Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Opening congres door dr. Hanke Dekker, hoofdorganisator nvmo congres 2014 10. 10-10. 40 en prof dr. Janke Cohen-Schotanus, voorzitter nvmo 10. 40-10. 45 Welkomstwoord

Dovnload 1.15 Mb.

Opening congres door dr. Hanke Dekker, hoofdorganisator nvmo congres 2014 10. 10-10. 40 en prof dr. Janke Cohen-Schotanus, voorzitter nvmo 10. 40-10. 45 Welkomstwoord



Pagina4/24
Datum04.04.2017
Grootte1.15 Mb.

Dovnload 1.15 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   24

A9.3 / Zaal 537

De implementatie van een online leermodule urologie: impact op de leerprestaties en de houding van studenten van de basisopleiding geneeskunde


Jonghe L de, Bosselaers K, Ridder D de

KU Leuven


Achtergrond

Het belang van e-learning is de voorbije jaren sterk toegenomen in het hoger onderwijs. In grote studentengroepen is het niet steeds vanzelfsprekend om feedback te geven, maar kan dit in een interactieve module ingebouwd worden. Docenten van de masteropleiding geneeskunde aan de KU Leuven zagen de implementatie van een online leermodule als middel om de verwerving van klinische kennis en vaardigheden van studenten verder te stimuleren.

Methode

In een experimenteel onderzoek werd de bruikbaarheid van een LUTS (Lower Urinary Tract Symptoms) leermodule getest bij 58 studenten uit het tweede masterjaar van de basisopleiding geneeskunde. Voor aanvang van het experiment werd bij alle studenten een pretest afgenomen om te peilen naar hun voorkennis van urologische pathologieën. Vervolgens werden de studenten willekeurig verdeeld over een experimentele en een controle groep. De experimentele groep kreeg 40 minuten toegang tot de online module met daarbij feedback over de door hen genomen klinische beslissingen (inzake o.a. anamnese, beleid, onderzoek). Bovendien konden zij studiemateriaal met theoretische achtergrond bij de casussen raadplegen. De controle groep kreeg gedurende 40 minuten enkel het studiemateriaal uit de leermodule aangeboden. Nadien werd bij beide groepen een posttest bestaande uit 2 urologische casussen afgenomen. Om de houding van de studenten ten aanzien van de leermodule te meten werd gebruik gemaakt van een bestaande, gevalideerde vragenlijst gebaseerd op het Technology Acceptance Model (TAM) (Davis, 1989).



Resultaten

Uit een ANOVA analyse bleek dat er geen significante invloed is van de groep (experimenteel/controle) op de gemiddelde score op de verschillende onderdelen van de toets. In de TAM vragenlijst scoorden studenten uit de experimentele groep echter significant hoger wat betreft houding ten aanzien van de module (Experimenteel: gem. 6,2 +- 0,86; Controle: 5,2 +- 1,42) en gebruikersgemak van de module (Experimenteel: gem. 6,03 +- 1,10; Controle: 5,47 +- 1,37). Er werden geen significante verschillen gemeten op basis van geslacht of leeftijd.

Discussie

We kunnen besluiten dat studenten positiever stonden ten aanzien van de online leermodule en deze ook gebruiksvriendelijker vonden dan de papieren module, hoewel er geen significant verschillend leereffect werd gemeten. Mogelijks bracht het doornemen van het gestructureerde studiemateriaal uit de leermodule door de controlegroep een leereffect teweeg gelijkaardig aan dit van de experimentele groep. De duur waarbinnen de studenten werden blootgesteld aan de leermodule was daarenboven beperkt. In vervolgonderzoek willen we een vergelijkende studie uitvoeren tussen de e-module en ex cathedra onderwijs en willen we nagaan of de leermodule kan uitgebreid worden naar andere domeinen binnen de urologie.

Davis, F. D. (1989), 'Perceived usefulness, perceived ease of use, and user acceptance of information technology', MIS Quarterly, 13(3): 319-340
Trefwoorden: Teaching & learning: e-learning/computers, Learning outcomes: Reflection / Critical thinking / decision-making / clinical reasoning, Teaching & learning: Independent learning

Wijze van presentatie: Paper


Correspondentieadres:

L. de Jonghe

KU Leuven

Herestraat 49

3000 LEUVEN

België


E-mail: lisa.dejonghe@med.kuleuven.be

A9.4 / Zaal 537
Serious Game Bloom, een trainings/cultuur programma om patiëntgerichtheid te bevorderen onder medische en andere zorgprofessionals in ziekenhuizen
Vlugter MV

Jeroen Bosch Ziekenhuis


Probleemstelling

In het kader van een programma Patiëntgerichtheid werd gezocht naar een positieve en inspirerende ziekenhuisbrede interventie om zowel de lerende als de zittende zorgprofessionals met elkaar in gesprek te brengen over dit thema en een leerervaring aan te bieden. De oplossing werd gezocht in een zg. Serious Game. Dit is een methode waarbij het behalen van serieuze doelstellingen voorop staat, maar wel op een speelse en uitdagende manier.

Opzet

Met inzet van zorgprofessionals, ondersteund door een professionele game ontwerper werden scripts en een interactieve webomgeving geconstrueerd.



Gedurende drie weken strijden 9 interdisciplinaire teams van elk 8 deelnemers tegen elkaar om te laten zien hoe patiëntgericht zij zijn. Een team is gemengd samengesteld uit artsen (aios/medisch specialisten), (student)verpleegkundigen, poliklinisch/paramedische medewerkers en medewerkers van stafafdelingen. Zij voeren diverse opdrachten uit op het gebied van patiëntgerichtheid, zowel digitaal als fysiek tijdens zelf in te plannen, contact momenten. Ze moeten hun eigen samenwerking organiseren.

Hoe beter ze dit doen, des te groter de kans op winst. Centraal staat dat iedere patiënt eigen ‘agendapunten’ heeft, waarvan de herkenning en erkenning relevant is voor de ziekenhuisbeleving (ontleend aan de presentietheorie van Andries Baart). De gedachte is dat patiëntgerichtheid niet ‘top down’ kan worden ingevoerd, maar volgens ‘collegiale zelfregulering’ en door ‘leren in interactie’ verbeterd kan worden. Leren van en met elkaar. Door je in te leven in patiënten, en door patiënten te spelen, leer je meer dan uit een boek. Na drie weken selecteert elk team zijn eigen opvolgers. Deelname is niet ‘moeten’ maar ‘mogen’. Door het estafette principe houden medewerkers zelf het leren aan de gang, en hoef je als organisatie niet te trekken en te duwen.

Resultaten

Uit de evaluatie van de eerste groep blijkt dat de meerderheid Bloom een geschikte interventie vindt om patiëntgerichtheid en samenwerking tussen beroepsgroepen en afdelingen te verbeteren. Een ruime meerderheid geeft aan dat de eigen patiëntgerichtheid verbeterd is en dat men meer reflecteert op patiëntgericht handelen. Er is een toegenomen besef dat aandacht voor de opgaven (agendapunten) van de patiënt van belang is. Onverwachte 'bijvangst' vormde volgens deelnemers de toename van begrip over het werk en de opvattingen van andere zorgprofessionals, door het ongewone samenwerkingsband.

Discussie

Bloom is een innovatieve en efficiënte methode om een patiëntgerichte cultuur te bevorderen in een ziekenhuis. In korte tijd worden grote groepen medewerkers bereikt, zonder dat dit tot verstoring van de productie leidt. De opzet van de methode is zodanig dat de game makkelijk overdraagbaar is naar andere ziekenhuizen. De positieve insteek, het estafette principe, de collegiale zelfregulering en leren door interactie zijn de belangrijkste succesfactoren.


Trefwoorden: Teaching & learning: Games, Learning outcomes: Communication skills, Education management: Institutional mission

Wijze van presentatie: Paper


Correspondentieadres:

M.V. Vlugter

Jeroen Bosch Ziekenhuis

Jeroen Bosch Academie

Postbus 90153

5200ME DEN BOSCH

E-mail: m.vlugter@jbz.nl

A10 / Zaal 558
Interactie over geobserveerde tekortkomingen in het medisch handelen tijdens het leren op de werkplek
Dijk N van, Snijders Blok BM, Post CE van der

Academisch Medisch Centrum, Universiteit van Amsterdam


Leren door observeren van opleiders op de werkplek, en, idealiter, het spreken over de achtergronden van die observaties, is binnen het medisch opleidingscontinuum nog steeds een belangrijk leerprincipe. Studenten en aios kijken mee met hun opleiders in de dagelijkse klinische praktijk en leren van hen de kunst en kunde van het vak.

Bijvoorbeeld tijdens intervisie sessies, maar ook daarbuiten, komt helaas ook soms naar voren dat de student of aios gedragingen observeert van de opleider die hij/zij niet passend of zelfs onjuist vindt. Onder collega's is de richtlijn dat deze observaties in eerste instantie met de betreffende collega besproken worden. Voor studenten en aios geldt echter dat zij in een meer afhankelijke positie zijn ten opzichte van hun opleider. Hierdoor kan het bespreken van gebreken in het medisch handelen met de opleider als moeilijker ervaren worden, zeker indien dit ernstige incidenten betreft. De vraag is welke acties het opleidingsintituut vervolgens moet of kan ondernemen naar aanleiding van deze incidenten en welke effecten deze interventies kunnen hebben op de studenten/aios, docenten, opleiders en het opleidingsinstituut.

Recent was onze afdeling betrokken bij een dergelijke casus met buitengewoon droevige afloop voor alle betrokkenen. Deze casus heeft ons opnieuw laten kijken naar onze handelswijze bij dergelijke incidenten, de literatuur en wetgeving hierover, en de invloed op de direct betrokken, maar ook op de niet direct betrokkenen. In deze rondetafelsessie spreken we met u, kijkend vanuit verschillende perspectieven, over:

- onze en uw ervaringen en leerpunten wbt dergelijke casuistiek,

- de beschikbare literatuur over dit onderwerp,

- de manieren waarop je als opleidingsinstituut om kunt gaan met geobserveerde tekortkomen in het medisch handelen en de motivaties voor keuzes daarin

- de effecten van de keuzes op de betrokkenen bij de opleiding.

Als uitkomst van de sessie hopen we tot een gezamenlijk advies te komen over:

1) hoe studenten en aios kunnen omgaan met geobserveerde tekortkomingen in de zorg tijdens het leren op de werkplek, en

2) hoe we studenten, aios en opleiders hierbij als opleidingsinstituten maximaal kunnen ondersteunen.


Trefwoord: Learning outcomes: Patient safety / errors

Wijze van presentatie: Rondetafelsessie


Correspondentieadres:

N. van Dijk

Academisch Medisch Centrum

Huisartsopleiding

Meibergdreef 9

1105AZ AMSTERDAM

E-mail: n.vandijk@amc.uva.nl

A11 / Zaal 559

Tien manieren om feedback te geven


Fluit CMRG, Voorn T

Radboud UMC

Thema

Feedback is een van de krachtige leermiddelen die we kennen. Bij de vernieuwing van de medische opleidingen heeft dit dan ook veel nadruk gekregen. Er zijn veel manieren om feedback te geven, een van de meest bekende binnen het medische domein zijn de Pendleton rules. Deze wordt een vaak in workshops met opleiders geoefend. Toch komen er ook steeds meer vragen of deze methodiek wel zo geschikt is en altijd toepasbaar is voor elke situatie.



Doel

De deelnemer kan het begrip feedback nader toelichten en verwoorden wat onder effectieve feedback wordt verstaan. Middels oefeningen ervaart de deelnemer de impact van de gekozen methodiek om feedback te geven en de invloed van verschillende factoren bij het geven en ontvangen van feedback.

Doelgroep

Iedereen die feedback geeft en/of krijgt en het repertoire om feedback te geven wil uitbreiden

Opzet

Deelnemers gaan gelijk aan de slag met oefeningen in het feedback geven en ontvangen. In elke oefening wordt steeds een andere manier van feedback geven geoefend waarbij er steeds aandacht is voor de volgende zes aspecten: (1) de feedbackgever, (2) de feedbackontvanger, (3) de focus van de feedback, (4) inhoud van de feedback, (5) contextuele factoren en (6) de relatie tussen gever en ontvanger. Tot slot vindt een gezamenlijke kritische reflectie plaats.



Maximum aantal deelnemers 25 personen
Trefwoorden: Assessment: Feedback, Learning outcomes: Teaching skills, Teachers/Trainers: Faculty/Staff development

Wijze van presentatie: Workshop


Correspondentieadres:

C.R.M.G. Fluit

Radboud UMC

IWOO 306


Postbus 9101

6500HB NIJMEGEN

E-mail: lia.fluit@radboudumc.nl
A12.1 / Lamoraalzaal
Eindtermeninventarisatie als instrument voor herziening van de bacheloropleiding
Boer M de, Spaai GWG, Verheijck EE, Smits PBA, Vries IM de, Jaarsma ADC

Academisch Medisch Centrum, Universiteit van Amsterdam


Probleemstelling

In het Raamplan artsopleiding 2009 staan de landelijke eindtermen beschreven voor een beginnend arts (Van Herwaarden e.a., 2009). Voor de bacheloropleiding geneeskunde zijn eindtermen gedefinieerd die gelden als minimumpakket voor de afgestudeerde bachelor.

In het AMC werd met het oog op een aanstaande bachelorherziening een curriculumanalyse uitgevoerd als onderdeel van het zes stappenmodel voor curriculumontwikkeling van Kern (2010). Doel van deze analyse is tweeledig:

1) Het beschrijven waar in het bachelorcurriculum geneeskunde van het AMC eindtermen uit het Raamplan artsopleiding 2009 aangeboden en getoetst worden;

2) Het identificeren van mogelijke hiaten en positieve aanknopingspunten die als input kunnen dienen voor de bachelorherziening.

Methode


Om tot een goede beschrijving van de plek van de eindtermen in het bachelorcurriculum geneeskunde AMC te komen, is eerst geïnventariseerd op welke wijze de Nederlandse geneeskundeopleidingen de eindtermen in het onderwijsprogramma borgen. Op basis van deze inventarisatie voor de beschrijving van de plaats en frequentie van het voorkomen van de eindtermen in het curriculum is gekozen voor een matrix structuur. De matrix is met behulp van een standaard protocol door de coördinatoren van alle bachelorcurriculumonderdelen samen met een onderwijskundige ingevuld. Bij de eindtermen werd gebruik gemaakt van de niveauaanduiding: 1) komt niet aan bod; 2) komt wel aan bod maar wordt niet getoetst; 3) komt aan bod én wordt getoetst. De competenties hebben een eigen niveauduiding conform Raamplan.

Resultaten

1) Alle ‘Eindtermen bacheloropleiding uit het Raamplan artsopleiding 2009’ worden in het bachelorcurriculum geneeskunde van het AMC aangeboden en getoetst. De eindtermen statistiek, academische vaardigheden, organisatie van de gezondheidszorg en spoedeisende hulp worden slechts één maal getoetst.

2) Voor de Competenties, bleek dat de Medische Deskundige veel en de Samenwerker niet/nauwelijks aan bod te komen.

3) Vaardigheden en ‘Onderwerpen basisvakken’ worden beperkt getoetst.

4) Alle ‘Vraagstukken rondom gezondheid en ziekte’ komen aan de orde.

Conclusie

Alle ‘Eindtermen bachelor van het Raamplan artsopleiding 2009’ worden in het bachelorcurriculum geneeskunde van het AMC aangeboden en getoetst. Een aantal competenties krijgen weinig aandacht; onderwerpen basisvakken en vaardigheden worden beperkt getoetst.

Discussie

Welke competenties moet je op welk niveau terug laten komen in de bacheloropleiding en hoe organiseer je dat specifiek voor de rol ‘samenwerker’?

Literatuur

Herwaarden C.L.A., Laan R.F.J.M. & Leunissen R.R.M. (2009). Raamplan artsopleiding 2009.

Kern, D. E., Thomas, P. A., & Hughes, M. T. (Eds.). (2010). Curriculum development for medical education: a six-step approach. JHU Press.
Trefwoorden: Curriculum: Core, Curriculum: Evaluation of curriculum, Curriculum: Outcome/competency-based

Wijze van presentatie: Poster


Correspondentieadres:

M. de Boer m.i.v. 1 september 2014:

Academisch Medisch Centrum Universiteit Utrecht

Center for Evidence-Based Education Onderwijsadvies en –training

Postbus 22660 Postbus 80140

1100 DD AMSTERDAM 3508 TC UTRECHT


E-mail: mailmaartendeboer@gmail.com
A12.2 / Lamoraalzaal
De bachelor-masterstructuur: onbenut of onnodig?
Butter RB, Michael RM

KNMG Studentenplatform


Probleemstelling

De bachelor-masterstructuur in de geneeskunde zou studenten de mogelijkheid moeten bieden om gemakkelijk de master geneeskunde aan een andere universiteit te doen, of om een andere master dan geneeskunde te kiezen. Het KNMG Studentenplatform onderzocht of de mogelijkheden van de bachelor-masterstructuur benut worden door geneeskundestudenten.

Methoden

In november 2013 werden 14570 studentleden van de KNMG per e-mail gevraagd een enquête in te vullen over diverse onderwerpen, waaronder de bachelor-masterstructuur. Aan bachelorstudenten werd gevraagd of zij een master geneeskunde aan een ander universiteit willen volgen. Ook werd gevraagd of zij een andere master dan geneeskunde overwegen. Aan masterstudenten werd gevraagd of zij de bachelor geneeskunde aan een andere universiteit hadden gevolgd. Daarnaast vroegen we aan masterstudenten of zij achteraf hadden willen overstappen naar een andere universiteit voor de master geneeskunde. Aan alle studenten werd gevraagd of zij door de universiteit geïnformeerd waren over de mogelijkheden van de bachelor-masterstructuur. De data werden geanalyseerd met behulp van SPSS, versie 21. Hiervoor werd crosstabulation gebruikt.

Resultaten

2739 studenten hebben de enquête ingevuld (responspercentage: 18.8%). Van alle ondervraagde bachelorstudenten wil 7.4% (n=85) overstappen naar een master geneeskunde aan een andere universiteit en 13.5% (n=155) van de bachelorstudenten overweegt om over te stappen. Het percentage masterstudenten dat de opleiding aan een andere universiteit volgt dan waar zij de bachelor volgden is 0,4% (n=6). Het percentage masterstudenten dat na de bachelor niet is overgestapt, maar dit wel graag had gewild is 8.2% (n=125).

Bachelorstudenten die de master geneeskunde aan een andere universiteit willen doen en ook al weten naar welke universiteit ze willen, kiezen het vaakst voor de Universiteit van Amsterdam (n=17 ). Masterstudenten die achteraf hadden willen overstappen, geven de voorkeur aan de Universiteit Utrecht (n=38) of de Universiteit van Amsterdam (UvA) (n=32). Van alle bachelorstudenten overweegt 5,4% (n=62) een andere master dan geneeskunde te gaan doen. Van de derdejaars bachelorstudenten zegt 5.4% (n=22) door de faculteit geïnformeerd te zijn over de mogelijkheid tot het volgen van de master geneeskunde aan een andere universiteit en 7.7% (n=31) zegt geïnformeerd te zijn over het volgen van een andere master dan geneeskunde.

Conclusie en discussie

Onder een deel van de bachelorstudenten (7,4%) en masterstudenten (8,2%) blijkt de behoefte te bestaan om over te stappen naar de master geneeskunde aan een andere universiteit. Hierbij moet de kanttekening geplaatst worden dat de vraag achteraf gesteld is aan masterstudenten. Het aantal studenten dat daadwerkelijk overstapt is klein: dit komt waarschijnlijk doordat het vaak niet mogelijk is om over te stappen. Daarmee lijkt de ingevoerde bachelor-masterstructuur voor geneeskunde onbenut en misschien onnodig.
Trefwoorden: Curriculum: Evaluation of curriculum, Students/Trainees: General, Medical education: General

Wijze van presentatie: Poster


Correspondentieadres:

R.B. Butter


KNMG Studentenplatform

Singel 297H

1012WH AMSTERDAM

E-mail: rbutter@outlook.com



A12.3 / Lamoraalzaal
Palliatieve zorg, is het themagericht trainen op competenties effectiever?
Leede BJA de, Linden YM van der, Riedstra AM

LUMC
Probleemstelling/ achtergrond

De insteek van het discipline overstijgend onderwijs binnen de OOR Leiden wordt momenteel veranderd. Vanuit gerichtheid op één competentie wordt de focus verlegd naar een zorggericht thema waarbinnen meerdere competenties in een multidisciplinair kader worden benaderd. Het verlenen van goede zorg aan patiënten in de palliatieve fase is een complex thema. Het palliatief advies team (LUMC) constateerde dat AIOS onvoldoende toegerust waren om deze deels generalistische, deel specialistische zorg te bieden. Vanuit casuïstiek bleek dat er zowel op inhoudelijke medische expertise en tevens op het gebied van de competenties communicatie, samenwerking en organisatie scholing noodzakelijk was.

Opzet


Voor de aios is een trainingsprogramma ontwikkeld waarbij efficiëntie en een optimale transfer naar de praktijk. Het programma bestaat uit drie cursusdagdelen (1x per maand) die elk bestaan uit een voorbereidende e-learningmodule gevolgd door een face to face bijeenkomst, met daarin zowel kennisoverdracht, oefeningen en simulaties, en reflecterende opdrachten. Doel van de e-learningmodule is het basiskennisniveau van de deelnemers gelijk te trekken om tijdens de bijeenkomsten vanuit een gelijk kennisniveau te kunnen focussen op de toepassing in de praktijk. Op deze manier kan de face tot face tijd nuttiger besteed worden voor het oefenen van vaardigheden, probleembespreking en reflectie. Het docententeam bestaat uit artsen uit 1e en 2e lijn, verpleegkundig specialisten, geestelijk vertegenwoordigers en psychologen.

Resultaten

De pilot is systematisch geëvalueerd. Over het algemeen waren de AIOS vanuit verschillende disciplines positief over de e-learning, de inhoud van de cursus en de toepasbaarheid voor de praktijk (score 4.5 op Likertscale 1-5).Kritische kanttekeningen en aanbevelingen waren er o.a. over de tijdsinvestering van de e-learning als voorbereiding op de cursus. Er was een hoge waardering voor de integratie van kennis en toepassing binnen de dagdelen en meerwaarde van de multidisciplinaire aanpak.

Discussie implicaties voor de praktijk

Een integratie van e-learning gecombineerd met face to face bijeenkomsten is een efficiënte methode om aios te scholen in een complex onderwerp als palliatieve zorg dat diverse competenties omvat. De transfer naar de werkvloer van de niet-medische competenties communicatie en samenwerking lijkt groter wanneer dit aan een zorginhoudelijk praktijkgericht thema gekoppeld wordt dan wanneer een scholing alleen op zo’n competentie gericht is.
Trefwoorden: Curriculum: Outcome/competency-based, Learning outcomes: All, Medical education: Postgraduate education

Wijze van presentatie: Poster


Correspondentieadres:

B.J.A. de Leede

LUMC

DOO/OEC


Postbus 9600

2300 RC LEIDEN

E-mail: b.j.a.de_leede@lumc.nl
A12.4 / Lamoraalzaal
Van nieuwe evidence naar onderwijs: belemmeringen en mogelijkheden bij de implementatie
Meinema JG, Dijk N van, Visser MRM, Jaarsma ADC

Academisch Medisch Centrum, Universiteit van Amsterdam


Probleemstelling/achtergrond

Overdracht van kennis, vergroten van inzicht en aanleren van vaardigheden zijn de belangrijkste doelstellingen bij het geven van onderwijs. Van belang is dat de nieuwste ontwikkelingen, ofwel nieuwe evidence, vroegtijdig en adequaat terecht komt bij de juiste doelgroep. Naar implementatie van nieuwe evidence in de klinische praktijk is al veel onderzoek gedaan; onderzoekers zoals Grol et al, hebben zich bezig gehouden met de verschillende manieren en strategieën van implementatie in de medische praktijk en richtlijnen. [1] Binnen onderwijs is echter nog weinig/tot geen onderzoek gedaan naar de manier waarop nieuwe evidence geïmplementeerd wordt. Waaraan het zou kunnen liggen dat relevant onderzoek al dan niet wordt geïmplementeerd in onderwijs, wordt in deze studie onderzocht.

Als casus wordt een cursus over cultuursensitieve voorlichting bij POH gebruikt. De cursus is gebaseerd op onderzoek(sresultaten) van Beune et al., naar effectief gebleken cultuursensitive voorlichting aan patiënten met hoge bloeddruk. [2] Om meer inzicht te krijgen in of, hoe en wanneer implementatie van nieuw evidence - in dit specifieke geval ‘cultuursensitieve voorlichting - plaatsvindt, wordt in dit kwalitatieve onderzoek geëxploreerd wat maakt dat nieuw evidence al dan niet wordt opgenomen in het onderwijs voor praktijkondersteuners

Methode/opzet

Dertien Nederlandse Hbo-opleidingen die een traject aanbieden voor de opleiding tot POH-Somatiek worden benaderd om deel te nemen aan dit onderzoek. Door middel van semigestructureerde interviews met in de eerste instantie opleidingsdirecteuren en op advies van hen andere medewerkers (beleidsadviseurs of curriculumontwikkelaars) zullen de volgende (deel)vragen gesteld worden:

1) (Waarom) wordt nieuw evidence wel/niet geïmplementeerd in onderwijs voor POH?

Welke kenmerken van (nieuw) evidence leiden tot implementatie?

2) Hoe wordt nieuw evidence geimplementeerd in onderwijs?

3) Hoe snel/wanneer vindt implementatie van nieuw evidence plaats?

De interviews worden vervolgens kwalitatief geanalyseerd door twee onderzoekers onafhankelijk met behulp van het programma MAXQDA.

Resultaten/ervaringen

De eerste resultaten van dit onderzoek zullen tijdens het NVMO congres worden gepresenteerd.

Discussie (implicaties voor de praktijk)

Met de resultaten van dit onderzoek krijgen we zicht op de keuzes die gemaakt worden bij de implementatie van nieuwe evidence binnen opleidingen.

Literatuurverwijzingen

1. Grol, R. and M. Wensing, What drives change? Barriers to and incentives for achieving evidence-based practice. Med J Aust, 2004. 180(6 Suppl): p. S57-60.

2. Erik J.A.J. Beune, E.P.M.v.C., Leo Beem, Jacob Mohrs, Charles Agyemang, Gbenga Ogedgbe, Joke A. Haafkens, Nurse led culturally-appropriate patient education can reduce blood pressure and increase adherence to treatment recommendations among patients of African origin with uncontrolled hypertension. PloS One, Submitted.
Trefwoorden: Education management: Best Evidence Medical Education, Curriculum: Integration

Wijze van presentatie: Poster


Correspondentieadres:

J.G. Meinema

Academisch Medisch Centrum

Huisartsgeneeskunde en Center for Evidence Based Education

Meibergdreef 15

1105 AZ AMSTERDAM

E-mail: j.g.meinema@amc.uva.nl

1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   24

  • A9.4 / Zaal 537
  • A10 / Zaal 558
  • A11 / Zaal 559
  • A12.1 / Lamoraalzaal
  • A12.2 / Lamoraalzaal
  • A12.3 / Lamoraalzaal
  • A12.4 / Lamoraalzaal

  • Dovnload 1.15 Mb.