Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Opening congres door dr. Hanke Dekker, hoofdorganisator nvmo congres 2014 10. 10-10. 40 en prof dr. Janke Cohen-Schotanus, voorzitter nvmo 10. 40-10. 45 Welkomstwoord

Dovnload 1.15 Mb.

Opening congres door dr. Hanke Dekker, hoofdorganisator nvmo congres 2014 10. 10-10. 40 en prof dr. Janke Cohen-Schotanus, voorzitter nvmo 10. 40-10. 45 Welkomstwoord



Pagina7/24
Datum04.04.2017
Grootte1.15 Mb.

Dovnload 1.15 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   ...   24

B2.3 / Zaal 525
De geschiktheid van de Motivational Interviewing Target Scheme (MITS) om motiverende gespreksvoering in de huisartspraktijk te beoordelen
Oberink HH, Dijk N van, Visser MRM

Academisch Medisch Centrum, Universiteit van Amsterdam


Onderwerp

Motiverende gespreksvoering (MG) is een gespreksstijl waarvan is aangetoond dat hij effectief is om gedragsveranderingen te bevorderen. Sinds 2012 is MG onderdeel van het curriculum van de huisartsopleiding. Echter, een gevalideerd instrument om de kwaliteit van MG te meten in dergelijke korte consulten ontbreekt. In deze kwalitatieve studie onderzoeken wij de geschiktheid van een recent ontwikkeld instrument, de Motivational Interviewing Target Scheme (MITS), om de toepassing van MG in korte huisartsconsulten te beoordelen.

Methode

Negen geselecteerde consulten (maximale variantie sampling) van huisartsen en huisartsen in opleiding, waarin gedragsverandering werd besproken, zijn beoordeeld met de MITS door drie beoordelaars. Tijdens het scoren noteerden zij hun bevindingen mbt het scoren in een semi-gestructureerde vragenlijst. Na elke twee à drie consulten werd het beoordelingsproces door de beoordelaars geëvalueerd. Tijdens evaluatiebijeenkomsten werden per target aanbevelingen genoteerd om het target en het scoren te verhelderen. Na de beoordeling van de eerste drie consulten kwam aan het licht dat het soms moeilijk was om de mate waarin MG op de juiste manier was toegepast te scoren en werd het scoresysteem daarop aangepast. Vervolgens werden alle consulten met het originele en het aangepaste scoringssysteem beoordeeld. De antwoorden van de semi-gestructureerde vragenlijst werden gecategoriseerd.



Resultaten

In het aangepaste scoresysteem werd i.t.t. het originele scoresysteem bij het beoordelen van elk target rekening gehouden met het ‘ten onrechte niet toepassen van het target’ en ‘gemiste mogelijkheden’. Verder werd bij de beoordeling met dit scoresysteem rekening gehouden met MG-inconsistent gedrag. De antwoorden op de semi-gestructureerde vragenlijst werden in vier categorieën onderverdeeld; commentaar op de scoringssystemen, de targets, beoordeling in het algemeen en technische problemen. Beoordelaars bleken een voorkeur te hebben voor het aangepaste scoresysteem omdat het de beoordeling vereenvoudigde en omdat de scores beter pasten bij de door de beoordelaars ervaren kwaliteit van de getoonde MG. Over de meeste targetbeschrijvingen waren de beoordelaars tevreden maar een aantal aspecten van de targetbeschrijvingen waren onduidelijk. Het beoordelen bleek lastiger wanneer verschillende gedragingen in het target werden beschreven en wanneer hetzelfde gedrag bij meerdere targets gescoord kon worden. Twee van de drie beoordelaars vonden het lastig om bepaalde targets te scoren omdat het MG-deel te kort was (< 4 minuten).

Het kostte ervaren beoordelaars (> 10 beoordeeld) ongeveer 45 minuten om 10 minuten MG te beoordelen en van scoringscommentaar te voorzien.

Discussie

De MITS bleek een bruikbaar instrument om MG in korte consulten in de huisartspraktijk te beoordelen. Het toegevoegde scoresysteem bleek bruikbaarder dan het originele systeem. Een aantal targetbeschrijvingen van de MITS kunnen worden verhelderd. Deze aanpassingen zouden zowel de interbeoordelaarsbetrouwbaarheid als de validiteit ten goede komen.
Trefwoorden: Assessment: Clinical assessment, Learning outcomes: Communication skills, Research in medical education: All

Wijze van presentatie: Poster


Correspondentieadres:

H.H. Oberink

Luneistraat 17hs

1056VT AMSTERDAM

E-mail: h.h.oberink@uva.nl
B2.4 / Zaal 525
Leerresultaten van GP trainers in een blended learning cursus over EBM
Pas E te1, Wieringa-de Waard M1, Ruijter W de2, Dijk N van1

1Academisch Medisch Centrum, Universiteit van Amsterdam, 2Huisartsopleiding LUMC
Introductie

Huisartsen ervaring belemmeringen met betrekking tot het gebruik van evidence-based medicine (EBM) die zowel gerelateerd zijn aan onvoldoende kennis en vaardigheden, als aan een negatieve houding. Gebaseerd op deze bevindingen hebben we een blended learning interventie ontworpen om huisartsopleiders te trainen in EBM gebruik. Het doel van deze studie was om de effectiviteit te identificeren van deze interventie in het verhogen van de EBM competenties van de huisartsopleiders.

Methoden

In deze cohort studie namen, over een periode van 12 maanden, 177 huisartsopleiders deel aan een blended learning cursus over EBM bestaande uit vier face-to-face (F2F) bijeenkomsten van elk drie uur en een intensieve voorbereidende e-cursus voor elke bijeenkomst.De primaire uitkomstmaten waren veranderingen in kennis en vaardigheden (Fresno-test), houding (McColl-test) en intenties om gedrag te veranderen. Secundaire uitkomstmaten waren zelf-gerapporteerde kennis, vaardigheden en houding, en de relatie tussen persoonlijke kenmerken en verandering in kennis, vaardigheden en attitude. Er werden gegevens verzameld voor de start van de cursus (T0), direct na de laatste cursusdag (T1) en vier maanden na de laatste cursusdag (T2) .

Resultaten

De effectmaten (ES) van de gemiddelde verandering in scores op de Fresno-test waren hoog (ES T1T0 = 1.4, p = < .001; T2T1 = 0.6, p = .001). De effectmaten van de gemiddelde veranderingen in scores op de McColl-proef waren laag (ES T1T0 = 0.2, p = 0.16; T2T1 = 0.1, p = .76). Van de huisartsopleiders hadden 16,7% volledig hun intenties uitgevoerd, 47,6% gedeeltelijk en 35,7% helemaal niet.Vrouwelijke trainers scoorden significant hoger op de Fresno-test na de interventie dan mannen ( F: T1 129.4 (± 27.2), M: T1 114.9 ( ± 36.1), p = 0.040; F : T2 112.2 (± 43.8) , M : T2 89.4 (± 38.2), p = .013). Er was een matige correlatie tussen zelf-gerapporteerde kennis en de scores op de Fresno-test. Een matig - hoge correlatie gevonden tussen de totale score op de McColl-testen en zelf-gerapporteerde houding.

Conclusie

Een intensieve blended learning cursus over EBM voor huisartsopleiders verhoogt de kennis en vaardigheden. Ondanks een zeker terugval blijft, ook na 4 maanden, een verhoging zichtbaar ten opzichte van het beginpunt. Houding en gedrag ten aanzien van EBM vertonen geen verschillen voor en na de interventie, al hoewel de intentie aanwezig is om EBM vaker in de praktijk te gebruiken.


Trefwoorden: Medical education: Postgraduate education, Research in medical education: General, Teaching & learning: Blended learning

Wijze van presentatie: Poster


Correspondentieadres:

E. te Pas

Academisch Medisch Centrum

Huisartsgeneeskunde

Location HvA, 3rd floor C-18, Tafelbergweg 15

1105 BD AMSTERDAM

E-mail: e.tepas@amc.uva.nl

B2.5 / Zaal 525
Bevordert externe ondersteuning het bewust leren van ervaringen op de werkplek? Een interventiestudie in de huisartsopleiding
Sagasser MH1, Kramer AWM1, Könings KD2, Weel C van1, Vleuten CPM van der2

1Radboud UMC, 2Universiteit Maastricht
Probleemstelling

Bij zelfsturend leren is externe ondersteuning essentieel om het leerproces transparant te maken en bij te sturen. Huisartsen-in-opleiding (aios) gebruiken een korte en lange loop van zelfsturing als ze iets niet (voldoende) weten.1 De korte loop wordt binnen een week doorlopen en gaat veelal over kleine kwalen, huidproblemen of medicatie. De lange loop duurt langer en bevat complexe problematiek (zoals kindermishandeling, hartfalen). Om korte-loop-vragen te beantwoorden raadplegen aios vaak hun opleider of achtergrondmateriaal, tijdens of na het consult. Vaak beantwoorden ze de vraag om het consult te voltooien; ze studeren niet altijd voor een dieper begrip van de stof. Omdat opleiders vier dagen per week aios begeleiden, kunnen zij ondersteunen bij zelfsturend leren.We onderzochten of externe ondersteuning het zelfsturend leren bij korte-loop-vragen bevordert. Aios kregen een app om leervragen en bijbehorend leerproces te documenteren. Aios en opleiders kregen een opdracht om leervragen en leerproces samen te bespreken. De onderzoeksvragen waren: wat is de bijdrage van 1) een app en 2) een bespreekopdracht aan zelfsturend leren? Onze hypothese was dat het gebruik van de app het zelfsturend leren bevordert, en dat dit wordt ondersteund als aios en opleiders dit leren samen bespreken.

Methode

Een quasi-experimenteel pretest-posttest design met twee experimentele condities (app / app en bespreekopdracht) en één controlegroep. Beoogd waren 21-25 participanten per conditie, afkomstig van twee opvolgende cohorten. Interventieperiode was vier weken. Dataverzameling vond plaats via vragenlijsten. Aanvullende data kwamen via analyse van app-gebruik en interviews met participanten.



Resultaten

Van cohort 1 startten 37 aios (van de 52) en 2 opleiders met het onderzoek. Negen aios zijn voortijdig gestopt. Omdat cohort 2 onvoldoende nieuwe participanten zou brengen om de vereiste aantallen per conditie te bereiken, is het onderzoek na cohort 1 gestaakt. De onderzoeksvragen zijn niet beantwoord. Data gaven wel inzicht in het leerproces. De pretest toonde dat aios uitdagingen zoeken en goed willen presteren. Aios toonden een hoog reflectief vermogen. Aios verschilden in hoe ze omgaan met hun leervragen. De app hielp leervragen vast te houden, maar niet het leerproces te documenteren. De bespreekopdracht is niet gebruikt. Meerdere aios vonden de app niet passen bij hun leerstijl.

Evaluatie

App en bespreekopdracht voegen weinig toe aan het zelfsturend leren. Variatie tussen aios en de complexiteit van leren in de praktijk lijken het gebruik van één instrument te bemoeilijken. Meer inzicht is nodig in het korte-loop-leren en de rol van de opleider daarbij.

Referentie
1. Sagasser MH, Kramer AWM & Van der Vleuten CPM.2012.How do postgraduate GP trainees regulate their learning and what helps and hinders them? A qualitative study. BMCMed Educ,12:67.
Trefwoorden: Medical education: Postgraduate education, Learning outcomes: Life-long learning Research in medical education: All

Wijze van presentatie: Poster


Correspondentieadres:

M.H. Sagasser

Radboud UMC

Eerstelijnsgeneeskunde, huispost 117

Postbus 9101

6500 HB NIJMEGEN

E-mail: greetje.sagasser@radboudumc.nl

B3 / Abdijzaal

Dedicated Schakeljaar: een kijkje in andermans keuken


NFU projectgroep Dedicated Schakeljaar
Thema

Vormgeving en implementatie van het dedicated schakeljaar

Tussen NFU, NVZ, STZ, OMS, jonge Orde, LVAG en KNMG is overeenstemming bereikt over de verkorting van (en bezuiniging op) de medisch specialistische vervolgopleiding. Eén van de mogelijkheden daarvoor is het gebruik van het “dedicated schakeljaar”. Het landelijke NFU project “Dedicated Schakeljaar” heeft twee belangrijke doelstellingen. Enerzijds is het bedoeld om bij te dragen aan de bezuinigingsopdracht van de overheid wat betreft de vervolgopleidingen. Anderzijds biedt de inrichting van het “dedicated schakeljaar” goede mogelijkheden voor een naadloze aansluiting van de vervolgopleidingen op de basisopleiding, een “medisch opleidingscontinuüm”.

Nieuwe regelgeving van het College Geneeskundige Specialismen (CGS) maakt het mogelijk om competenties die in het schakeljaar zijn verworven te benutten voor verkorting in de eerste fase van de vervolgopleiding. Naast het schakeljaar zijn er ook andere mogelijkheden om de opleidingsduur in de beginjaren te verkorten, zoals aniosschap en promotie. Bovendien kan de aios het eindpunt van de opleiding eerder bereiken door versnelling van de vereiste competentieontwikkeling. Door competentiegericht opleiden, wordt de opleidingsduur flexibel en kan verkorting zowel aan het begin als aan het eind van de opleiding worden verkregen.

Deze ontwikkelingen maken het mogelijk dat in 2022 tenminste 80% van de aios minimaal een half jaar sneller door de opleiding gaat dan nu. (NB Bij opleidingen met een opleidingsduur die gelijk is aan de Europese norm, zoals b.v. huisartsgeneeskunde en sociale geneeskunde, kan het schakeljaar niet tot verkorting leiden maar wel tot kwaliteitsverbetering). De invoering van het ”dedicated schakeljaar” en de impact hiervan op de vervolgopleidingen biedt kansen tot inhoudelijke vernieuwing van de initiële opleiding.

Doel


Informatie uitwisseling, best practices en discussie over de implementatie van het dedicated schakeljaar.

Opzet


Na een korte inleiding presenteert elk UMC in 2-3 minuten de stand van zaken rond het dedicated schakeljaar in de eigen regio. Vervolgens biedt elk UMC de mogelijkheid om “in de keuken te komen kijken”. Deelnemers kunnen in hun ronde langs de UMC’s ervaringen en best practices verzamelen die geschikt zijn voor toepassing in de eigen regio. Het symposium wordt afgesloten met een plenaire terugkoppeling van de belangrijkste ervaringen en best practices.

Doelgroep



  • Studenten geneeskunde

  • AIOS

  • Docenten basisopleiding geneeskunde

  • Opleiders medische vervolgopleidingen

  • Supervisoren medische vervolgopleidingen

  • Onderwijskundigen

  • Decanen faculteiten geneeskunde

  • Vertegenwoordigers wetenschappelijke verenigingen

  • Beleidsmakers en bestuurders

Trefwoorden: Basisarts en geneeskundig specialist van straks, Dedicated schakeljaar, Masterfase basisopleiding geneeskunde, Versnelling c.q. verkorting van de vervolgopleiding, Medisch opleidingscontinuüm

Wijze van presentatie: Symposium




B4 / Zaal 530
BMJ of Instructional Science: hoe te publiceren in verschillende typen tijdschriften?
Driessen EW, Teunissen PW

Universiteit Maastricht


Thema

Voor een onderzoeker is het verstandig om na te denken over zijn/haar publiceer strategie. Naar welke type tijdschrift wil je je artikel sturen? Het tijdschrift met de hoogste impact factor? Of het tijdschrift dat het meest gelezen wordt door de docenten? Of het tijdschrift waar de discussie wordt gevoerd over de theorie die jij net hebt aangepast? En wat is het effect van je publicatie strategie op het impact van je werk en je wetenschappelijke carrière? In deze workshop bekijken we artikelen over hetzelfde onderwerp, maar gepubliceerde in verschillende tijdschriften. We kijken naar stijl, structuur, compositie van de artikelen. Naast de technische aspecten, zullen we ook ingaan op ethische aspecten van het publiceren in verschillende type tijdschriften: hoe ver ga je om in het tijdschrift met een hoge impact factor te komen? Volg je alle wensen van de redacteuren en editors op?

Doel

Het verkrijgen van meer inzicht in publicatiestrategie en de verschillen tussen verschillende tijdschriften



Doelgroep

Onderzoekers die publiceren

Opzet workshop

Na een korte inleiding worden verschillende artikelen over hetzelfde onderwerp door de deelnemers geanalyseerd en bediscussieerd. Daarna wordt samen met de deelnemers tips bediscussieerd voor het ontwikkelen van een publicatiestrategie.

Maximum aantal deelnemers: 15
Trefwoorden: Research in medical education: All, Research in medical education: Publications, Research in medical education: Ethics

Wijze van presentatie: Workshop


Correspondentieadres:

E.W. Driessen

Universiteit Maastricht

O&O


PB 616

6200MD MAASTRICHT

E-mail: e.driessen@maastrichtuniversity.nl
B5 / Zaal 531
Als ronde cirkels niet rollen: impuls geven aan kwaliteitszorg
NVMO werkgroep Kwaliteitszorg

Boerboom TBB1, Baartman E2, Thelen AHM3, Stalmeijer RE4



1Academisch Medisch Centrum, Universiteit van Amsterdam, 2VU medisch centrum, 3Coördinator van werkgroep kwaliteitszorg NVMO, 4Universiteit Maastricht
Thema

Aan kwaliteitszorg van onderwijs wordt binnen onderwijsinstellingen veel energie besteed. Evalueren, nabespreken, afspraken vastleggen, planningsgesprekken etc. zijn mogelijke ingrediënten van een kwaliteitszorgcyclus. Diegenen die betrokken zijn bij de kwaliteit van onderwijs worden uitgedaagd om deze cirkels van Plan, Do, Act, Check (PDCA) te sluiten. Het is immers bekend dat enkel het terugkoppelen van evaluatiegegevens en het opstellen van een verbeterplan niet automatisch leiden tot een daadwerkelijke verbetering van onderwijs. Zaken als het stimuleren van een kwaliteitscultuur, verandermanagement, eigenaarschap maar vooral dialoog (leren in interactie!) zijn belangrijk om diegenen die op strategisch, tactisch en operationeel niveau verantwoordelijk zijn voor de kwaliteit van onderwijs -ook onderling- in beweging te krijgen.

Doel

Doel van deze workshop is om op interactieve wijze een aantal strategieën te exploreren die kunnen helpen de focus te verschuiven van evaluatie naar verbetering binnen de kwaliteitszorg van onderwijs. Theoretische achtergronden uit de (medisch) onderwijskundige literatuur, evenals inzichten uit de bedrijfs- en bestuurskunde zullen worden ingebracht ter inspiratie.



Doelgroep

Studenten, docenten en beleidsmakers die belangstelling hebben en/of verantwoordelijk zijn voor kwaliteitszorg van onderwijs

Opzet workshop

Activiteiten

Als aftrap zullen de deelnemers geconfronteerd worden met gefingeerde evaluatiedata (docentenfeedback, blokevaluatie, opleidingsevaluatie). De deelnemers zullen de opdracht krijgen om de belangrijkste aandachtspunten te identificeren. Vervolgens zullen de deelnemers in groepen worden uitgedaagd strategieën te bedenken om te komen van aandachtspunt tot actie op het juiste (operationele, tactische en strategische) niveau. Na een plenaire terugkoppeling zullen enkele theoretische achtergronden worden gedeeld ter inspiratie.

Opbrengsten

Inzicht krijgen in strategieën voor kwaliteitszorg die verder reiken dan de standaardonderdelen van een PDCA-cyclus. De werkgroep Kwaliteitszorg wil eerder inspireren dan voorzien in een standaardrecept voor kwaliteitszorg daar iedere context ander is.

Maximum aantal deelnemers: 18


Trefwoorden: Education management: Quality Assurance, Education Management: Change, Medical education: General

Wijze van presentatie: Workshop


Correspondentieadres:

T.B.B. Boerboom

Academisch Medisch Centrum

Centrum voor Evidence Based Education

Meibergdreef 15

1105 AZ AMSTERDAM

E-mail: t.b.boerboom@amc.uva.nl
B6 / Zaal 532
Stationsexamen: een nieuwe vorm
Agsteribbe J1, Os TWDP van2, Hoopen H ten3

1UMC Groningen, 2GGZ Friesland, 3GGZ Drenthe
Thema

De verschillende psychiatrieopleidingen zijn in Nederland gebundeld in 7 consortia. Het consortium Noord Nederland bestaat uit 6 opleidingen (UCP, Lentis, GGZ Drenthe, GGZ Friesland, Dimence en Mediant). Binnen het consortium Noord Nederland bestaat een nauwe samenwerking op het gebied van opleiden en onderwijs. Deze samenwerking heeft in 2011 geresulteerd in de invoering van een nieuw psychotherapie curriculum. Tijdens het 1ste jaar van het curriculum wordt vooral veel aandacht besteed aan de basale gespreksvaardigheden. Gespreksvaardigheden vormen de basis van elke psychotherapie en behoren tot een essentiële vaardigheid van elke psychiater. Het is daarom van belang deze vaardigheden goed te toetsen. Wij hebben gekozen gebruik te maken van het zogenaamde stationsexamen ook wel bekend als OSCE (Objective Structured Clinical Examination).

De AIOS gaan tijdens het examen 3 stations langs en in elk station wordt een andere vaardigheid getoetst. Alle gesprekken worden, inclusief de feedback, opgenomen en zijn daardoor toegankelijker voor de beoordeling, evaluatie en het formuleren van leerdoelen door de AIOS. Het blijkt dat de toets een goed selectiecriterium is. De AIOS die slecht presteren op de toets blijken in de praktijk minder geschikt voor het vak van psychiater.

De simulatiepatiënten worden gespeeld door psychiaters en sociaal psychiatrisch verpleegkundigen met affiniteit met acteren. Inmiddels is dat uitgegroeid tot een vaste groep ‘acteurs’ die we ook scholing aanbieden in het training acteren. Het inzetten van psychiaters als acteur is om verschillende redenen nuttig. Ze kennen de materie goed, dus zijn zeer goed in staat een rol neer te zetten, maar het is ook een goede manier om de supervisoren bij het AIOS onderwijs te betrekken. Ze zijn eerder geneigd een bijdrage te leveren aan het onderwijs.

Doel

De deelnemers laten ervaren hoe wij binnen de psychiatrie gebruik maken van het stationsexamen voor het toetsen van psychotherapeutische vaardigheden. De deelnemers laten ervaren hoe gebruik te maken van de eigen specialisten binnen het onderwijs, waarmee de supervisoren ook meer betrokken raken bij het AIOS onderwijs. Demonstreren en laten ervaren van onze specifieke inzet van het stationsexamen binnen het psychiatrieonderwijs. Suggesties geven voor de toepassing van een dergelijk examen binnen andere specialismen. Handvatten aanreiken voor het formeren van een eigen trainingsacteurs groep voor gebruik binnen de eigen opleiding.



Opzet workshop

Na een korte beschrijving van ons psychotherapiecurriculum en dan met name het 1ste jaar, zullen we de deelnemers zelf laten deelnemen (met 2 trainingsacteurs) aan een of meerdere stations, zoals onze AIOS die doorlopen, waarbij de beoordeling van de te toetsen competenties inzichtelijk wordt gemaakt. Vervolgens zullen we stilstaan bij de werving en selectie van de trainingsacteurs, zoals wij die inzetten.

Maximaal aantal deelnemers: 15
Trefwoorden: Assessment: OSCE/ OSPE/ OSTE, Learning outcomes: Communication skills, Medical education: Postgraduate education

Wijze van presentatie: Workshop


Correspondentieadres:

J. Agsteribbe

UMC Groningen

UCP


Postbus 30001, huispostcode cc10

9700 RB GRONINGEN

E-mail: j.agsteribbe@umcg.nl

B7 / Zaal 533
Geneeskunde bachelorscriptie: een passende afsluiting van de academische vorming?
NVMO werkgroep Wetenschappelijke vorming

Verheijck EE1, Wijk IJ van2, Fransen J3, Adelmeijer L4



1Academisch Medisch Centrum, Universiteit van Amsterdam, 2VU medisch centrum, 3Radboud UMC,4LUMC
Achtergrond

Alle Nederlandse en Vlaamse geneeskundeopleidingen besteden aandacht aan academische vorming. In Nederland staan de vereiste competenties voor de rol van ‘academicus’ beschreven in het Raamplan 2009, voor Vlaanderen zijn ze beschreven in de rol van ‘scholar/wetenschapper’ in het Vlaamse domeinspecifieke leerresultatenkader gealigneerd op het CanMEDs model. Academische vorming kan worden onderverdeeld in: wetenschappelijke vaardigheden, brede intellectuele vaardigheden of humanities en academische vaardigheden (van der Vusse et al, 2011). Een deel van de Nederlandse bacheloropleidingen profileert zich expliciet met wetenschappelijke vorming en sluit dit onderdeel af met een bachelorscriptie. De visitatiecommissie geneeskunde 2011/2012 is positief over deze ontwikkeling (QANU, 2012). Daarnaast wordt de ‘doorstroom-master’ afgeschaft, wat betekent dat de bacheloropleidingen geneeskunde volwaardige zelfstandige bacheloropleidingen moeten worden. Het merendeel van de bacheloropleidingen wordt door studenten afgesloten met een individueel werkstuk. De NVMO werkgroep wetenschappelijke vorming vraagt zich af wat de beste aanpak, invulling en eisen van de geneeskunde bachelorscriptie zouden kunnen zijn.

Doel

Het doel van de rondetafeldiscussie is om standpunten te helpen bepalen over: i) wat een passende afsluiting van de academische vorming is; ii) hoe deze afsluiting zich onderscheidt van de masterscriptie; iii) het nut van een bachelorscriptie als afronding van de bachelor geneeskunde, en iv) het gebruik van de bachelorscriptie van biomedische opleidingen als voorbeeld.



Doelgroep

Docenten academische vorming, wetenschappelijke vorming en professionele vorming, curriculum- ontwikkelaars, medisch specialisten, onderwijscoördinatoren, onderwijskundigen en studenten geneeskunde en biomedische wetenschappen.

Opzet rondetafelsessie

De rondetafelsessie wordt ingeleid met een overzicht van de academische vorming in de Nederlandse UMC’s en deze zal worden vergeleken met een aantal biomedische opleidingen. Vervolgens wordt vanuit verschillende UMC’s een inspirerende pitch gegeven over de wijze waarop zij invulling geven aan de academische vorming en de afronding daarvan.

De deelnemers aan de rondetafelsessie gaan hierna aan de hand van stellingen in discussie over de afronding van academische vorming van de bachelor geneeskunde, het nut van een bachelorscriptie en de eisen voor een dergelijke scriptie.

Opbrengst

De opbrengst van deze rondetafeldiscussie helpt standpunten te bepalen over: 1) passende manieren waarop academische vorming tijdens de bacheloropleiding kan worden afgerond, 2) het nut van een bachelorscriptie en 3) het onderscheidende karakter van de bachelorscriptie ten opzichte van de masterscriptie. Uiteindelijk moet de discussie helpen bij het structureren van de afronding van het academisch vormend bacheloronderwijs alsook bij het formuleren van concrete leerdoelen en opbrengsten.

Maximum aantal deelnemers: 30


Referenties:

Herwaarden et al. (2009). Raamplan Artsopleiding 2009, NFU.

van der Vusse et al. (2011). TMO 30, 6, 315-323.
Trefwoorden: Learning outcomes: Research, Curriculum: All, Medical education: Undergraduate education

Wijze van presentatie: Rondetafelsessie


Correspondentieadres:

E.E. Verheijck

Academisch Medisch Centrum
Meibergdreef 9

6200 MD AMSTERDAM

E-mail: e.verheijck@amc.uva.nl

1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   ...   24

  • B2.4 / Zaal 525
  • B2.5 / Zaal 525
  • B3 / Abdijzaal
  • B5 / Zaal 531
  • B6 / Zaal 532
  • B7 / Zaal 533

  • Dovnload 1.15 Mb.