Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Opening congres door dr. Hanke Dekker, hoofdorganisator nvmo congres 2014 10. 10-10. 40 en prof dr. Janke Cohen-Schotanus, voorzitter nvmo 10. 40-10. 45 Welkomstwoord

Dovnload 1.15 Mb.

Opening congres door dr. Hanke Dekker, hoofdorganisator nvmo congres 2014 10. 10-10. 40 en prof dr. Janke Cohen-Schotanus, voorzitter nvmo 10. 40-10. 45 Welkomstwoord



Pagina20/24
Datum04.04.2017
Grootte1.15 Mb.

Dovnload 1.15 Mb.
1   ...   16   17   18   19   20   21   22   23   24

D15 / Zaal 403
‘Je kunt alles wel rechtpraten'. Over het uit de weg ruimen van vooroordelen over ethiek in trainingssituaties
Bree MJ de

UMC Groningen


Thema

AIOS en stafleden die deelneme aan een ethiektraining hebben vaak vooroordelen over ethiek, die vanuit didactisch oogpunt remmend werken: ze zorgen ervoor dat die deelnemers niet snel, serieus en zonder reserve aan de slag gaan met het verbeteren van hun morele competenties. Deze vooroordelen hebben drie kenmerken: (1) ze zijn in te delen in verschillende typen, (2) het zijn voor-oordelen (het zijn geen oordelen; ze zijn niet kritisch getoetst) en (3) ze verhinderen dus dat artsen zowel in trainingssituaties als in de praktijk op een zinvolle en efficiente manier met ethische kwesties omgaan. Deze vooroordelen noemen we dan ook ONIONS: Obstructing Non-reflected Identifiable Operating Notions. Vooralsnog onderscheiden we drie typen: ONIONS die te maken hebben met de aard van ethiek (‘vaag’, ‘alles kan’, ‘subjectief’), ONIONS die te maken hebben met de autoriteit van de docent (‘wat weet jij als filosoof nu van mijn vak af?’) en ONIONS die meer praktisch van aard zijn (‘ik heb echt niet de tijd om zo lang over die ethische dingen na te denken).

Doel

Om het leerproces tijdens ethiektrainingen zo efficient mogelijk te laten verlopen, is het van belang die ONIONS snel boven te tafel krijgen en goed te adresseren. Dit kan via de psychologische weg (‘omgang met weerstanden’), maar het is leuker en interessanter om het via de filosofisch-inhoudelijke band te spelen, en de deelnemers te vragen hun ONIONS expliciet te maken en kritisch te toetsen. Vooroordelen worden op die manier volwaardige oordelen – relatief goed uitgedachte posities, waarover goed te discussieren valt. Deze manier van werken is ook didactich goed te verdedigen: ethiek-onderwijs sluit zo aan bij de eigen opvattingen en leefwereld van de deelnemers, en onderzoekt deze ‘van binnenuit’.



Om ONIONS zinvol als educatieve tool in te kunnen zetten, is het wel van belang dat docenten ethiek deze ONIONS kunnen (h)erkennen en beoordelen. Dat gaan we in deze workshop oefenen.

Deelnemers

Docenten ethiek, reflectie en professionaliteit

Opzet workshop

In deze workshop onderzoeken de deelnemers gezamenlijk:

• wat de meest gangbare ONIONS zijn

• hoe deze ONIONS te klassificeren zijn

• hoe in lessituaties inhoudelijk en retorisch het beste met deze ONIONS om kan worden gaan.

Maximaal aantal deelnemers: 20
Trefwoorden: Learning outcomes: Professionalism / attitude / ethics, Learning outcomes: Reflection / Critical thinking / decision-making / clinical reasoning, Teaching & learning: Small group

Wijze van presentatie: Workshop


Correspondentieadres:

M.J. de Bree

UMC Groningen

OWI/Ethiek

Ant. Deusinglaan 2

9700 RB GRONINGEN

E-mail: m.de.bree@umcg.nl

D16 / Zaal 404
Professionaliteit in de opleiding geneeskunde: welke onderwerpen moeten in het curriculum aan bod komen?
Barnhoorn PC1, Mook WNKA van2, Dijken P van3

1LUMC, 2MUMC, 3UMC Groningen
Thema

Elke medische opleiding in Nederland heeft inmiddels een eigen curriculum professionele ontwikkeling. De onderwerpen die op de verschillende universiteiten in het curriculum aan bod komen met betrekking tot professionaliteit verschillen echter sterk.

Doel

Komen tot een (nationale) consensus over de onderwerpen die aan bod zouden moeten komen in de studie geneeskunde in een onderwijslijn professionele ontwikkeling.



Doelgroep

Een ieder die op welke manier dan ook betrokken is bij medisch onderwijs in zijn algemeenheid, en het leren en doceren van professioneel gedrag in het bijzonder; studenten, docenten, onderwijskundigen

Opzet

Deze ronde tafel sessie start met een (geleide) brainstormsessie over welke onderwerpen, om welke reden, niet mogen ontbreken in de curricula professionele ontwikkeling. Alle bijdragen worden genotuleerd en als afsluiting gepresenteerd. Vervolgens wordt een presentatie gegeven met daarin een overzicht van de internationale literatuur met betrekking tot mogelijke onderwerpen in een curriculum professionele ontwikkeling. Tot slot wordt een overzicht gegeven van de onderwerpen die momenteel op de Nederlandse universiteiten aan bod komen in de curricula met betrekking tot professioneel gedrag.



Opbrengst

De opbrengst voor de deelnemers is gelegen in het feit dat deze ronde tafel sessie een beeld oplevert, welke onderwerpen in binnen en buitenland aan bod komen m.b.t. professionaliteit. Dit maakt de deelnemers bewust van de sterke punten en mogelijke verbeterpunten van hun “eigen”curriculum, met betrekking tot het aanleren van professionaliteit. De opbrengst voor de werkgroep professionaliteit is gelegen in het feit dat deze ronde tafel sessie de mogelijkheid biedt tot een interfacultaire dialoog over de wenselijkheid en mogelijkheid van een nationaal curriculum professionele ontwikkeling. Daarmee zou een nieuwe stap in de opleiding geneeskunde gezet kunnen worden.


Trefwoorden: Learning outcomes: Professionalism / attitude / ethics, Curriculum: All, Medical education: Undergraduate education

Wijze van presentatie: Rondetafelsessie


Correspondentieadres:

P.C. Barnhoorn

LUMC

PHEG


Postbus 9600 zone V0-P

2300 RC LEIDEN

E-mail: P.C.Barnhoorn@lumc.nl

12.00-13.15 LUNCH

Restaurant

13.15-14.30 Blok E




E1.1 / Zaal 522

Het verborgen curriculum in medisch onderwijs in relatie tot de medische zorg voor oudere patiënten: een kwalitatieve studie
Meiboom AA, Vries H de, Hertogh CMPM, Scheele F

VU medisch centrum


Probleemstelling

Ondanks meer aandacht voor ouderengeneeskunde in medische curricula, waaronder verplichte coschappen, blijft de belangstelling van studenten voor een carrière in het specialisme ouderengeneeskunde of de klinische geriatrie achter bij de toenemende vraag naar deze specialismen. Een significante relatie is gezien tussen attitude ten aanzien van oudere mensen en de medische zorg voor oudere patiënten en de belangstelling voor een carrière in de ouderengeneeskunde (1). Omdat naast een eventueel specifiek coschap ouderengeneeskunde studenten ook in andere coschappen veel in aanraking komen met oudere patiënten, zijn we benieuwd wat er in andere coschappen overgedragen wordt aan attitudes ten aanzien van de medische zorg voor deze patiëntencategorie. Volgens de hypothese van Hafferty internaliseren medisch studenten impliciete overtuigingen, attitudes, normen en waarden die overgebracht worden in het zogeheten verborgen curriculum, buiten het formele onderwijs om (3). In de bellettrie, zoals bijvoorbeeld van Samuel Shem, zijn er beschrijvingen van ageism op ziekenhuisafdelingen. Er is echter geen wetenschappelijk onderzoek gedaan naar het verborgen curriculum in het ziekenhuis in relatie tot oudere patiënten. Daarom willen wij met deze studie een beschrijving daarvan geven.

Dit leidt tot de volgende vraagstellingen:


  • Welke boodschappen krijgen coassistenten mee tijdens een coschap interne geneeskunde van artsassistenten en specialisten in relatie tot de oudere patiënt?

  • Kunnen we elementen identificeren in relatie tot de cultuur en structuur van een afdeling, die van invloed zijn op de perceptie van medisch studenten van de medische zorg voor oudere patiënten?

Methode

In deze kwalitatieve studie maakten we gebruik van participerende observatie, gedurende acht weken op twee afdelingen interne geneeskunde in een opleidingsziekenhuis en van semi-gestructureerde interviews. Er is gekozen voor afdelingen interne geneeskunde omdat daar meestal veel oudere patiënten opgenomen zijn. Van de beschrijvende veldnotities en de transcripten van de interviews werden thema's gedestilleerd volgens de methode van inductieve thematische analyse.

Resultaten

Studenten kregen van artsassistenten de boodschap mee dat de oudere patiënt niet interessant is, maar wel frustratie met zich meebrengt. Door professionals werden nogal eens diskwalificerende opmerkingen of cynische grappen gemaakt over oudere patiënten, waarmee de boodschap versterkt werd dat oudere patiënten niet interessant zijn. Deze frustratie en desinteresse leken mede bepaald te worden door structuur en cultuur van het ziekenhuis met een dominante ziekte gerichte benadering en het focus op snel ontslag.

Coassistenten werden niet gestimuleerd zich echt te verdiepen in de oudere patiënt met complexe problemen.

Discussie

Met deze studie hebben wij elementen van het verborgen curriculum gevonden richting de oudere patiënt op een afdeling interne.

In een studie van Higashi, waarin de attitude van ‘physicians in training’ werd geëxploreerd, werden dezelfde voornamelijk negatieve attitudes gevonden als in onze studie, waarmee de bevindingen generaliseerbaar lijken. Volgens de hypothese van het verborgen curriculum zou de vooral negatieve houding van rolmodellen ten aanzien van de oudere patiënten met multimorbiditeit van invloed zijn op de zich ontwikkelende attitude van de coassistent. In hoeverre dit van invloed zal zijn op hun carrière keuze zal nader onderzocht moeten worden. Een nieuwe bevinding in onze studie is dat studenten niet werden gestimuleerd zich te verdiepen in de oudere patiënt of deze patiënt te volgen.

Referenties

(1) Fitzgerald JT, Wray LA, Halter JB, Williams BC, Supiano MA. Relating medical students' knowledge, attitudes, and experience to an interest in geriatric medicine. Gerontologist 2003 Dec;43(6):849-55.

(3) Hafferty FW, Franks R. The hidden curriculum, ethics teaching, and the structure of medical education. Acad Med 1994 Nov;69(11):861-71.
Trefwoorden: Curriculum: Education environment, Learning outcomes: Professionalism / attitude / ethics, Students/Trainees: Career choice

Wijze van presentatie: Wetenschappelijke paper


Correspondentieadres:

A.A. Meiboom

VU medisch centrum

Huisartsgeneeskunde en ouderengeneeskunde

Van der Boechorststraat 7

1081 BT AMSTERDAM

E-mail: aa.meiboom@vumc.nl

E1.2 / Zaal 522
Uitdagingen in de communicatie tussen arts en patiënt met verschillende etnische achtergronden: een realist review
Paternotte E1, Dulmen AM van2, Lee N van der1, Alvim C1, Scherpbier AJJA3, Scheele F1

1Sint Lucas Andreas Ziekenhuis, 2NIVEL, 3Universiteit Maastricht
Introductie

Vanwege de toegenomen migratie zien artsen regelmatig patiënten van verschillende etnische achtergronden. Deze contacten creëren uitdagingen voor de arts-patiënt communicatie. We zouden de arts moeten ondersteunen en trainen in de voorbereiding van een dergelijke situatie.(1) Om een training voor artsen te ontwikkelen is het van belang om te weten welke factoren belangrijk zijn voor kwalitatief goede interculturele communicatie. Een overzicht van deze factoren ontbreekt. Om die reden hebben wij de literatuur doorzocht op barrières en faciliterende factoren in de communicatie tussen arts en patiënten met verschillende etnische achtergronden.

Methode

Een systematische zoektocht is uitgevoerd in de databanken MEDLINE, EMBASE, PsycInfo, Cinahl, Cochrane en Education Resources Information Centre (ERIC). Artikelen gepubliceerd tot oktober 2012 zijn geïncludeerd. De gebruikte zoektermen waren gerelateerd aan interculturele communicatie en bestonden uit cultureel, etnisch, communicatie, gezondheidsmedewerker en synoniemen van deze zoektermen. Zowel kwalitatieve als kwantitatieve studies werden geïncludeerd, waarin de gezondheidsmedewerker werd beschreven als arts en afkomstig was van de etnische meerderheid van het betreffende land. Voor de analyse van de geïncludeerde artikelen hebben we gebruik gemaakt van de realist synthese. Deze methode geeft de mogelijkheid om te onderzoeken hoe de communicatie verloopt in een specifieke context en setting.



Resultaten

Honderd vierenveertig artikelen werden geïncludeerd. Barrières en faciliterende factoren werden gevonden op het niveau van de patiënt en van de arts. De meeste barrières en faciliterende factoren waren gerelateerd aan verschillen in taal en cultuur, de rol van de arts en ervaringen van de patiënt.

Verschil in taal werd gezien als een belangrijke barrière, terwijl verschillen in cultuur vaak niet als barrière ervaren werden, maar onbewust toch voor communicatieproblemen zorgden.

De belangrijkste beïnvloedende factoren voor een arts werden gevonden in het gedrag van de arts, zoals uitleggen, de tijd nemen, begrijpen, luisteren en respecteren. Voor de patiënt waren kennis van het gezondheidszorg systeem en manier communiceren van klachten belangrijke factoren.

Conclusie & Discussie

De resultaten laten zien dat taalverschillen en verschillen in perspectief van ziekte en gezondheidzorg de meest voorkomende beïnvloedende factoren van interculturele communicatie zijn. Deze factoren voor interculturele communicatie zijn vergelijkbaar met factoren voor algemene arts-patiënt communicatie. Echter, interculturele communicatie lijkt kwetsbaarder te zijn voor disbalans.(2) De invloed van de gevonden factoren kan worden uitgelegd met de begrippen impliciet en expliciet. Taalverschillen zijn expliciete, zichtbare, factoren. De perspectieven van ziekte en gezondheidszorg zijn over het algemeen onzichtbare, impliciete, factoren die de interculturele communicatie in grote mate kunnen beïnvloeden. Training voor artsen zou gericht kunnen zijn op het expliciet maken van deze onzichtbare factoren. De beïnvloedende factoren uit deze studie zijn bruikbaar voor het ontwikkelen van een interculturele communicatie training voor artsen.

Referenties

(1) Frenk J, Chen L, Bhutta ZA, Cohen J, Crisp N, Evans T, et al. Health professionals for a new century: transforming education to strengthen health systems in an interdependent world. Lancet 2010 Dec 4;376(9756):1923-58.

(2) Teutsch C. Patient-doctor communication. Med Clin North Am 2003 Sep;87(5):1115-45.
Trefwoorden: Medical education: General, Medical education: Trends, Research in medical education: Methodologies

Wijze van presentatie: Wetenschappelijke paper


Correspondentieadres:

E. Paternotte

Sint Lucas Andreas Ziekenhuis

Medisch onderwijs

Jan Tooropstraat 164

1006AE AMSTERDAM

E-mail: emmapaternotte@gmail.com


E1.3 / Zaal 522
Culturele competentie: hoe maak je verschil in de gezondheidszorg?
Seeleman MC, Suurmond J, Stronks K, Essink-Bot ML

Academisch Medisch Centrum, Universiteit van Amsterdam


Probleemstelling

Culturele competentie van zorgverleners en zorgorganisaties wordt gezien als een belangrijke strategie om goede toegankelijkheid en kwaliteit van zorg voor alle patiënten te garanderen, ook voor patiënten van niet-Nederlandse herkomst. Echter, tot nu toe ontbrak evidence over wat het concept ‘culturele competentie' precies inhoudt en hoe het effectief kan worden toegepast in het medisch onderwijs. De vragen die centraal stonden in dit proefschrift (1) zijn: welke culturele competenties hebben zorgverleners nodig? Hoe kun je culturele competenties inpassen in het medisch onderwijs? Wat zijn essentiële elementen voor zorgorganisaties om cultureel competente zorg te leveren?

Methode

Vijf kwalitatieve studies (individuele en groeps-interviews, surveys, vergelijkende documenten analyse) en één kwantitatieve (vragenlijst voor meten van culturele competenties) onder verschillende respondentgroepen (artsen, verpleegkundigen, studenten, patiënten, experts).



Resultaten

Een conceptueel raamwerk van de culturele competenties van zorgverleners liet zien dat culturele competentie over veel meer gaat dan cultuur alleen (2). Dit raamwerk bleek ook in een specifieke zorgomgevingen (pediatrische astmazorg, zorg aan asielzoekers) van toepassing, maar in een complexe zorgcontext is meer specificatie nodig. Verder vonden we aanwijzingen dat zorgverleners onbewust onbekwaam zijn wat betreft zorg aan etnisch diverse patiënten. Bij het meten van culturele competenties zagen we leemten in de competenties van studenten en AIOS die al een deel van het curriculum hebben afgerond. Dit leverde aanknopingspunten op voor de ontwikkelingen van een leerlijn ‘Diversiteit'. Op basis van de inbreng van experts op het gebied van diversiteit in het medisch onderwijs hebben we tien aanbevelingen geformuleerd voor het ontwikkelen van onderwijs in cultureel competente communicatie. Tenslotte hebben we op basis van een vergelijking van zes modellen een raamwerk ontwikkeld dat domeinen en dimensies van diversiteits-responsieve zorg voor zorgorganisaties beschrijft. Dit tweede raamwerk liet zien dat er een brede inhoudelijke consensus bestaat over wat organisaties moeten doen om hun zorg cultureel competent te maken.

Discussie

Culturele competenties bouwen voort op generieke competenties van zorgverleners en raken dicht aan competenties die nodig zijn voor patiënt-gerichte zorg. De gezondheidszorg moet echter ook responsief zijn voor factoren op groepsniveau. Een belangrijke bevinding voor het medisch onderwijs is dat zorgverleners zich vaak niet bewust zijn van hun leerbehoeften op dit gebied. ‘Self-perceived' competentie (zoals nu gebruikelijk in de literatuur) is daarom geen goede maat om inzicht te krijgen in daadwerkelijke culturele competentie en leerbehoeften. Nu het concept culturele competentie is geoperationaliseerd, richten we ons op een structurele implementatie van culturele competentie in de medische curricula om zo een goede invulling geven aan de eindtermen in het Raamplan gerelateerd aan diversiteit. Daartoe zullen we in de UMC's de culturele competentie van coassistenten meten en een curriculumscan uitvoeren.

Referenties

1) Seeleman, C. Cultural competence and diversity responsiveness: how to make a difference in healthcare? (proefschrift) 2014.

2) Seeleman C, Suurmond J, Stronks K. Cultural competence: a conceptual framework for teaching and learning. Med Educ. 2009 Mar;43(3):229-37
Trefwoord: Learning outcomes: Professionalism / attitude / ethics

Wijze van presentatie: Wetenschappelijke paper


Correspondentieadres:

M.C. Seeleman

Academisch Medisch Centrum

Sociale Geneeskunde

Postbus 22660

1100 DD AMSTERDAM

E-mail: m.c.seeleman@amc.uva.nl

E1.4 / Zaal 522
Evidence-based practice in logopedische stages: studenten aan het woord
Spek BS1, Wijkamp JSW2, Dijk NVD van1

1Academisch Medisch Centrum, Universiteit van Amsterdam, 2Hanze University of Applied Sciences
Probleemstelling

Evidence-based practice (EBP) is betrekkelijk nieuw in het professioneel logopedisch handelen. Stagebegeleiders in het werkveld zijn hier veelal niet of weinig in geschoold. Zij vinden EBP vaak ingewikkeld en tijdrovend. Logopediestudenten wordt geleerd dat zij hun beslissingen, waar mogelijk, nemen op basis van wetenschappelijke evidentie ook gedurende hun stage. Bij de ontwikkeling van professioneel handelen spelen rolmodellen uit het werkveld een belangrijke rol (1,2). Gedurende de stages zullen de logopedisten in het werkveld deze rol, ook met betrekking tot EBP, vervullen. Vraagstelling voor dit onderzoek is hoe stagebeleiders deze rol, volgens studenten, vervullen en hoe deze rolinvulling het gedrag van studenten beïnvloedt.

Methode

Kwalitatief onderzoek met focusgroepen, uitgevoerd op de Opleiding Logopedie van de Hanzehogeschool. Alle studenten die stage liepen, is gevraagd te participeren. De vijf focusgroepsessies duurden zestig minuten en werden gepland rondom de zogenaamde terugkomactiviteiten. Transcripties zijn door de onderzoekers onafhankelijk van elkaar geanalyseerd, volgens Grounded Theory. Codes en categorieën zijn vervolgens vergeleken, besproken en aangepast in een iteratief proces.



Resultaten

Er zijn vier focusgroepsessies gehouden met studenten, en een focusgroepsessie met stagebegeleiders. Studenten geven aan met een focus op EBP het werkveld in te gaan: “in het begin kwam ik echt met die termen binnen, want we [3DOTS].helemaal ondergesneeuwd met EBP”. Studenten verwachten EBP duidelijk te zien, met name het maken van PICO-vragen en zoeken naar evidentie. In de logopedische praktijk blijkt het anders te gaan dan door hen verwacht. Dit leidt tot onzekerheid en frustratie: “ik kreeg de indruk dat ze er niet echt om zaten te springen”en “..ik denk[3DOTS] zoek gewoon de beste evidentie voor de patiënt in plaats van zo te beginnen[3DOTS]ja dat stoort mij wel”. Studenten reageren verschillend op wat zij ervaren als een gebrek aan EBP. Sommige studenten nemen dit zoals het is, en passen hun handelen aan bij deze cultuur: “mijn begeleidster doet het prima dus dan denk ik van okee en dan ga ik het mezelf niet moeilijk maken”. Anderen reageren teleurgesteld: “ik vind het belangrijk dat ik wetenschappelijk correct handel, dat ik het kan verantwoorden naar ouders en derden toe. Dat kan ik dus nu niet”.

Discussie

Het evidence-based handelen dat studenten verwachten te zien bij hun stagebegeleiders is sterk gekleurd door ervaringen uit het reguliere curriculum. Daarin ligt de focus op het verwerven van EBP-concepten en -vaardigheden. Studenten ervaren een gebrek aan EBP tijdens stages, hetgeen soms leidt tot een actieve identificatie met deze cultuur. Dit staat in contrast met doelstellingen van de opleiding. In een EBP-curriculum moet er daarom expliciet aandacht zijn aan scheppen van een meer realistisch beeld van EBP in de dagelijkse praktijk.

Referenties

1.Shuval JT & Adler I. (1980). The role of models in professional socialization.

2.Cruess SR, Cruess RL & Steinert Y. (2008). Role modeling-making the most of a powerful teaching strategy. BMJ, 336:718-721.
Trefwoord: Learning outcomes: Reflection / Critical thinking / decision-making / clinical reasoning

Wijze van presentatie: Wetenschappelijke paper


Correspondentieadres:

B.S. Spek

Academisch Medisch Centrum

Klinische Epidemiologie, Biostatistiek en Bioinformatica

Postbus 22660

1100 DD AMSTERDAM

E-mail: b.spek@amc.uva.nl

E2.1 / Zaal 525
Professioneel gedrag in e-mailverkeer: wat beschouwen studenten en docenten als gepast in e-mailverkeer?
Barnhoorn PC, Eekman MM, Beaufort AJ

LUMC
Introductie

E-mail is een onmisbaar communicatie middel. In de geneeskundeopleidingen e-mailen studenten en docenten intensief met elkaar. Patiënten en hun behandeld artsen maken in toenemende mate gebruik van e-mail als communicatiemiddel. Daar de student van vandaag de dokter van morgen is, zijn richtlijnen voor het professioneel gebruik van e-mail van belang. Echter, deze richtlijnen ontbreken tot op heden. Ook de literatuur op dit gebied is onvoldoende om tot richtlijnen te kunnen komen. Het doel van deze studie is om in kaart te brengen wat studenten en docenten (on)professioneel e-mail gebruik vinden.

Methoden


In het LUMC hebben we docenten verzocht opmerkelijke (on)professionele e-mails van studenten geanonimiseerd aan te leveren. Uit deze lijst van e-mails is met behulp van een groep studenten en docenten een lijst van 15 representatieve e-mails opgesteld die de range van zeer professioneel tot zeer onprofessioneel gelijkmatig bestrijkten. Deze 15 casus zijn via een elektronische vragenlijst voorgelegd aan studenten (n=2469) en docenten (n=366) met de vraag elk van de 15 casus van een oordeel te voorzien op een 4-puntschaal ((van zeer professioneel tot zeer onprofessioneel). Dit oordeel betrof het e-mailbericht in het algemeen, op vorm en op inhoud. T.b.v. de statistische analyse is gebruik gemaakt van SPSS.

Resultaten

552 studenten (22%) en 85 docenten (23%) vulden de enquête in. In 22 gevallen werd een significant verschil gevonden tussen docenten en studenten in de beoordeling van de e-mail op algemeen oordeel, vorm of inhoud. Vijftien keer beoordeelden de docenten het e-mailbericht (‘algemeen, vorm, inhoud’) significant onprofessioneler dan de studenten. In geval van een significante verschil met betrekking tot de vorm was het bericht naar de mening van de docent altijd onprofessioneler dan naar mening van de student. Met betrekking tot de inhoud van de e-mails kwalificeerden docenten 3 e-mails onprofessioneler dan de studenten; in 4 andere e-mails was het studentoordeel strenger dan de docent, in de overige 8 e-mails was er geen verschil tussen docent en student oordeel.

Conclusie en discussie

Deze studie is de eerste die professioneel gedrag in e-mail bij studenten en docenten analyseert. De belangrijkste uitkomst is dat docenten email vaker als onprofessioneel kwalificeren. Het verschil in beoordeling betreft met name de beoordeling van de vorm.

Deze resultaten suggereren dat studenten er goed aan doen (ook) zorgvuldig op de vorm van hun email aan de docent te letten alvorens op de ‘zend’ knop te drukken.


Trefwoorden: Learning outcomes: Professionalism / attitude / ethics, Students/Trainees: Characteristics, Teachers/Trainers: Professionalism/scholarship

Wijze van presentatie: Paper


Correspondentieadres:

P.C. Barnhoorn

LUMC

PHEG


Postbus 9600 zone V0-P

2300 RC LEIDEN

E-mail: P.C.Barnhoorn@lumc.nl

1   ...   16   17   18   19   20   21   22   23   24

  • D16 / Zaal 404
  • Blok E E1.1 / Zaal 522
  • E1.2 / Zaal 522
  • E1.3 / Zaal 522
  • E1.4 / Zaal 522
  • E2.1 / Zaal 525

  • Dovnload 1.15 Mb.