Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Opening congres door dr. Hanke Dekker, hoofdorganisator nvmo congres 2014 10. 10-10. 40 en prof dr. Janke Cohen-Schotanus, voorzitter nvmo 10. 40-10. 45 Welkomstwoord

Dovnload 1.15 Mb.

Opening congres door dr. Hanke Dekker, hoofdorganisator nvmo congres 2014 10. 10-10. 40 en prof dr. Janke Cohen-Schotanus, voorzitter nvmo 10. 40-10. 45 Welkomstwoord



Pagina16/24
Datum04.04.2017
Grootte1.15 Mb.

Dovnload 1.15 Mb.
1   ...   12   13   14   15   16   17   18   19   ...   24

D2.2 / Zaal 525
De betekenis van peers in de coschappen: een kwalitatief onderzoek naar sociale vergelijking
Raat AN1, Dornan T2, Kuks JBM1, Cohen-Schotanus J1

1UMC Groningen, 2Universiteit Maastricht
Probleemstelling

In de klinische praktijk leren coassistenten van degenen die hen omgeven zoals artsen, assistenten en patiënten. In deze community of practice1 is de rol van peers relatief onbekend. Experimenteel onderzoek heeft aangetoond dat coassistenten zich vaak met elkaar vergelijken en dat deze vergelijkingen van invloed zijn op de professionele ontwikkeling, zowel positief als negatief.2 Om te onderzoeken hoe het proces van vergelijken daadwerkelijk plaatsvindt, hebben we een kwalitatief onderzoek uitgevoerd in de praktijk van de coschappen, met als onderzoeksvragen: 1) waar gaan de vergelijkingen over, 2) wat zijn de ervaren effecten van deze vergelijkingen, en 3) welke factoren beïnvloeden deze effecten.

Methode

Eerstejaars coassistenten zijn tijdens een onderwijssessie uitgenodigd om in deze studie te participeren. Aan de 12 deelnemers (6M, 6V) is gevraagd om hun vergelijkingen gedurende vier weken op te nemen, waarvan twee weken voor gewenning en twee weken voor onderzoek. ANR heeft alle geluidsfragmenten beluisterd, en waar nodig aanvullende vragen gesteld. Vervolgens zijn de fragmenten getranscribeerd en geanalyseerd volgens constructivist grounded theory, aangevuld met inzichten vanuit social comparison theory. ANR heeft alle transcripten gelezen, herlezen en gecodeerd (open). Op basis hiervan is een voorlopig interpretatiemodel ontwikkeld dat uitgebreid is besproken met TD. Vervolgens is de codering (axial en selective) afgerond en hebben de onderzoekers ANR, TD en JCS, overeenkomst bereikt over de resultaten.



Resultaten

Tijdens de twee onderzoeks weken zijn 74 vergelijkingen ingesproken. Deze vergelijkingen gingen over de ontwikkeling tot arts in drie verschillende domeinen: 1) het ‘zelf’, 2) interacties met anderen, en 3) klinische taken en vaardigheden. Als effect van de vergelijkingen werden onder meer bewustwording en bevestiging van de eigen ontwikkeling genoemd: ‘Ik merkte, dat ik veel beter klinisch kan redeneren.. ik heb echt wat geleerd dit jaar’, en motivatie om verder te groeien: ‘Ik ging op mezelf letten, [3DOTS] of ik dat ook beter kon doen’. Negatieve effecten, zoals stress, werden weinig genoemd. Het effect van de vergelijkingen werd beïnvloed door de mate waarin de vergelijkende coassistent zichzelf identificeerde of contrasteerde met de betreffende peer.

Discussie

De uitkomsten van deze studie geven betekenis aan de aanwezigheid van peers in de klinische praktijk. In het traject dat coassistenten in deze praktijk doorlopen om het doel, arts worden, te bereiken, bieden de vergelijkingen met peers inzicht in de eigen voortgang - ‘wat kan ik al wel, wat nog niet’ -, en in de mogelijkheden tot verdere ontwikkeling. Een beter begrip van het veelvuldig vergelijken met peers en van de consequenties daarvan, kan een bijdrage leveren aan actuele sociale leer theorieën en aan het optimaliseren van de praktijk van het klinisch onderwijs.

Referenties

1 Wenger E. Communities of Practice. Learning, Meaning and Identity. Cambridge: Cambridge University Press 1998;3-15.

2 Raat AN, Kuks JBM, van Hell EA, Cohen-Schotanus J. Peer influence on students’ estimates of performance: social comparison in clinical rotations. Med Educ 2013;47:190-7.
Trefwoorden: Research in medical education: General, Teaching & learning: Clinical context, Teaching & learning: Theories of education

Wijze van presentatie: Wetenschappelijke paper


Correspondentieadres:

A.N. Raat

UMC Groningen

CIOMO / OWI

Postbus 196

9700 AD GRONINGEN

E-mail: a.n.raat@umcg.nl
D2.3 / Zaal 525
Big Five persoonlijkheidsfactoren bij geneeskundestudenten: verschillen tussen studenten die zijn toegelaten via 8+, loting en selectie
Schripsema NR, Borleffs JCC, Cohen-Schotanus J

UMC Groningen


Probleemstelling

Studiesucces in de geneeskundeopleiding correleert met persoonlijkheid. Van de Big Five persoonlijkheidsfactoren blijkt Consciëntieusheid de beste voorspeller van studiesucces, maar ook Openheid, Extraversie en Altruïsme blijken belangrijke voorspellers. Neuroticisme blijkt negatief gecorreleerd met studiesucces.[1] Bij gebruik van persoonlijkheidsvragenlijsten tijdens de selectie van geneeskundestudenten wordt geen relatie gevonden met studieprestaties. Dit kan worden verklaard door ‘faking good’-gedrag van kandidaten die bij het invullen bewust hun score op belangrijke persoonlijkheidsfactoren beïnvloeden.[2] Het is mogelijk dat de achtplusregeling, de gewogen loting en decentrale selectie impliciet bepaalde persoonlijkheden bevoordelen. Deze studie richtte zich daarom op de volgende vragen:

1. Zijn de verschillende toelatingsprocedures gerelateerd aan persoonlijkheidsverschillen?

2. Leidt decentrale selectie tot toelating van kandidaten met een passende persoonlijkheid?

Methode

Geïncludeerd werden alle studenten (N=1055) die in 2009, 2010 en 2011 met de Nederlandse bachelor geneeskunde in Groningen begonnen. Testvariabelen waren Neuroticisme, Extraversie, Openheid, Altruïsme en Consciëntieusheid, in het begin van jaar 1 gemeten met de NEO-FFI persoonlijkheidsvragenlijst. ANCOVA-analyses met Bonferroni post-hoc multiple comparison toetsen zijn uitgevoerd voor vier groepen studenten: achtplussers (n=139), decentraal geselecteerden (n=286), studenten die zijn ingeloot na afwijzing in de selectie (n=310) en studenten die zijn ingeloot zonder deelname aan de selectie (n=284). Geslacht werd geïncludeerd als covariaat, aangezien deze variabele sterk gerelateerd is aan persoonlijkheidsscores.



Resultaten

Achtplussers scoorden hoger op Altruïsme dan ingelote studenten die niet hadden deelgenomen aan de decentrale selectie (Mean Difference MD=1.60;SE=0.46;p<0.01). Decentraal geselecteerden scoorden hoger op Extraversie dan alle andere groepen (MD:1.38-2.60;SE:0.42-0.53;p<.01). Ook scoorden zij lager op Neuroticisme (MD=-1.63;SE.57;p<.05) en hoger op Altruïsme dan ingelote studenten die niet hadden deelgenomen aan de decentrale selectie (MD=1.38,SE=0.37;p<0.01). Daarnaast scoorden zij hoger op Consciëntieusheid dan beide groepen ingelote studenten (MD:1.73-3.02;SE:0.47-0.48;p<0.01). Ingelote studenten die niet hadden deelgenomen aan de decentrale selectie scoorden lager op Consciëntieusheid dan alle andere groepen (MD:-1.30-3.02;SE:0.47-0.60;p<0.05).

Discussie

We vonden persoonlijkheidsverschillen tussen studenten die zijn toegelaten via verschillende procedures. Decentraal geselecteerden scoorden het best op persoonlijkheidsfactoren die belangrijk zijn voor studiesucces en ingelote studenten die niet hadden deelgenomen aan de decentrale selectie het minst. Het lijkt erop dat de selectieprocedure effectief is in de selectie van kandidaten met een passende persoonlijkheid. Een verklaring hiervoor is dat de opdrachten en toetsen in de selectieprocedure een beroep doen op bepaalde persoonlijkheidskenmerken. Bij het maken van dergelijke opdrachten moeten studenten daadwerkelijk laten zien wat ze kunnen, waardoor ‘faking good’ aanzienlijk lastiger is dan bij het invullen van een persoonlijkheidstest.[2] Deze resultaten zijn wellicht generaliseerbaar naar andere faculteiten waar de selectieprocedure zich richt op zowel academische als non-academische factoren. Dit zou bevestigd moeten worden in verder onderzoek, bijvoorbeeld in de vorm van een multi-site studie.


Referenties

[1] Doherty EM, Nugent E. Personality factors and medical training: a review of the literature. Med Educ 2011;45(2):132-140

[2] Griffin B, Wilson IG. Faking good: self-enhancement in medical school applicants. Med Educ 2012;46(5):485-490
Trefwoorden: Education management: Selection of students/trainees, Students/Trainees: Characteristics

Wijze van presentatie: Wetenschappelijke paper


Correspondentieadres:

N.R. Schripsema

UMC Groningen

CIOMO, Antonius Deusinglaan 1

9713AV GRONINGEN, E-mail: n.r.schripsema@umcg.nl
D2.4 / Zaal 525
Studiesucces van cognitief versus non-cognitief geselecteerde geneeskundestudenten
Lucieer SM1, Stegers-Jager KM1, Rikers RMJP2, Themmen APN1

1Erasmus MC, 2Erasmus Universiteit
Achtergrond/Probleemstelling

Geneeskundeopleidingen selecteren kandidaten in het algemeen op basis van zowel non-cognitieve als cognitieve criteria. De voorspellende waarde van enkele selectiemethoden is vastgesteld,1 maar een grote beperking in deze studies is het ontbreken van een controlegroep.

In deze studie wordt de bijdrage van non-cognitieve selectie criteria en cognitieve selectie criteria aan studiesucces vergeleken met een controle groep (de ingelote studenten). Hiervoor zijn kandidaten die zich in 2008 hebben aangemeld voor de decentrale selectie, uitsluitend geselecteerd op non-cognitieve criteria, de kwaliteit en kwantiteit van hun CV, en in 2009 uitsluitend op cognitieve criteria, de score op een serie testen.

De hypothese, op basis van eerdere onderzoeken,2,3 is dat geselecteerde studenten academisch succesvoller zijn en minder uitvallen dan ingelote studenten, en specifiek dat cognitief geselecteerden een hoger gemiddeld cijfer en meer ECTS halen terwijl non-cognitief geselecteerden hogere cijfers in de klinische vakken halen.

Methoden

Non-cognitief geselecteerde (2008;N=125), cognitief geselecteerde (2009;N=107) en ingelote studenten (2008-2009;N=395) zijn vergeleken op gemiddeld cijfer van eerstejaars tentamens, aantal ECTS na 1 jaar, nominaal behalen van de bachelor, uitval en cijfers op klinische Bachelor vakken. Vergelijkingen vonden plaats met ANOVA en Chikwadraat testen.

Resultaten

De non-cognitief geselecteerden, cognitief geselecteerden en ingelote studenten verschilden niet van elkaar in gemiddeld eerstejaars cijfer, aantal ECTS na 1 jaar, kans om nominaal de Bachelor te halen en uitval. Wel haalden cognitief geselecteerden een significant hoger gemiddeld cijfer dan ingelote studenten; 7,45 ten opzichte van een 7,21; F (2,575) = 4.92, p = .011, partial η² = .13. Daarnaast maakten meer cognitief geselecteerde studenten dan ingelote studenten deel uit van de groep met de hoogste klinische cijfers (≥8,0; 47,7% versus 28,6%; OR = 2.28; χ2(2) =16.014, p < .001, ES =.16). De ingelote studenten maakten vaker deel uit van de groep met de laagste klinische cijfers dan de non-cognitief geselecteerde studenten (<6,5; 13,7% versus 3,2%; OR = 4.79; χ2(2) = 10.699, p = .005, ES =.13).

Conclusies

In tegenstelling tot eerder onderzoek, verschilde het studiesucces van de non-cognitief geselecteerden, cognitief geselecteerden en ingelote studenten nauwelijks van elkaar. De enige verschillen die we gevonden hebben zijn klein en lijken meer op toeval te berusten. Een verklaring hiervoor kan zijn dat selectie alleen succesvol is wanneer zowel cognitief als non-cognitieve criteria worden meegenomen. 4 Daarnaast moet niet vergeten worden dat de kandidaten sterk zijn voorgeselecteerd door de toegangseisen en daarom mogelijk allemaal een hoge kans hebben om succesvol de geneeskundeopleiding te voltooien, en dat steeds meer universiteiten meer studenten selecteren waardoor de huidige methoden mogelijk niet langer geschikt zijn om de betere van de mindere kandidaten te onderscheiden.


Referenties

1. Salvatori P. Reliability and validity of admissions tools used to select students for the health professions. Advances in health sciences education : theory and practice. 2001;6(2):159-175.

2. Urlings-Strop LC, Stegers-Jager KM, Stijnen T, Themmen APN. Academic and non-academic selection criteria in predicting medical school performance. Medical Teacher. 2013;35(6):497-502.

3. Urlings-Strop LC, Stijnen T, Themmen AP, Splinter TA. Selection of medical students: a controlled experiment. Med Educ. Feb 2009;43(2):175-183.

4. Eva KW, Reiter HI, Trinh K, Wasi P, Rosenfeld J, Norman GR. Predictive validity of the multiple mini-interview for selecting medical trainees. Med Educ. Aug 2009;43(8):767-775.
Trefwoord: Education management: Selection of students/trainees

Wijze van presentatie: Wetenschappelijke paper


Correspondentieadres:

S.M. Lucieer

Erasmus MC

Institute for Medical Education Research Rotterdam

Burg S' Jacobplein 51

3015 CA ROTTERDAM

E-mail: s.lucieer@erasmusmc.nl
D3 / Abdijzaal

Kwaliteit van de opleidingen tot basisarts in Vlaanderen en Nederland. Overeenkomsten en verschillen: wat kunnen we van elkaar leren?

Hillen H (voorzitter visitatiecommissie Nederland, lid visitatiecommissie Vlaanderen), Dekker F (voorzitter visitatiecommissie Vlaanderen), Cohen-Schotanus J (lid visitatiecommissie Vlaanderen)

Achtergrond en context

Alle bachelor en master opleidingen geneeskunde in Nederland en Vlaanderen worden eens in de 6-7 jaar beoordeeld. De kaders voor deze beoordelingen zijn opgesteld door het Nederlands Vlaams Accreditatie Orgaan (NVAO). Elke opleiding wordt beoordeeld op drie standaarden: de beoogde eindkwalificaties, de vertaling van de eindkwalificaties in het onderwijs, de toetsing of de beoogde eindkwalificaties door studenten behaald worden. De beoordeling van een opleiding gebeurd door een panel, bestaande uit deskundigen uit het veld, een onderwijskundige en een student. Het panel baseert haar oordeel op aangeleverde documenten, studiegidsen, onderwijsmateriaal, toetsen en een bezoek op locatie. In Nederland zijn de opleidingen beoordeeld in 2010/2011 en in Vlaanderen in 2013/2014. Wat zijn de bevindingen? Wat zijn de verschillen tussen beide landen? Wat kunnen we van elkaar leren? Wat gaat er de komende jaren gebeuren?

Werkwijze

Tijdens dit symposium wordt door middel van: a) korte presentaties de stand van zaken gegeven, b) discussies verschillende ontwikkelingen belicht (ook in de context van cultuurverschillen) en c) discussies wenselijke richtingen voor de toekomst vastgesteld. Van de deelnemers wordt een actieve inbreng verwacht.

Doel


In kaart brengen van de kwaliteit (huidige stand van zaken) van het medisch onderwijs in Nederland en Vlaanderen. Handvatten geven voor toekomstige ontwikkelingen.

Doelgroep

Studenten, coassistenten, docenten, onderwijsontwikkelaars en beleidsfunctionarissen.

Literatuur

Verslag Nederland en verslag Vlaanderen

Trefwoord: Kwaliteit van medische opleidingen / curriculum ontwikkeling

Wijze van presentatie: Symposium

D4 / Zaal 530
Het maken van toepassingsgerichte toetsvragen
NVMO werkgroep Toetsing

Tio RA1, Peters ACS2, Popeijus H3, Dijkstra J3, Latijnhouwers MAHE4, Norbart AF5



1UMC Groningen, 2VU medisch centrum, 3Universiteit Maastricht, 4Radboud UMC, 5LUMC
Thema

Een goede kwaliteit van toetsvragen is een belangrijke voorwaarde voor het maken van een goede toets. Dit heeft niet alleen betrekking op juiste vraagconstructie, maar ook op relevantie van de vragen. In plaats van vragen naar pure kennis proberen veel docenten begripsvragen of toepassingsvragen te maken, omdat deze beter passen bij de te toetsen leerdoelen van het onderwijs. Het maken van een goede begrips- of toepassingsvraag blijkt vaak een lastige taak. Het plaatsen van het onderwerp in een (klinische) context kan daarbij uitermate behulpzaam zijn. Deze zo authentiek mogelijke context draagt dan tegelijkertijd bij aan de relevantie van de vraag.

Doel

In deze workshop wil de NVMO werkgroep Toetsing:



- u kennis laten maken met verschillende doelen van toetsvragen

- met u in gesprek gaan over wat de criteria zijn voor een goede toepassingsvraag en het geven van voorbeelden hoe goede toepassingsvragen eruit kunnen zien

- oefenen met het omvormen van eenvoudige kennis-reproductievragen naar toepassingsvragen

in een (klinische) context.

Doelgroep

Alle docenten die regelmatig vragen maken of willen gaan maken.

(geneeskunde, diergeneeskunde, tandheelkunde).

Opzet workshop (activiteiten en opbrengst)

In deze workshop krijgt u een korte inleiding, participeert u in een discussie en gaat u zelf aan de slag met het omschrijven/maken van toepassingsvragen. Indien gewenst, kunt u uw eigen toetsvragen meenemen naar de workshop.

Maximum aantal deelnemers: 24


Trefwoord: Assessment: Written assessment

Wijze van presentatie: Workshop


Correspondentieadres:

R.A. Tio


UMC Groningen

Cardiologie

Hanzeplein1

9713GZ GRONINGEN

E-mail: r.a.tio@umcg.nl

D5.1 / Zaal 531
Evalueren van klinisch opleiders en supervisoren in de vervolgopleiding: wordt de opleider er beter van?
Fluit CRMG, Sander L, Klaassen TJ, Visser M

Radboud UMC


Achtergrond

Voor het meten van de kwaliteit van klinisch opleiders worden vaak vragenlijsten gebruikt, ingevuld door AIOS. Het meten van de kwaliteit is echter nog geen garantie dat hiermee de kwaliteit ook zal verbeteren. Hierbij spelen meerdere factoren een rol, zoals kenmerken van de opleider zelf, de kwaliteit van de feedback en de wijze waarop de gegevens worden teruggekoppeld of besproken. (1) Voor een goede terugkoppeling is het EFFECT-systeem (EFFECT-S) ontwikkeld.(2) De kwaliteit wordt gemeten met de EFFECT vragenlijst. Een belangrijk onderdeel van EFFECT-S is de dialoog tussen de opleider en de AIOS, waarbij de resultaten van de evaluatie worden besproken en concrete verbeteracties worden geformuleerd. In dit onderzoek wilden wij nagaan of (1) participatie in EFFECT-S leidt tot een betere evaluatie en (2) wat opleiders ondernemen om hun voornemens ook daadwerkelijk uit te voeren en wat hen daarbij helpt of belemmert.

Methode

Klinisch opleiders die minimaal twee keer hebben deelgenomen aan EFFECT-S, werden geselecteerd. De gemiddelde overall score (MOS) werd berekend en vergeleken (paired T-tests). Opleiders die een sterke daling of stijging lieten zien zijn geïnterviewd met gebruik van semi-gestructureerde vragenlijsten. De gegevens zijn geanalyseerd in ATLS-Ti.



Resultaten

Er zijn in totaal 89 klinisch opleiders geëvalueerd in twee opeenvolgende jaren. Van de 18 opleiders met een MOS<4.0 in jaar 1, lieten 12 (67%) een relevante stijging van de MOS zien (gemiddelde toename 0.4). Van de 71 opleiders met een MOS >4.0, lieten 15 (21%) een stijging van de MOS zien (gem. toename 0.2).

Er zijn 12 supervisoren geinterviewd. Een eerste analyse laat zien dat opleiders een grote mate van autonomie ervaren wat betreft het opleiden. Zij verwachten geen support van hun leidinggevende en geven aan zelden van hun collega opleiders te leren. Verbeteringen van het opleiden zijn niet altijd op basis van bewuste strategieën. Opleiders vinden de feedback van AIOS leerzaam.

Discussie

Participatie in het EFFECT system leidt tot hogere beoordelingen van AIOS. Dit geldt met name voor opleiders die bij een eerste meting gemiddeld <4 scoorden. De voornemens die zij maken worden niet altijd bewust doorgevoerd en hierbij wordt weinig support van de leidinggevende en collega’s gevraagd. Verder onderzoek naar het belang van ondersteuning op de werkplek is gewenst.

1.Fluit, CRMG, Feskens R, Bolhuis S, Grol R, Wensing M, Laan R. Repeated evaluations of the quality of clinical teaching by residents. Perspect Med Educ 2013;2(2):87-94

2.Fluit CRMG, Bolhuis S, Klaassen T, Visser Md, Grol R, Laan R, et al. Residents provide feedback to their clinical teachers: reflection through dialogue. Med Teach 2013:e1-8.
Trefwoorden: Teachers/Trainers: Teacher evaluation, Assessment: Feedback, 66. Medical education: Postgraduate education

Wijze van presentatie: Paper


Correspondentieadres:

C.R.M.G. Fluit

Radboud UMC

IWOO/EKO


306IWOO Postbus 9101

6500HB NIJMEGEN

E-mail: lia.fluit@radboudumc.nl





D5.2 / Zaal 531
Percepties over luistervaardigheden, vertrouwen in eigen kunnen en geven van feedback: hoe vergaat dat chirurgen?
Molendijk MJW1, Oostenbroek RJ1, Huiskens J2, Loenhout R van1, Plaisier PW1, Ridder JMM van de1

1Albert Schweitzer ziekenhuis, 2Academisch Medisch Centrum, Universiteit van Amsterdam
Achtergrond

Om goede gesprekken met patiënten te voeren is het belangrijk dat een arts naast medische kennis ook goede gesprekstechnieken heeft. Luistervaardigheden en vertrouwen hebben in eigen kunnen, self-efficacy, zijn daarbij belangrijk. Er is weinig bekend over de rol van luistervaardigheden en self-efficacy van dokters bij het voeren van feedbackgesprekken. De centrale vraag in dit onderzoek is: wat is de relatie tussen luistervaardigheden en self-efficacy en de gepercipieerde feedbackvaardigheden bij AIOS en stafleden chirurgie?

Methoden/opzet

Na ethische goedkeuring is een electronische vragenlijst uitgezet onder 207 AIOS en stafleden Chirurgie uit tien instellingen in de Opleidings- en Onderwijsregio (OOR) AMC. De vragenlijst bestaat drie delen: a) de Active Empathic Listening Scale (AELS), een gevalideerde vragenlijst waarmee luistervaardigheden gemeten worden (21 items; 3 schalen; zevenpuntsschaal (1= nooit/ bijna nooit waar - 7= bijna altijd waar)); b) de New General Self-Efficacy (NGSE) vragenlijst, een gevalideerde vragenlijst om self-efficacy te meten (8 items, 1 schaal, vijfpuntsschaal (1= helemaal oneens - 5= helemaal eens)) en 11 vragen om de feedbackvaardigheden te exploreren. Gemiddelden en standaarddeviaties zijn bepaald, de interne consistentie van de schalen is vastgesteld en de relaties tussen variabelen uit de AELS, NGSE en gepercipieerde feedbackvaardigheden zijn bepaald (Spearmans rangcorrelatie).

Resultaten

De respons bedroeg 74% (n=153), daarvan was 75% man en 42% AIOS. Respondenten geven feedback aan AIOS (70%), ANIOS (86%) en coassistenten (95%). Wekelijks worden gemiddeld twee feedbackgesprekken gevoerd. Men beoordeelt de eigen feedbackvaardigheden gemiddeld een 6.9 (SD=0.9) als rapportcijfer. Op een zevenpuntsschaal scoort men het belang van feedback hoog (M=6.1; SD=0.8). Op de competentie medisch/technisch handelen wordt het meest feedback gegeven (60%), gevolgd door kennis/wetenschap en communicatie, het minst op de competentie maatschappelijk handelen. Het aantal aandachtspunten tijdens het gesprek bedraagt 2-4.

De interne consistentie op de drie schalen op de AELS varieert van Cronbach’s α =0.7-0.9, ook de interne consistentie van de NGSE is hoog (α=0.9). Het vertrouwen in eigen kunnen scoort gemiddeld 3,8 (SD=0,5). Spearmans rangcorrelatie toont zowel een significant verband aan tussen self-efficacy en gepercipieerde feedback vaardigheden (rs= 0,19; p = 0,019) als een verband tussen luistervaardigheden en gepercipieerde feedback vaardigheden (rs= 0,24; p = 0,004).

Conclusie

Chirurgen en AIOS chirurgie achten zichzelf redelijk competent in het geven van feedback; het vertrouwen in eigen kunnen en de luistervaardigheid dragen hiertoe bij. Vervolgonderzoek moet aantonen of feedback hierdoor daadwerkelijk tot inhoudelijke verbetering leidt. Het feit dat chirurgen en AIOS relatief weinig feedbackgesprekken voeren verdient aandacht. Binnen de chirurgie dient op de competentie ‘maatschappelijk handelen’ meer feedback gegeven te worden.
Trefwoorden: Learning outcomes: Communication skills, Medical education: Postgraduate education

Wijze van presentatie: Paper


Correspondentieadres:

M.J.W. Molendijk

Albert Schweitzer ziekenhuis

Leerhuis


P.O.Box 444

3300AK DORDRECHT

E-mail: r.j.oostenbroek@asz.nl

1   ...   12   13   14   15   16   17   18   19   ...   24

  • D2.3 / Zaal 525
  • D2.4 / Zaal 525
  • D3 / Abdijzaal
  • D4 / Zaal 530
  • D5.1 / Zaal 531

  • Dovnload 1.15 Mb.