Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Opening congres door dr. Hanke Dekker, hoofdorganisator nvmo congres 2014 10. 10-10. 40 en prof dr. Janke Cohen-Schotanus, voorzitter nvmo 10. 40-10. 45 Welkomstwoord

Dovnload 1.15 Mb.

Opening congres door dr. Hanke Dekker, hoofdorganisator nvmo congres 2014 10. 10-10. 40 en prof dr. Janke Cohen-Schotanus, voorzitter nvmo 10. 40-10. 45 Welkomstwoord



Pagina23/24
Datum04.04.2017
Grootte1.15 Mb.

Dovnload 1.15 Mb.
1   ...   16   17   18   19   20   21   22   23   24

E10.3 / Zaal 558
Resultaten van een HonoursProgramma met verdieping in wetenschappelijk onderzoek
Wijk IJ van1, Boers M1, Holleman C2, Stal MB1, Croiset G1

1VU medisch centrum, 2Vrije Universiteit
Probleemstelling

Talentvolle studenten die extra diepgang en uitdaging zoeken naast de reguliere opleiding, kunnen zich in VUmc aanmelden voor een HonoursProgramma (HP). Het VU-HonoursProgramma start met verbreding van kennis en vaardigheden in interdisciplinaire vakken aan de VU, UvA en AUC. Hierna volgt verdieping van kennis en vaardigheden binnen de eigen faculteit; in VUmc is dit de uitvoering van een eigen wetenschappelijk onderzoek. Het geneeskunde HP (30 EC) start in de bacheloropleiding en wordt afgerond in de masteropleiding. Het doel van deze studie is de resultaten, het rendement en de effectiviteit van dit programma in het stimuleren van de wetenschappelijke activiteit van studenten, te analyseren.

Methode/opzet

HP gegevens van de VU en VUmc van de afgelopen 5 jaar (start 2005-09), met betrekking tot instroom, doorstroom, uitval en wetenschappelijke prestaties (publicaties en start van promotietrajecten) zijn geanalyseerd. Data van studentevaluaties zijn geanalyseerd en gepresenteerd als gemiddelden op een Likert Schaal (1 tot 5). Waar mogelijk en relevant zijn gegevens vergeleken met die van reguliere studenten geneeskunde.

Resultaten

Gemiddeld participeerde 6.7% van de geneeskunde studenten in het HP. Uit evaluaties blijkt dat VU-HP studenten de interdisciplinaire cursussen interessant vinden (gemiddeld 4.2 ten opzichte van 3.9 voor reguliere vakken). Zij zijn tevreden over de docenten (4.1 resp. 3.8) en het interdisciplinaire karakter van de vakken (3.9). De geneeskunde studenten zien de verbredende vakken als een mooie aanvulling op hun geneeskunde curriculum (3.9). In het tweede jaar valt gemiddeld 31% van de geneeskunde studenten af: het programma voldoet niet aan hun verwachtingen of de prestaties in hun reguliere onderwijsprogramma zijn onvoldoende. Na de start van hun onderzoekstraject zijn zij gecommitteerd het programma succesvol af te ronden; het rendement is dan gemiddeld 87%. Na afloop voelt 92% van de studenten zich door het facultaire deel van het HP gestimuleerd om verder te gaan met wetenschappelijk onderzoek en wil 63% een promotietraject starten. De studenten die de laatste 5 jaar het geneeskunde HP afgerond hebben (n=69) publiceerden gezamenlijk (68%) 113 internationale wetenschappelijke artikelen. Van de afgestudeerde studenten is 38% gestart met promotieonderzoek (landelijk 4.5%1). Geneeskunde studenten maken actief deel uit van het Honours Programma Student Council en de HP-studievereniging.

Discussie/Conclusie

Talentvolle geneeskunde studenten kunnen succesvol worden uitgedaagd door een programma met verbreding en extra verdieping in wetenschappelijk onderzoek. Het blijkt moeilijk studenten al in een vroeg stadium te enthousiasmeren en betrouwbaar te selecteren voor dit programma. Het verdiepende deel van het traject stimuleert in hoge mate de wetenschappelijke activiteit van de studenten.

Referenties

1. Capaciteitsrapport 2013, Stichting Capaciteitsorgaan voor medische en tandheelkundige vervolgopleidingen.


Trefwoorden: Learning outcomes: Research, Curriculum: All, Curriculum: Evaluation of curriculum

Wijze van presentatie: Paper


Correspondentieadres:

I.J. van Wijk

VU medisch centrum

Kindergeneeskunde

Kamer 9B85
Postbus 7057

1007 MB AMSTERDAM

E-mail: ij.vanwijk@vumc.nl
E10.4 / Zaal 558
Effectiviteit van een zij-instroomprogramma in het opleiden van geselecteerde studenten tot arts en onderzoeker
Wijk IJ van, Westerhof-Sinke MA, Jansen JA, Lambalgen AA van, Croiset G, Kusurkar RA

VU medisch centrum


Probleemstelling/achtergrond

Talentvolle studenten met een afgeronde research georiënteerde biomedische bacheloropleiding kunnen zich kwalificeren voor een vierjarig zij-instroomprogramma geneeskunde met research profiel in het VUmc. Studenten worden hierin opgeleid tot basisarts met extra focus op translationeel onderzoek. Het eerste, voorbereidende, jaar van dit programma is intensief, bevat alle vakken van het derde bachelorjaar geneeskunde plus vakken van jaar twee en specifieke aandacht voor communicatievaardigheden, lichamelijk onderzoek en klinisch redeneren. Bij aanvang van het tweede jaar van het programma starten deze studenten met extra wetenschappelijk onderwijs en het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek dat mogelijk leidt tot een promotietraject. Het doen van onderzoek kan vervolgens gecombineerd worden met de klinische stages van de masteropleiding van dit zij-instroomprogramma. Het doel van deze studie is tussentijds de resultaten van dit programma te evalueren met betrekking tot de volgende vragen: 1. Is het voorbereidende jaar van dit zij-instroomprogramma studeerbaar? 2. Is het programma effectief in het stimuleren van de wetenschappelijke activiteit van de studenten?

Methode/opzet

Voor de evaluatie van de studeerbaarheid van dit zij-instroomprogramma zijn de studieresultaten van de twee huidige cohorten geanalyseerd (2012-2013, n=21 en 2013-2014, n=24). Daarnaast is een vragenlijst afgenomen onder de studenten van het eerste cohort en hun stagebegeleiders, om de bevindingen van de wetenschappelijke stages en een mogelijke start van een promotieonderzoek te inventariseren.

Resultaten

Alle geselecteerde zij-instroomstudenten 2012-2013 hebben het eerste jaar succesvol afgerond. De studenten vinden de studielast van het eerste jaar hoog, maar nog wel acceptabel (93%). De studenten behaalden in het eerste jaar significant hogere cijfers dan de reguliere geneeskunde studenten (p<0.05). De zij-instroomstudenten 2013-2014 doorlopen het eerste jaar tot op heden op vergelijkbare wijze. De studenten van het eerste cohort zijn de masteropleiding in september 2013 gestart met het uitvoeren van onderzoek, 35% heeft na een half jaar onderzoek al zicht op een promotietraject. Zestig procent van de studenten schrijft een wetenschappelijk artikel voor een internationaal peer-reviewed tijdschrift. Het niveau van de studenten wordt door 85% van de stagebegeleiders beoordeeld als hoger dan het gemiddelde niveau van reguliere geneeskunde studenten.

Discussie/Conclusie

Het blijkt haalbaar voor de geselecteerde studenten het intensieve voorbereidende jaar van het programma succesvol te doorlopen en alle vakken binnen één jaar te behalen. Door de masteropleiding te starten met het onderzoekstraject wordt zij-instroomstudenten de mogelijkheid geboden om al vroeg in de masteropleiding een solide basis te leggen voor een promotietraject. Stagebegeleiders zijn positief over de wetenschappelijke prestaties van de zij-instroomstudenten, de kwaliteit van het werk blijkt onder andere uit de publicaties en de voorgenomen promotietrajecten. De studenten lijken zich in dit programma naar verwachting wetenschappelijk te ontplooien.


Trefwoorden: Curriculum: All, Learning outcomes: Research, Learning outcomes: All

Wijze van presentatie: Paper


Correspondentieadres:

I.J. van Wijk

VU medisch centrum

Kindergeneeskunde

Kamer 9B85
Postbus 7057

1007 MB AMSTERDAM

E-mail: ij.vanwijk@vumc.nl

E11 / Zaal 559
Training bijzondere vaardigheden: communicatie met psychiatrische patiënten
Ang W, Heyde K, Helssen J, Bombeke K

Universiteit Antwerpen


Situering

In de masterjaren van de opleiding geneeskunde aan Universiteit Antwerpen focust het communicatieonderwijs op specifieke competenties en specifieke soorten patiënten. Eén van de uitgebreide modules die we reeds 8 jaar aanbieden, is communicatie met de psychiatrische patiënt. Personen met geestelijke gezondheidsproblemen hebben vaak een slechte fysieke gezondheid zoals diabetes en hart-en-vaatziekten (Sokal et al, 2004). Mede omwille hiervan is het heel belangrijk om deze vaardigheden bij toekomstige (basis)artsen te trainen. Het gaat hierbij oa om communicatie met de depressieve of de psychotische patiënt. De trainingen gebeuren in kleine, vaste groepen telkens met hetzelfde didactisch stramien. Er wordt intensief gewerkt met een vaste simulatiepatiënt en een vaste opleider. Beiden hebben veel ervaring in de geestelijke gezondheidszorg. Elke student werkt met een persoonlijke leeragenda en er is ruimschoots tijd voor feedback en zelfreflectie. Gezien de soms confronterende thema’s (bv bevragen van suïcidegevaar) wordt een zo veilig mogelijk kader gecreëerd. Uit de feedback van de studenten blijken deze lessen een intensieve en interessante leerervaring te zijn.

Doel

In de workshop willen we onze praktijkervaringen delen en toelichten en afstemmen op hoe andere opleidingen werken met deze specifieke thematiek.



Doelgroep

Communicatie-opleiders/ geïnteresseerden in communicatieonderwijs

Opzet workshop

De workshop is ervaringsgericht van opzet en bestaat uit drie delen.

1) skills: Eerst zijn er praktijkoefeningen die ook in de lessen communicatie met psychiatrische patiënten worden gegeven. Met behulp van zowel beeldmateriaal als simulatie oefenen we het herkennen en bespreekbaar maken van psychiatrische problemen.

2) teaching: In het tweede deel wordt een video-opname van een specifieke communicatietraining bekeken en in de groep besproken. Verschillende thema’s komen aan bod: uitdagingen voor de lesgever, omgaan met emoties van studenten, …

3) discussie: In het laatste deel is er ruimte voor vragen en uitwisseling van ervaringen met de deelnemers.

Maximum aantal deelnemers: 15


Referenties

Hengeveld M. & van Balkom, A. Leerboek Psychiatrie, 2009

Lezonni L, Ramanan A, Lee S. Teaching Medical Students about Communicating with Patients with Major Mental Illness. 2006

Silverman J. Teaching and learning Communication Skills, 2005

Van Staveren R. Patiëntgericht communiceren, 2010
Trefwoord: Teaching & learning: Experiential learning

Wijze van presentatie: Workshop


Correspondentieadres:

W. Ang


Universiteit Antwerpen

Universiteitsplein 1

2610 WILRIJK, Belgie

E-mail: winny_ang@hotmail.com



E12.1 / Lamoraalzaal
Digitale toets Kindergeneeskunde voor AIOS
Kornelissen MK, Draaisma JD

Radboud UMC


Achtergrond

Begin 2012 is er door de SCO-Kindergeneeskunde het plan opgevat een formatieve tweejaarlijkse digitale kennistoets af te nemen onder alle 5 jaargangen van de AIOS Kindergeneeskunde. Het doel van de toets is om inzicht te krijgen in hoe de kennis van de desbetreffende AIO zich verhoudt tot de andere AIOS van het cluster of het jaar van de opleiding. De inhoud van de toets is steeds verschillend en sluit aan bij het onderwijs dat het voorafgaande half jaar centraal stond.

Methode / Opzet

De toets bestaat uit 50 meerkeuzevragen. De toetsvragen zijn ontwikkeld door subspecialisten van alle deelnemende Opleidings- en Onderwijsregios. De vragen worden geselecteerd en bewerkt door dr. Jos Draaisma van het Radboud UMC. Nadat de concepttoets is besproken met de Toetsservice van het Radboud UMC, wordt de definitieve selectie gemaakt. Vervolgens worden de vragen ingevoerd in het toetssysteem TestVision.

De ICT- en logistieke ondersteuning wordt verzorgd door het Radboud UMC. Kenmerkend voor de toets is dat elke AIO de toets kan maken op zijn/haar eigen locatie. De toetsafname wordt door de afzonderlijke OORs geregeld. De tijdsspanne waarbinnen de toets kan worden gemaakt is ongeveer 6 weken. Na afloop wordt er door de Toetsservice van het Radboud UMC een itemanalyse gemaakt en op basis daarvan wordt de definitieve uitslag bepaald. De kandidaten ontvangen een certificaat met daarop het percentage goede antwoorden, het gemiddelde percentage van de eigen OOR en het gemiddelde en minimum en maximum van de gehele groep.

Inmiddels zijn er drie toetsmomenten geweest. Winter 2012/2013 (n=117), zomer 2013 (n=223) en winter 2013/2014 (n=249). Vanaf het tweede moment deden alle 8 OORs mee aan de toets. Om de validiteit te toetsen zijn er vanaf het derde moment een controlegroep van 13 kinderartsen en een groep AIOS die geen onderwijs hebben gehad over het onderwerp (OOR-NO) aan de groep toegevoegd.

Resultaten / Ervaringen

De itemanalyses van de afgenomen toetsen laten zien dat de gemiddelde toetsscores van elke OOR niet veel van elkaar verschillen. De gemiddelde toetsscores lopen licht op naarmate men langer in de opleiding zit. De Cronbachs alfa ligt tussen de .60 en de .66. De controlegroepen lieten geen afwijkende scores zien. Na elke toets werd een enquete onder de aios afgenomen. Op basis van deze data werd het format van de toets telkens bijgesteld.

Conclusie / Discussie

Het is mogelijk een digitale landelijke toets te ontwikkelen voor de vervolgopleidingen. Vooralsnog heeft deze toets een formatief karakter. In hoeverre deze toets een summatief karakter dient te krijgen en ingebed dient te worden in “just in time learning op de werkvloer”staat in de NVK ter discussie.


Trefwoorden: Assessment: All, Assessment: Progress test, Medical education: All

Wijze van presentatie: Poster


Correspondentieadres:

M.K. Kornelissen

Radboud UMC

EKO


Gerard van Swietenlaan 4

6500 HB NIJMEGEN

E-mail: michiel.kornelissen@radboudumc.nl
E12.2 / Lamoraalzaal
Toetsen met meerkeuzevragen: de invloed van item-volgorde en -samenstelling op moeilijkheidsgraad en discriminerend vermogen
Latijnhouwers MAHE, Mom SEM, Kirkenier-Sünnen SH, Biert J

Radboud UMC


Probleemstelling/achtergrond

Met de toenemende mogelijkheden voor digitale toetsafnames neemt ook de interesse in het aanleggen van databases met toetsvragen toe. Het ‘trekken’ van toetsvragen uit zo’n itembank, om geautomatiseerd toetsen samen te stellen, lijkt zeer aantrekkelijk. Maar hoe zit het met de gelijkwaardigheid van de toetsen? En hoe functioneren items in verschillende toetsen?

Om hier meer zicht op te krijgen, hebben we als een eerste verkenning retrospectief een analyse uitgevoerd op de toetsresultaten van schriftelijke tentamens waarin meerdere toetsversies met verschillende vraagvolgorde werden gehanteerd.

Methode/Opzet

Om spieken te bemoeilijken, is het bij sommige opleidingen gebruikelijk om van eenzelfde toets meerdere versies met een verschillende vraagvolgorde te gebruiken. Binnen de geneeskunde opleiding van het Radboud UMC maken we hier alleen gebruik van bij het schriftelijk tentamen van de cursus Vaardigheden Acute Geneeskunde. Deze toets bestaat steeds uit 70 meerkeuzevragen, die handmatig worden geselecteerd uit een pool van enkele honderden vragen, die regelmatig wordt bijgewerkt en aangevuld. Er zijn per jaar twee toetsafnames, steeds bij ongeveer de helft van de propedeusestudenten, d.w.z. circa 180 studenten. Er worden per afname drie toetsversies gemaakt waarin dezelfde vragen zijn opgenomen, maar in verschillende volgorde. Deze toetsversies worden random verdeeld over de toetskandidaten.

We hebben de resultaten van deze toetsen uit de afgelopen twee jaar geanalyseerd om antwoord te verkrijgen op de volgende onderzoeksvragen:

Wat is het effect van de verschillende vraagvolgorde op de moeilijkheidsgraad, scoreverdeling en betrouwbaarheid van de toetsversies?

Heeft een verschil in vraagvolgorde effect op de moeilijkheidsgraad en het discriminerend vermogen van afzonderlijke items in de verschillende toetsversies?

Hoe functioneren gelijke items in toetsen met een verschillende itemsamenstelling?

Resultaten en Discussie

De verschillende toetsversies met dezelfde vragen in verschillende volgorde blijken voldoende gelijkwaardig. De vraagvolgorde en de vraagomgeving hebben wel invloed op het functioneren van sommige items. De betekenis en praktische implicaties zullen samen met het publiek worden bediscussieerd.

Referentie

Carlson, J. L. and A. L. Ostrosky (1992). 'Item Sequence and Student Performance on Multiple-Choice Exams: Further Evidence.' Journal of Economic Education 23(3): 232-235.
Trefwoorden: Assessment: Psychometrics, Assessment: Computer-based assessment

Wijze van presentatie: Poster


Correspondentieadres:

M.A.H.E. Latijnhouwers

Radboud UMC

IWOO-EKO


306 IWOO

Postbus 9101

6500 HB NIJMEGEN

E-mail: mieke.latijnhouwers@radboudumc.nl


E12.3 / Lamoraalzaal
Ervaringen met het op grote schaal implementeren van digitaal toetsen en beoordelen in het Universitair Medisch Centrum Utrecht (UMCU)
Manrique M, Haan WI de, Verhulst JE

UMC Utrecht


Achtergrond

“Onbegrensd Leren”is een vier jaar durend programma dat als doel heeft een belangrijke impuls te geven aan de ontwikkeling van blended learning in alle opleidingen die deel uitmaken van het UMCU: Geneeskunde, SUMMA (Selected Utrecht Medical Master), Biomedische Wetenschappen, Klinische Gezondheidswetenschappen en de Verpleegkundige vervolgopleidingen. Digitaal toetsen is één van de belangrijke bouwstenen van blended learning. Het project E-assessment binnen Onbegrensd Leren heeft als doel digitaal toetsen en beoordelen in genoemde opleidingen per 1 januari 2016 (vrijwel) volledig ingevoerd te hebben.

Opzet

De opleidingsdirecteuren hebben streefdoelen geformuleerd voor de ontwikkeling van digitaal toetsen en beoordelen. Deze streefdoelen zijn door de projectmedewerkers vertaald in meerjaren implementatieplannen. Voor de verschillende onderdelen zijn tools gekozen, zoals TestVision Online en Turnitin voor webbased toetsen en beoordelen van papers. Hiervoor zijn toegankelijke handleidingen geschreven. Een team van onderwijskundigen benadert individuele docenten om hen te begeleiden bij de overgang naar digitaal toetsen en beoordelen. De begeleiding varieert van instructie in de gebruikte programma’s, het beoordelen van toetsvragen, het wegwijs maken in het logistieke toetsproces tot het begeleiden van docententeams bij het maken van toetsvragen en rubrics.



Resultaten en ervaringen

Samen met alle betrokkenen is het logistieke proces van digitaal toetsen beschreven. Waar nodig is specifiek beleid voor digitaal toetsen opgesteld dat opgenomen wordt in het OER. De benodigde hardware is aangeschaft om het tegelijkertijd toetsen van 350 studenten mogelijk te maken. Door de onderwijskundige begeleiding maken docenten steeds beter gebruik van de digitale mogelijkheden zoals inzet van formatief toetsen, gebruik van multimedia, en waar mogelijk en wenselijk het vervangen van open vragen door verschillende gesloten vraagtypen. Het online nakijken van beter leesbare open vragen, de directe toetsanalyses na afloop en het online beoordelen van papers leveren docenten tijdwinst op. Evaluaties onder studenten laten zien dat digitaal toetsen nog niet onverdeeld enthousiast wordt ontvangen.

Implicaties voor de praktijk

Alhoewel het invoeren van digitaal toetsen en beoordelen aanzienlijke inspanning vraagt en kostbaar is, vormt het nu een onmisbaar onderdeel van het onderwijs in het UMCU. Voor een succesvolle implementatie is onvoorwaardelijk ondersteuning van het management een must. ‘Leren door te doen’ is een waardevolle aanpak. Gemotiveerde docenten en medewerkers zijn hierbij voorwaarde voor succes.


Trefwoorden: Assessment: Computer-based assessment, Teachers/Trainers: General, Education Management: Change

Wijze van presentatie: Poster


Correspondentieadres:

M. Manrique

UMC Utrecht

Expertisecentrum

Postbus 85500

3508 GA UTRECHT

E-mail: m.manrique@umcutrecht.nl
E12.4 / Lamoraalzaal
Hoeveel toetstijd is nodig?
Popeijus HE, Dijkstra J

Universiteit Maastricht


Probleemstelling/achtergrond

Aangenomen wordt dat de beschikbare hoeveelheid tijd van invloed is op de prestatie van een student op een toets. Behalve dat er voldoende tijd moet zijn op alle opdrachten te kunnen maken, is het onduidelijk wat die invloed precies is. In de literatuur is echter haast geen evidentie te vinden die de rol en invloed van tijd adequaat beschrijft. Er is veel discussie over de vraag hoeveel toetstijd adequaat is en de geldende vuistregel van 1 minuut per meerkeuzevraag, die op verschillende plaatsten wordt teruggevonden, is terug te herleiden naar 1 bron uit 1975 (Mehrens en Lehmann, 1975). Dit is gebaseerd op een schatting van hoeveel tijd nodig is per vraag. Het empirisch onderzochte fundament ontbreekt hierbij. Op basis van ervaringen van verschillende docenten blijkt dat deze vuistregels soms heel goed werkt en vaak ook helemaal niet. In deze studie onderzoeken wij het effect van tijd op de score van de student en geven wij met data onderbouwde richtlijnen voor de benodigde tijd voor een toets(vraag).

Methode/opzet

De computergestuurde casustoets (CCT) wordt in het eerste en tweede jaar van de Master Geneeskunde afgenomen. Het is een key-feature toets, waarbij de vragen uit deze toets zijn gericht op essentiële beslissingen in de casus (denk aan de diagnose, behandeling en in te zetten vervolgonderzoek). De tijd nodig om elke vraag te beantwoorden werd automatisch opgenomen door de computer. Voor nadere analyse zijn de vragen onderverdeeld in verschillende categorieën (onder andere: soort essentiële beslissingen, inhoud en type vraag). Verder werd de moeilijkheid van de vragen onderzocht in relatie tot de score van de studenten. Alle student data zijn volledig anoniem verwerkt.

Resultaten

Onderzocht is de tijd die nodig is om vragen te beantwoorden van verschillende categorieën van vraagtype. Meer tijd is nodig voor het vraagtype “diagnose”in vergelijking met het vraagtype “behandeling”of “vervolgonderzoek”.

Discussie

Gebaseerd op de tijd die nodig is om een bepaalde vraag te beantwoorden is geïnventariseerd wat de gemiddelde benodigde tijd per vraagtype is. Afhankelijk van het doel van de toets kan nu een gefundeerde keuze gemaakt worden hoeveel tijd nodig is voor de toets (in dit geval computergestuurde casustoets). Hieruit volgt dat het te adviseren is de toetstijd die nodig voor casus en vraag type van te voren te analyseren zodat een geargumenteerde toetstijd kan worden bepaald voor het examen.

Referentie

Mehrens, W. A., & Lehmann, I. J. (1975). Standardized tests in education. New York: Holt, Rinehart and Winston.


Trefwoorden: Assessment: General, Assessment: Computer-based assessment

Wijze van presentatie: Poster


Correspondentieadres:

H.E. Popeijus

Universiteit Maastricht

Humane Biologie

Universiteitssingel 50

6200MD MAASTRICHT

E-mail: herman.popeijus@maastrichtuniversity.nl
E12.5 / Lamoraalzaal
Competentie gericht beoordelen in de verpleegkundige beroepspraktijk
Reedeker-van Doorn AF, Ridder JMM van de, Poll E van de

Albert Schweitzer ziekenhuis


Achtergrond

Leren en beoordelen in de praktijk zijn sterk met elkaar verweven. Sinds de invoering van competentiegericht onderwijs is het van belang dat verpleegkundigen een student verpleegkunde in de praktijk aan het werk ziet om hem/haar goed te kunnen beoordelen op vakbekwaamheid. Voor werkbegeleiders uit de beroepspraktijk is een belangrijke rol weggelegd. Zij geven samen met de instellingsdocenten van de scholen aan of de competenties van een student voldoende zijn ontwikkeld en of toetsing kan plaatsvinden.

In het Albert Schweitzer ziekenhuis (ASz) worden jaarlijks 250 HBO- en MBO-studenten uit vier verschillende onderwijsinstellingen opgeleid tot verpleegkundige. Iedere onderwijsinstelling heeft beschreven in een reglement hoe competentiegerichte examinering plaatsvindt en welke instrumenten daarvoor gebruikt worden.

Op de stageafdelingen (verpleegafdelingen) is in het beoordelen een diversiteit aan beoordelingsinstrumenten, beoordelingsprocedures en afnamecondities in omloop. Deze worden verschillend geïnterpreteerd door studenten, werkbegeleiders, instellingsdocenten en opleidingsfunctionarissen. Dit leidt regelmatig tot ongewenste situaties en bezwarenprocedures. Studenten vertellen elkaar bij welke verpleegkundige of afdeling je ‘makkelijk’ kunt toetsen en bij wie je vooral niet moet zijn.

Probleemstelling

Het ASz wil de kwaliteit van beoordelen verhogen en eenduidigheid bewerkstelligen. Wat is er nodig om de examenomstandigheden op alle stageafdelingen éénduidig in te richten, zodat er competentiegericht getoetst kan worden?

Ervaringen

Een eerste probleemanalyse met behulp van de 5xW+H-formule[1] is uitgevoerd. Daaruit blijkt oa. dat de toepassing en interpretatie op de werkplek verschillend is. Dit geldt voor studenten, werkbegeleiders en docenten. De praktijk zal onderzocht worden met behulp van het competentie-assessment wiel van Baartman (2008)[2]. Paula Willemse en Nadine Denissen (2012) hebben het model van Baartman terug gebracht naar vier clusters: validiteit, betrouwbaarheid, transparantie en uitvoerbaarheid. Er zullen diepte interviews gehouden worden op 5 stageafdelingen bij studenten, werkbegeleiders, docenten van onderwijsinstellingen, opleidingsadviseurs en afdelingshoofden.

Implicatie voor de praktijk

Vervolgonderzoek verdient de volle aandacht naar aanleiding van de aanbevelingen. In 2015 moet er beleid zijn over begeleiden en beoordelen in de beroepspraktijk van het ASz. Hierbij moet bij voortduur aansluiting gezocht worden met de medisch specialistische opleidingen.

Referenties

[1] Athanassiou, T. (2014). Takis Athanassiou Leadership Initiative. Opgeroepen op april 17, 2014, van takisathanassiou.com: http://takisathanassiou.com/the-5w1h-productivity-formula/

[2] Baartman, A. D. (2011, maart). Open Universiteit. Opgeroepen op april 17, 2014, van ou.nl: http://www.ou.nl/documents/10815/82460a3b-ed92-413d-81cc-36f6462ee2ff
Trefwoord: Students/Trainees: All
Wijze van presentatie: Poster
Correspondentieadres:

A.F. Reedeker-van Doorn

Albert Schweitzer ziekenhuis

Leerhuis


Albert Schweitzerplaats 25

3300AK DORDRECHT

E-mail: l.reedeker@asz.nl

1   ...   16   17   18   19   20   21   22   23   24

  • E10.4 / Zaal 558
  • E11 / Zaal 559
  • E12.1 / Lamoraalzaal
  • E12.2 / Lamoraalzaal
  • E12.3 / Lamoraalzaal
  • E12.4 / Lamoraalzaal
  • E12.5 / Lamoraalzaal

  • Dovnload 1.15 Mb.