Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Opening congres door dr. Hanke Dekker, hoofdorganisator nvmo congres 2014 10. 10-10. 40 en prof dr. Janke Cohen-Schotanus, voorzitter nvmo 10. 40-10. 45 Welkomstwoord

Dovnload 1.15 Mb.

Opening congres door dr. Hanke Dekker, hoofdorganisator nvmo congres 2014 10. 10-10. 40 en prof dr. Janke Cohen-Schotanus, voorzitter nvmo 10. 40-10. 45 Welkomstwoord



Pagina18/24
Datum04.04.2017
Grootte1.15 Mb.

Dovnload 1.15 Mb.
1   ...   14   15   16   17   18   19   20   21   ...   24

D9.1 / Zaal 537
Het effect van een symposium op de bewustwording van medisch studenten ten aanzien van farmaceutische promotie
Dijken PJ van

UMC Groningen


Achtergrond

Reflectie op de relatie tussen de medische beroepsgroep en andere stakeholders in het veld van de gezondheidszorg is een onderdeel van de professionele ontwikkeling van aankomende artsen. De farmaceutische industrie is een van die stakeholders. Haar doelen verschillen wezenlijk van die van de medische professie. De relatie tussen beide is een relatie onder spanning. Medisch studenten laten reflecteren op de effecten van farmaceutische promotie en hoe hiermee om te zou een belangrijk onderdeel van de medische opleiding moeten zijn.Toch krijgt het onderwerp vaak weinig tot geen specifieke aandacht tijdens de studie. Heeft het organiseren van een symposium hierover invloed op de bewustwording van medisch studenten?

Methode/opzet

Een symposium over farmaceutische promotie werd georganiseerd voor (bachelor) studenten, met een plenair ochtendprogramma (vijf sprekers) en twee workshoprondes ‘s middags. Elke student kon twee workshops bezoeken. Studenten kregen voorafgaand aan het symposium de student guide ‘Understanding and responding to pharmaceutical promotion’[1]. In de weken na het symposium werd in een coachgroep bijeenkomst geevalueerd, waarna de studenten een vrije reflectie opdracht schreven over hun persoonlijke leerpunten. De reflectie opdrachten werden geanalyseerd op de 22 criteria, onderverdeeld in vijf groepen: 1. Bewustwording; 2. Verantwoordelijkheid van de stakeholders 3. Effecten van farmaceutische promotie 4. Motieven en 5. Regel- en wetgeving. Achttien maanden na het symposium werd een enquete gehouden onder medisch studenten, die het symposium wel of niet hadden bezocht, om hun attitudes ten aanzien van het onderwerp te onderzoeken.

Resultaten

220 studenten bezochten het symposium. 88% vermeldde in het reflectieverslag zich meer bewust te zijn geworden van de dillemma’s in de relatie tussen de industrie en de professie. Ook de verantwoordelijkheid van professionals in deze relatie (66%) en het belang van onderwijs hierover in de opleiding (39%) warden genoemd. 72% van de studenten zag de farmaceutische industrie primair als een bedrijfstak met winstoogmerk.

18 maanden na het symposium waren studenten die het symposium bezocht hadden zich significant vaker bewust van de ethische spanningen tussen de professie en de industrie, vergeleken met studenten in dezelfde fase van hun studie die het symposium niet bezocht hadden.

Discussie

Een symposium over farmaceutische promotie kan studenten meer bewust maken van de effecten van farmaceutische promotie. Het vooraf stellen van duidelijke leerdoelen en deze borgen door de keuze van sprekers en onderwerpen voor de workshops, kan de opbrengst van een symposium optimaliseren. De kwaliteit van de workshops kan verhoogd worden door gerichte training in workshop design voor workshopleiders.
Referentie

[1] World Health Organization/Health Action International, collaborative project - Understanding and responding to pharmaceutical promotion - A Practical Guide, first edition.


Trefwoorden: Learning outcomes: Professionalism / attitude / ethics, Medical education: Undergraduate education

Wijze van presentatie: Paper


Correspondentieadres:

P.J. van Dijken

UMC Groningen

Huisartsgeneeskunde

A.Deusinglaan 1

9713 AV GRONINGEN

E-mail: p.j.van.dijken@umcg.nl
D9.2 / Zaal 537
Symposia voor studenten als onderwijsonderdeel in M3 VUmc-compas
Reefman K, Kruijswijk Jansen JH, Daelmans HEM, Croiset G

VU medisch centrum


Achtergrond

In de masteropleiding geneeskunde VUmc-compas zijn in masterjaar 3 professionele symposia onderdeel van het onderwijsprogramma. Doel is studenten verdieping van leerstof en competenties te bieden, door een actueel onderwerp vanuit diverse perspectieven te benaderen.

Postacademisch zal een arts veelvuldig deelnemen aan symposia en congressen. Met het oog op masterjaar 3 als schakeljaar past een symposium als onderwijsvorm perfect bij de transitie van coassistent naar arts. Daarnaast biedt het organiseren van symposia voor coassistenten vele voordelen, zoals het kunnen aantrekken van professionele, enerverende sprekers en het op aantrekkelijke wijze aanbieden van bijzondere onderwerpen.

Methode en opzet

Sinds september 2011 worden er gedurende masterjaar 3 vier symposia per jaar georganiseerd met verschillende programma’s. Speciale nadruk ligt op integratie van competenties die nog niet of onvoldoende aan bod zijn geweest en de rol van de arts in de toekomstige zorg. Er wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de actualiteit. De student volgt naar keuze twee van de vier volledige symposiumdagen. Aanwezigheid bij de symposia is onderdeel van de toetsing professioneel ontwikkeling in masterjaar 3.

Tijdens de symposia worden activerende en interactieve werkvormen gebruikt, zoals lezingen, documentaires, workshops, spellen en theater. De symposia worden op alle onderdelen geëvalueerd op een 5 punts likert-schaal. De symposia worden georganiseerd door een medewerker van het Instituut voor Onderwijs en Opleiden (IOO) van VUmc in samenwerking met de cursus- en congresorganisatie van VUmc Academie (PAOG).

Resultaten: onderwijs en evaluaties

Per symposium is er een gemiddeld aantal deelnemers van 150 studenten. Twee maal per jaar worden ‘Team Resource Management’ en de workshop ‘solliciteren voor coassistenten’ als dagdeel aangeboden. Eenmaal per jaar komen ‘eHealth’ en ‘Ethiek’ aan bod. De overige onderwerpen variëren.

Een voorbeeld van de integratie van actuele onderwerpen is het dagdeel dat in september 2013 heeft plaatsgevonden onder de titel ‘vaccinatie in perspectief’. Hier werd de ethiek rondom vaccinatiebeleid in Nederland gekoppeld aan de zich destijds afspelende mazelenepidemie.

De symposia worden door de studenten in het algemeen zeer goed geëvalueerd. De onderwerpen worden door de studenten nuttig en zinvol bevonden waarbij deze goed aansluiten op de kennis. De ervaring leert dat studenten het met name waarderen wanneer er een interactief programma wordt opgesteld met afwisselende werkvormen. De symposia zijn logistiek probleemloos uitvoerbaar.

Discussie

Een symposium als postacademisch onderdeel in de basisopleiding dat structureel wordt aangeboden is uniek in de Nederlandse geneeskunde opleiding. Door het gebruik van afwisselende interactieve werkvormen, bieden de symposia ruimte voor actualiteit en verdieping van leerstof met nadruk op de competenties, waarmee de gestelde doelen behaald zijn. De symposia zijn een waardevolle aanvulling op de masteropleiding VUmc-compas.


Trefwoorden: Learning outcomes: Life-long learning, Medical education: All, Learning outcomes: Professionalism / attitude / ethics

Wijze van presentatie: Paper


Correspondentieadres:

K. Reefman

VU medisch centrum

Clinical skills Master GNK, SMS

Kamer KTC 5-004
Postbus 7057

1007 MB AMSTERDAM

E-mail: k.reefman@vumc.nl

D10 / Zaal 558
Medische Vervolgopleidingen 3.0: van problem based naar patient based
NVMO werkgroep Medische vervolgopleiding

Van Loon KA1, Van Luijk SJ2, Meininger AK3, Scheele F4



1KNMG Utrecht, 2MUMC, 3UMCG Groningen, 4SLAZ Amsterdam

Thema


De huidige maatschappelijke ontwikkelingen dwingen ons tot een andere inrichting van de zorg. Een van de ontwikkelingen is dat patiënten meer betrokken willen worden bij en meer regie willen hebben over hun eigen zorg. Patiëntparticipatie zal de komende jaren een belangrijk thema zijn binnen de zorg. Dit stelt niet alleen eisen aan de inrichting van de zorg maar ook aan de opleiding van toekomstige specialisten.

Doel


De definitie van gezondheid als “the ability to adapt and to self manage in the face of social physical and emotional challenges” [Huber] geeft indicaties in welke richting patiëntparticipatie kan worden uitgewerkt voor de basis- en vervolgopleiding. Wat betekent dit voor de rol van de professional? In welke mate is de rol van de patiënt binnen de opleiding voldoende geborgd? Moeten we niet van “problem based” naar “patient based education” om de kwaliteit van de opleiding te waarborgen? Deze vragen zullen met de deelnemers behandeld worden om tot een gezamenlijke aanpak te kunnen komen die leidend zal moeten worden in curriculumontwikkeling komende jaren.

Doelgroep

Medisch specialisten, supervisoren, decanen, toezichthouders, opleiders, aios, geneeskundestudenten, beleidsmakers, onderzoekers, onderwijskundigen.

Opzet ronde tafel: activiteiten, opbrengst

Na een korte inleiding zal met de deelnemers gediscussieerd worden over de volgende vragen:

• Wat voegt een “patient based” perspectief toe aan bestaande curricula?

• Welke inhoudelijke elementen van “patient based” zouden meer nadruk moeten krijgen?

• Hoe zou dit vorm gegeven kunnen worden?

• Hoe zou dit geïmplementeerd kunnen worden?

Uitkomsten worden ter plekke opgeschreven en weergegeven in een pamflet dat naar deelnemers zal worden rondgestuurd.


Trefwoorden: Medical education: Postgraduate education, Education Management: Change

Wijze van presentatie: Ronde tafel sessie


Correspondentieadres:

S.J. van Luijk

Academie medische vervolgopleidingen

MUMC


Postbus 5800

6202AZ MAASTRICHT

E-mail: sj.van.luijk@mumc.nl

D11 / Zaal 559
Hoe wordt curriculumevaluatie effectief?
Spaai GWG1, Wolfhagen HAP2, Beukelen P van3

1Academisch Medisch Centrum, Universiteit van Amsterdam, 2Universiteit Maastricht, 3Universiteit Utrecht, Faculteit Diergeneeskunde
Thema

Opleidingen voeren veelal curriculumevaluaties uit in het kader van hun interne kwaliteitszorgbeleid. Opleidingen zijn hiertoe verplicht in het kader van de accreditatiekaders van de NVAO. Het gevolg is dat dergelijke curriculumevaluaties vaak meer zijn ingegeven door externe prikkels zoals een naderende visitatie dan door een ‘eigen intrinsieke behoefte’ om te onderzoeken of een curriculum als geheel in de praktijk aansluit op hoe het in het ontwerp bedoeld is. De opzet en inhoud van curriculumevaluaties evaluaties is zeer divers en varieert van satisfactiemetingen tot documentanalyses. Vaak wordt een curriculumevaluatie gezien als de optelling van de afzonderlijke evaluaties die hebben plaatsgevonden per curriculumonderdeel. Echter, een curriculumevaluatie dient meer te zijn dan de som van de evaluaties van de afzonderlijke delen. Immers evaluaties op het niveau van het curriculum zijn van groot belang zijn om te komen tot verbeteringen op het niveau van een opleiding (Kern, Thomas & Hughers, 2009).

De opzet van een gedegen curriculumevaluatie vormt het topic van deze workshop.

Op basis van good practice,wetenschappelijke inzichten/literatuur en ervaringen in andere domeinen van kwaliteitszorg worden randvoorwaarden geformuleerd waaraan een curriculumevaluatie moet voldoen. Hierbij moet gedacht worden aan de methode eninhoud en opzet van de curriculumevaluatie, informatiebronnen en de te betrekken respondentgroepen en stakeholders.

Doel

Doel van de workshop is om in interactie met de workshopdeelnemers te komen tot een lijst met uitgangspunten waaraan een curriculumevaluatie zou moeten voldoen als voorwaarde voor een succesvolle follow up in de vorm van een curriculumverandering of curriculumimplementatie.



Doelgroep

Studenten, docenten, leden opleidingscommissies en adviseurs in allerlei rollen betrokken bij de kwaliteitszorg van een opleiding.

Opzet en opbrengst workshop

Opzet


Inleiding. Een korte, inleidende interactieve presentatie waarin wordt ingegaan op de achtergronden van curriculumevaluatie en het onderscheid met evaluatie op het niveau van de curriculumonderdelen niveau alsook de positionering van curriculumevaluatie in de interne en externe kwaliteitszorg (15 minuten).

Discussie in subgroepen aan de hand van stellingen om te komen tot do’s en dont’s van curriculumevaluatie (40 minuten).

Plenaire bespreking van uitkomsten van discussies in subgroepen die uitmondt in een lijst met tips hoe te komen tot een gedegen curriculumevaluatie (15 minuten)

Opbrengst

Workshop deelnemers krijgen een ‘take home message’ met tips om te komen tot een effectieve curriculumevaluatie.

Maximum aantal deelnemers: 20 deelnemers

Referenties

Kern, D.E., Thomas, P.A. & Hughers M.T. (2009). Curriculum development for medical education. A six-step approach. Baltimore, JohnHopkins University Press.


Trefwoorden: Curriculum: Evaluation of curriculum, Education management: Quality Assurance

Wijze van presentatie: Workshop

Correspondentieadres:

G.W.G. Spaai

Academisch Medisch Centrum

CEBE


Meibergdreef 15

1100 DD AMSTERDAM

E-mail: g.w.spaai@amc.uva.nl
D12.1 / Lamoraalzaal

Studentenparticipatie als een strategie om leiderschapskwaliteiten te ontwikkelen


Dhaese S, Dhaese S, Caveye I van de, Maeseneer J de

UGent
Probleemstelling/achtergrond

Het Lancet rapport van Frenk et al.(1) uit 2010 stelt een transformatie van het medisch onderwijs voor om te kunnen voldoen aan de noden van onze maatschappij. Ons gezondheidszorgsysteem staat immers continu onder druk van veranderende omgevingsfactoren, demografische of epidemiologische factoren. Het Lancet rapport stelt daarom een reorganisatie van het medisch curriculum voor waarbij ‘Transformative Learning’ centraal staat. Het belangrijkste doel van deze strategie is studenten op te leiden tot meer dan experts en professionals maar tot ‘change agents’ met een ‘act local, think global’ visie. Op deze manier worden studenten opgeleid tot artsen die de noden van het gezondheidszorg systeem herkennen en in staat zijn om daar adequaat op in te spelen. Daarom is het belangrijk dat het ‘global health topic’ aan bod komt tijdens de studie en dat studenten tijdens hun opleiding leiderschapskwaliteiten ontwikkelen (transformational leadership). Er is echter nog geen strategie ontwikkeld om deze leiderschapskwaliteiten bij studenten te ontwikkelen.

Een eerste, verkennende studie werd opgezet voor de studenten uit de Studenten Werkgroep Opleiding (SWOP) van de opleiding geneeskunde aan de Universiteit Gent(2). Er namen 52 studenten uit SWOP deel aan een vragenlijst. Deze vragenlijst bevatte 20 vragen die peilen naar de relatie tussen actieve studentenparticipatie en het ontwikkelen van leiderschapskwaliteiten. Het resultaat van de vragenlijst toonde aan dat SWOP-studenten kwaliteiten zoals ‘ethical decision-making’, probleem-oplossend denken, actieve participatie in het design van het medisch curriculum en communicatie met de studenten onderling om tot een gezamenlijk standpunt te komen, getraind werden dankzij actieve participatie binnen de Studenten Werkgroep.

Methode/opzet

We onderwerpen de studenten die actief deelnemen aan studentenvertegenwoordiging uit andere opleidingen geneeskunde binnen Vlaanderen aan de bovengenoemde vragenlijst. We vergelijken de resultaten om na te gaan of studentenparticipatie ook in andere opleidingen uit Vlaanderen bijdraagt aan het ontwikkelen van leiderschapskwaliteiten.

Resultaten/ervaringen

Vragenlijst wordt nog verstuurd naar de desbetreffende studentenvertegenwoordigers.

Discussie (implicaties voor de praktijk):

Indien er een belangrijk verschil tussen de opleidingen onderling bestaat, is het opportuun om uit te diepen waarom dit verschil bestaat. Dit zou met name kunnen verklaard worden door de interne structuur van de studentenvertegenwoordiging en de participatiegraad van studenten uit de opleiding aan studentenvertegenwoordiging.

Worden leiderschapsvaardigheden echt aangeleerd door actieve studentenparticipatie, of zijn studenten die actief participeren al ‘natuurlijke leiders’ op zich, waarbij hun kwaliteiten verder aangescherpt worden dankzij actieve participatie in de Studenten Werkgroep?
Literatuurverwijzingen

1. Frenk J, Chen L, Bhutta ZA, Cohen J, Crisp N, Evans T, et al. Health professionals for a new century: transforming education to strengthen health systems in an interdependent world. Lancet. 2010 Dec;376(9756):1923-58. PubMed PMID: WOS:000285439800034. English.

2. De Maeseneer J, Dhaese S., Van de Caveye I., Vergauwe B., Bogaert S. Student participation as a strategy for leadership training and becoming change agents. Global Forum on Innovation in Health Professional Education; Washington2013.
Trefwoorden: Studentenparticipatie, transformative learning, leiderschap

Wijze van presentatie: Poster

Correspondentieadres:

S. Dhaese

Fazantendreef 7

8490 VARSENARE België

E-mail: siska.dhaese@ugent.be

D12.2 / Lamoraalzaal
Interdisciplinair leren aan de hand van praktijkcasuïstiek
Dijk N van1, Norbart A2, Ridder JMM van de3, Hols-Elders WPM4

1Academisch Medisch Centrum, Universiteit van Amsterdam, 2LUMC, 3Albert Schweitzer ziekenhuis, 4UMC Utrecht
Probleemstelling

De NVMO stelt zich onder andere tot taak haar leden te scholen op het gebied van medisch onderwijs. Dit doet zij door middel van de werkgroepen, het tijdschrift en een congres. De kennis die de leden van de NVMO gezamenlijk bezitten en ontwikkelen zou echter ook nog explicieter in de vorm van onderwijsprogramma’s gedeeld kunnen worden. In een kleine projectgroep is hiertoe een eerste voorstel ontwikkeld. Hierna is dit voorstel voorgelegd aan de leden van de NVMO om te toetsen in hoeverre de leden behoefte hebben aan een dergelijke scholing, of de voorgestelde vorm aansloot en welke randvoorwaarden er gehanteerd zouden moeten worden.

Methoden

De voorgestelde opleiding is beschreven als onderwijs in de vorm van een Community of Learners, Action Learning en/of Action Research (de deelnemers werken aan authentieke, bestaande vraagstukken), Interprofessioneel, Just-in-time principe en Praktijkleren. Daarnaast werd aangegeven dat terugkoppeling van het geleerde aan de andere NVMO-leden plaats zou moeten vinden. Een vragenlijst bestaande uit 14 deels open en deels gesloten vragen over de persoonlijke kenmerken, de rol(len) binnen de opleiding, interesse in deelname en eventuele randvoorwaarden voor deelname, ontwikkeld met behulp van SurveyMonkey, is digitaal voorgelegd aan alle leden van de NVMO (n=1323). Een week na verzending is een algemene herinnering aan de leden verstuurd. De resultaten zijn anoniem verwerkt.

Resultaten

De vragenlijst is door 400 leden (30%) ingevuld. Van hen was 66.2% vrouw en de gemiddelde leeftijd was 46.2 (±10.5). Het overgrote deel van de respondenten was arts (42%) en de belangrijkste rollen waren onderwijsontwikkelaar (49,5%) en wetenschappelijk onderzoeker (33.3%). Bijna de helft van de respondenten heeft een Basis Kwalificatie Onderwijs (BKO) (48.3%) en 23.3% heeft een promotieonderzoek gedaan naar een (medisch) onderwijskundig onderwerp.

Van de respondenten geeft 37.5% aan (zeer) geïnteresseerd te zijn in deelname aan een dergelijk programma; 33.5% misschien en 28.9% (waarschijnlijk) niet. Uit de open vragen bleek dat vooral het interprofessionele leren en praktijkleren de respondenten aanspreekt. Verder geven zij aan dat het niveau dat van de BKO moet ontstijgen, dat er gewaakt moet worden voor overlap met reeds bestaand aanbod en bij voorkeur (een gedeelte) digitaal moet plaatsvinden. Mediane gewenste tijdsinvestering was 40 uur (range 3-450 uur). Voor 38.9% is het van belang dat deelname geaccrediteerd is en voor 56% dat zij een diploma ontvangen.

Discussie

Er lijkt interesse onder de leden om op redelijk hoog niveau, interdisciplinair te leren. Tijdens het congres kunnen we, na overleg met de werkgroepen van de NVMO, het aanbod meer concreet weergeven.
Trefwoord: Teachers/Trainers: Faculty/Staff development

Wijze van presentatie: Poster


Correspondentieadres:

N. van Dijk

Academisch Medisch Centrum

Huisartsopleiding, kamer J2-123

Meibergdreef 9

1105AZ AMSTERDAM

E-mail: n.vandijk@amc.uva.nl

D12.3 / Lamoraalzaal
Het personaliseren van onderwijs over antibiotica voor arts-assistenten: intrinsieke motivatie als voorspeller voor deelname aan e-learning
Caris MG1, Sikkens JJ1, Doorn ABD van2, Agtmael MA van1

1VU medisch centrum, 2UMC Groningen
Introductie
In bijna de helft van alle voorschriften van antibiotica zit een fout [1,2]. Onderwijs aan voorschrijvende artsen is hard nodig om dit te verbeteren. Bij onderwijs aan arts-assistenten kan men echter geconfronteerd worden met een gebrek aan motivatie [3]. Omdat intrinsieke motivatie geassocieerd wordt met betere studieresultaten [4] en actieve vormen van onderwijs essentieel zijn voor het behalen van blijvende resultaten [5], hebben we gekeken naar intrinsieke motivatie als voorspeller voor deelname aan actief onderwijs: e-learning. Dit onderzoek omvat het eerste deel van een multicenter studie.

Methode


Onderzoeksopzet: cross-sectionele enquêtes. Populatie: arts-assistenten Interne Geneeskunde van het VU medisch centrum te Amsterdam, tijdens een geplande onderwijssessie. Inclusie: alle arts-assistenten die achtergrondinformatie, kennisvragen over antibiotica en de Zelf-Regulatie Vragenlijst-Academisch (SRQ-a) [6] invulden. De e-learning module werd ontwikkeld met Pscribe, een web-based programma voor het toetsen van kennis en vaardigheden in farmacotherapie [7], dat tevens deelname registreerde. Arts-assistenten konden gedurende 2 weken inloggen, na deze 2 weken ontvingen non-responders bericht dat de beschikbaarheid met een week werd verlengd. Analyse: motivatie werd berekend met de SRQ-a score op autonome (intrinsieke) motivatie minus de score op gecontroleerde (extrinsieke) motivatie; waarbij een hogere score een hogere intrinsieke motivatie aangaf. Met logistische regressie werd het verband tussen motivatie en deelname aan de e-learning onderzocht, waarbij gecorrigeerd werd voor kennis over antibiotica (gemeten als toets-score).

Resultaten. 30 arts-assistenten werden geïncludeerd (80% vrouw, 57% werkte fulltime), gemiddelde leeftijd 31.2 (25-43). 43% had 5 jaar of meer klinische ervaring. 77% had deelgenomen aan de e-learning (84% hiervan in de eerste 2 weken). Er was een positief verband tussen hoge intrinsieke motivatie en deelname, met een gecorrigeerde odds ratio van 5.4 (p-waarde 0.04, 95% Confidence Interval 1.1-27.3).

Conclusies

Op basis van deze eerste resultaten lijken intrinsiek gemotiveerde arts-assistenten vaker deel te nemen aan e-learning. Motivatie zou dus kunnen voorspellen welke arts-assistenten baat hebben bij het aanbieden van e-learning en welke arts-assistenten een andere vorm van onderwijs behoeven. Door rekening te houden met deze verschillen in motivatie kan men de onderwijsvorm kiezen die het meest effectief is (gepersonaliseerd onderwijs). Daarentegen nam 25% van de intrinsiek gemotiveerde arts-assistenten geen deel aan de e-learning; voor een nauwkeuriger analyse en om de gevonden uitkomsten te kunnen generaliseren zijn een grotere populatie en multicenter data nodig.

Referenties.

1. Srinivasan et al. Arch. Intern. Med. 2004 Jul 12; 164(13):1451–6.

2. Pulcini et al. Virulence. 2013 Feb 15;4(2):192–202.

3. Korndorffer et al. Surgery. 2013 Jul;154(1):13–20.

4. Baldwin et al. Pediatrics. 2011 Oct;128(4): 633–6.

5. Dellit et al. Clin. Infect. Dis. 2007 Jan 15;44(2):159–77.

6. Vansteenkiste et al. J. Educ. Psychol. 2009;101(3):671–88.

7. Van Doorn et al. Basic Clin. Pharmacol. Toxicol. 2009; 105:40.

Trefwoorden: Medical education: Postgraduate education, Teaching & learning: e-learning/computers

Wijze van presentatie: Poster


Correspondentieadres:

M.G. Caris

VU medisch centrum

Interne Geneeskunde

De Boelelaan 1117

1081 HV AMSTERDAM

E-mail: m.caris@vumc.nl

1   ...   14   15   16   17   18   19   20   21   ...   24

  • D9.2 / Zaal 537
  • D10 / Zaal 558
  • D11 / Zaal 559
  • D12.1 / Lamoraalzaal
  • D12.2 / Lamoraalzaal
  • D12.3 / Lamoraalzaal

  • Dovnload 1.15 Mb.