Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Opening congres door dr. Hanke Dekker, hoofdorganisator nvmo congres 2014 10. 10-10. 40 en prof dr. Janke Cohen-Schotanus, voorzitter nvmo 10. 40-10. 45 Welkomstwoord

Dovnload 1.15 Mb.

Opening congres door dr. Hanke Dekker, hoofdorganisator nvmo congres 2014 10. 10-10. 40 en prof dr. Janke Cohen-Schotanus, voorzitter nvmo 10. 40-10. 45 Welkomstwoord



Pagina17/24
Datum04.04.2017
Grootte1.15 Mb.

Dovnload 1.15 Mb.
1   ...   13   14   15   16   17   18   19   20   ...   24

D5.3 / Zaal 531
Feedback op feedback: waar focust docentenfeedback op communicatievaardigheden op?
Wolff NJ1, Croix A de la2, Graaf LE de1

1Erasmus MC, 2Vrije Universiteit
Achtergrond

In het derde jaar van de geneeskundestudie aan het Erasmus MC in Rotterdam worden anamnesegesprekken van studenten met een simulatiepatiënt opgenomen in het kader van onderwijs in communicatievaardigheden. De communicatiedocenten bekijken deze opnames en geven schriftelijk feedback op de communicatievaardigheden. Het doel van dit onderzoek is om de docenten feedback te geven op hun feedbackvaardigheden.

Onderzoeksvragen

Verschillen docenten in de onderwerpen waarop ze feedback geven?

Welke feedbackpunten worden het meest genoemd?

Komen de feedbackpunten overeen met de toetscriteria?

Methode

Meetinstrument

De feedback werd in studiejaar 2010-2011 gegeven aan de hand van een feedbackformulier met twee open vragen: “Wat vond je goed gaan in het gesprek en waarom (Noem 2 of 3 punten en gebruik voorbeelden)?”en “Wat vond je minder goed gaan in het gesprek en waarom (Noem 2 of 3 punten en gebruik voorbeelden)?”.



Coderingsinstrument en codering

We hebben gebruikgemaakt van een kwalitatieve onderzoeksmethode: directed content analysis. Voor de codering van de feedback is de Calgary Cambridge observatielijst gebruikt (Kurtz, Silverman, Draper, 1998), met gebruikmaking van het softwarepakket atlas.ti. Indien een genoteerd feedbackpunt niet voorkwam in deze observatielijst, werd door de auteurs een nieuwe code aangemaakt. De auteurs hebben eerst in een pilotstudie 80% overeenstemming gehaald in het coderen.

De Ethische Commissie van het NVMO heeft toestemming gegeven voor het onderzoek.

Resultaten

Volledig ingevulde feedbackformulieren door elf docenten van 79% van de studenten (N = 251) waren bruikbaar.

De meest gegeven feedback betrof het non-verbale gedrag van de student (bijvoorbeeld open houding, geïnteresseerd overkomen; 73,7% van de 251 studenten), de vraagstijl (bijvoorbeeld afwisseling open en gesloten vragen; 49,8%), het inlevingsvermogen (bijvoorbeeld empathie, begrip voor de patiënt overbrengen; 49,0%), het doorvragen (bijvoorbeeld doorvragen op details en verhelderen van vage opmerkingen; 45,8%) en het gebruiken van een logische structuur in het gesprek (42,2%). Deze totalen omvatten zowel positieve als negatieve feedback. Docenten verschillen in welke feedback zij het vaakst geven. Bij 10 van de 11 docenten staat het non-verbale gedrag in de top 3 van vaakst genoemde feedback. Bij 6 van de 11 docenten staat feedback op doorvragen in de top 3. Acht van de 10 meest gegeven feedbackpunten stonden in 2010-2011 in de lijst met toetscriteria.

Discussie

De resultaten worden gebruikt voor bewustwording van docenten over de verscheidenheid aan punten waarop zij feedback gaven en waarop zij feedback zouden kunnen geven. Ook zijn het communicatieonderwijs en wijze van beoordeling verbeterd door aan bepaalde communicatievaardigheden meer aandacht te besteden.

Referentie

Kurtz SM, Silverman JD, Draper J (1998) Teaching and Learning Communication Skills in Medicine. Radcliffe Medical Press (Oxford)


Trefwoorden: Teachers/Trainers: Faculty/Staff development, Assessment: Feedback, Learning outcomes: Communication skills

Wijze van presentatie: Paper


Correspondentieadres:

N.J. Wolff

Erasmus MC

Medische Psychologie

Postbus 2040

3000 CA ROTTERDAM

E-mail: n.wolff@erasmusmc.nl

D5.4 / Zaal 531
Non-verbaal en verbaal gedrag van lerenden in feedbackdialogen
Ridder JMM van de, Hoek B van

Albert Schweitzer ziekenhuis


Probleemstelling

In het dagelijks leven ontvangen we veel informatie uit het non-verbale gedrag van een gesprekspartner [1]. Over het non-verbale en verbale gedrag van lerenden tijdens het ontvangen van feedback is weinig bekend. Zo weten we bijvoorbeeld niet welk verbaal en non-verbaal gedrag studenten vertonen, en het is ook niet bekend of een feedbackgever hieruit informatie kan afleiden waaraan te zien is of een boodschap overkomt.

De centrale vraagstelling in dit onderzoek is: welk verbaal en non-verbaal gedrag studenten vertonen tijdens het ontvangen van feedback, en varieert het gedrag in verschillende feedback condities?

Methode/ Opzet

Het verbale en non-verbale gedrag in dialogen uit verschillende feedbackcondities is met elkaar vergeleken. In de postief-negatief conditie (PN) ontvingen studenten eerst positieve punten en dan verbeterpunten, in de negatief-positief conditie (NP) was dit andersom, en in de reactie conditie (R) gaf de student eerst een eigen reactie, en ontving daarna positieve punten gevolgd door verbeterpunten. De inhoud van de gegeven feedbackpunten was in alle condities gelijk.Video-opnamen van feedbackgesprekken van studenten Geneeskunde (n=88) zijn geobserveerd, getranscribeerd, gecodeerd. Ondermeer de duur van de dialoog in seconden, het aantal beurtwisselingen, en de vragen en opmerkingen van de respondent zijn bepaald. Het nonverbaal gedrag is geanalyseerd met behulp van het programma Transana en observatielijsten. Op basis van de non-verbale gedragingen is onder andere de mate van het aanpassingsgedrag van studenten bepaald.

Met behulp van de Kruskal-Wallis toets (p<0.05) is nagegaan of er verschillen tussen de condities aanwezig zijn, en met de Mann-Whitney U test (p<0.05) is post hoc bepaald welke condities verschilden.

Resultaten (en conclusie)

De dialoog van de studenten die eerst zelf reageerden op hun eigen prestatie duurt langer (m=124s) dan de dialoog in de PN (m=100s) en NP (m=85s) conditie, en er vindt meer interactie plaats. Studenten maken in deze conditie meer opmerkingen (m=7) dan in de PN (m=2) en NP (m=1) conditie. Er is geen significant verschil in het aantal vragen dat gesteld wordt. Ten slotte laten de studenten in deze conditie ook meer aanpassingsgedragingen zien dan in de PN en NP conditie (p<0.01).

Discussie (implicaties voor de praktijk)

Wanneer studenten zelf op hun performance kunnen reageren, voordat de feedbackgever feedback geeft, dan geeft dit een rijkere dialoog: er is meer interactie en er worden meer opmerkingen gemaakt. Daarnaast vertonen studenten in deze conditie meer aanpassingsgedrag. Met name het gesprek over het aanpassingsgedrag kan aanknopingspunten geven om na te gaan hoe de feedback overkomt.

Literatuur

[1] Burgoon, J. K., Buller, D. B., & Woodall, W. G. (1994). Nonverbal communication: The unspoken dialogue. Columbus, OH: Greyden Press


Trefwoorden: Assessment: Feedback, Assessment: Workplace-based (on-the-job)

Wijze van presentatie: Paper


Correspondentieadres:

J.M.M. van de Ridder

Albert Schweitzer ziekenhuis

Leerhuis


Postbus 444

3300 AK DORDRECHT

E-mail: m.van.de.ridder@asz.nl

D6.1 / Zaal 532
De invloed van sekse, werktijden en werk-privé balans op de specialisatie keuze van zesdejaars geneeskunde studenten
Alers MLG1, Pepping T1, Bor H1, Verdonk P2, Hamberg K3, Lagro-Janssen A1

1Radboud UMC, 2VU medisch centrum, 3Umea University
Achtergrond

Sommige specialisaties kennen een onevenredige man/vrouw verdeling en mannelijke en vrouwelijke artsen verschillen ook in hun voorkeur voor werktijden.1 Wij onderzochten de invloed van afwegingen die mannelijke en vrouwelijke eindejaars geneeskunde studenten hebben over full-time of part-time werken op hun specialisatie keuze en de rol van de werk-privé balans hierin.

Methode

Aan het einde van hun zesde jaar vulden geneeskunde studenten van het Radboud UMC een vragenlijst in over overwegingen in hun specialisatiekeuze (2008-2012). Met behulp van logistische regressie onderzochten we de invloed van sekse en werktijden op de specialisatiekeuze. Hierbij keken we of er een indirecte invloed uitging van voorkeuren van studenten in arbeid en zorg kwesties.



Resultaten

In onze onderzoekspopulatie (N=1050, response-rate 83%, 73.3% vrouw), hadden mannen een voorkeur voor full-time werken, terwijl van de vrouwen de helft een voorkeur had voor part-time werk. Meer mannen kozen voor chirurgie, meer vrouwen voor huisartsgeneeskunde. Een full-time voorkeur verhoogde de kans op een keuze voor chirurgie, interne geneeskunde en neurologie, en een part-time voorkeur die van psychiatrie en huisartsgeneeskunde. Zowel mannelijke als vrouwelijke eindejaars studenten verwachtten dat een toekomstig gezinsleven de carrière van vrouwen negatief zou beinvloeden. Hierbij verwachtten mannen dat hun partner minder ambiteus zou zijn terwijl vrouwen een hogere nadruk legden op een gelijke verdeling in zorgtaken. Mannen en vrouwen hadden een grotere voorkeur voor fulltime werken als ze gelijke carrière kansen belangrijk vonden of als ze overwogen dat hun partner minder ambitieus zou zijn. Bij vrouwelijke eindejaars studenten hing dit samen met een toename van de keuze voor chirurgie en een verminderde kans op een keuze voor huisartsgeneeskunde.

Discussie

Vrouwen vormen de meerderheid van bijna afgestudeerden geneeskunde studenten en die vrouwen zijn veel minder geïnteresseerd in full-time werken. Een full-time of part-time voorkeur blijkt zeer invloedrijk bij het maken van een specialisatie keuze. Daarnaast verschillen mannelijke en vrouwelijke eindejaars in hun afwegingen rondom arbeid en zorgtaken. Echter, beiden verwachten dat een toekomstig gezinsleven de carrière van vrouwen negatief zal beïnvloeden. Bovendien hangt een full-time voorkeur samen met een grotere nadruk op gelijke carrière kansen of dat een partner minder ambitieus zal zijn. Zo verhoogt bij vrouwelijke studenten de verwachting dat de partner minder ambitieus zal zijn een keuze voor chirurgie en verlaagt die voor huisartsgeneeskunde. Onze bevindingen laten zien dat mannen en vrouwen verschillen in hun specialisatiekeuze door specifieke verwachtingen ten aanzien van de verdeling in arbeid en zorg taken.

Referenties

1. Capaciteitsorgaan, Capaciteitsplan: Deelrapport I Medical specialist en Deelrapport 2 Huisarts, Utrecht 21 October 2013.

2. van Tongeren-Alers M, van Esch M, Verdonk P, Johansson E, Hamberg K, Lagro-Janssen A, “Are new medical students' specialty preferences gendered? Related motivational factors at a Dutch medical school”, Teaching and learning in medicine 2011;23(3):263-8.
Trefwoorden: Curriculum: Education environment, Medical education: Undergraduate education, . Teachers/Trainers: Professionalism/scholarship

Wijze van presentatie: Paper


Correspondentieadres:

M.L.G. Alers

Radboud UMC

Eerstelijns Geneeskunde

ELG 117
Postbus 9101

6500 HB NIJMEGEN

E-mail: Margret.Alers@radboudumc.nl
D6.2 / Zaal 532
Relatie tussen carrière overwegingen van geneeskundestudenten en stagekeuzes tijdens het laatste jaar van de opleiding
Broek WES van den1, Wijnen-Meijer M2, Cate ThJ ten1, Dijk MR van1

1UMC Utrecht, 2LUMC
Probleemstelling/achtergrond

De keuzestages tijdens het laatste jaar van de geneeskundeopleiding kunnen worden ingezet om de overgang van initiële opleiding naar medische vervolgopleiding te vergemakkelijken (1). Doel van dit onderzoek is om na te gaan in welke mate geneeskundestudenten uit eigen initiatief hun keuzestages in dit jaar inzetten om zich voor te bereiden op een toekomstige medische vervolgopleiding.

Methode/opzet

Aan alle geneeskundestudenten in Utrecht die afstudeerden in de periode juli 2012 - juli 2013 zijn vragenlijsten met open vragen voorgelegd met als onderwerpen: hun voorkeur voor een vervolgopleiding bij de start van het laatste jaar, hun stagekeuzes gedurende dat jaar en hun motivatie voor die stages, en of en hoe hun voorkeur voor een medische vervolgopleiding veranderd was gedurende het laatste jaar. Antwoorden op de vragen zijn kwalitatief geanalyseerd door twee onderzoekers.

Resultaten

De vragenlijsten zijn ingevuld door 235 studenten (respons van 86%). Van hen volgde 62,5% (N = 147) minimaal twee van de maximaal vier keuzestages bij hetzelfde specialisme. Veel studenten kozen ook stages op afdelingen die gerelateerd zijn aan elkaar, bv. combinaties van stages bij anatomie, radiologie en chirurgie. Kwalitatieve analyse van de antwoorden van studenten over motivatie voor keuzestages laat zien dat stages tijdens het laatste jaar met name gekozen worden om te oriënteren op een toekomstige vervolgopleiding of om kansen te vergroten om aangenomen te worden bij een bepaalde opleiding. Ongeveer twee derde van alle respondenten gaf aan dat hun voorkeur voor een medische vervolgopleiding bevestigd was tijdens het laatste jaar. Ongeveer een zesde van de respondenten twijfelde nog steeds aan het eind van het laatste jaar, en voor ook een zesde hebben de keuzestages tijdens dat jaar geresulteerd in een grote wijziging in voorkeur voor een vervolgopleiding.

Discussie

Utrechtse geneeskundestudenten gebruiken hun keuzestages in het laatste jaar met name om zich te focussen op een toekomstige medische vervolgopleiding: ter oriëntatie of om hun kansen te verhogen om tot een medische vervolgopleiding toegelaten te worden. Velen kiezen daarvoor meerdere stages op dezelfde afdeling of stages die gerelateerd zijn aan elkaar. Bij een zesde van deze studenten leidt dit alsnog tot een andere keuze voor een vervolgopleiding.

Literatuurverwijzingen

1. Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra. Dedicated schakeljaar. (n.d.) http://www.nfu.nl/onderwijs/medische-vervolgopleiding/dedicated-schakeljaar-project. Geraadpleegd op 6 februari 2014


Trefwoorden: Curriculum: Options / electives, Medical education: Undergraduate education, Students/Trainees: Career choice

Wijze van presentatie: Paper


Correspondentieadres:

W.E.S. van den Broek

UMC Utrecht

Onderwijscentrum

Huispost HB 4.05

Postbus 85500

3508 GA UTRECHT

E-mail: w.e.s.vandenbroek@umcutrecht.nl


D6.3 / Zaal 532
Keuzemonitor Geneeskunde: van specialisatievoorkeur naar specialisatiekeuze
Vergouw D, Heiligers PJM, Batenburg RS

NIVEL
Probleemstelling

Inzicht in de specialisatievoorkeuren van de ‘artsen van straks’ en de factoren die deze voorkeuren beïnvloeden zijn van groot belang voor de doorstroom van basisartsen naar vervolgopleidingen en daarmee de afstemming tussen zorgbehoefte en zorgaanbod. Het Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg is in september 2013 begonnen met het longitudinaal monitoren van de specialisatievoorkeur.

Methode


In september 2013 werden alle studenten uit de basisopleiding geneeskunde benaderd met een schriftelijke dan wel online vragenlijst. Bijna 42% (n=7543) van alle Nederlandse studenten vulde de enquête in. Met een gemiddelde leeftijd van 21,9 (+/- 2,88) jaar en een geslachtsverdeling van 69% vrouw en 31% man zijn de respondenten representatief voor de gehele studentenpopulatie. De faculteiten waar de enquête schriftelijk is afgenomen (Nijmegen, Leiden, Groningen en Maastricht) waren het sterkst vertegenwoordigd (70,8%). De online enquêtering (Amsterdam UvA en VU, Rotterdam en Utrecht) bleef achter.

Resultaten en conclusie

De specialisatievoorkeuren van alle studenten toonden een bekend beeld; huisartsgeneeskunde (14%), kindergeneeskunde (13%), interne geneeskunde (12%) en heelkunde (11%) zijn de meest populaire specialismen. Het specialisme ziekenhuisarts (<0,1%) is samen met arts voor verstandelijk gehandicapten (0,2%), medische microbiologie (0,2%) en klinische genetica (0,2%) het minst populair. Ook arbeid en gezondheid (0,2%) en ouderengeneeskunde (0,5%) worden weinig als eerste voorkeur genoemd. De voorkeuren van mannen en vrouwen verschillen. Mannen zijn over alle opleidingsjaren vooral geïnteresseerd in heelkunde, interne geneeskunde, huisartsgeneeskunde en neurologie. Vrouwen hebben meer interesse voor kindergeneeskunde en obstetrie en gynaecologie. Dit geldt vooral voor bachelor studentes. Onder vrouwen in de master fase is huisartsgeneeskunde echter het meest populair. Gedurende alle opleidingsjaren geven studenten aan van voorkeur te wijzigen.

Een vergelijking van beschikbare opleidingsplaatsen en de voorkeuren van derdejaars master studenten laten zien dat de interesse voor negen opleidingen groter is dan het aantal vervolgopleidingen (kindergeneeskunde, heelkunde, obstetrie en gynaecologie, neurologie, orthopedie, Keel-neus-oorheelkunde, dermatologie en venerologie, plastische chirurgie en neurochirurgie)

Discussie

Voor een groot deel van de studenten uit de basisopleiding geneeskunde wijzigt de specialisatievoorkeur gedurende de opleiding. Onder invloed van welke factoren, en hoe de medische loopbaan in de geneeskunde zich ontwikkeld is nog de vraag. De Keuzemonitor Geneeskunde zal zich de komende jaren daarom richten op de keuzes van aankomende artsen ten aanzien van opleiding en toekomstige beroepsuitoefening.


Trefwoorden: Medical education: General, Students/Trainees: Career choice

Wijze van presentatie: Paper


Correspondentieadres:

D. Vergouw

NIVEL
Otterstraat 118-124

3513CR UTRECHT

E-mail: d.vergouw@nivel.nl

D7 / Zaal 533
Benodigdheden voor en opbrengsten van blended learning
Bouwmeester RAM1, Kleijn RAM de2, Westerveld HE1, Berg IET van den1, Meijnckens GD2, Rofina JE2, Haarhuis JCM2, Rijen HVM van1

1UMC Utrecht, 2Universiteit Utrecht
Thema

Er wordt momenteel veel aandacht besteed aan het thema ‘Blended Learning’, een elkaar versterkende mix van online en contactonderwijs 1. Zelfs de minister van onderwijs is van mening dat blended learning hét onderwijsmodel van de toekomst gaat worden. Het is echter nog onduidelijk welke consequenties dit zal hebben voor studenten, docenten, maar ook beleidsmakers. Binnen de faculteiten geneeskunde, diergeneeskunde en vanuit de Stichting Onderwijs Evaluatie Rapport (OER) van de Universiteit Utrecht (UU) wordt daarom ontwerpgericht onderzoek gedaan naar allerlei aspecten van het blended learning model, waarbij wordt gefocused op de kansen en bedreigingen voor studenten, docenten en het leerproces. Het doel is het definiëren van best practices.

Een eerste deelonderzoek is gericht op motivaties, wensen en grenzen van studenten van verschillende faculteiten van de UU. Via vragenlijstonderzoek en focusgroepen wordt momenteel onderzocht hoe studenten verwachten om te gaan met blended learning en in hoeverre zij verwachten dat online leren bijdraagt aan leerervaring in het contactonderwijs. De resultaten van dit onderzoek (gebaseerd op 1790 respondenten en 3 focusgroep-interviews) zullen door studenten van de Stichting OER gepresenteerd worden.

Het tweede deelonderzoek is gericht op docentervaringen. Uit docent-interviews (N=9) blijkt dat docenten blended learning een arbeidsintensieve uitdaging vinden, maar wel leidt tot een toename in verdiepende vragen van studenten. Ook observeren zij dat studenten actiever zijn, beter samenwerken en meer discussiëren. Een docent van Diergeneeskunde (UU) zal zijn ervaringen met blended learning toelichten.

Het derde deelonderzoek, gericht op het leerproces, zal door onderzoekers van de faculteit Geneeskunde (UMC Utrecht) gepresenteerd worden. Er zal worden ingegaan op de gevonden correlatie tussen leerstrategieën en de verschillende manieren (weblectures, online teksten, aantekeningen uit hoorcolleges) waarop studenten zich voorbereiden op het contactonderwijs en het tentamen.

Doel


De invoering van blended learning in het onderwijs biedt vele mogelijkheden, maar vraagt ook om rolverandering van zowel docenten als studenten, daarbij het leerproces in ogenschouw houdend. Tijdens de sessie willen wij onze verworven kennis en inzichten op het gebied van blended learning bediscussiëren en ervaringen met deelnemers uitwisselen om zo een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van best practices.

Doelgroep

Studenten, docenten en beleidsmakers in het medisch onderwijs

Opzet


De rondetafelsessie zal worden ingeleid met een korte uitleg over het algemene principe van blended learning gevolgd door verdiepende presentaties op basis van onderzoeksresultaten zoals hierboven beschreven. De deelnemers aan de rondetafel gaan vervolgens in discussie over de best practices, de benodigdheden en opbrengsten van blended learning voor studenten, docenten en het leerproces (Figuur 1). De sessie zal worden afgesloten met een plenaire nabespreking.

Maximaal aantal deelnemers: 40


Referentie

1) Horn MB, Staker H. Classifying k-12 blended learning. 2012



https://www.eventure-online.com/parthen-uploads/39/wrs4/img1_248688.png
Drie pijlers waar rondetafel discussie over blended learning op toegespitst wordt.
Trefwoord: Teaching & learning: Blended learning

Wijze van presentatie: Rondetafelsessie


Correspondentieadres:

R.A.M. Bouwmeester

UMC Utrecht

Medische Fysiologie

Yalelaan 50

3584CM UTRECHT

E-mail: r.a.m.bouwmeester@umcutrecht.nl

D8 / Zaal 536
Op welke wijze kan de arts-assistentenvereniging smeerolie zijn binnen de COC om de kwaliteit van de eigen opleiding te verbeteren?
AAV Arts-Assistentenvereniging, Boer DP, Hagens RPA, Hoekstra LT, Schoenmakers R, Ridder JMM van de, Oostenbroek RJ

Albert Schweitzer ziekenhuis


Thema

De arts-assistentenvereniging binnen een opleidingsziekenhuis kan een belangrijke rol spelen in het monitoren en verbeteren van de kwaliteit van alle medisch specialistische opleidingen in het ziekenhuis. Door hun stem tijdens de Medisch Specialisten Opleidings Commissie (MSOC)-vergaderingen kunnen zij de belangen behartigen van en uitdragen namens alle A(N)IOS (in ons ziekenhuis is de COC MSOC geheten). Zodoende nemen zij de medeverantwoordelijkheid voor hun opleiding. In het Albert Schweitzer ziekenhuis (ASz) heeft de MSOC de afgelopen jaren nadrukkelijk ruimte geboden aan de Arts-assistentenvereniging (AAV) om deze rol vooral op zich te nemen.

De AAV heeft bijvoorbeeld uitdrukkelijk gesteld dat het goed is als de Systematic Evaluation of Teaching Qualities (SETQ) jaarlijks wordt uitgevoerd. Zij hebben daarnaast ook een format ontwikkeld en gepresenteerd aan alle opleiders ziekenhuisbreed, op welke manier de Dutch Residency Evaluation Climate Test (DRECT) en de SETQ nabesproken kan worden met de assistenten en de opleidersgroep gezamenlijk. Verder nemen ze deel aan de interne audits en proefvisitaties in de rol van assessor. Ook nemen zij deel aan de exitgesprekken met A(N)IOS. Op deze manier legt de MSOC samen met de arts-assistentenvereniging een stevige basis voor een veilig en goed opleidingsklimaat, dat door de assistenten gedragen en uitgedragen wordt.

Doel


Deze rondetafelsessie heeft tot doel om na te gaan op welke wijze de Arts-assistentenvereniging en de MSOC kunnen optrekken om samen de opleidingskwaliteit te verbeteren. En om randvoorwaarden inzichtelijk te maken die nodig zijn om tot deze samenwerking te kunnen komen.

Opzet


Na een korte introductie wordt de context geschetst en wordt de rol van de arts-assistentenvereniging belicht. Aan de hand van stellingen wordt gediscussieerd over a) de rol die de arts-assistentenvereniging kan innemen, b) die randvoorwaarden die daartoe nodig zijn, en c) wat de consequenties daarvan zijn voor de dagelijkse praktijk. Voorbeelden en ideeën hoe men de samenwerking met de arts-assistentenvereniging binnen de MSOC kan optimaliseren om de kwaliteit van opleidingen te verbeteren komen nadrukkelijk aan de orde.

Doelgroep

A(N)IOS, opleiders, formele (plv.)opleiders, onderwijskundigen, leerhuismedewerkers, geïnteresseerden in medische vervolgopleidingen

Maximum aantal deelnemers: 30


Trefwoorden: Teachers/Trainers: General, Education management: Institutional management / committee structure, Medical education: Postgraduate education,

Wijze van presentatie: Rondetafelsessie


Correspondentieadres:

AAV Arts-Assistentenvereniging

Albert Schweitzer ziekenhuis

Postbus 444

3300AK DORDRECHT

E-mail: r.j.oostenbroek@asz.nl


1   ...   13   14   15   16   17   18   19   20   ...   24

  • D5.4 / Zaal 531
  • D6.1 / Zaal 532
  • D6.2 / Zaal 532
  • D6.3 / Zaal 532
  • D7 / Zaal 533
  • D8 / Zaal 536

  • Dovnload 1.15 Mb.