Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Opening congres door dr. Hanke Dekker, hoofdorganisator nvmo congres 2014 10. 10-10. 40 en prof dr. Janke Cohen-Schotanus, voorzitter nvmo 10. 40-10. 45 Welkomstwoord

Dovnload 1.15 Mb.

Opening congres door dr. Hanke Dekker, hoofdorganisator nvmo congres 2014 10. 10-10. 40 en prof dr. Janke Cohen-Schotanus, voorzitter nvmo 10. 40-10. 45 Welkomstwoord



Pagina14/24
Datum04.04.2017
Grootte1.15 Mb.

Dovnload 1.15 Mb.
1   ...   10   11   12   13   14   15   16   17   ...   24

C12.1 / Lamoraalzaal
Het allereerste coschap… Meer zelfvertrouwen door voorbereiding op komende interacties. Studenten melden een gebrek aan zelfvertrouwen en blijken behoefte te hebben aan handvatten die ze in de klinische praktijk kunnen gebruiken
Wijngaarden JJ van, Ven A van de, Reuchlin CAE

UMC Utrecht


Probleemstelling

Binnen het UMC Utrecht start het eerste coschap voor studenten Geneeskunde in het 3e jaar van de Bachelor. Het betreft een 6-weekse coschap Chirurgie of Interne Geneeskunde.

Per augustus 2013 zijn 2 modules Communicatie & Attitude onderwijs ontwikkeld met als doel het zelfvertrouwen van de student bij aanvang van zijn coschap te vergroten.

Onderzoeksvraag:

Vergroten deze modules het gevoel van zelfvertrouwen van studenten in de transitiefase van preklinisch naar klinisch onderwijs?

Methode/opzet

In de module “Voorbereiding op het coschap”(1) wordt de omgang met anderen in de samenwerking en communicatie op een interactieve manier besproken. Aan de orde komen: communicatie met je begeleider en het artsenteam, informele regels van samenwerking, eigen onzekerheden, pro-activiteit, zelfsturing en hoe om te gaan met seksuele intimidatie. Er worden praktische tips uitgewisseld om het persoonlijk functioneren tijdens het coschap te verbeteren.

In de module “Communicatie en interactie tijdens het lichamelijk onderzoek”(2) verrichten 2 studenten een volledig consult (anamnese en lichamelijk onderzoek) op een simulatiepatiënt en wordt plenair feedback gegeven over de communicatie en interactie met de simulatiepatiënt.

In de periode augustus 2013 t/m maart 2014 hebben 238 studenten de modules gevolgd, waarvan 204 studenten een schriftelijke evaluatie aan het eind van de tweede module hebben ingevuld.

Resultaten

De vernieuwde lessen lijken te voorzien in een behoefte van studenten om beter voorbereid de coschappen in te gaan.

97% geeft aan dat deze modules bijdragen aan een goede voorbereiding op het coschap. 91% vindt de eerste module leerzaam, de tweede module wordt zelfs door 98% leerzaam gevonden. Hierbij geeft 87 % van de studenten aan dat het zelfvertrouwen in het verrichten van een consult is vergroot.

Studenten spreken de wens uit in de open opmerkingen om nog meer oefenmomenten met simulatiepatiënten te willen in een volledig consult (gericht op communicatie en interactie met een patiënt). Daarnaast geven zij aan het fijn te vinden dat in de voorbereiding op het coschap ingegaan wordt op lastige situaties in de samenwerking en hoe hier, op een professionele manier, mee om te gaan.

Evaluatie/implicaties voor de praktijk

Het inzetten van onderwijs waarbij een volledig consult wordt geoefend en waarin aandacht is voor het persoonlijk functioneren, is aan te bevelen. Bij het ontwikkelen van nieuwe curricula verdient het aanbeveling om meer oefenmomenten van een volledig consult met simulatiepatiënten, met aandacht voor communicatie en interactie, te implementeren.

Literatuur

Communication during physical examination, Cleland et al (2013), The Clinical Teacher 2013; 10; 84-87

Medische consultvoering; Veening, Gans & Kuks (2009)

Professioneel communiceren in de zorg; Struiving, Van Nes & Rijpstra (2012)
Trefwoorden: Teaching & learning: Clinical context, Teaching & learning: Simulation, Learning outcomes: Communication skills

Wijze van presentatie: Poster


Correspondentieadres:

J.J. van Wijngaarden

UMC Utrecht

Klinisch Vaardigheids Onderwijs (KVO) Huispostnr 3.06a

Postbus 85500

3508 GA UTRECHT

E-mail: j.j.vanwijngaarden-3@umcutrecht.nl

C12.2 / Lamoraalzaal
Remediering van onprofessioneel gedrag met behulp van de Kernkwadranten van Ofman
Mak-van der Vossen MC, Kusurkar RA, Croiset G

VU medisch centrum


Probleemstelling

Professioneel gedrag wordt in de Geneeskundeopleiding onderwezen en getoetst, en de wijze waarop dat kan plaatsvinden is in richtlijnen vastgelegd. Voor de remediering van studenten die een onvoldoende hebben behaald voor professioneel gedrag bestaat echter geen richtlijn. Een inventarisatie onder de leden van de NVMO-werkgroep Professionaliteit leverde een verscheidenheid van remediërende methoden op. Een van die methoden is de Kernkwadranten van Ofman, een methode afkomstig uit de organisatiepsychologie die gericht is op verwerven van zelfkennis. Is deze methode ook bruikbaar om studenten met onprofessioneel gedrag meer zelfkennis te laten verkrijgen, en hen te helpen veranderingen in hun gedrag aan te brengen?

Opzet

In het VUmc geneeskundecurriculum wordt Professioneel gedrag getoetst in studiegroepen en in alle stages van de bachelor- en masteropleiding. Na een onvoldoende voor professioneel gedrag wordt de student uitgenodigd voor een individueel gesprek. In dit gesprek wordt besproken wat de reden is voor de onvoldoende, hoe de student kan leren van de feedback, en hij/zij kan voorkomen dat er in de toekomst weer een onvoldoende voor Professioneel gedrag wordt toegekend. Om de student inzicht te geven in zijn/haar gedrag, en de mogelijkheden om hierin verandering aan te brengen wordt met behulp van de Kernkwadranten van Ofman in kaart gebracht welke kwaliteiten en valkuilen de student heeft, en hoe leerdoelen geformuleerd kunnen worden om verandering te bewerkstelligen. Daarbij wordt gebruik gemaakt van een app. Studenten werd gevraagd naar hun mening over deze methode.



Ervaringen

Kernkwadranten blijken geschikt om kwaliteiten, valkuilen en uitdagingen van studenten te benoemen, en kunnen effectief worden toegepast om leerdoelen te formuleren. De methode is eenvoudig en kan in een enkel gesprek worden uitgelegd en toegepast. Door niet alleen naar het negatief benoemde gedrag te kijken, maar vooral ook naar de bijbehorende kwaliteit, is de acceptatie van de methode door de studenten goed. Uit de reacties van studenten blijkt dat zij de methode waarderen, en als een bruikbare manier zien om inzicht te krijgen in hun gedrag.

Implicatie voor de praktijk

De Kernkwadranten methode is een praktisch instrument dat de student kan helpen om inzicht te verwerven in zijn/haar gedrag en hoe dat overkomt op anderen. Bovendien is het instrument eenvoudig bruikbaar om leerdoelen op te stellen. Nader onderzoek is nodig om de onderliggende problemen van professioneel gedrag te categoriseren, zodat de methode van remediering afgestemd kan worden op het specifieke probleem van de student.

Literatuur

Daniel Ofman, Bezieling en kwaliteit in organisaties, Servire, 10e druk, 2006


Trefwoorden: Learning outcomes: Professionalism / attitude / ethics, Students/Trainees: Student support and counselling

Wijze van presentatie: Poster


Correspondentieadres:

M.C. Mak-van der Vossen

VU medisch centrum

Research in Education

Postbus 7057

1007MB AMSTERDAM

E-mail: m.mak@vumc.nl
C12.3 / Lamoraalzaal

Professionele ontwikkeling met het oog op een vervolgopleiding: een perspectief vanuit opleiders en coassistenten


Suylichem JB van1, Abdi A2

1 LUMC, 2 VU medisch centrum
Achtergrond
In 2013 is door het ministerie van VWS, in samenspraak met het capaciteitsorgaan, besloten het aantal plaatsen voor een medische vervolgopleiding te verminderen. Daarnaast bestaat er een overschot aan jonge afgestudeerde artsen die nog geen vervolgopleiding hebben. Het gevolg is dat studenten en coassistenten proberen zich eerder persoonlijk en professioneel te ontwikkelen en te onderscheiden. Hiervoor bestaan intra- en extracurriculair verschillende mogelijkheden waaronder het dedicated schakeljaar, buitenlandstages, bestuurswerk, promoveren en het opdoen van werkervaring. Het precieze effect van deze activiteiten op de kansen om in te stromen in de medische vervolgopleiding is echter onbekend.

Methode
Het betreft een kwantitatief observationeel onderzoek. Middels een elektronische enquête werd onder opleiders en coassistenten geïnventariseerd hoe zij intra- en extracurriculaire ontwikkeling waarderen. Onder coassistenten werd de enquête verspreid door lokale co- en masterraden. Opleiders ontvingen een oproep om de enquête in te vullen via de lokale OOR-coördinatoren. De enquête was opgebouwd uit open vragen en enkele casus waar de geënquêteerde de sollicitant van voorkeur moest aanwijzen. Daarnaast werden demografische gegevens en informatie over de (beoogde) specialisatie en het type instelling verzameld. Resultaten werden in de periode van juli 2014 verzameld en systematisch geanalyseerd met behulp van IBM SPSS Statistics 20.0. Op basis van (beoogd) specialisme, streek en type instelling werden de resultaten uitgesplitst en per subcategorie geanalyseerd.

Resultaten
Op het moment van schrijven van dit abstract is de datacollectie nog in gang. Er zijn nog geen voorlopige resultaten om gepresenteerd te worden.

Discussie


Het onderzoek heeft zich beperkt tot enkele intra- en extracurriculaire activiteiten. Bij een sollicitatiegesprek zullen echter ook andere kwaliteiten zoals persoonlijkheid, reacties in het sollicitatiegesprek en comptabiliteit met de vakgroep meegenomen worden. Dit onderzoek beperkt zich echter tot omschreven meetbare activiteiten tijdens en na de studietijd. Gezien de snelle afname van de gemiddelde studieduur zullen studenten en coassistenten zich steeds eerder professioneel moeten gaan ontwikkelen. Deze studie bied een goed handvat om gericht op een vervolgopleiding al in een vroeg stadium te starten aan de professionele ontwikkeling van de student en coassistent.

Trefwoorden: Persoonlijke ontwikkeling, intracurriculaire activiteiten, extracurriculaire activiteiten, co-assistent.

Wijze van presentatie: Poster

Correspondentieadres:


J.B. van Suylichem

Bestuurslid Onderwijs

Landelijk Overleg Coassistenten

Hamburgerstraat 27

3512 NP UTRECHT

E-mail: onderwijs@loca.nu



C12.4 / Lamoraalzaal
De beroepsvoorkeur van geneeskundestudenten: de stand van zaken
Alderlieste LC, Butter R, Michael R

KNMG Studentenplatform


Probleemstelling

De maatschappelijke zorgvraag neemt toe, maar niet van elk specialisme zijn meer artsen nodig. Het aantal vacatures per 100 artsen verschilt al jaren sterk per specialisme.[i] Om deze discrepantie in de hand te houden, wordt de instroom in de beroepsopleidingen gereguleerd. De specialisatievoorkeur van geneeskundestudenten laat zich echter niet reguleren. Het KNMG Studentenplatform onderzocht welk vakgebied op dit moment de voorkeur heeft van de geneeskundestudent en in hoeverre dit overeenkomt met de huidige vraag naar verschillende specialisten en het aantal beschikbare opleidingsplaatsen.

Methode

In november 2013 werden 16.101 studentleden van de KNMG uitgenodigd voor een digitale enquête met vragen over diverse actuele onderwerpen binnen de geneeskundeopleiding, waaronder vragen over hun beroepsvoorkeur. Zij konden zowel een eerste voorkeur als een top drie aangeven. Respondenten hadden in totaal 42 keuzemogelijkheden, waaronder 38 erkende specialisaties. Andere opties waren: arts-onderzoeker, ‘weet niet/geen voorkeur’, ‘geen praktiserend arts’ en een eigen invulmogelijkheid. De analyse van de resultaten werd uitgevoerd met SPSS, versie 21. Cijfers over de instroom per specialisme in 2013 werden door het Capaciteitsorgaan verstrekt.



Resultaten

De vragenlijst werd ingevuld door 2739 studenten (responspercentage: 18.8%), waarvan 1287 coassistenten. Bij het aangeven van een top drie zijn huisartsgeneeskunde (39.6%), interne geneeskunde (26.8%) en kindergeneeskunde (25.9%) het populairst. Zesdejaars geneeskundestudenten geven de voorkeur aan huisartsgeneeskunde (22.9%), kindergeneeskunde (7.7%) en interne geneeskunde (7.7%). De top drie van mannelijke zesdejaars geneeskundestudenten bestaat uit huisartsgeneeskunde (14.2%), heelkunde (10.4%) en interne geneeskunde (9.7%). De top drie van vrouwelijke zesdejaars geneeskundestudenten bestaat uit huisartsgeneeskunde (25.4%), kindergeneeskunde (8.2%), obstetrie en gynaecologie (7.1%) en interne geneeskunde (7.1%). Medische microbiologie (0.6%), verslavingsgeneeskunde (0.6%), nucleaire geneeskunde (0.5%) en verzekeringsgeneeskunde (0.1%) worden het minst genoemd onder alle studenten. Ouderengeneeskunde blijkt voor 1.0% (n=6) van de zesdejaars de eerste voorkeur, terwijl dit onder eerstejaars 0.0% (n=0) is. De vergelijking van de specialisatievoorkeur van zesdejaars geneeskundestudenten met het aantal beschikbare opleidingsplaatsen is weergegeven in tabel 1.

Conclusie en discussie

De voorkeursvervolgopleiding van de huidige zesdejaars geneeskundestudent komt niet overeen met het aantal beschikbare opleidingsplaatsen in 2013 per specialisme. Vooral voor de chirurgische vervolgopleidingen en de kindergeneeskunde lijkt het aanbod studenten groter dan de instroommogelijkheden. Het is de vraag in hoeverre de student beïnvloed kan en moet worden in zijn specialisatiekeuze om aan de maatschappelijk groeiende vraag naar (sommige) artsen te kunnen voldoen.

Referenties

[i] Arbeidsmonitor 2013, 4e kwartaal; MC 07- 13 februari 2014.




https://www.eventure-online.com/parthen-uploads/39/post4/img1_248794.png

Vergelijking specialisatievoorkeur (zesdejaars geneeskundestudenten) met aantal beschikbare opleidingsplekken

Trefwoord: Students/Trainees: Career choice

Wijze van presentatie: Poster


Correspondentieadres:

L.C. Alderlieste

KNMG Studentenplatform

Kattenburgerstraat 6 E

1018 JB AMSTERDAM

E-mail: laurien.alderlieste@gmail.com


C12.5 / Lamoraalzaal
Factoren van invloed op voorkeuren en beroepskeuze studenten geneeskunde: een systematische review
Querido SJ1, Vergouw D², Wigersma L1, Heiligers PJM², Batenburg, RS², Cate TJ ten³

1KNMG, ²Nivel ³Universiteit Utrecht
Probleemstelling

Om in de toekomst ook adequate zorg te kunnen bieden is de afstemming van het zorgaanbod op de zorgbehoefte in de maatschappij van groot belang. Terwijl de zorgbehoefte verandert ten gevolgen van een vergrijzende bevolking waarin meer chronische- en leefstijl gerelateerde aandoeningen voorkomen, houden de veranderingen in het zorgaanbod geen gelijke tred. Zo is de belangstelling onder de ‘artsen van straks’ voor maatschappelijk relevante specialismen zoals ouderengeneeskunde en profielen uit de sociale geneeskunde al jaren laag. In de huidige medische opleiding komen deze discrepanties pas ten tijde van de doorstroom naar een vervolgopleiding aan het licht. Een eerdere detectie van de trends in het toekomstige aanbod van beroepsbeoefenaren zou tijdig anticiperen mogelijk maken. Inzicht in de factoren van invloed op de specialisatievoorkeur van studenten geneeskunde in de basisopleiding is hiertoe van groot belang. Internationaal (Verenigde Staten, Canada, Nederland, Verenigd Koninkrijk, Australië) zijn er al meerdere studies uitgevoerd naar de voorkeuren en beroepskeuzes van medische studenten. De huidige studie beoogt deze resultaten aan te vullen met recente studies en ook aan te geven welke factoren in de Nederlandse situatie van belang zijn. Het overzicht wordt gebruikt als startpunt voor longitudinaal, kwalitatief en kwantitatief onderzoek en nader te bepalen of en hoe de discrepantie is tussen de beschikbaarheid van opleidingsplaatsen en de voorkeuren van studenten geneeskunde.

Methode

Een systematische inventarisatie van de in de afgelopen 10 jaar in het Nederlands, Duits of Engels gepubliceerde en in Medline of Embase opgenomen studies naar de naar specialisatie-/ beroepsvoorkeuren en keuzes van studenten geneeskunde uit de basisopleiding.



Zoekstrategieën zijn uitgevoerd op mesh term en op basis van titel en samenvatting. Zoekwoorden: medical student(s), undergraduate medical student(s), graduate medical student(s), career choice(s), career preference(s). Deze zijn zo nodig aangepast aan de zoekmachine termen. De gedetailleerde beoordeling van artikelen heeft plaatsgevonden op basis van full tekst artikelen.

Resultaten

De initiële zoekstrategie identificeerde 1949 artikelen (1849 Pubmed, 100 Embase). Na screening van respectievelijk titel/ abstract en fulltext werd deze selectie gereduceerd tot 197 artikelen. Een extra reductie tot 43 unieke studies geschiedde door studies uit de laatste 5 jaar in landen met een met Nederland vergelijkbare opleidingsstructuur *Wijnen et al. 2013 te selecteren.

Overzicht van de factoren zijn op het moment van schrijven nog niet bekend en worden zomer 2014 verwacht.

Referentie

Wijnen-Meijer M, Burdick W, Alofs L, Burgers C, ten Cate O. Stages and transitions in medical education around the world: clarifying structures and terminology. Medical Teacher 2013; 35 (4) : 301-307


Trefwoorden: Students/Trainees: Career choice, Students/Trainees: General

Wijze van presentatie: Poster


Correspondentieadres:

S.J. Querido

KNMG

Beleid & Advies



Postbus 20051

3502 LB UTRECHT

E-mail: s.querido@fed.knmg.nl

C12.6 / Lamoraalzaal
Selectie van arts-assistenten: ‘opening the black box'
Velthuis SI, Bustraan J, Beaufort AJ de

LUMC
Probleemstelling/achtergrond

Gegevens van het Capaciteitsorgaan laten zien dat tussen 2000-2012 gemiddeld 10% van de aios hun opleiding voortijdig beëindigt. Met een krimpend aantal opleidingsplaatsen en verkorting van de opleidingsduur wordt het steeds belangrijker om aios op een goede manier te selecteren voor een opleidingsplaats die past bij hun persoonlijke kwaliteiten en ambities en het pakket aan verwachtingen en eisen die aan artsen van de toekomst worden gesteld. In de praktijk leeft bij velen de indruk dat er sprake zou zijn van een grote heterogeniteit in de selectieprocedures bij de verschillende medische vervolgopleidingen en tussen, maar ook binnen verschillende instellingen/OOR’s. Een goed onderbouwd beeld van de wijze waarop aios in NL worden geselecteerd, ontbreekt echter vooralsnog. Doel van dit deel onderzoek (als onderdeel van de onderzoekslijn 'Bevlogen in beroep') is in beeld te brengen hoe aios voor de verschillende medische vervolgopleidingen in het LUMC/de OOR Leiden worden geselecteerd en welke varianten daarin mogelijk te onderscheiden zijn.

Methode/opzet

Ons onderzoek is explorerend van aard. Alle opleiders van de 26 opleidingen die vanuit het LUMC/de OOR Leiden worden aangeboden, zijn in semi-gestructureerde interviews bevraagd op de huidige wijze van selectie, hun tevredenheid hierover plus eventuele wensen voor verbetering. Ook is gevraagd naar gegevens over uitval in de laatste vijf jaar.

Resultaten/ervaringen

Het merendeel van de interviews is afgerond en de resultaten hiervan zijn gecodeerd. De laatste interviews zijn gepland in mei. Zodra de dataset compleet is, zullen we op basis van analyse hiervan tot varianten in de gehanteerde selectiemethoden komen. Vooralsnog lijkt de combinatie van een brief, gevolgd door een gesprek een veelvoorkomende variant, waarbij de samenstelling van de selectie- en sollicitatiecommissie en de criteria (als die er al zijn) waarop gelet wordt, tussen opleidingen kan verschillen. De voorlopige data bevestigen in elk geval het beeld van een grote variatie in selectiemethoden.

Discussie (implicaties voor de praktijk)

Inzicht in de huidige selectiemethoden in één UMC/OOR is waarschijnlijk niet alleen interessant voor collega’s uit andere UMC’s/OOR’s, maar kan ook een eerste stap zijn op weg naar verdere onderbouwing van dit beeld in andere OOR’s. Uiteindelijk is het doel te komen een adequate(re) selectie van aios in de toekomst, als onderdeel van het streven naar 'de juiste persoon op de juiste plek', in de vervolgopleidingen en daarna. Mogelijk zijn de uitkomsten ook van belang in het licht van selectie van kandidaten voor het Schakeljaar.

Literatuur

Capaciteitsplan 2013. Capaciteitsorgaan. Utrecht maart 2013.
Trefwoorden: Education management: Selection of students/trainees, Students/Trainees: Career choice, Assessment: General

Wijze van presentatie: Poster


Correspondentieadres:

S.I. Velthuis

LUMC

Postbus 9600



2300 RC LEIDEN
E-mail: s.i.velthuis@lumc.nl

C13 / Zaal 401

Fringe: Zen meditatie


In deze Fringe willen we deelnemers laten ervaren wat Zen meditatie inhoudt. Veel mensen hebben in onze hectische maatschappij moeite met hun aandacht en vinden het moeilijk om goed om te gaan met alle eisen die werk, privé of opleiding aan ons stellen.

In zen staat het trainen van aandacht centraal. Hierdoor zijn we in staat ons optimaal te ontwikkelen. Zen meditatie beoefenen is het werken aan je mentale conditie. Het doel is beter in staat te zijn te denken wat je wilt denken, te doen wat je wilt doen en te voelen wat je wilt voelen. Zodoende draagt zen bij aan het ontwikkelen van duurzaam geluk van zoveel mogelijk mensen.

Zen vindt zijn oorsprong in het boeddhisme. Via China, in de 5e eeuw, heeft Zen in de 12e eeuw de oversteek gemaakt naar Japan, en in de afgelopen decennia ook naar de westerse wereld. Zen is levenskunst in de praktijk.

Het zelf ervaren van de meditatie staat centraal in deze workshop. Daarnaast zullen we enkele kernbegrippen van zen bespreken en bediscussiëren, als ondersteuning van de oefening.

Om deel te nemen aan deze Fringe is geen ervaring met meditatie nodig. Wel wordt er van de deelnemers verwacht dat ze open staan om de oefeningen mee te doen en de stilte te ervaren.
Workshop NVMO: Zen meditatie

Leraren: Floor Rikken, Sietze Graafsma, Peter van Beukelen

Duur: 5 kwartier

Aantal deelnemers: max. 50



C14 / Zaal 402
Competentiegericht toetsen en beoordelen met behulp van een elektronisch portfolio: van droom naar daad
Feenstra EE1, Scholten IMA1, Smabers R2, Smeenk R2

1UMC Groningen, 2Parantion
Thema

Het competentiegerichte opleiden binnen medische curricula maakt veel gebruik van portfolio’s waarin de groei in competenties zichtbaar wordt gemaakt. Een manier om deze groei zichtbaar te maken is middels vele korte toetsmomenten die een formatieve en summatieve beoordeling ondersteunen. Wanneer meerdere beoordelaars over langere tijd, middels korte klinische beoordelingen, bijdragen aan dit portfolio is er een meerwaarde te halen in het gebruik van een digitaal e-portfolio. De overgang naar een digitaal toets-systeem kan gezien worden als een herontwerp van het toetssysteem dat fundamentele vragen stelt aan de manier waarop getoetst wordt en de informatie die daarvoor nodig is.

Doel

Het doel van de workshop is om inzicht te geven in het traject van beoordelen op basis van verrichtingen naar een gedigitaliseerd competentiegericht toets- en beoordelingssysteem. Als praktijkvoorbeeld fungeert de overgang naar een digitaal e-portfolio in de masteropleiding tandheelkunde aan het UMCG. Deze opleiding is in 2012 overgegaan naar een competentiegericht beoordelingssysteem. In 2013 is dit beoordelingssysteem gedigitaliseerd met behulp van Scorion. De belangrijkste reden voor het digitaliseren was om zowel docent als student een goed inzicht te bieden in de groei in de competenties terwijl het aantal toetsmomenten en beoordelaars vergroot is. Beide implementaties zijn succesvol geweest. In de workshop laten we zien dat het digitaliseren van een toetssysteem te zien is als een uiterst kritische beschouwing waarin fundamentele vragen gesteld en beantwoord moeten worden over het toets-systeem en die ook de kwaliteit van het toets-systeem kunnen verbeteren. Deze vragen gaan ook over de grenzen van het meten van competenties in een omgeving die voor een deel sterk gericht is op klinische verrichtingen. Het proces en de vragen worden verkend vanuit de opleiding Tandheelkunde maar zijn toepasbaar op diverse klinische omgevingen waarin competenties middels het uitvoeren van verrichtingen worden ontwikkeld en getoetst.



Doelgroep

Examinatoren en coördinatoren van onderwijs aan medische faculteiten,



Opzet: Interactieve presentatie van de ontwikkeling van het digitaal beoordelingssysteem van de master- en bacheloropleiding Tandheelkunde UMCG. De deelnemers nemen actief deel aan de vertaling van enkele beoordelingsformulieren in digitale versies daarvan en ontwerpen een manier waarop de groei in competenties inzichtelijk kan worden gemaakt. Deze vertaalslagen zijn exemplarisch voor de vragen die opkomen bij het inrichten van een digitaal beoordelingssysteem. Centraal in de workshop staat steeds de onderwijskundige meerwaarde van gedigitaliseerd competentiegericht toetsen.

Maximum aantal deelnemers: 30


Trefwoorden: Assessment: Clinical assessment, Assessment: Computer-based assessment, Curriculum: Outcome/competency-based

Wijze van presentatie: Workshop


Correspondentieadres:

E.E. Feenstra

UMC Groningen

CTM


Ant Deusinglaan 1

9713AV GRONINGEN

E-mail: e.e.feenstra@umcg.nl

1   ...   10   11   12   13   14   15   16   17   ...   24

  • C12.2 / Lamoraalzaal
  • C12.3 / Lamoraalzaal
  • C12.4 / Lamoraalzaal
  • C12.5 / Lamoraalzaal
  • C12.6 / Lamoraalzaal
  • C13 / Zaal 401
  • C14 / Zaal 402

  • Dovnload 1.15 Mb.