Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Opening congres door dr. Hanke Dekker, hoofdorganisator nvmo congres 2014 10. 10-10. 40 en prof dr. Janke Cohen-Schotanus, voorzitter nvmo 10. 40-10. 45 Welkomstwoord

Dovnload 1.15 Mb.

Opening congres door dr. Hanke Dekker, hoofdorganisator nvmo congres 2014 10. 10-10. 40 en prof dr. Janke Cohen-Schotanus, voorzitter nvmo 10. 40-10. 45 Welkomstwoord



Pagina15/24
Datum04.04.2017
Grootte1.15 Mb.

Dovnload 1.15 Mb.
1   ...   11   12   13   14   15   16   17   18   ...   24

C15 / Zaal 403
Leren in interactie met patiënten en zorgprofessionals met behulp van nieuwe onderwijsvormen in het extramurale coschap
Jong MH de1, Otto SJ2, Cuisinier M3, Soethout MBM4, Muyselaar-Jellema JZ1

1LUMC, 2Erasmus universiteit, 3Radboud UMC, 4VU medisch centrum
Thema

De omgeving waarin artsen werken is de laatste jaren sterk veranderd. De patiënt in zijn omgeving staat meer centraal en de zorg wordt door meer zorgdisciplines gegeven. Op basis hiervan heeft de visitatiecommissie aanbevolen dat studenten sterker bij het primaire proces van de zorg voor patiënten betrokken moeten worden. Door longitudinale zorgrelaties zou de student kunnen leren van interactie met de patiënt en het team dat verantwoordelijk is voor de zorg van de patiënt. Ook moeten studenten meer getraind worden in interprofessionele samenwerking. Door al tijdens de masterfase te leren werken in interactie met professionals uit verschillende disciplines, zal hij / zij als arts beter voorbereid de uitdagingen in de gezondheidszorg aankunnen.

De huidige onderwijsherziening in veel faculteiten biedt een mooie kans om het onderwijs aan te passen aan de veranderde werkomgeving voor artsen. Het extramuraal coschap biedt een uitstekende leeromgeving voor het opdoen van ervaring in de interactie met zowel patiënten als zorgprofessionals . Het extramuraal coschap bestaat uit de disciplines buiten de kliniek: huisartsgeneeskunde, sociale geneeskunde, ouderengeneeskunde en geneeskunde voor mensen met verstandelijke beperkingen.

Daarnaast bestaat bij de onderwijs coördinatoren van de extramurale coschappen van de diverse UMC’s behoefte aan vernieuwende werkvormen op het gebied van leren in interactie met de patiënt en leren in interactie met professionals uit verschillende disciplines.

Hoewel elke universiteit een andere opbouw van de masterfase heeft zijn er wel gemeenschappelijke aandachtspunten waardoor het uitwisselen van ervaringen over de ontwikkeling van een nieuw extramuraal coschap tot beter onderwijs kan leiden op alle faculteiten.

Doel


Ontwikkelen van multidisciplinaire onderwijsvormen rond een tweetal thema’s: ‘patiënt georiënteerde geneeskunde’ ( leren in interactie met patiënten) en ‘wijkgerichte onderzoeksprojecten’ ( leren in interactie met professionals in de zorg).

Doelgroep

Docenten van de afdelingen Sociale Geneeskunde, Ouderengeneeskunde, Huisartsgeneeskunde en Geneeskunde voor Verstandelijk Gehandicapten en studenten van de verschillende UMC’s die betrokken zijn bij (het ontwikkelen van) onderwijs voor de extramurale coschappen.

Opzet


Eerst zullen enkele voorbeelden van bestaand onderwijs worden gepresenteerd op het gebied van de patiënt georiënteerde geneeskunde en wijkgerichte onderzoeksprojecten die zich lenen voor multidisciplinair onderwijs. Daarna gaan de deelnemers uit zoveel mogelijk verschillende disciplines en studenten in kleine groepjes multidisciplinaire onderwijsvormen uitwerken die aansluiten bij de twee thema’s.

Opbrengst

Vernieuwende ideeën over onderwijsvormen tijdens de extramurale coschap waarbij leren in interactie met de patiënt (patiënt georiënteerde geneeskunde) en leren in interactie met professionals uit verschillende disciplines (adhv wijkgerichte onderzoeksprojecten) de basis vormen.

Maximum aantal deelnemers: 35


Trefwoorden: Curriculum: Inter-professional, 65. Medical education: CPD, Teaching & learning: Study skills Teaching & learning: Team-based learning

Wijze van presentatie: Workshop


Correspondentieadres:

M.H. de Jong

LUMC

PHEG


Postbus 9600

2300 RC LEIDEN

E-mail: mariekehdejong@gmail.com

18.45-19.30 Borrel

Lounge 1 en 2
19.30-21.30 Diner

Zuiderduinzaal


21.30-01.00 Feest

The Ritz
VRIJDAG 7 NOVEMBER 2014


07.30-09.15 ONTVANGST MET KOFFIE EN THEE
08.00-09.00 Algemene ledenvergadering NVMO

Zaal 525
09.15-10.15 Debat over de zin en onzin van leren in interactie

Zuiderduinzaal Prof.dr. Henk Schmidt, Erasmus MC, Prof.dr. T. Wubbels, Universiteit Utrecht,
Dr. Nynke van Dijk, moderator, AMC

10.15-10.45 WISSELPAUZE MET KOFFIE EN THEE


10.45-12.00 Blok D
D1.1 / Zaal 522
De beoordeling beoordeeld: nadelen van checklists in de beoordeling van vaardigheden acute zorg
Dankbaar MEW1, Stegers-Jager M1, Baarveld F2, Merrienboer JG van3, Norman R4, Rutten L2, Saase LCM van1, Schuit CE1

1Erasmus MC, 2SBOH Trainingsinstituten Huisartsen, 3Maastricht Universiteit, 4Mc Master University
Probleemstelling

Wereldwijd volgen elk jaar ruim 1.5 miljoen zorgprofessionals trainingen in de gestandaardiseerde aanpak in de opvang van acuut zieke patiënten . Ondanks grote aantallen deelnemers bij deze gecertificeerde trainingen, het grote belang ervan voor patiëntveiligheid en de hoge kosten, bestaat er weinig onderzoek naar de kwaliteit van de beoordeling bij deze trainingen. In Nederland zijn dergelijke trainingen sinds 2009 verplicht voor al het personeel dat werkt op de Spoed Eisende Hulp.

Onderzoeksvraag: Wat is de validiteit en betrouwbaarheid van veelgebruikte beoordelingsformats in de beoordeling van vaardigheden acute zorg?

Methode


144 Huisartsen in opleiding werden aan het einde van een 2-weekse training acute zorg door 1 van 12 getrainde en ervaren docenten beoordeeld aan de hand van een scenario met een simulatiepatiënt. Van een representatieve subgroep van 13 AIOS werd de beoordeling opgenomen op video en later beoordeeld door 5 docenten. Het beoordelingsinstrument bestond uit een checklist met scenariospecifieke beslispunten (ja/nee), een 9-item competentielijst (7-pt. schaal, 7=excellent), en een globale beoordeling (cijfer 1-10). Deze wijze van beoordelen (een scenario met 1 tot2 beoordelaars) wordt internationaal veel gebruikt bij dergelijke trainingen. De validiteit en betrouwbaarheid van het beoordelingsinstrument werd geanalyseerd door middel van een factoranalyse, interne consistentie analyse (Cronbach’s alpha), interrater agreement a.h.v. Intra Class Correlation (ICC), generaliseerbaarheidsstudie en analyse relaties tussen variabelen (Pearson’s r).

Resultaten


De checklist had een beperkte validiteit en lage interrater betrouwbaarheid (ICC=.21). De competentie-lijst had een goede construct validiteit, bestaande uit een klinisch deel (6 items) en een communicatie deel (3 items). De interne consistentie van de (sub)schalen was goed (α=.93/.91/.86). The interrater betrouwbaarheid was matig voor het klinische deel (.40), en slecht voor het communicatie deel van de competentielijst (.24), en matig-slecht voor de globale beoordeling (.35). De generaliseerbaarheidstudie wees uit dat voor een betrouwbare beoordeling tien beoordelaars nodig zijn bij gebruik van de checklist, zes bij het klinische deel van de competentielijst, en zeven bij de globale beoordeling.

Conclusie: deze studie laat een lage betrouwbaarheid zien van checklists bij de beoordeling van vaardigheden acute zorg, en een matig-goede validiteit en matige betrouwbaarheid van de klinisch gerichte competentielijst. Meer beoordelaars kunnen de betrouwbaarheid aanzienlijk verhogen. Discussie


Op het eerste gezicht is het contra-intuïtief dat checklists, met waarneembare beslispunten, bij de beoordeling van vaardigheden een lagere betrouwbaarheid laten zien dan competentielijsten. Deze resultaten zijn echter consistent met studies uit andere domeinen(1). De kwaliteit van de beoordeling wordt beter bij gebruik van klinische competentielijsten en meerdere beoordelaars. Een aandachtspunt is het gebruik van een enkel scenario; vervolgonderzoek dient uit te wijzen of meerdere scenario’s leiden tot een betere betrouwbaarheid en validiteit van deze ‘high stake’ vaardigheid.
Referentie

1. Wass V, Vleuten C van der, Shatzer J, Jones R. Medical education quartet. Assessment of clinical competence. 2001;357:945–9.


Trefwoorden: Assessment: Clinical assessment, Assessment: Psychometrics, Assessment: General

Wijze van presentatie: Wetenschappelijke paper


Correspondentieadres:

M.E.W. Dankbaar

Erasmus MC

Desiderius School

Postbus 2040

3000 CA ROTTERDAM

E-mail: m.dankbaar@erasmusmc.nl

D1.2 / Zaal 522
It's all in the game: effectiviteit van een serious game voor de ontwikkeling van vaardigheden acute zorg bij AIOS
Dankbaar MEW1, Bakhuysroozeboom M2, Merriënboer JG van3, Rutten L4, Saase LCM van1, Schuit CE1

1Erasmus MC, 2TNO, 3Maastricht Universiteit, 4SBOH Trainingsinstituten Huisartsen
Probleemstelling

De vaardigheid om acuut zieke patiënten te beoordelen en stabiliseren is kritisch voor patiëntveiligheid en een wezenlijk onderdeel van de medische opleidingen. Toenemende eisen aan competenties van dokters maken het noodzakelijk te komen tot efficiente trainingsmethoden; serious games lijken mogelijkheden hiertoe te bieden. We hebben een serious game ontwikkeld voor de acute zorg (abcdeSIM), waarin huisartsen in opleiding (AIOS-H) in een realistische Spoed Eisende Hulp afdeling virtuele, zieke patiënten behandelen. De verwachtingen van serious games met betrekking tot het op een effectieve wijze trainen van vaardigheden zijn hoog; er is echter meer effectiviteitsonderzoek gewenst (1).

Onderzoeksvraag: in welke mate leidt de abcdeSIM game tot een hoger niveau van vaardigheid ‘acute zorg’ bij AIOS-H, wanneer deze voorafgaand aan een face-to-face training wordt ingezet?

Methode


In een quasi-experimenteel design met AIOS-H, die als voorbereiding van hun stage op de spoedeisende hulp een training acute zorg volgden, kreeg een controle groep (n=71) studiemateriaal, gevolgd door een tweeweekse face-to-face (f2f) training; een interventiegroep (n=142) kreeg daarnaast de abcdeSIM vóór dezelfde training. Vaardigheden van beide groepen werden beoordeeld a.d.h.v. een scenario assessment; vóór de training bij een subgroep van de controlegroep (n=18) en van de interventiegroep (n=24) en aan het einde van de training (n=213). Het gevalideerde beoordelingsinstrument bestond uit een klinische en communicatieve competentielijst en een globaal eindoordeel. Scores werden vergeleken met een onafhankelijke t-test. Spelers evalueerden de game en gamedata werd geanalyseerd.

Resultaten

Na de game, voor de f2f-training, deed de interventiegroep het beter op de klinische competentie-beoordeling dan de controlegroep (7-pt.schaal; M=4.3/3.5, p<.05, Cohen’s d=.62). De communicatieve beoordeling (M=4.9/4.7, p>.5) en het globale eindoordeel (M=5.0/4.9, p>.5) verschilde niet bij beide groepen. De groepen waren vergelijkbaar op relevante kenmerken. Aan het einde van de tweeweekse f2f training had de interventiegroep niet langer een hoger klinisch competentieniveau dan de controle-groep. Evaluaties van de game waren positief (M=3.9 op 5 pt. scale, 5=zeer positief). Gemiddelde speelduur was ca. 2.5 uur; langer spelen hing samen met een hogere gamescore (r=.49, p=.000).

Conclusie: de abcdeSIM game leidt bij een investering van 2.5 uur spelen, als voorbereiding op de f2f training, tot een aantoonbaar hoger klinisch vaardigheidsniveau in de behandeling van acuut zieke patiënten, met een medium-large effect size. Na 2 weken f2f-training is deze voorspong verdwenen.

Discussie

Dit onderzoek laat zien dat een realistische game waarin kan worden geoefend met virtuele patiënten leidt tot een hoger klinisch vaardigheidsniveau bij een scenario examen dan alleen het bestuderen van studie-materiaal. Dit resultaat komt overeen met onderzoek naar simulatieprogramma’s (2). Verder onderzoek zal moeten uitwijzen welke rol gamekenmerken hierbij spelen en hoe het effect van de interventie in relatie tot de f2f-training duurzaam kan worden.

Referenties

1. Akl E a, Pretorius RW, Sackett K, Erdley WS, Bhoopathi PS, Alfarah Z, et al. The effect of educational games on medical students’ learning outcomes: a systematic review: BEME Guide No 14. Med Teach. 2010 Jan;32(1):16–27.

2. Cook, DA, Hatala, R, Brydges, R, Zendejas, B, Jason, H, Szostek, Wang, Amy T, Erwin, Patricia J SJH. Technology-Enhanced Simulation for Health Professions Education; A systematic review and meta-analysis. JAMA. 2011;55905(September):978–88.
Trefwoorden: Teaching & learning: Games, Learning outcomes: Clinical and practical skills, Teaching & learning: Blended learning

Wijze van presentatie: Wetenschappelijke paper


Correspondentieadres:

M.E.W. Dankbaar

Erasmus MC

Desiderius School

Postbus 2040

3000 CA ROTTERDAM

E-mail: m.dankbaar@erasmusmc.nl

D1.3 / Zaal 522
De rol van cognitieve vaardigheden en ervaring bij het leren van basis navigatie vaardigheden in endovasculaire chirurgie
Groenier M1, Sippel I1, Geelkerken RH2, Wilhelm P1, Schraagen JMC1

1Universiteit Twente, 2Medisch Spectrum Twente
Probleemstelling

Het aanleren van minimaal invasieve chirurgische ingrepen verschilt van het leren van open ingrepen. Een eerdere studie toonde de invloed aan van ruimtelijk inzicht en psychomotoriek op de leercurve van novices voor stentplaatsing 1. Echter, het is onduidelijk in welke mate ruimtelijk inzicht en andere cognitieve vaardigheden een rol spelen naarmate de ervaring toeneemt of dat deze alleen van belang zijn in de beginfase van het leerproces 2,3. In het huidige onderzoek wordt verder onderzocht in hoeverre cognitieve vaardigheden samenhangen met ervaring bij het navigeren in een endovasculaire simulator.

Methode

32 deelnemers deden mee waarvan 17 deelnemers geen enkele ervaring hadden en 15 deelnemers wel (2 - 150 endovasculaire procedures). Cognitieve functietests werden op een computer afgenomen: de Mental Rotation Test, de Paper Folding test en de Rotating Shapes test voor ruimtelijk inzicht, de Corsi Block Tapping Test voor ruimtelijk geheugen, de Identical Pictures test voor informatieverwerkingssnelheid en de PicSOr test voor perceptueel vermogen. De deelnemers voerden daarna een navigatie taak uit op een endovasculaire simulator (ANGIO mentor, Simbionix) waarbij zij een voerdraad katheter combinatie via de lies opvoerden in de linker nierarterie. De uitkomstmaat is het aantal pogingen die de deelnemers nodig hadden totdat ze een van te voren gedefinieerd niveau behaald hadden. Een hiërarchische regressie analyse is uitgevoerd met het aantal pogingen als afhankelijke variabele en de scores op cognitieve functietests (blok 1) en het aantal endovasculaire procedures (blok 2) als voorspellers.

Resultaten

Twee deelnemers zijn uitgevallen omdat de score op de PicSOr test ontbrak. De overige deelnemers hadden tussen de 1 en 5 pogingen nodig om het vereiste niveau te behalen. De cognitieve functietests tezamen waren geen significante voorspellers van het aantal pogingen (R2=.147, F for change in R2=1.075, p=.390). De cognitieve functietests en het aantal endovasculaire procedures samen voorspelden wel significant het aantal pogingen (R2=.295, F for change in R2=5.026, p=.034), waarbij het aantal endovasculaire procedures de enige significante voorspeller was (β=-.392, t=-2.242, p=.034). Hoe meer endovasculaire procedures een deelnemer uitgevoerd had, hoe minder pogingen er nodig waren.

Discussie

Deze studie bevestigt eerdere bevindingen van Wanzel et al. 3 die aantoonden dat ervaring uiteindelijk een grotere rol speelt dan aangeboren cognitieve vaardigheden. In tegenstelling tot eerder onderzoek, werd in de huidige studie geen relatie gevonden met de duur van de training. Dit komt mogelijk doordat de taak in de huidige studie minder complex was. Gezien de wisselende uitkomsten is het gebruik van cognitieve vaardigheden tests voor training en selectie van chirurgen twijfelachtig.

Referenties

1 Van Herzeele I, O’Donoghue KGL, Aggarwal R, Vermassen F, Darzi A, Cheshire NJW. Visuospatial and psychomotor aptitude predicts endovascular performance of inexperienced individuals on a virtual reality simulator. J Vasc Surg 2010; 51: 1035-42.

2 Keehner M, Lippa Y, Montello DR, Tendick F, Hegarty M. Learning a spatial skill for surgery: How the contributions of abilities change with practice. Appl Cognit Psychol; 20: 487-503.

3 Wanzel KR, Hamstra SJ, Caminiti MF, Anastakis DJ, Grober ED, Reznick RK. Visual-spatial ability correlates with efficiency of hand motion and successful surgical performance. Surgery 2003; 134: 750-7.
Trefwoorden: Assessment: Psychometrics,. Assessment: Computer-based assessment, Learning outcomes: Clinical and practical skills

Wijze van presentatie: Wetenschappelijke paper


Correspondentieadres:

M. Groenier

Universiteit Twente

Technische Geneeskunde

Drienerlolaan 5

7521 NB ENSCHEDE

E-mail: m.groenier@utwente.nl

D1.4 / Zaal 522
De rol van ruimtelijk inzicht en psychomotore vaardigheden bij het aanleren van minimaal invasieve procedures
Luursema J-M1, Chaudry M2, Rovers MM1, Stassen L2, Goor H van1

1Radboud UMC, 2MUMC
Probleemstelling

De rol van individuele verschillen in leer- en trainingsprocessen vormen een centraal onderdeel van het streven naar adaptief en geindividualiseerd onderwijs. In het post-academische vaardigheidsonderwijs worden cognitieve vaardigheden als ruimtelijk inzicht en psychomotore vaardigheid voor het eerst aangesproken na de academische fase van de studie Geneeskunde. Uit eerder onderzoek blijkt dat met name ruimtelijk inzicht een rol speelt in de uitvoering van chirurgische procedures. Echter, zowel ruimtelijk inzicht als psychomotore vaardigheid zijn constructen die worden afgeleid uit tests die deelaspecten van deze vaardigheden meten. Met deze literatuurstudie willen wij onderzoeken welke deelaspecten van ruimtelijk inzicht en psychomotore vaardigheid samenhangen met de kwaliteit van chirurgisch handelen.

Methode

Een gestructureerde zoekopdracht werd uitgevoerd in de PubMed en Web of Science databases. De volgende zoektermen werden gebruikt: {visuospatial (title/abstract) OR visual-spatial (title/abstract) OR spatial ability (title/abstract) OR psychomotor ability (title/abstract)} AND {Surgery (title/abstract) OR Endoscopy (title/abstract)}. Twee reviewers beoordeelden de titels en abstracts. Uitsluitend onderzoeksstudies waarin gekwantificeerde ruimtelijke en psychomotore vaardigheden van klinici werden vergeleken met gekwantificeerde technische vaardigheden werden behouden. Op een subset van deze selectie (studies die correlaties rapporteren) werd een exploratieve meta-analyse uitgevoerd. In deze meta-analyse werden de verschillende cognitieve vaardigheidsfactoren afgezet tegen de volgende prestatiematen: 1. getrouwheidsfactoren zoals basic skills training of ok prestatie; 2. aspecten van de technische vaardigheden zoals schade of tijdsduur; 3. professionele ervaring van de deelnemers; 4. type vaardigheid, bijvoorbeeld laparoscopie of microchirurgie.



Resultaten

Van de 1341 geïdentificeerde studies werden 77 studies geïncludeerd, waarvan 34 werden meegenomen in de meta-analyse. Interrater betrouwbaarheid was goed, met een kappa van 0.61.

De factoren 'Visualization' (een ruimtelijk inzichts factor) en 'Finger dexterity' (een psychomotore vaardigheids factor) lijken sterker samen te hangen met technische chirurgische vaardigheden dan andere factoren, maar deze andere factoren zijn veel minder uitgebreid onderzocht. Minimaal invasieve vaardigheden laten een sterkere samenhang zien met de onderzochte cognitieve vaardigheden dan andere chirurgische technische vaardigheden. Binnen de minimaal invasieve vaardigheden maakt het type taak niet uit. Uitkomstmaten voor schade en tijdsduur hangen het sterkst samen met cognitieve vaardigheden, maten voor leerwinst en bewegingsefficientie het minste. De samenhang tussen cognitieve vaardigheden en chirurgische technische vaardigheden is onafhankelijk van professionele ervaring. De methodologische kwaliteit van de onderzochte studies is wisselend.

Discussie

Zowel psychomotore vaardigheid als ruimtelijk inzicht hangen positief samen met verschillende indicatoren van chirurgische prestatie, onafhankelijk van professionele ervaring. Dit is in tegenspraak met trainingsmodellen zoals Ericsson's 'Deliberate Pratice' model die ervan uitgaan dat met motivatie en door zelfreflectie gevoede trainingsmethodes voor iedere professional een gelijksoortig prestatieniveau valt te behalen. Dit zou kunnen betekenen dat het zinvol is om te selecteren op cognitieve vaardigheden zoals ruimtelijk inzicht of psychomotore vaardigheid aan het begin van de assistentschappen voor de snijdende specialismen. Alternatief zou het goed zijn al tijdens de academische fase van de geneeskunde studie meer aandacht te besteden aan klinische vaardigheden waar ruimtelijk inzicht en psychomotore vaardigheid belangrijk voor zijn waardoor de student eerder gelegenheid krijgt tot reflectie op de eigen mogelijkheden en interesses op dit gebied. Beter gecontroleerde studies, en studies die variabelen zoals 'niveau van ruimtelijke complexiteit' onderzoeken zijn nodig om dit verder uit te werken.
Trefwoorden: Assessment: Psychometrics, Education management: Selection of students/trainees, Medical education: Postgraduate education

Wijze van presentatie: Wetenschappelijke paper


Correspondentieadres:

J-M. Luursema

Radboud UMC

Heelkunde, Postbus 9101

6500 HB NIJMEGEN, E-mail: jan-maarten.luursema@radboudumc.nl
D2.1 / Zaal 525
Zelfregulerend leren tijdens de coschappen, bij studenten uit een PGO en een meer traditioneel curriculum
Berkhout JJ1, Helmich E1, Teunissen PW2, Berg JW van den1, Vleuten CPM van der2, Jaarsma ADC1

1Academisch Medisch Centrum, Universiteit van Amsterdam, 2Universiteit Maastrich


Introductie
Studenten ervaren veelal een grote overgang wanneer zij de coschappen in gaan, omdat verwacht wordt dat zij hun leren daar (meer) autonoom reguleren. In de klinische fase is het essentieel om zelfregulerend te leren. Hierbij is het belangrijk dat de omgeving dit ondersteunt.1 Het ondersteunen hiervan is echter lastig omdat het een complex interactief proces betreft.2 Er is weinig bekend over het reguleren van leeractiviteiten in de klinische praktijk, waarbij coassistenten vaak maar kort op een werkplek aanwezig zijn en daardoor moeilijk onderdeel van een team worden. Dit leidde tot de onderzoeksvraag: welke activiteiten ondernemen coassistenten om zoveel mogelijk te leren en welke factoren werken ondersteunend of belemmerend hierbij?

Methode
Om recht te doen aan de sociale en culturele context waarin een coassistent het leren ervaart, hebben we met een constructivistische epistemologie iteratief data verzameld, geanalyseerd en geïnterpreteerd. De interviews werden verbatim getranscribeerd en geanalyseerd middels template analysis, waarbij het initiële template was gebaseerd op de 3 fases van de zelfregulatie cyclus.2 De deelnemers zijn geselecteerd middels purposefull sampling om een grote variatie in leeftijd, bachelor curriculum en huidig coschap te bewerkstelligen. De deelnemers vulden een dagreconstructie in om hen te helpen alle activiteiten en gedachten van de dag te herinneren, dit werd vervolgens gebruikt als startpunt van het interview. We hebben 17 semigestructureerde interviews gehouden bij coassistenten afkomstig van twee universiteiten, één PGO en één meer traditioneel, hiermee was saturatie bereikt.

Resultaten
Studenten ondernamen een breed scala aan activiteiten om te leren, mede afhankelijk van het doel dat ze nastreefden. Dit doel kon zowel een eigen doel, als een extern doel gesteld door de supervisor of het curriculum zijn. Activiteiten waarbij studenten autonomie ervaren en die ondernomen werden om eigen doelen na te streven leidden tot positiever gepercipieerde uitkomsten dan activiteiten waarbij dat niet zo was. De keuze in leeractiviteiten werd, naast het doel, en ervaren autonomie, beïnvloed door de ervaren mogelijkheden en de verwachte uitkomst van een activiteit.

De studenten uit het probleemgestuurde curriculum leken meer bezig te zijn met externe doelen dan studenten uit het meer traditionele curriculum. Daarnaast leken zij meer strategieën beschikbaar te hebben om te leren in de kliniek en meer inzicht te hebben in hun eigen leerproces, wat tot positiever gepercipieerde uitkomsten leidde.

Discussie en conclusie
Coassistenten beschreven geen duidelijk cyclisch proces zoals beschreven in de theorie van Zimmerman2, maar een complex interactief proces van strategieën en leeractiviteiten. Het werken aan eigen doelen en een gevoel van autonomie kan dit proces ondersteunen. De verschillen tussen de studenten van de twee universiteiten worden mogelijk verklaard door het zelfsturende, samenwerkende karakter in het PGO curriculum, en de verplichte portfolio’s. Het zou interessant zijn als toekomstig onderzoek zich richt op de ontwikkeling van zelfregulerend leren competenties binnen studenten.

Referenties

1. Brydges, R. & Butler, D. A reflective analysis of medical education research on self-regulation in learning and practice. Med. Educ. 46, 71–9 (2012).

2. Zimmerman, B. J. Becoming a Self-Regulated Learner: An Overview. Theory Pract. 41, 64–70 (2002).


Trefwoorden: Teaching & learning: Clinical context, Medical education: Undergraduate education, Curriculum: Problem-based

Wijze van presentatie: Wetenschappelijke paper


Correspondentieadres:

J.J. Berkhout

Academisch Medisch Centrum

Center for Evidence-Based Education

Meibergdreef 9

1105AZ AMSTERDAM

E-mail: j.j.berkhout@amc.uva.nl

1   ...   11   12   13   14   15   16   17   18   ...   24

  • Blok D D1.1 / Zaal 522
  • D1.2 / Zaal 522
  • D1.3 / Zaal 522
  • D2.1 / Zaal 525

  • Dovnload 1.15 Mb.