Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Opening congres door dr. Hanke Dekker, hoofdorganisator nvmo congres 2014 10. 10-10. 40 en prof dr. Janke Cohen-Schotanus, voorzitter nvmo 10. 40-10. 45 Welkomstwoord

Dovnload 1.15 Mb.

Opening congres door dr. Hanke Dekker, hoofdorganisator nvmo congres 2014 10. 10-10. 40 en prof dr. Janke Cohen-Schotanus, voorzitter nvmo 10. 40-10. 45 Welkomstwoord



Pagina5/24
Datum04.04.2017
Grootte1.15 Mb.

Dovnload 1.15 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   24

A12.5 / Lamoraalzaal
Ouderengeneeskunde in het onderwijs: handvatten voor de toekomst!
Pol MHJ van de, Koopman E, Fluit CRMG, Olderikkert MGM, Lagro J, Lagro-Janssen ALM

Radboud UMC


De populariteit en het imago van ouderengeneeskunde kan nog belangrijk verbeteren(1). Onderwijs kan een belangrijke rol spelen om studenten voor ouderengeneeskunde te motiveren(2). Onze hypothese is dat inzetten van onderwijs dat studenten aanspreekt kan helpen om het imago van ouderengeneeskunde te verbeteren en de instroom naar ouderenzorg specialisaties te bevorderen. Deze studie had als doel te inventariseren welke elementen in het onderwijs de attitude en kennis ten aanzien van ouderengeneeskunde beïnvloeden.

Er werd een content-analyse(3) gedaan van 36 reflectieverslagen van derdejaars geneeskunde studenten die een bachelor blok over geriatrie volgden. In de verslagen reflecteerden de studenten op het onderwijs en op het vakgebied in het algemeen. Na analyse van de verslagen werden de gevonden elementen uitgediept in twee focus-groep interviews met in totaal 17 studenten die ook het onderwijsblok volgden.

Uit de reflectieverslagen kwamen 14 elementen uit het onderwijs naar voren die invloed hadden op de kennis en attitude ten aanzien van ouderengeneeskunde (tabel 1). Deze elementen zijn onderverdeeld in 3 categorieën: Elementen die een effect hadden op de beeldvorming over ouderen(geneeskunde), onderwijskundige elementen en vakinhoudelijke elementen.

In de focusgroepen werd langer stil gestaan bij het beeld dat studenten hebben van dokter zijn. Zij hadden het beeld dat een dokter vooral bezig is met de ziekte en realiseerden zich dat je als dokter meer dan verwacht met chroniciteit en de mens achter de ziekte te maken hebt.

“[3DOTS] heel veel chronische patiënten hebt. Dus aan die kant is misschien mijn eigen beeld ook aan het begin anders geweest dan überhaupt arts zijn is.”

Conclusie en discussie

Dit onderzoek laat zien dat er duidelijk te onderscheiden elementen in het onderwijs zijn die van invloed zijn op de kennis en attitude ten aanzien van ouderengeneeskunde. Wanneer studenten in het onderwijs over ouderen(geneeskunde) onder andere uitleg krijgen over de complexe casuïstiek in de ouderengeneeskunde en het werk van de dokter, zij zelf actief kunnen participeren en er aandacht is voor kwaliteit van leven en kostenbewust handelen spreekt hen dit aan.

Een deel van het slechte imago van ouderengeneeskunde heeft te maken met het verkeerde beeld dat studenten hebben van het werk en de rol van de dokter. Er is dus naast aansprekend onderwijs over ouderengeneeskunde ook aandacht nodig om bij studenten een realistisch doktersbeeld te schetsen.(4, 5)


Referenties

1. Higashi RT, J Aging Stud. 2012;26(4):476-83.

2. Nanda A, J Am Geriatr Soc. 2013;61(3):434-9.

3. Glaser BG, Aldine Pub. Co.; 1967. x, 271 p. p.

4. Tullo ES,J Am Geriatr Soc. 2010;58(10):1987-93. Epub 2010/09/16.

5. Campbell JY, J Am Geriatr Soc. 2013;61(3):447-9.


Tabel 1


https://www.eventure-online.com/parthen-uploads/39/post4/img1_246400.jpg

Trefwoorden: Curriculum: Education environment, Learning outcomes: Professionalism / attitude / ethics

Wijze van presentatie: Poster
Correspondentieadres:

M.H.J. van de Pol

Radboud UMC

Eerstelijnsgeneeskunde

161 elg Postbus 9101

6500HB NIJMEGEN

E-mail: marjolein.vandepol@radboudumc.nl

A12.6 / Lamoraalzaal
Bachelor Medische Hulpverlening: de ontwikkeling van een landelijk praktijkcurriculum
Visser BM, Huizing JL

Hogeschool Utrecht


Achtergrond

De Bacheloropleiding Medische Hulpverlener (BMH) is een relatief nieuwe opleiding die wordt aangeboden door de hogeschool Rotterdam, de hogeschool Arnhem en Nijmegen, en de hogeschool Utrecht. Om ervoor te zorgen dat het afstudeerniveau ten aanzien van de praktijkcompetenties voor alle studenten die deze opleiding afronden gelijk is, hebben we als opleidingen samengewerkt bij het ontwikkelen van een landelijk praktijkcurriculum.

Opzet

Het praktijkcurriculum is ontwikkeld in een zeer rijke context: de ontwikkeling is in afstemming gedaan met de beroepspraktijk die werd vertegenwoordigd in verschillende projectgroepen. Iedere projectgroep vertegenwoordigde een differentiatie. Er zijn vier differentiaties ontwikkeld in vier projectgroepen: ambulancezorg, spoedeisende hulp, anesthesie en operatieve zorg. De krachtige combinatie van docenten van de hogescholen en beroepsbeoefenaars uit de praktijk zorgde voor een inspirerende en vruchtbare samenwerking. De sfeer was niet alleen productief voor het project maar heeft ook een band gegeven doordat alle leden vanuit een passie voor het beroep én het onderwijs over het praktijkleren discussieerden. Om de verantwoordelijkheid voor het projectresultaat de delen, is er per projectgroep een voorzitter aangesteld. Het praktijkcurriculum heeft een viertal ontwerpeisen: het sluit aan bij het CanMEDS beroepsprofiel van de opleiding; het is gebaseerd op de methodieken van Kenmerkende Beroepssituaties met daaraan de onderliggende toetsinstrumenten DOPS en KPB; het praktijkcurriculum is ontworpen voor de beroepsopleidende stages en is uitgewerkt voor de vier verschillende differentiaties.



Resultaten

Het projectresultaat is een landelijk praktijkopleidingsboek waarin opzet, doelstellingen en organisatie van de beroepsopleidende stages gedurende het derde en vierde leerjaarvan de opleiding Bachelor Medische Hulpverlening zijn beschreven. Tegelijkertijd dient het praktijkopleidingsboek als handboek voor de student, de stagedocent en de praktijkbegeleider. Het beschrijft de positionering van de opleiding en het praktijkcurriculum: van portfoliotoetsing tot de inhoud van de KBS. Per differentiatie zijn er tot 34 KBS ontwikkeld die het totale spectrum van het CanMEDS competentieprofiel dekken. De KBS zijn geschreven dankzij een nauwe samenwerking tussen docenten en experts uit het werkveld. Het belangrijkste resultaat is dat de inhouden herkenbaar zijn voor de praktijk.

Discussie

Ten tijde van dit schrijven wordt het praktijkcurriculum geïntroduceerd bij de praktijkbegeleiders van betrokken stageinstellingen. Een nieuwe toetssystematiek betekent dat praktijkbegeleiders zullen moeten worden voorbereid op deze manier van begeleiden en beoordelen van studenten en zullen daartoe een scholing aangeboden krijgen. Deze scholing wordt per hogeschool ontwikkeld. De uitvoering en effecten van deze toetssystematiek zullen samen met de betrokken experts uit het werkveld worden geëvalueerd. De evaluatie gaat zich ook richten op de gevolgen van het landelijke praktijkcurriculum op de onderwijspraktijk.

Referenties

Ten Cate O, Fluit CRMG. 2010. Achtergrond bij de richtlijnen korte praktijkbeoordeling. Tijdschrift voor Medisch Onderwijs; 29(5 suppl.4):105-134


Trefwoorden: Curriculum: General, Curriculum: Inter-professional, Assessment: General

Wijze van presentatie: Poster


Correspondentieadres:

B.M. Visser

Hogeschool Utrecht

Instituut verpleegkundige studies

Bolognalaan 101

3508 AD UTRECHT

E-mail: berber.visser@hu.nl
A12.7 / Lamoraalzaal
Zij-instroom Master Geneeskunde: een onderzoek naar student- en curriculumfactoren die bijdragen aan studiesucces bij zij-instromers
Widdershoven CV, Spaai GWG, Zee M, Jaarsma ADC, Ravesloot JH

Academisch Medisch Centrum, Universiteit van Amsterdam


Probleemstelling

Om aan de groeiende vraag naar artsen te voldoen, is het sinds enkele jaren mogelijk om via een speciaal programma versneld toegelaten te worden tot de master geneeskunde: de zij-instroom. Studenten moeten geselecteerd worden voor het volgen van zo’n programma en de deficiënties wegwerken door middel van een schakeljaar. Om te weten welke factoren studiesucces kunnen beïnvloeden is het van belang zicht te krijgen op de curriculumkenmerken en de studentkenmerken die van invloed zijn op het studiesucces van zij-instromers. (Van den Berg & Hofman, 2005).

Methode

Dit onderzoek bestond uit twee deelstudies. In deelstudie I werd een systematisch literatuuronderzoek uitgevoerd naar student- en curriculumkenmerken die studiesucces bij zij-instromers voorspellen. Gezocht werd in databases van PUBMED, ERIC en Psycinfo. In deelstudie II werd een semi-gestructureerd interview afgenomen bij drie zij-instromers van het eerste cohort zij-instromers van het AMC-UvA. Deze kwalitatieve informatie werd gebruikt om meer inzicht te krijgen in student- en curriculumkenmerken die een rol spelen bij het studiesucces van zij-instromers.



Resultaten

In deelstudie I werden 6 relevante studies geïdentificeerd. Al deze studies bleken betrekking te hebben op studentkenmerken; onderzoek op het terrein van curriculumkenmerken bleek niet voorhanden.

Gevonden werd dat de studentkenmerken “jonge leeftijd”, “vrouwelijk geslacht”, “Een vooropleiding in een betarichting genoten”, “enkel bachelor afgerond i.t.t. bachelor en master”, “hoog GPA in vooropleiding”, en “autochtoon”positief voorspellend kunnen zijn voor studiesucces bij zij-instromers. (Blackman, 2004)

Uit de tweede deelstudie bleek dat de curriculumkenmerken ‘zwaarte van het programma’ en ‘onderwijsmethode’, die voor reguliere studenten gelden als studiesuccesvoorspeller, ook bij zij-instromers aanwijzingen geven voor invloed op studiesucces. Er werden geen nieuwe student- of curriculumkenmerken gevonden. Vanuit de groep zij-instromers bleek een grote behoefte aan een eigen curriculum en betere begeleiding.

Discussie

Naar aanleiding van deze studie kunnen enkele aanbevelingen worden gedaan ter verbetering van de selectie voor het zij-instroomprogramma en de inrichting van het zij-instroomprogramma. Aangeraden wordt om, als studiesucces een belangrijke factor wordt geacht, te overwegen zaken als een biomedische vooropleiding en een hoog GPA in de vooropleiding mee te nemen in de selectieprocedure omdat er aanwijzingen lijken te zijn voor hun invloed op studiesucces. Ook wordt aangeraden een echt eigen curriculum voor zij-instromers te creëren en de begeleiding van zij-instromers te intensiveren, verbeteren en meer toe te snijden op zij-instromers.

Literatuur

M.N. van den Berg & W.H.A. Hofman (2005): Student Success in University Education. A multi-measurement study into the impact of student and faculty factors on study progress. In: Higher Education (Vol. 50, pp. 413-446).

Blackman, I. (2004). Graduate-entry medical student variables that predict academic and clinical achievement, 4(4), 30-41.
Trefwoord: Medical education: All

Wijze van presentatie: Poster


Correspondentieadres:

C.V. Widdershoven

Alexanderkade 50

1018ZC AMSTERDAM

E-mail: christiaanw@gmail.com
A12.8 / Lamoraalzaal
Veel geneeskundestudenten hebben te maken met (lange) wachttijd voor de coschappen
Wubbels SPA, Orfany A

KNMG Studentenplatform


Probleemstelling

Geneeskunde is met zes jaar één van de langere universitaire studies van Nederland. Beginnende geneeskundestudenten weten vaak niet dat zij ook nog eens te maken kunnen krijgen met wachttijd voor de coschappen, die de studieduur mogelijk nog verder verlengt. Het KNMG Studentenplatform vroeg zich af hoe groot het percentage coassistenten is dat in wachttijd zit, op welke faculteiten studenten te maken hebben met wachttijd, hoe lang deze gemiddeld is en hoe de duur van de wachttijd in de loop der jaren veranderd is.

Methode

In november 2013 werden studentleden van de KNMG via een e-mail uitgenodigd om deel te nemen aan een digitale enquête van het KNMG Studentenplatform. In de enquête werd onder andere gevraagd of men al begonnen was aan de coschappen. Studenten konden hierop onder andere antwoorden dat zij (op het moment van deelname aan de enquête) in wachttijd zaten voor de coschappen. Daarnaast inventariseerde het KNMG Studentenplatform in mei 2010 en juni 2013 hoe lang de wachttijden waren op de acht faculteiten in Nederland.



Resultaten

Van de 2739 respondenten (responspercentage van 18,8%) gaven 1278 studenten aan coschappen te lopen. 143 studenten gaven aan dat zij op het moment van deelname aan de enquête in wachttijd zaten voor de coschappen: dat is 10,0% van alle studenten die de enquête invulden en klaar waren voor de coschappen. De meeste studenten in wachttijd studeerden aan de Universiteit van Amsterdam (n=37) gevolgd door Nijmegen en Groningen (beiden n=24) . Slechts een klein aantal studenten in wachttijd studeerde in Maastricht (n=6) of Utrecht (n=5). Uit de inventarisaties kwam naar voren dat zes van de acht faculteiten zowel in mei 2010 als in juni 2013 wachttijd voor de coschappen hadden. Aan de Universiteit van Amsterdam is het probleem het grootste, met een wachttijd van minimaal negen maanden -oplopend tot meer dan een jaar - in juni 2013. Alleen in Utrecht en Maastricht krijgen studenten geneeskunde (zo goed als) niet te maken met wachttijd. Aan alle zes de faculteiten met wachttijd in mei 2010 bleek deze in juni 2013 verder opgelopen te zijn.

Conclusie en discussie

Uit de enquête van het KNMG Studentenplatform blijkt dat 10,0% van alle coassistenten op het moment van deelname aan de enquête in wachttijd voor de coschappen was. Aan zes van de acht faculteiten lijkt wachttijd een structureel probleem te zijn. Het KNMG Studentenplatform monitort al jaren de stijgende wachttijden, in 2014 zal opnieuw een inventarisatie volgen. Hoe komen we tot een passende oplossing voor de lange wachttijden voor de coschappen?


Trefwoord: Curriculum: General

Wijze van presentatie: Poster


Correspondentieadres:

S.P.A. Wubbels

KNMG Studentenplatform

Minervaplaats 132

6525JE NIJMEGEN

E-mail: s.p.a.wubbels@student.ru.nl



A13 / Zaal 401
Respons vergroten bij digitale (docent)evaluatie

Mulder WMC, Verberg CPM, Boerboom TBB

Academisch Medisch Centrum, Universiteit van Amsterdam
Thema

Optimaliseren respons digitale docentevaluatie

Doel

(Structurele) feedback op onderwijsactiviteiten geeft docenten aanknopingspunten om hun onderwijsprestaties te verbeteren. Bovendien blijkt feedback op hun functioneren één van de factoren te zijn die betrokkenheid van docenten bij en motivatie voor het onderwijs vergroot. De betrouwbaarheid, maar zeker ook de acceptatie van de feedback neemt toe met de omvang van de respons. Papieren evaluaties hebben de grootste responspercentages, maar vragen een veel grotere tijdsinvestering in voorbereiding en verwerking dan digitale evaluaties, waardoor de uitvoering bij grotere aantallen te evalueren onderwijsmomenten lastiger is (1).



Factoren waarvan bekend is dat ze de respons op vakevaluaties kunnen verhogen zijn: duidelijke ondersteuning door faculteitsbestuurders, uitgebreide informatie vooraf, frequent benaderen docenten en snelle terugkoppeling aan studenten. (2)

In deze workshop willen we middels interactieve werkvormen exploreren welke mogelijkheden er ingezet kunnen worden om de respons op digitale docentevaluaties te vergroten.

Doelgroep

Iedereen die op enige wijze betrokken is bij (digitale) docentevaluaties: docenten, studenten, onderzoekers en beleidsmedewerkers

Opzet workshop

- activiteiten: in kleine groepen onderzoeken welke barrières in de eigen opleiding mogelijk een rol spelen bij digitale evaluaties en in discussie (en/of nog nader te bepalen werkvorm) bedenken en uitwisselen op welke manier deze barrières geslecht kunnen worden.

- opbrengst: analyse van de barrières voor digitale docentevaluaties in de eigen opleiding en lijst van mogelijke oplossingen. Oplossingsrichtingen zullen gespiegeld worden aan aanbevelingen uit wetenschappelijke bronnen.

Maximum aantal deelnemers: 25

Referenties

(1) Nulty D., The adequacy of response rates to online and paper surveys: what can be done? Assessment & Evaluation in Higher Education 2008;33:301-14

(2) Bennett L, et al. A recipe for effective participation rates for web-based surveys. Assessment & Evaluation in Higher Education 2010;35:357-365
Trefwoorden: Teachers/Trainers: Teacher evaluation, Teachers/Trainers: Faculty/Staff development

Wijze van presentatie: Workshop


Correspondentieadres:

W.M.C. Mulder

Academisch Medisch Centrum

Apotheek


E0-226, Postbus 22660

1100 DD AMSTERDAM

E-mail: w.m.mulder@amc.uva.nl
A14 / Zaal 402
Interactie binnen het onderwijs: houd rekening met persoonlijkheidskenmerken van studenten
Peters JWB, Jansen I

Hogeschool van Arnhem en Nijmegen


Door het bewust inzetten van bepaalde onderwijskundige methodieken proberen we interactie binnen het onderwijs te bewerkstelligen. Veelal is de gedachte dat kleine groepen dit bevorderen. Echter succes is nooit gegarandeerd. Mogelijke verklaringen hiervoor kunnen zijn dat de leervoorkeuren niet op elkaar aansluiten of dat er persoonlijkheidskenmerken van de studenten teveel overeenkomen.

Om interactie op een natuurlijke wijze te bevorderen worden bij de MANP in Nijmegen alle studenten op basis van hun persoonlijkheidskenmerken in groepen ingedeeld. Het streven hierbij is dat elke groep uit een gezonde mix bestaat van denkers vs. gevoelsmensen, van detaillisten vs. patroon denkers, van planners vs. de meer impulsief studerende studenten en van studenten die introspectief zijn vs. expressief zijn. Hiertoe vullen alle studenten bij aanvang van de opleiding een vragenlijst in waarmee hun Jungiaans type (JTI) bepaald wordt. JTI onderscheidt 4 persoonlijkheidsdimensies waarmee achterhaalt kan worden wat de psychologische voorkeursstijl van iemand is; 1) extraversion vs. introversion, 2) gewaarwording vs. intuitie en 3) denken vs. voelen en 4) oordelen vs. waarnemen. Op basis hiervan kunnen 16 verschillende persoonlijkheidstypen worden onderscheiden.

In 2013 zijn, zonder de docenten hierover te informeren, de intervisiegroepen op basis van de JTI profielen samengesteld. In tegenstelling tot voorgaande jaren ervaarden alle docenten vanaf het begin meer dynamiek. Niet alleen bij intervisie, maar ook bij groepsopdrachten is het indelen op basis van JTI wenselijk. Groepen die in het verleden meer productief waren en hoger cijfers haalden, bleken uit een gezondere mix van JTI profielen te bestaan. Bij groepen die minder functioneerden bleken de JTI profielen homogener te zijn, wat niet altijd aansloot bij het JTI profiel van de docentbegeleider.

Tijdens deze workshop krijgt u inzicht in uw eigen JTI profiel vanwaaruit de mogelijkheden worden verkend die dit biedt voor de organisatie van het onderwijs en het borgen van effectieve interactie binnen subgroepen. Aantal deelnemers: 30 personen


Trefwoorden: Curriculum: Student-centred, Students/Trainees: Study / learning styles

Wijze van presentatie: Workshop


Correspondentieadres:

J.W.B. Peters

Hogeschool van Arnhem en Nijmegen

HMP


Berg en Dalseweg 81

6522 BC NIJMEGEN

E-mail: jeroen.peters@han.nl

A15 / Zaal 403
De toetsing getoetst: kwaliteit van toetsing in het hoger (medisch) onderwijs
Schilt-Mol TMML van1, Norbart AF2, Latijnhouwers MAHE3, Thelen AMH4, Boerboom TBB5

1Hogeschool van Arnhem en Nijmegen, 2LUMC, 3Radboud UMC, 4Universiteit Utrecht, 5Academisch Medisch Centrum, Universiteit van Amsterdam
Thema

De afgelopen jaren wordt de kwaliteit van toetsing in het hoger onderwijs aan een kritischer oog onderworpen. Zo is ‘Toetsing en gerealiseerde eindkwalificaties’ als aparte standaard opgenomen in het nieuwe accreditatiestelsel en bevat het rapport ‘Vreemde ogen’ van de commissie Bruijn adviezen over de externe validering van de kwaliteit van toetsen.

Het Kenniscentrum Kwaliteit van Leren en de Service Unit Onderwijs&Onderzoek (SU O&O) van de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen heeft wetenschappelijk en door de praktijk onderbouwde methodiek ontwikkeld waarmee betrokkenen in het hoger onderwijs de kwaliteit van toetsing kunnen analyseren, verbeteren en borgen.

Kwaliteit van toetsing is in de methodiek geoperationaliseerd aan de hand van de kwaliteitspiramide. Binnen iedere piramidelaag worden de elementen ontwerp, criteria en kwaliteitsborging onderscheiden en zijn vijf fasen van kwaliteit onderscheiden en beschreven.



cid:image001.jpg@01cf7513.d92eb8e0

Kwaliteitspiramide van toetsing (Joosten, Sluijsmans & Peeters, 2012)

Dit resulteert concreet in een conceptmethodiek die per laag bestaat uit een rubrix van 15 cellen, waarin per element een omschrijving is opgenomen van de fase van de mate van kwaliteit. Met behulp van de methodiek kunnen onder meer docenten, examinatoren, management, toets- en examencommissies etc. zicht krijgen op de mate van kwaliteit van de onderscheiden lagen. Op basis hiervan kunnen verbeterplannen ontwikkeld worden. De methodiek geeft opleidingen de mogelijkheid kwaliteit van toetsing vanuit een breed perspectief te beoordelen en verbeteren.

Inmiddels hebben leden van de twee NVMO werkgroepen Toetsing en Kwaliteitszorg tijdens een workshop ervaring opgedaan met de methodiek. De reacties van de deelnemers wijzen erop dat de methodiek geschikt is als kwaliteitsinstrument binnen het (bio)medisch onderwijs.

Doel

-Kennismaken met de methodiek en de geschiktheid ervan om de eigen toetspraktijk te beoordelen.



-Met elkaar in gesprek gaan over vragen als: Wat betekent kwaliteit van toetsing? Wanneer is het systeem van toetsing adequaat? Hoe goed is ons systeem van toetsen?

Doelgroep

Iedereen die betrokken is bij de kwaliteit van toetsing, van beleids- tot vraagniveau

Opzet workshop: activiteiten, opbrengst

Tijdens de workshop zal kort de methodiek gepresenteerd en toegelicht worden. Daarnaast worden de eerste bevindingen gepresenteerd van de pilot die zal starten in september 2014. Vervolgens gaan de deelnemers aan de hand van de methodiek het gesprek met elkaar aan. Hierbij zal de focus liggen op 2 aspecten:

De bruikbaarheid/toepasbaarheid van de methodiek voor de eigen opleiding.

De mate van kwaliteit binnen de eigen opleiding en over opleidingen heen: in welke fase van ontwikkeling bevinden opleidingen zich op het gebied van toetsbeleid, toetsprogramma, toetsen, toetstaken, toetsorganisatie en toetsbekwaamheid.

De deelnemers vullen tijdens deze activiteit al een deel van de matrix in en krijgen op die manier zicht op mogelijke vervolgstappen binnen de eigen opleiding In de plenaire nabespreking worden deze inzichten met elkaar gedeeld.

• Maximum aantal deelnemers: 50

Trefwoorden: Assessment: General, Education management: Quality Assurance

Wijze van presentatie: Workshop
Correspondentieadres:

T.M.M.L. van Schilt-Mol

Hogeschool van Arnhem en Nijmegen

ARNHEM


E-mail: tamara.vanschiltmol@han.nl

A16 / Zaal 404
Burn-out (gerelateerde) klachten bij geneeskundestudenten
Conijn M, Boersma HJMV

KNMG Studentenplatform


Thema

Onderzoek van het KNMG Studentenplatform uit 2011 liet zien dat één op de vier coassistenten zijn coschappen niet meer ziet zitten en een kwart van de coassistenten ernstige vermoeidheidsklachten vertoont.1 Naar aanleiding van deze cijfers deed het platform in 2013 een onderzoek naar de prevalentie van burn-out onder Nederlandse geneeskundestudenten en de factoren die hieraan bijdragen. De resultaten van deze enquête schetsen opnieuw het beeld van een vermoeide geneeskundestudent die beduidend vaker kampt met een burn-out dan de gemiddelde Nederlander. Het KNMG Studentenplatform roept medische faculteiten daarom op om actie te ondernemen. Het degelijk voorbereiden van coassistenten op de hoge werkdruk en stress van de coschappen zou een sleutelrol kunnen spelen. Hiervoor zou gebruik gemaakt kunnen worden van programma’s die studenten leren met stress om te gaan en voldoende tijd in te plannen voor ontspanning. Medische faculteiten in Groot-Brittannië en Amerika hebben dergelijke, hoewel voor iedere faculteit verschillende, programma’s al enkele jaren geleden ingevoerd.2 Is het invoeren van dergelijke programma’s de oplossing? Is het de verantwoordelijkheid van de faculteiten om de psychische gezondheid van zijn studenten te monitoren? En hoe gaan we voorkomen dat de geneeskundestudent van nu de uitgebluste arts van morgen wordt?

Doel

Een levendige discussie over het probleem van burn-out (gerelateerde) klachten onder geneeskundestudenten. Deze rondetafel-discussie gaat, op basis van de resultaten van de enquête van het KNMG Studentenplatform, in op bovenstaande vragen, de invloed hierop vanuit het medisch curriculum en de rol van faculteiten en opleiders.



Doelgroep

Opleiders, geneeskundestudenten, decanen

Opzet

Het KNMG Studentenplatform zal samen met een specialist op het gebied van burn-out klachten een inleidende presentatie geven. Hierin zal worden ingegaan op de resultaten uit de genoemde enquête, de conclusies die hieraan verbonden kunnen worden en mogelijke oplossingen. Aan de hand van een aantal stellingen en vragen zal vervolgens met de zaal de discussie aangegaan worden over de verschillende kanten van dit probleem.



Referenties

1) Maartje Conijn en Henri Boersma. Veel burn-out onder geneeskundestudenten. Medisch Contact 40. Pagina 2012-2013.

2) Rebecca Greenberg. Medical Schools Take Active Role in Reducing Students’ Stress and Anxiety. Association of American Medical Colleges. Januari 2013. Beschikbaar via: https://www.aamc.org/newsroom/reporter/jan2013/325922/stress.html
Trefwoorden: Students/Trainees: Stress, Students/Trainees: Student support and counselling, Students/Trainees: Health and welfare,

Wijze van presentatie: Rondetafelsessie


Correspondentieadres:

M. Conijn


KNMG Studentenplatform

Hessenweg 23

3731 JC DE BILT

E-mail: maartjeconijn@live.nl


13.15-14.30 LUNCH

Restaurant


14.30-14.45 Uitreiking NVMO prijs voor het Beste Proefschrift

Zuiderduinzaal


14.45-15.30 Hoofdlezing

Zuiderduinzaal Van e-learning naar i-learning

Wilfred Rubens, Open Universiteit, Heerlen
15.30-16.00 WISSEL PAUZE MET KOFFIE EN THEE
16.00-17.15 Blok B

1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   24

  • A12.6 / Lamoraalzaal
  • A12.7 / Lamoraalzaal
  • A12.8 / Lamoraalzaal
  • A13 / Zaal 401
  • A14 / Zaal 402
  • A15 / Zaal 403
  • A16 / Zaal 404
  • Van e-learning naar i-learning

  • Dovnload 1.15 Mb.