 102

3712XB HUIS TER HEIDE

E-mail: bmvdklis@gmail.com
C3 / Abdijzaal

Het individualiseren van de opleiding(sduur): interactie tussen aios en opleider met grote gevolgen


Project Individualisering Opleidingsduur van OMS

Sluiter HE, Heijligers IC, Berg R van den


Thema

De volgende stap in competentie gericht opleiden, het loslaten van de nominale opleidingsduur, de consequenties voor de relatie tussen aios en opleider, bedrijfsvoering en kwaliteitstoezicht van individueel bepaalde opleidingsduur in de medisch specialistische vervolgopleidingen.

Doel

Duidelijkheid krijgen over het nut, de noodzaak en de consequenties van de individualisering van de medisch-specialistische vervolgopleidingen.



Doelgroep

Opleiders en aios in alle CCMS-specialismen, ondersteuners van opleiden in ziekenhuizen (managers en onderwijskundigen in opleidingsacademies, leerhuizen en OOR-verband)

Opzet

Het competentiegericht opleiden krijgt een steeds belangrijkere plaats in de medisch-specialistische vervolgopleidingen. Op basis van opgedane ervaring worden opleidingsplannen doorontwikkeld en krijgen competenties inhoud in opleiden en beoordelen op de werkvloer.


Een vervolgstap is het individualiseren van de opleidingspraktijk: hoe kan de aios zelf verantwoordelijkheid dragen voor zijn of haar leerproces en op een passend moment de benodigde competenties opdoen? Dit vraagt om voortdurende interactie tussen aios en opleider bij het uitstippelen van een optimaal leertraject.

Het nieuwe CCMS-kaderbesluit biedt de noodzakelijke ruimte om individuele opleidingsschema’s gedurende de opleiding bij te stellen. Bijvoorbeeld als een aios is staat blijkt competenties snel onder de knie te krijgen. Naast een het uitwisselen van welverdiende complimenten, kunnen aios en opleider nu ook besluiten tot versneld doorlopen van opleidingsonderdelen. Dat is heel competentiegericht, maar ook een besluit met consequenties…


In dit symposium gaan dr. Henk Sluiter (nefroloog Deventer Ziekenhuis) prof.dr. Ide Heyligers (orthopedisch chirurg Atrium MC) en drs. Ramon van den Berg (projectleider Individualisering Opleidingsduur OMS) in op het nut van het individualiseren van de opleidingsduur, maar verliezen daarbij de consequenties niet uit het oog. Want als eerder verworven competenties en de snelheid van het eigenmaken van competenties mede gaan bepalen hoe lang een aios over zijn/haar opleiding doet, hebben niet alleen aios en opleider nieuwe uitdagingen. Ook opleidingsacademies en leerhuizen, concilia en clusters staan voor beoordelings- en planningsvraagstukken. We nodigen u uit mee te denken over stellingen als:

  • Individualisering van de opleiding slaagt alleen als de continuïteit van de bedrijfsvoering in de zorg is geborgd.

  • Het is noodzakelijk dat de aios tijdens de opleiding een actieve rol heeft in de productie van een afdeling/maatschap.

  • Als de opleiding teveel wordt verkort zal dat ten koste gaan van de ontwikkeling van de generieke competenties

  • De aios moet beloond worden voor het verkort doorlopen van onderdelen van de opleiding (bijvoorbeeld extra competenties /EPA’s kunnen halen)

  • De opleider moet een lid van het opleidersteam kunnen vragen de rode draad in de portfolio-ontwikkeling met de aios te bewaken; dit vergt specifieke scholing van de betrokken leden van de opleidersteams

De aios die niet in het 3e jaar van de opleiding laat zien dat hij/zij als active learner de eigen opleiding mee regisseert is niet geschikt voor een toekomst als medisch specialist.
Wijze van presentatie: Symposium
Correspondentieadres:

Project RIO

OMS

Domus Medica Utrecht



C4 / Zaal 530
Opleidingsklimaat medische vervolgopleidingen
Smeenk FWJM1, Heyligers IC2

1Catharina Ziekenhuis, 2Atrium MC
Thema

Opleidingsklimaat medische vervolgopleidingen

Doel

Inzicht verwerven in de verschillende mechanismen die een veilig opleidingsklimaat voor aios in een opleidingsziekenhuis kunnen beïnvloeden, hoe deze inzichtelijk gemaakt kunnen worden en welke methoden er zijn om dit positief te beïnvloeden.



Doelgroep

Opleiders, aios, leerhuis medewerkers, onderwijskundigen en managers van medische vervolgopleidingen.

Opzet workshop

Na introductie discussie in kleine groepen (5 leden) n.a.v. specifieke praktijkvoorbeeldenactiviteiten, uitwerken van mogelijke interventies en samenvatten van de conclusies tot concreet werkbare oplossingen. Opbrengst: suggesties om concreet in de eigen omgeving informatie te verwerven over het opleidingsklimaat en mogelijkheden om dit te verbeteren.

Maximum aantal deelnemers: rond de 35
Trefwoorden: Medical education: Postgraduate education, Teachers/Trainers: General, Education management: General

Wijze van presentatie: Workshop


Correspondentieadres:

F.W.J.M. Smeenk

Catharina Ziekenhuis

Longgeneeskunde

PO Box 1350

5602 ZA EINDHOVEN

E-mail: franksmeenk@gmail.com
C5 / Zaal 531
Cultureel competent in medisch onderwijs: welke competenties hebben docenten nodig in het lesgeven over etnische en culturele diversiteit van patiënten?
NVMO werkgroepen Docentprofessionalisering en Diversiteit

Suurmond JL, Seeleman MC, Verberg CPM

Academisch Medisch Centrum, Universiteit van Amsterdam
Thema

Bij elke medische faculteit wordt tegenwoordig onderwijs over etnische en culturele diversiteit van patiënten gegeven. Het wordt als een onderdeel van de medische opleiding gezien (bv in het Raamplan 2009) dat medische studenten kennis, attituden en vaardigheden hebben om met een etnisch en cultureel diverse patiëntenpopulatie om te gaan. Maar hoe zit dat met de kennis, attituden en vaardigheden van docenten die les geven over etnische en culturele diversiteit? Welke competenties hebben zij nodig? In het Europese project ‘Culturally Competent in Medical Education’ (C2ME) met cofinanciering van het EACEA Erasmus Leven Lang Leren Programma (2013-2015), en gecoördineerd door de afdeling Sociale Geneeskunde van het AMC/UvA staan deze docentencompetenties centraal. In dit project is een framework ontwikkeld waarin deze ‘culturele competenties’ voor docenten beschreven staan.

Doel

In deze workshop gaan wij, de NVMO werkgroepen Docentprofessionalisering en Diversiteit, in op de concrete docentencompetenties die volgens de deelnemers nodig zijn om medische studenten les te geven over het omgaan met etnisch en cultureel diverse patiënten. We leggen deze culturele competenties voor docenten naast het algemene docentenprofiel van het NVMO, om te kijken wat je als docent aan extra competenties nodig zou kunnen hebben. Ook bekijken we gezamenlijk wat je als docent nodig hebt om deze culturele competenties verder te ontwikkelen.



Doelgroep

Docenten, opleiders

Opzet workshop

De workshop start met een korte plenaire toelichting op het docentcompetentieprofiel NVMO en het cultureel competentieprofiel van het C2ME-project. Daarna worden in subgroepen ervaringen uitgewisseld aan de hand van een aantal discussievragen over: wat betekent cultureel competent zijn voor docenten? De discussies worden kort plenair teruggekoppeld en daarna wordt nogmaals in subgroepen besproken welke (professionaliserings)activiteiten je als docent nodig hebt om culturele competenties over te dragen aan studenten. Ook deze discussies worden plenair nabesproken.

Maximum aantal deelnemers: 20
Trefwoorden: Teachers/Trainers: Faculty/Staff development, Teachers/Trainers: Roles of the teacher

Wijze van presentatie: Workshop


Correspondentieadres:

J.L. Suurmond

Academisch Medisch Centrum

Sociale Geneeskunde

Meibergdreef 9

1100 DD AMSTERDAM

E-mail: j.suurmond@amc.uva.nl

C6.1 / Zaal 532
Ontwikkeling van visuele en cognitieve vaardigheden bij klinisch pathologen: de weg van student tot patholoog
Jaarsma T1, Jarodzka H2, Nap M3, Merriënboer JJG van4, Boshuizen HPA2

1Welten Instituut, 2Open Universiteit, 3Atrium MC, 4Universiteit Maastricht
Probleemstelling

Klinische pathologie vereist visuele expertise. Desondanks ontbreekt een helder beeld van de ontwikkeling hiervan, en van een goede didactiek om deze expertise over te dragen.

Uit onderzoek in een ander ‘visueel specialisme’, de radiologie, bleek dat experts minder tijd nodig hebben om afwijkingen te vinden en meer zagen per oogopslag (Reingold & Sheridan, 2011). Met gesimplificeerde stimuli zijn in soortgelijke studies onder klinisch pathologen vergelijkbare resultaten behaald (ibid.). Het doel van deze studie is om zowel visuele als cognitieve expertiseontwikkeling in kaart te brengen, met een zo natuurlijk mogelijke setting. Dit laatste houdt in dat de stimuli complexer zijn dan bij eerdere studies en dat dit onderzoek dus een completer beeld geeft van de expertiseontwikkeling van klinisch pathologen. Omdat met name het microscoopgedrag van klinisch pathologen nog nauwelijk kwantitatief is onderzocht, is er weinig grond voor hypothesen. Het onderzoek is daarom exploratief van aard. De onderzoeksvraag is:

Wat zijn de verschillen in visuele en cognitieve beoordeling van microscopische beelden tussen beginners, gevorderden en experts in de klinische pathologie?

Methoden

Deelnemers waren 13 pathologen, 12 pathologen-in-opleiding en 13 studenten geneeskunde. Iedereen diagnosticeerde hardop-denkend zeven microscopische beelden op een digitale microscoop. Per casus gaven de participanten een diagnose en lichtten deze toe. De oogbewegingen en microscoopbewegingen werden geregistreerd.

Resultaten

In Tabel 1 staan de gemiddelde waarden per expertiseniveau voor de afhankelijke variabelen.

Verder blijkt dat de studenten meer bevindingen noemen dan de andere twee groepen (p < .01), meer kennisstatements doen (p < .05) en meer reflecteren (p < .05), hebben ze minder overzicht (p < .01) en stellen ze minder diagnoses(p < .01). Pathologen in opleiding vergelijken minder binnen de beelden dan de andere twee groepen (p < .01), benoemen meer ontbrekende verschijnselen (p < .01), en vergelijken meer met normaal weefsel (p < .01).

Discussie

Dit onderzoek geeft een eerste inzicht in het microscoopgedrag en de verbalisering van bevindingen van klinisch pathologen met verschillende expertiseniveaus. Pathologen hebben het minste behoefte aan detail, terwijl studenten en assistenten meer uitvergroten en meer zoekgedrag vertonen. Het leren interpreteren van complexe medische beelden lijkt hierdoor van de grond af aan te gebeuren. Zowel voor de verbalisaties als het getoond microscoopgedrag geldt: hoe minder ervaren de beoordelaar, des te meer detail is vereist. Op basis van deze resultaten kunnen in vervolgonderzoek interventies worden ontworpen en getoetst.

Referenties

Reingold, E. M., & Sheridan, H. (2011). Eye movements and visual expertise in chess and medicine. In S. Liversedge, I. Gilchrist & S. Everling (Eds.), The Oxford handbook of eye movements (pp. 523-550). New York: Oxford University Press.

Picture 1:



https://www.eventure-online.com/parthen-uploads/39/post4/img1_248904.jpg

Trefwoorden: Medical education: General, Teaching & learning: All

Wijze van presentatie: Paper
Correspondentieadres:

T. Jaarsma

Loeff Berchmakerstraat 7bis

3512 TC UTRECHT

E-mail: thomas.jaarsma@ou.nl

C6.2 / Zaal 532
Blended learning in klinisch vaardigheidsonderwijs Geneeskunde: verplichte e-modules als voorbereiding op de praktische lessen verbetert de toetsresultaten
Kwant KJ, Custers EJFM, Jongen-Hermus FJ, Kluijtmans M

UMC Utrecht


Probleemstelling

Praktisch vaardigheidsonderwijs aan geneeskunde studenten is relatief duur vanwege de intensieve begeleiding. Efficiënt gebruik van de oefentijd is daarom van belang. Een goede voorbereiding draagt hieraan bij. Om deze te bevorderen, vervangt het UMC Utrecht gefaseerd de klassieke schriftelijke voorbereiding voor de afzonderlijke lessen (onderzoek van buik, elleboog e.d.) door verplichte e-learning modules. De schriftelijke voorbereiding werd door studenten slecht uitgevoerd en er zijn aanwijzingen dat e-learning in combinatie met traditionele trainingen (blended learning) in praktische vaardigheidslessen positief gewaardeerd wordt door de studenten (1). In deze studie willen wij nagaan of verplichte e-learning als voorbereiding op vaardigheidslessen uiteindelijk tot betere resultaten leidt dan klassieke schriftelijke voorbereiding.

Methode

Aan het eind van bachelor jaar 1 en 2 krijgen de studenten een stationsexamen van het vaardigheidsonderwijs. Ze worden getoetst op twee stations. Elk station beslaat een afzonderlijk deel van het lichamelijk onderzoek en bestaat uit een aantal beoordelingen op een 5-puntsschaal. In de toets van juni 2013 was er voor een aantal van deze onderdelen al e-learning en voor een aantal nog niet. We vergeleken de volgende resultaten. 1: gemiddeldes van onderdelen op de toets in 2013 met schriftelijke voorbereiding versus e-learning voorbereiding. 2: gemiddeldes van onderdelen met schriftelijke voorbereiding in 2012 versus dezelfde onderdelen met e-learning in 2013.

Resultaten

Op de toets van 2013 haalden studenten een gemiddelde score van 3,56±0,67(n=554) op de toetsonderdelen met schriftelijke voorbereiding en een gemiddelde score van 3,67±0,71(n=502) op de toetsonderdelen met e-learning (t=2,14 p<0,05). Ook op de toetsonderdelen die in toetsjaar 2012 een schriftelijke voorbereiding hadden en in 2013 een e-module voorbereiding, scoorden de studenten in 2013 significant beter, respectievelijk 3,42±0,64(n=337) en 3,68±0,70(n=314) (t=4,97 p<0,05). Op toetsonderdelen met in beide jaren een schriftelijke voorbereiding, bleek er geen significant verschil te bestaan tussen de twee cohorten, respectievelijk 3,55±0,67(n=527) en 3,61±0,67(n=517) (t=1,47 p>0,05).

Discussie

Onze resultaten tonen aan dat de invoering van verplichte e-modules ter voorbereiding op de vaardigheidslessen leidt tot betere resultaten op de vaardigheidstoets voor die onderdelen dan de onderdelen met een schriftelijke voorbereiding. Dit geldt zowel voor verschillende onderdelen binnen een jaargroep, als voor dezelfde onderdelen tussen twee jaargroepen. Er lijkt hierbij geen sprake van een cohorteffect. Op grond van ons onderzoek kunnen wij niet concluderen of het gevonden resultaat voortkomt uit de inhoud van de e-learning of het feit dat deze verplicht moest worden doorlopen. De verplichte blended learning opzet lijkt de effectiviteit van het praktisch vaardigheidsonderwijs te vergroten.

(1): Bloomfield,J.G. and A.Jones. Using e-learning to support clinical skills acquisition: exploring the experiences and perceptions of graduate first-year pre-registration nursing students - mixed method study. NurseEducToday 33.12(2013):1605-11
Trefwoorden: Learning outcomes: Clinical and practical skills, Teaching & learning: Blended learning, Teaching & learning: e-learning/computers

Wijze van presentatie: Paper


Correspondentieadres:

K.J. Kwant

UMC Utrecht

Klinisch Vaardigheidsonderwijs

Postbus 85500, HvdB 3.06

3508 GA UTRECHT

E-mail: k.j.kwant-2@umcutrecht.nl

C6.3 / Zaal 532
Baart oefening kunst? Lichamelijk onderzoek door AIOS interne geneeskunde: techniek en hypothesegericht onderzoek
Smits RAL, Haring C, Postma C, Smit J, Graaf J de

Radboud UMC


Achtergrond

Het lichamelijk onderzoek (LO) is een basisvaardigheid voor elke klinisch werkzame arts. Het behoud van deze vaardigheid is belangrijk voor de kwaliteit van het functioneren van een arts in de alledaagse praktijk. Gebaseerd op een eigen literatuurstudie en ervaring in de dagelijkse praktijk is de gedachte dat de techniek van het lichamelijk onderzoek door artsen in opleiding tot specialist (AIOS) beneden niveau zou zijn. AIOS worden tevens verondersteld om handelingen van het LO te kiezen gebaseerd op de klachten van de patiënt, om zo hun differentiaal diagnoses te testen. Hiermee gaan ze een stap verder dan een algemeen lichamelijk onderzoek op elke patiënt. De kwaliteit van de techniek en keuzes van deze belangrijke vaardigheid in de vervolgopleiding is niet eerder getest in Nederland.

Doel

De technische uitvoering van een algemeen LO door AIOS interne geneeskunde onderzoeken. Daarnaast inzicht krijgen in de relevante keuzes voor handelingen van het LO passend bij de klacht van de patiënt, het zogenaamde hypothesegericht lichamelijk onderzoek en deze relateren aan de jaren klinische ervaring.



Methode

Gebaseerd op de objective structured clinical examination methode werden vijf stations ontworpen waar een arts LO verrichtte op een gezonde vrijwilliger. Vier stations waren gebaseerd op een geschreven klinisch scenario. Bij het vijfde station was de arts gevraagd om een algemeen LO uit te voeren, gebaseerd op een gegeven lijst met handelingen. Alle handelingen werden opgenomen op dvd en achteraf gescoord met behulp van checklists. De checklists horende bij de scenario’s bevatten de keuzes van een expert panel van principle lecturers.

Resultaten

Vierentwintig AIOS interne geneeskunde in opleidingsjaar 1 t/m 5 in het Radboudumc of Canisius Wilhelmina Ziekenhuis hadden een gemiddelde score van 60% (95% CI 56-64%) in de technische uitvoering van een algemeen LO. Wat betreft de keuzes van handelingen gebaseerd op de scenario’s hadden zij een gemiddelde overeenkomende score van 59% (95% cI 55-63%) met de keuzes van het expert panel. Er werd geen correlatie gevonden tussen de mate van klinische ervaring en het aantal overeenkomende handelingen.

Conclusie

De technische uitvoering van handelingen van LO door AIOS interne geneeskunde is minder dan verwacht bij het opleidingsniveau. Hun keuzes in het gebruik van handelingen van LO om differentiaal diagnoses te testen zijn deels verschillend van de keuzes van een expert panel. Gebaseerd op deze resultaten willen wij een longitudinaal educatie- en trainingstraject ontwerpen, vanuit een serie van hypothesegerichte standard operating procedures van het LO. Dit heeft als doel om de kwaliteit van deze vaardigheid in de vervolgopleiding te verbeteren en te behouden, wat moet leiden tot betere patiëntenzorg.


Trefwoorden: Teaching & learning: Clinical context, Learning outcomes: Clinical and practical skills, Medical education: Postgraduate education
Wijze van presentatie: Paper
Correspondentieadres:

R.A.L. Smits

Radboud UMC

Interne geneeskunde, Postnr 463


Postbus 9101

6500 HB NIJMEGEN

E-mail: r.smits@jbz.nl

1   ...   8   9   10   11   12   13   14   15   ...   24

  • C2.7 / Zaal 525
  • C3 / Abdijzaal
  • C4 / Zaal 530
  • C5 / Zaal 531
  • C6.1 / Zaal 532
  • C6.2 / Zaal 532
  • C6.3 / Zaal 532

  • Dovnload 1.15 Mb.