Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Opening congres door dr. Hanke Dekker, hoofdorganisator nvmo congres 2014 10. 10-10. 40 en prof dr. Janke Cohen-Schotanus, voorzitter nvmo 10. 40-10. 45 Welkomstwoord

Dovnload 1.15 Mb.

Opening congres door dr. Hanke Dekker, hoofdorganisator nvmo congres 2014 10. 10-10. 40 en prof dr. Janke Cohen-Schotanus, voorzitter nvmo 10. 40-10. 45 Welkomstwoord



Pagina6/24
Datum04.04.2017
Grootte1.15 Mb.

Dovnload 1.15 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   24


B1.1 / Zaal 522

Proefschrift: Richtlijnen voor het ontwerpen van toetsprogramma's
Dijkstra J

Universiteit Maastricht


Introductie

De beperkte literatuur over criteria en richtlijnen voor het ontwerpen van toetsprogramma’s heeft geleid tot het doel van dit proefschrift: het voorzien in generiek toepasbare ondersteuning om tot hoogkwalitatieve toetsprogramma’s te komen. De volgende onderzoeksvragen komen daarbij aan bod:

Welke dimensies kunnen worden onderscheiden in het ontwerp van hoogkwalitatieve toetsprogramma’s? Welke richtlijnen kunnen geformuleerd worden voor ontwerpondersteuning op basis van deze dimensies? Welke bewijs kan worden geleverd om de validiteit van richtlijnen te onderbouwen, gebaseerd op utilitaristische principes?

Methode


De studies in dit proefschrift valideren een model en richtlijnen voor het ontwerp van toetsprogramma’s. De toegepaste validering procedures zijn gebaseerd op Basinski’s [1] raamwerk voor de evaluatie van klinische richtlijnen en Prochaska’s [2] criteria voor de validering van theorie.

Interviews met toetsexperts in medisch onderwijs zijn gebruikt om de dimensies in hoogkwalitatieve toetsprogramma’s te bepalen en richtlijnen voor het ontwerpen van toetsprogramma’s (guidelines for assessment design: GLAD).

Twee case studies zijn geanalyseerd met behulp van meervoudige kwalitatieve methoden om de practicality, explanatory power, utility en productivity [2] van GLAD te bepalen.

Resultaten

Een veelomvattend model voor toetsprogramma’s is ontwikkeld en gevalideerd, bestaande uit zes dimensies: 'Doel van toetsing', 'Programma in Actie', 'Ondersteuning', 'Documenteren', 'Verbeteren', en 'Verantwoording'. Deze zijn ingebed de dimensie: 'Stakeholders en Infrastructuur'. Tijdens de ontwikkeling van de richtlijnen op basis van dit model is gestreefd naar clarity, consistentie en parsimony (spaarzaamheid) [2]. Desondanks heeft het inclusieve karakter van deze ontwikkeling geleid tot een set van 73 richtlijnen. De case studies leveren het bewijs voor de toepasbaarheid en generaliseerbaarheid van de resultaten (richtlijnen) naar verschillende contexten.

Discussie en conclusie

Het doel van toetsing is expliciet nodig is om het construct kwaliteit te kunnen vaststellen. Kwaliteit wordt dan ook gedefinieerd als fitness-for-purpose en maakt het mogelijk om richtlijnen generiek en op lange termijn in te zetten, onafhankelijk van trends in toetsing of onderwijskundige filosofie.

Dit proefschrift onderstreept dat toetsing meer is dan een meetprobleem en meer dan een ontwerpprobleem. Het is ook een organisatie probleem met de nadruk om continue verbetering. Dit biedt een breder theoretisch perspectief op het ontwerpen van toetsprogramma’s, vergelijkbaar met een modellen voor instructional design. Het is dan ook geen verrassing dat de meeste richtlijnen minder gaan over psychometrische criteria, maar meer over de relatie tussen toetsprogramma’s en context, logistiek en organisatie. Een valkuil van de veelomvattendheid van het model is de grote hoeveelheid aan verschillende factoren waarmee rekening gehouden moet worden en wat toetsontwerp een complexe onderneming maakt. Het vraagt om een breed spectrum van expertise. Dat maakt samenwerking tussen experts bij het ontwerpen van toetsprogramma’s noodzakelijk.

Referenties

1) Basinski, A. S. (1995). Evaluation of clinical practice guidelines. Canadian Medical Association Journal, 153(11), 1575-1581.

2) Prochaska, J. O., Wright, J. A., & Velicer, W. F. (2008). Evaluating Theories of Health Behavior Change: A Hierarchy of Criteria Applied to the Transtheoretical Model. Applied Psychology: An International Review, 57(4), 561-588.
Trefwoord: Assessment: All

Wijze van presentatie: Wetenschappelijke paper


Correspondentieadres:

J. Dijkstra

Universiteit Maastricht

Postbus 616

6200MD MAASTRICHT

E-mail: joost.dijkstra@maastrichtuniversity.nl



B1.2 / Zaal 522
Schriftelijke feedback bij KPB's: de invloed van eigen initiatief en directe observatie op de kwaliteit van feedback
Kroon DH van der, Guldener C van1, Bommel EFH van2, Ridder JMM van de2
1Amphia Ziekenhuis, 2Albert Schweitzer ziekenhuis
Probleemstelling

In de medische vervolgopleidingen staat de beschikbare tijd voor het geven en ontvangen van feedback continue onder druk. Assistenten stellen dat observatie door supervisoren frequent uitblijft. Uit de literatuur blijkt een verband tussen eigen initiatief om feedback te vragen, directe observatie door supervisoren en daarna ervaren leeropbrengst van feedback [1,2]. Daarnaast is de taakgerichtheid en concreetheid van de feedback een kritische factor. Assistenten benoemen dat zij vooral behoefte hebben aan verbeterpunten en tips. Juist hier blijken supervisoren de neiging te hebben impliciet te zijn [2]. Om na te gaan of de bevindingen uit literatuur ook voor assistenten gelden en inzicht te hoe de concreetheid van feedback de leerzaamheid beïnvloedt, wordt de volgende vraag beantwoord: in welke mate dragen de concreetheid van feedback, het eigen initiatief van de assistent om feedback te vragen en de persoonlijke observatie door de supervisor bij aan de gepercipieerde leerzaamheid door de assistent?

Methode

Een mixed design studie wordt in 2013 uitgevoerd bij arts-assistenten (n = 31) interne geneeskunde. De assistenten werd gevraagd hun KPB’s aan te leveren met daarbij een ingevulde vragenlijst, bestaand uit drie gesloten vragen over observatie (ja/nee), initiatief (supervisor/assistent) en leerzaamheid (1= niet leerzaam, 5 = zeer leerzaam) . De kwalitatieve feedback van de KPB’s werd gecodeerd, het niveau van concreetheid werd gescoord (niveau 1=geen verbeterpunten, niveau 5= verbeterpunten en tips), waarna met de Jonckheere-Terpstra (JT) test de relatie met de leerzaamheid van feedback werd vastgesteld. Kwantitatieve gegevens uit de vragenlijst werden geanalyseerd met de Mann-Whitney U test, waarna het verband tussen directe observatie, eigen initiatief en de leerzaamheid van feedback werd vastgesteld.



Resultaten

Aan de studie namen 21 assistenten deel (68%). Zij leverden in totaal 278 KPB formulieren aan en 90 vragenlijsten. Uit de JT-test blijkt dat de gepercipieerde leerzaamheid per feedbackniveau significant verschilt (p = < .0001). Hoe concreter de feedback, hoe hoger de gepercipieerde leerzaamheid. Supervisoren observeren in 89% (n=80) van de 90 KPB momenten. De Mann-Whitney U toont dat de ervaren leerzaamheid bij directe observatie (M = 3,58) significant hoger is ten opzichte van geen observatie (M = 2,90) (U = 226, p=<.05, r= .21). Assistenten nemen zelf initiatief bij 82% (n=74) van de 90 KPB’s, maar deze variabele leidt niet tot een significant hoger niveau van ervaren leerzaamheid (p= >.50).

Discussie

Een hoger niveau van observatie door supervisoren leidt niet onmiddellijk tot feedback met verbeterpunten en tips. Kunnen assistenten met initiatief tot het uitvragen van supervisoren op meer concrete feedback, hun eigen leerrendement versterken? Verder onderzoek naar de relatie tussen eigen initiatief en een hoog niveau van observatie van supervisoren wordt aanbevolen evenals naar de reden waarom supervisoren weinig verbeterpunten en tips geven.

Literatuurreferenties:

[1]. Kilminster, S., Cottrel, D., Grant, J. & Jolly, B. (2007). Effective educational and clinical supervision. AMEE Guide, 27.

[2]. Ivers, N., Jamtvedt, G., Flottorp, S., Young, J.M., Odgaard-Jensen, J., French, S.D., O’Brien, M.A., Johansen, M., Grimshaw, J. & Oxman, A.D., (2012). Audit and feedback: effects on professional practice and healthcare outcomes (review). The Chocrane Collaboration. Published online in Wiley Library doi: 10.1002/14651858.CD000259.pub3
Trefwoorden: Assessment: Feedback, initiatief, directe observatie, mini-CEX

Wijze van presentatie: Wetenschappelijke paper


Correspondentieadres:

D.H. van der Kroon

Laurenspark 118

4835GZ BREDA

E-mail: d.vanderkroon@ziggo.nl

B1.3 / Zaal 522
Betrouwbaarheid van MSF herzien: effecten van meerdere beoordelingsrondes en beoordelaarsgroepen op de verschillende competentiedomeinen
Moonen-van Loon JMW, Overeem K, Govaerts MJB, Verhoeven BH, Vleuten CPM van der, Driessen EW

Universiteit Maastricht


Probleemstelling

Vervolgopleidingen in diverse landen hebben recentelijk de multisource feedback (MSF) omarmd voor de evaluatie van het functioneren van arts-assistenten. Ondanks het brede gebruik, laten studies wisselende resultaten zien omtrent de betrouwbaarheid. Zo is er discussie of beslissingen kunnen worden genomen op basis van MSF en of verschillende beoordelaarsgroepen (artsen, verpleegkundigen) wel uitspraken kunnen doen over een AIOS (Bullock et al., 2009). In de bestaande literatuur wordt MSF bezien als één beoordelingsmoment (Violato et al., 2003). In de meeste opleidingen vinden er gedurende de opleiding echter meerdere MSF beoordelingsrondes plaats. Deze studie onderzoekt de gezamenlijke betrouwbaarheid van meerdere MSF rondes over een langere tijdsperiode met verschillende aantallen beoordelaars uit twee professionele groepen; klinici en overige zorgverleners. Daarnaast wordt ook de betrouwbaarheid van de verschillende CanMeds competenties berekend, beoordeeld door zowel klinici als overige zorgverleners.

Methode

De auteurs verzamelden data tussen september 2008 en november 2012 met behulp van een webgebaseerd portfolio systeem dat gebruikt wordt voor verscheidene werkplekbeoordelingen, inclusief MSF. In totaal hebben 569 AIOS 821 MSF rondes afgerond, leidend tot 7408 beoordelingen; gemiddeld 9,02 beoordelingen per ronde. Vervolgens hebben ze generaliseerbaarheidstheorie gebruikt om de betrouwbaarheid voor de verschillende competenties, meerdere beoordelingsrondes en wisselende aantallen beoordelaars uit beide groepen te analyseren.



Resultaten

Op alle competentiedomeinen waren overige zorgverleners significant milder in hun oordeel dan hun klinische collega’s. Betrouwbaarheidsanalyse laat zien dat een betrouwbaar (G > 0,80) oordeel kan worden gegeven met twee MSF rondes afgerond met minimaal negen beoordelaars per beoordelaarsgroep, en vijf beoordelaars per groep zijn nodig als er drie MSF rondes zijn afgerond. De betrouwbaarheidscoëfficiënt op de CanMEDS competenties “Maatschappelijk handelen” en “Kennis en Wetenschap” ligt lager dan op de andere vijf competenties. De gezamenlijke betrouwbaarheid stijgt wanneer “Maatschappelijk handelen” niet wordt opgenomen in de MSF, en “Kennis en Wetenschap” alleen door klinici wordt beoordeeld.

Discussie

Uit deze studie blijkt dat het functioneren van AIOS betrouwbaar summatief beoordeeld kan worden met meerdere MSF rondes met een haalbaar aantal beoordelaars in elke ronde. Scores uit één enkele MSF ronde moeten voorzichtig worden geïnterpreteerd. Dat laat onverlet dat elke ronde waardevolle feedback kan genereren voor het leren. Dit onderzoek bevestigt dat bij de interpretatie van MSF resultaten rekening gehouden moet worden met (unieke) kenmerken van verschillende respondentgroepen. Betrouwbaarheid van MSF procedures lijkt te worden beïnvloed door zowel de keuze van de respondentgroepen als de competentiedomeinen die in de beoordeling worden meegenomen. Dit is van belang bij het ontwerp van beoordelingsinstrumenten. Hoewel deze studie zich beperkt tot betrouwbaarheid en aanvullende studies naar validiteit nodig zijn, leveren onze resultaten een waardevolle toevoeging aan de implementatie van MSF.

Referenties

Bullock AD, Hassell A, Markham WA, Wall DW, Whitehouse AB. How ratings vary by staff group in multi-source feedback assessment of junior doctors. Med Educ. 2009;43(6):516-520.

Violato C, Lockyer J, Fidler H. Multisource feedback: a method of assessing surgical practice. BMJ. 2003;326:546-548.
Trefwoorden: Assessment: 360o assessment, Medical education: Postgraduate education

Wijze van presentatie: Wetenschappelijke paper


Correspondentieadres:

J.M.W. Moonen - van Loon

Universiteit Maastricht

Onderwijsontwikkeling & -onderzoek

P.O.Box 616

6200 MD MAASTRICHT

E-mail: j.moonen@maastrichtuniversity.nl

B1.4 / Zaal 522
Hoe worden de rollen Communicator en Samenwerker geconstrueerd in feedback van supervisoren aan aios? Een kritische discourse analyse
Renting N1, Dornan T2, Gans ROB1, Borleffs JCC1, Cohen-Schotanus J1

1UMC Groningen, 2Universiteit Maastricht
Probleemstelling
Aan de hand van CanMEDS-rollen zijn leeruitkomsten van specialistische vervolgopleidingen omschreven. De aios maken zich deze rollen eigen in de praktijk waarbij interactie, zoals feedback van supervisoren, een sturend mechanisme is. Er zijn aanwijzingen dat niet alle rollen in de opleidingspraktijk voldoende aan bod komen1. Mogelijk doordat supervisoren geen duidelijk beeld hebben van wat de rollen precies inhouden2. Het is onduidelijk hoe de rollen in de praktijk geoperationaliseerd worden, wat inhoudelijk bij het geven van feedback wordt besproken. Het doel van de studie is om te analyseren hoe de rollen Communicator en Samenwerker worden geconstrueerd in feedbackopmerkingen, en in hoeverre deze overeenkomen met het opleidingsplan.

Methode


Voor dit onderzoek hebben we gebruik gemaakt van een dataset van 691 feedbackformulieren van 120 aios en 126 supervisoren Interne Geneeskunde. De feedbackformulieren werden ingevuld na het observeren van een dienst of ochtendoverdracht. Op het formulier staan per CanMEDS-rol positieve en verbeterpunten. Om een gedetailleerde tekstanalyse te doen van de grote hoeveelheid data, hebben we doelbewust systematisch 40 formulieren geselecteerd met uitgebreide opmerkingen die onderling zo gevarieerd mogelijk waren. Met een discourse analyse is onderzocht hoe de rollen Samenwerker en Communicator werden geconstrueerd in de feedback.

Resultaten


De discourse voor Communicator ging voornamelijk over het communiceren over beleid en behandelplan van patiënten. De volgende aspecten van communicatie werden als goed beoordeeld: ‘kort en bondig’, ‘duidelijk’, ‘gestructureerd’. De rol Samenwerker kon worden opgedeeld in twee onderliggende discourses: (1) een gelijkwaardige positie, waarbij woorden als ‘toegankelijkheid’ en ‘open staan voor anderen’ werden genoemd en (2) een positie van leiderschap waarbij de aios ‘directief’ moet zijn, ‘taken delegeert’ en een ‘harde opstelling’ moet kiezen. De patiënt had in beide discourses vooral een ontvangende rol: 'patiënt vriendelijk afgekapt', 'stelt patiënt op hoog tempo gerust', en 'is duidelijk naar patiënten'. Zowel Communicator als Samenwerker worden in het opleidingsplan omschreven met woorden als 'efficiënt', 'doelmatig', ' adequaat' en 'effectief'. Deze woorden komen ook regelmatig voor in de feedback. De positie van de patiënt bij Communicator is anders dan in het opleidingsplan, waar de ‘behandelrelatie opbouwen’ en ‘goed luisteren’ centraal staan. De leiderschapspositie die de aios bij Samenwerker krijgt toegewezen, komt niet naar voren in het opleidingsplan waar nadruk ligt op ‘intercollegiale samenwerking’, en de aios ‘eigen inbreng en inbreng van anderen moet combineren voor optimale patiëntenzorg’.

Discussie


Supervisoren lijken een duidelijk beeld te hebben van de rollen Communicator en Samenwerker, maar deze rollen worden in de praktijk gedeeltelijk anders geconstrueerd dan in het opleidingsplan. Opvallende verschillen tussen praktijk en opleidingsplan zijn de ontvangende in plaats van participerende positie van de patiënt, en de directieve vorm van samenwerken.

Literatuurverwijzingen



  1. van der Lee, N., Fokkema, J. P. I., Westerman, M., Driessen, E. W., van der Vleuten, C. P. M., Scherpbier, A. J. J. A., & Scheele, F. (2013). The CanMEDS framework: Relevant but not quite the whole story. Medical Teacher, 35(11), 949-955.

  2. Chou, S., Cole, G., McLaughlin, K., & Lockyer, J. (2008). CanMEDS evaluation in canadian postgraduate training programmes: Tools used and programme director satisfaction. Medical Education, 42(9), 879-886

Trefwoorden: Assessment: Workplace-based (on-the-job)assessment, Curriculum: Outcome/competency-based, Learning outcomes: Teamwork

Wijze van presentatie: Wetenschappelijke paper


Correspondentieadres:

N. Renting

UMC Groningen

Centrum voor Innovatie en Onderzoek Medisch Onderwijs

Antonius Deusinglaan 1

9713AV GRONINGEN

E-mail: n.renting@umcg.nl

B2.1 / Zaal 525
De effectiviteit van een wetenschappelijk onderwijsprogramma waarbij aios actief deelnemen aan klinisch onderzoek in de huisartspraktijk: een cluster gerandomiseerde trial
Beekman MS, Paulis WD, Bareman FP, Bueving HJ, Koes BW

Erasmus MC


Achtergrond

Onderzoeksleren is een onderwijsconcept dat aios van de huisartsopleiding in staat stelt om klinisch onderzoekservaring op te doen. Door zelf actief mee te werken aan klinisch onderzoek ontwikkelt de aios relevante klinische onderzoekskennis en verandert zijn beeld over klinisch onderzoek in de huisartspraktijk. Het belangrijkste doel van deze studie was om d.m.v. een cluster RCT [gerandomiseerde gecontroleerde trial] het effect van het onderwijs op de attitude ten aanzien van het actief deelnemen aan klinisch onderzoek in de huisartspraktijk en de kennis van klinisch onderzoeksmethodiek van derdejaars aios te toetsen.

Methoden

Aiossen in de interventiegroep hebben naast hun reguliere EBM curriculum deelgenomen aan een nieuw ontwikkeld klinisch wetenschappelijk programma waarbij zij actief participeren in een klinisch onderzoek in de huisartspraktijk. Het betrof een prospectief observationeel cohort studie van kinderen in een algemene huisartspraktijk, gericht op het gewicht en levensstijl (1). De houding en kennis over de klinische onderzoeksmethoden van de aios werd gemeten met behulp van TPB (‘Theory of Planned Behavior’ model) vragenlijst (2) (32 stellingen) en een meerkeuze casustoets (10 vragen). Metingen vonden plaats aan het begin en einde van het derde jaar van de reguliere huisartsgeneeskunde opleiding. Na de nulmeting werden de aiosgroepen door de computer willekeurig ingedeeld om als interventiegroep naast het reguliere derdejaars EBM curriculum deel te nemen aan het onderwijsprogramma of om als controlegroep alleen het reguliere EBM programma te volgen.

Resultaten

In de periode 2010-2012 zijn 137 aiossen geïncludeerd. Na 12 maanden follow-up was het verschil in verandering van attitude tussen de interventie- en controlegroep 0,33 (95% CI -0,75; 0,10 p = 0,12) en het verschil in verandering van kennis van de klinisch onderzoekmethodiek 0.01 (95% CI -0,87; 0,90 p = 0.97).

Conclusie

Er was geen significant effect van het klinisch wetenschappelijk onderwijsprogramma op de attitude van de aios ten aanzien het actief meewerken aan klinisch onderzoek en klinisch onderzoekskennis in vergelijking met het reguliere ‘Evidence Based Medicine’ onderwijs.

Discussie

Aanvullend kwalitatief onderzoek is nodig om de mogelijk oorzaken achter het gebrek aan effect van de interventie in kaart te brengen en de verschillende factoren die de attitude ten opzichte van klinisch onderzoek mogelijk zouden kunnen beïnvloeden te identificeren.

Referenties

Paulis W.D., Middelkoop van M., Bueving H., Luijsterburg P.A.J., Wouden van der J.C., Koes B.W.: Determinants of sustained overweight and complaints in childeren and adolescents in primary care: The Doerak cohort study design 2011.

Francis J.J., Eccles M.P., Johnston M., Walker A., Grimshaw J., Foy R., Kaner A.: Measurement issues in the theory of planned behaviour. A supplement to the manual of constructing questionnaires based on the theory of planned behaviour .Centre of Health Research, University of Newcastle (UK) 2004.

Trefwoorden: Education management: Evidence-based education, Learning outcomes: Research, Research in medical education: All

Wijze van presentatie: Poster
Correspondentieadres:

M.S. Beekman

Erasmus MC

Huisartsgeneeskunde

Wytemaweg 80

3015 CN ROTTERDAM

E-mail: m.beekman-evers@erasmusmc.nl





B2.2 / Zaal 525
Het toetsen van hogere orde cognitieve vaardigheden en klinisch redeneren in de Landelijke Huisarts Kennistoets
Folkers HBM, Duesman H

Huisartsopleiding Nederland

Probleemstelling/achtergrond

Klinisch redeneren is het proces waarbij de arts er achter komt wat de meest waarschijnlijke diagnose is van zijn patiënt is en het verdere beleid bepaalt. Klinische redeneren wordt onderkend als een kerncompetentie van de klinische werkende (huis)arts en is daarom ook onderdeel van de huisartsopleiding.

De samenstellers van de Landelijke Huisarts Kennis toets(LHK) spreiden de inhoud van de toets over het gehele kennisdomein. De vragen worden zoveel mogelijk aan authentieke praktijksituaties gekoppeld (casus). In deze context wordt gezocht naar probleemstellingen die zoveel mogelijk een beroep doen op hogere orde cognities: 'ínzicht'en 'toepassen'. Vragen die uitsluitend een beroep doen op ‘reproductie van kennis’ toetsen meer in de voorwaardelijke sfeer.

Probleemoplossende vaardigheden (zoals het klinisch redeneren) worden naar onze mening het meest direct getoetst met vragen die een beroep doen op de hogere vaardigheden. Deze vragen gaan idealiter over een kritieke stap in de oplossen van de casus. De vraagstelling is analoog aan de gedachtegang van de dokter in de praktijk ; ‘voorwaarts redenerend’, van data naar hypothese enz. De data uit de casus zijn essentieel voor beantwoording van de vraag.

In deze studie gaan we bij 2 LHK's na in hoeverre hogere cognitieve vaardigheden en klinisch redeneren worden getoetst

Methode


Van twee LHK’s werden alle vragen, aan de hand van de genoemde kenmerken onderzocht op vraagconstructie en bevraagd cognitief niveau.

Resultaten

LHK n =240

criteria vraagconstructie

casusvraag 218(90%)

kapstok 35(14%)

sleutelbeslissing 106(44%)

forward reasoning 180(75%)

backward reasoning 34(14%)

data casus essentieel 131(54%)

cognitieve niveau

reproductie 125(52%)

inzicht 73(30%)

toepassen 42(18%)

Discussie

Ofschoon de LHK voor het overgrote deel bestaat uit vragen met een korte patiënten casus, voldoet maar bij een minderheid van deze vragen aan de voorwaarden voor klinisch redeneren. Maar bij 40% van de vragen met een patiënten casus zijn de data uit de casus zijn essentieel voor de beantwoording van de vraag. Bij meer dan de helft (52%) van de vragen met een patiënten casus wordt ‘kennis reproductie’ getoetst en niet de hogere cognitieve vaardigheden.

Vragenmakers zouden zich bij het vragen maken bewuster kunnen afvragen of ze klinisch redeneren willen gaan toetsen en zich bedenken wat daar voor nodig is.

Referenties

Van Berkel H, Bax A(red.) Toetsen in het hoger onderwijs. Bohn Stafleu van Loghum. Houten 2002

Van Bruggen L, Manrique-van Woudenbergh M, Spierenburg E et al. Preferred question types for computer-based assessment of clinical reasoning: a literature study. Perspect Med Educ (2012) 1:162-171



https://www.eventure-online.com/parthen-uploads/39/post4/img1_248783.jpg

Trefwoord: Assessment: Written assessment

Wijze van presentatie: Poster
Correspondentieadres:

H.B.M. Folkers


Huisartsopleiding Nederland

Mercatorlaan 1200

3528 BL UTRECHT

E-mail: h.folkers@huisartsopleiding.nl


1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   24

  • B1.2 / Zaal 522
  • B1.3 / Zaal 522
  • B1.4 / Zaal 522
  • B2.1 / Zaal 525

  • Dovnload 1.15 Mb.