Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Opening congres door dr. Hanke Dekker, hoofdorganisator nvmo congres 2014 10. 10-10. 40 en prof dr. Janke Cohen-Schotanus, voorzitter nvmo 10. 40-10. 45 Welkomstwoord

Dovnload 1.15 Mb.

Opening congres door dr. Hanke Dekker, hoofdorganisator nvmo congres 2014 10. 10-10. 40 en prof dr. Janke Cohen-Schotanus, voorzitter nvmo 10. 40-10. 45 Welkomstwoord



Pagina8/24
Datum04.04.2017
Grootte1.15 Mb.

Dovnload 1.15 Mb.
1   ...   4   5   6   7   8   9   10   11   ...   24

B8.1 / Zaal 536
Verplicht coschap ouderengeneeskunde vergroot populariteit ouderengeneeskunde onder geneeskundestudenten
Conijn M, Beekman R, Treskes RW

KNMG Studentenplatform


Probleemstelling

Door de vergrijzing zal een groeiende groep oudere patiënten een beroep gaan doen op de specialist ouderengeneeskunde. Echter, er zijn nog altijd onvoldoende specialisten ouderengeneeskunde om de beschikbare vacatures te vullen.1 De aandacht die binnen de opleiding geneeskunde aan ouderengeneeskunde besteed wordt, verschilt sterk per faculteit. Op dit moment hebben alleen de Vrije Universiteit Amsterdam en de Radboud Universiteit Nijmegen een verplicht coschap ouderengeneeskunde in het curriculum opgenomen. Overwegen studenten van deze faculteiten ook significant vaker oudergeneeskunde als vervolgopleiding? Wat zijn beweegredenen van studenten om ouderengeneeskunde wel, of niet, te overwegen?

Methode

In november 2013 werden alle 14.570 studentleden van de KNMG per e-mail uitgenodigd voor deelname aan een digitale enquête. Hen werd onder andere gevraagd de drie vakgebieden aan te kruisen die op dit moment de voorkeur voor specialisatie hebben. Coassistenten die ouderengeneeskunde in hun top drie plaatsten kregen de vraag waarom zij voor ouderengeneeskunde kiezen. Zij konden hierbij maximaal drie van de acht gegeven antwoordopties kiezen of een open antwoord invullen. Op dezelfde manier werd aan coassistenten die geen ouderengeneeskunde in hun top drie kozen, gevraagd wat hiervoor de reden is. Coassistenten konden daarna aangeven of zij een coschap ouderengeneeskunde gelopen hebben.



Resultaten

In totaal vulden 2739 studenten de vragenlijst volledig in (responspercentage: 18,8%), waaronder 1278 coassistenten. 23,5% van de coassistenten liep een coschap ouderengeneeskunde, voor 69,3% van hen was dit coschap verplicht. Coassistenten die een verplicht coschap ouderengeneeskunde liepen, kozen significant vaker voor ouderengeneeskunde in hun top 3 vergeleken met coassistenten die geen coschap ouderengeneeskunde liepen (respectievelijk 9,6% en 3,8%, OR 2,71, 95% CI 1,536-4,765). Van alle coassistenten kiezen er 70 voor ouderengeneeskunde in hun top drie (5,5%). De belangrijkste redenen om voor ouderengeneeskunde te kiezen zijn de patiëntpopulatie (18%), het veel kunnen betekenen voor de patiënt (18%) en goede ervaringen door een coschap (12%). Belangrijkste redenen om niet voor ouderengeneeskunde te kiezen zijn de patiëntpopulatie (23%), het verpleeghuis als werkomgeving (23%) en de onbekendheid van het specialisme (15%).

Discussie en conclusie

Uit de enquête van het KNMG Studentenplatform blijkt dat op faculteiten waar een coschap ouderengeneeskunde verplicht is, significant meer studenten specialist ouderengeneeskunde meenemen in hun overwegingen voor een specialisatie. Met het oog op de huidige vergrijzing is het van groot maatschappelijk belang dat studenten in aanraking komen met ouderengeneeskunde en enthousiast gemaakt worden voor het vak. Het KNMG Studentenplatform wijst op de bijdrage die een coschap ouderengeneeskunde hieraan kan leveren en pleit ervoor dit coschap verplicht te maken op alle faculteiten.

Referentie

1) Capaciteitsplan 2013: Deelrapport 5: Specialist Ouderengeneeskunde. Capaciteitsorgaan. Utrecht, Oktober 2013


Trefwoorden: Students/Trainees: Career choice, Curriculum: General, Students/Trainees: All

Wijze van presentatie: Paper


Correspondentieadres:

M. Conijn


KNMG Studentenplatform

Hessenweg 23

3731 JC DE BILT

E-mail: maartjeconijn@live.nl



B8.2 / Zaal 536
Ouderengeneeskunde nauwelijks aanwezig in bachelor onderwijs op de Nederlandse geneeskunde faculteiten: analyse van al het huidige bachelor onderwijs in Nederland
Pol MHJ van de, Rodijk K, Schatorie MWM, Lagro-Janssen ALM

Radboud UMC


Probleemstelling

De Nederlandse bevolking vergrijst, hierdoor krijgt bijna elke arts in zijn toekomstige werk te maken met oudere patiënten met vaak multipele problemen. Om goed op deze populatie voorbereid te zijn is van belang dat elke arts basiskennis en vaardigheden bezit ten aanzien van ouderengeneeskunde(1). Doel van dit onderzoek was om gedetailleerd in kaart te brengen in hoeverre geneeskunde studenten tijdens hun bachelor onderwijs over ouderengeneeskunde krijgen.

Methode

Alle blokboeken die tijdens de bachelor worden gebruikt op de acht Nederlandse medische faculteiten (studiejaar 2011/2102) werden gescreend op onderwijs over ouderenzorg. Om het onderwijs te kunnen inventariseren maakten we gebruik van een matrix vormgegeven aan de hand van de CanMeds competenties en het raamplan 2009 en gescoord in een tabel aan de hand van de visie van experts op het gebied van ouderengeneeskunde (tabel 1). Wanneer een onderwerp ≤3 keer aan bod kwam werd dit als onvoldoende en ≥9 keer als voldoende behandeld beschouwd.



Resultaten

Er was een grote variatie in het aantal en de aard van de onderwerpen die in het bachelor onderwijs aan bod kwamen. Een grote meerderheid van de items scoorde slecht of werden niet bediscussieerd (tabel 1). Onderwerpen die wel voldoende bediscussieerd werden zijn: ‘polyfarmacie /veroudering en farmacologie’, ‘fysiologie van veroudering’ en tot op zekere hoogte ‘individuele therapie’ en ‘chronische ziekten (hart- en vaatziekten)’.

Discussie

Over het algemeen is er in de bachelor geneeskunde van de Nederlandse medische faculteiten weinig onderwijs over ouderenzorg. Het onderwijs dat aan bod komt gaat vooral over de fysiologie van veroudering en farmacologie. Het grootste deel van het onderwijs in de bachelor is ziektegericht, echter de oudere complexe patiënt met de betreffende ziekte komt nauwelijks aan bod. Terwijl bijna alle artsen juist met oudere patiënten met multipele problemen te maken krijgt. Om toekomstige artsen voor te bereiden op deze praktijk is het van belang dat hier al tijdens de bachelor voldoende aandacht wordt besteed(2). Wij denken hierbij aan kennis over de verschijningsvormen van ziekten op oudere leeftijd en specifieke behandeling en begeleiding bij deze patiëntengroep en gaan hierover graag met u de discussie aan!

1. Leipzig RM, et al. Keeping Granny Safe on July 1: A Consensus on Minimum Geriatrics Competencies for Graduating Medical Students. Acad Med. 2009;84(5):604-10.

2. Tullo ES, et al. Systematic review: helping the young to understand the old. Teaching interventions in geriatrics to improve the knowledge, skills, and attitudes of undergraduate medical students. J Am Geriatr Soc. 2010;58(10):1987-93. Epub 2010/09/16.

Tabel 1: Scoretabel onderwerpen uit onderwijs bachelor
https://www.eventure-online.com/parthen-uploads/39/post4/img1_247808.jpg


Trefwoorden: Curriculum: Evaluation of curriculum, Medical education: Undergraduate education, Learning outcomes: General

Wijze van presentatie: Paper
Correspondentieadres:

M.H.J. van de Pol

Radboud UMC

Eerstelijnsgeneeskunde 161 elg


Postbus 9101

6500HB NIJMEGEN

E-mail: marjolein.vandepol@radboudumc.nl
B8.3 / Zaal 536
'Leren in interactie': patient als partner in het leerproces
Cuisinier ME, Fluit CRMG

Radboud UMC


Achtergrond

In het nieuwe bachelorcurriculum geneeskunde Radboud UMC (start 2015) zullen studenten worden opgeleid tot professionals die persoonsgerichte zorg leveren, met de patiënt als partner in het zorgproces.

Daarvoor is nodig dat de patiënt zich gehoord én begrepen weet door een professional die goed kan luisteren én empathisch is.(1) .

Om dit al vroeg te leren participeren studenten vanaf het begin van hun opleiding in de praktijk.

Vooruitlopend hierop loopt in studiejaar 2013/2014 een pilot waarbij eerstejaars studenten een patiënt met een chronische aandoening volgen.

Onderzocht wordt

a. of onderwijs in deze vorm: (1) haalbaar is en (2) inzicht geeft in het persoonlijk perspectief van patiënten met een chronische aandoening;

b. de mate waarin de patiënt kan bijdragen aan de persoonlijke professionele rolontwikkeling van deze artsen in spé.

Opzet

15 eerstejaars studenten participeren op vrijwillige basis aan deze pilot, naast hun reguliere studiebelasting.Ze worden hierbij begeleid door hun eigen mentor. Voor deze betekent het dus ook een extra tijdinvestering.



De studenten hebben een gesprek bij hun patiënt thuis, gaan mee naar consulten en hebben contact in de persoonlijke setting van de patiënt (werk, hobby). Ze maken verslagen van deze contacten waar de patiënt feedback op geeft. De student bespreekt deze feedback met hun docentmentor.

Eind juni 2014 vindt evaluatie plaats met alle betrokkenen (in groepsverband / gestructureerde open vragenlijst).

Resultaten

Persoonlijke, motiverende benadering van artsen om geschikte patiënten te selecteren blijkt essentieel

Bijeenkomsten met studenten en mentoren laten het volgende zien:

Coaching: begeleiding (groepsbijeenkomsten, mentorgesprek) nodig om te zorgen voor verdieping van de leermomenten uit de patiëntcontacten

Studentveiligheid: bewaking grenzen professionele <-> niet professionele relatie

Patiëntparticipatie: feedback van patiënten wordt als leerzaam ervaren. Begeleiding van de student door mentor is hierbij van belang

Organisatie: Factoren die bijdragen in afhaken of leiden tot niet optimale betrokkenheid: m.n. extern (tijd) maar ook bv wervingscriteria (patiënt niet “geschikt”)

Discussie

Vroegtijdige contacten tussen studenten en patiënten, zowel in de medische praktijk als in de persoonlijke context van de patiënt, zijn realiseerbaar en worden door betrokken partijen gewaardeerd.

De patiënt kan een bijdrage leveren in de persoonlijke professionele rolontwikkeling van de student (feedback), al vroeg in de opleiding.

Behalve goede begeleiding van de studenten blijken bereidheid en motivatie vanuit het werkveld, én het creëren van veiligheid voor zowel studenten als patiënten belangrijke voorwaarden voor een succesvol verloop.

Referentie

(1) Justin Jagosh, Joseph Donald Boudreau, Yvonne Steinert, Mary Ellen MacDonald, Lois Ingram. The importance of physician listening from the patients’ perspective: Enhancing diagnosis, healing, and the doctor-patient relationship. Patient Education and Counseling 2011; 85:369-374
Trefwoorden: Learning outcomes: Communication skills, Learning outcomes: Professionalism / attitude / ethics, Medical education: Undergraduate education

Wijze van presentatie: Paper


Correspondentieadres:

M.E. Cuisinier

Radboud UMC

ELG


Postbus 9101, hp 161

6500 HB NIJMEGEN

E-mail: marlies.cuisinier@radboudumc.nl

B8.4 / Zaal 536
Duurzame en doelmatige zorg onderwijs: een literatuur onderzoek
Stammen LA1, Stalmeijer RE1, Driessen EW1, Scheele F2, Stassen LPS3

1Universiteit Maastricht, 2Sint Lucas Andreas Ziekenhuis, 3MUMC
Probleemstelling/achtergrond

Stijgende gezondheidszorgkosten vragen aandacht op verschillende niveaus. De rol van individuele artsen en het belang van het trainen van professionals met betrekking tot duurzame en doelmatige zorg worden onderkend. Verschillende interventies werden reeds geïmplementeerd om artsen en aios/studenten meer bewust te maken van de verscheidene elementen van duurzaamheid en doelmatigheid van zorg. Aan de hand van een literatuurstudie hebben wij getracht de volgende vragen te beantwoorden: 1) welke soorten onderwijs-interventies gericht op het trainen van artsen op het gebied van duurzame en doelmatige zorg zijn geïmplementeerd? 2) In hoeverre waren deze interventies effectief? 3) Wat bepaalde de effectiviteit van de interventies?

Methode/opzet

Met behulp van verschillende wetenschappelijke databases (o.a.Pubmed en EBSCO) werd gezocht naar medisch onderwijskundige, medische, gezondheids-economische en beleidsliteratuur om interventies te identificeren en te beschrijven.

Resultaten

Het overgrote deel van de interventies was gericht op kennisoverdracht door middel van audits en lezingen. Het voornaamste doel was het reduceren van de zorgkosten, zonder aandacht voor het grote plaatje van duurzame en doelmatige zorg. Uitkomstmaten waren prijzen van diensten, prijs per patiënt en zelf-waargenomen attitude/kennis over zorgkosten. Lange termijn effecten van de interventie werden veelal niet onderzocht. Ook gedragsverandering of effecten op afdelingscultuur werden niet onderzocht. Slechts enkele interventies werden gebaseerd op onderwijskundige- of gedragsveranderings-theorieën.

Discussie

De resultaten laten zien dat interventies gericht op kennisaspecten rondom duurzame en doelmatige zorg effectief kunnen zijn op korte termijn, echter interventies welke zich richten op de complexiteit van duurzame en doelmatige zorg zijn schaars.

Implicaties voor de praktijk

Onderwijs op het gebied van duurzame en doelmatige zorg is belangrijk. Het implementeren van theoretische interventies met aandacht voor de complexiteit van duurzaamheid en doelmatigheid op verschillende niveaus biedt een kans voor gefundeerd onderwijs voor artsen en aios. Deze theoretische interventies zouden zich tevens moeten richten op gedrags- en cultuurveranderingen onder artsen.


Trefwoorden: Teaching & learning: General, Medical education: Postgraduate education, Learning outcomes: Health economics, Duurzame zorg, Doelmatige zorg, Kosten van zorg, Verspilling in de zorg, Gepaste zorg.

Wijze van presentatie: Paper


Correspondentieadres:

L.A. Stammen

Universiteit Maastricht

Onderwijsontwikkeling en research

Postbus 616

6200 MD MAASTRICHT

E-mail: l.stammen@maastrichtuniversity.nl

B9.1 / Zaal 537
De zelfinschatting van studenten voor en na een stationstoets van klinische vaardigheden
Belterman FW, Hettinga AM, Postma CT

Radboud UMC


Probleemstelling/Achtergrond

Mensen hebben over het algemeen de neiging hun eigenschappen, vaardigheden en vermogens te overschatten. In eerder onderzoek werd gevonden dat degenen met de minste vaardigheden hun vermogens overschatten en degenen met de meeste vaardigheden deze onderschatten. De zelfinschatting van studenten heeft mogelijk consequenties voor hun academische prestaties, reden om hier onderzoek naar te doen.

Onderzoeksvragen:

Is er verschil tussen zelfinschatting van studenten voor en na een vaardighedentoets?

In welke mate komt de zelfinschatting voor en na een vaardighedentoets overeen met de werkelijke beoordelingen op die toets?

Methode/Opzet

85 Zesdejaars geneeskunde studenten, hebben voor en direct na een uitgebreide vier uur durende stationstoets een zelfinschattingsschaal ingevuld op de onderdelen anamnese, lichamelijk onderzoek, professioneel gedrag, communicatie, kwaliteit verslag, probleemlijst, differentiaal diagnose en plan van aanpak. De studenten hadden ten tijde van het invullen van de zelfinschattingsschaal direct na de vaardigheidstoets nog geen feedback ontvangen.

Resultaten

De resultaten laten verschil in de zelfinschatting zien voor en na de stationstoets. De grootste verschillen worden gevonden voor de onderdelen anamnese, kwaliteit verslag en probleemlijst.

Op het onderdeel anamnese schat 62.4% van de studenten zich bovengemiddeld vóór de toets, na de toets is dit 49.4% en het percentage studenten (4.7%) dat zich ondergemiddeld inschat vóór de toets stijgt naar 20.0%. Op het onderdeel kwaliteit verslag is een daling van bovengemiddeld en gemiddeld naar ondergemiddeld. Vóór de toets schat 29 % zichzelf bovengemiddeld in, na de toets is dit 20%. Voor ondergemiddeld stijgt dit van 38% van de studenten vóór, naar 57% na de toets. Op het onderdeel probleemlijst is hetzelfde effect te zien als bij kwaliteit verslag. Vóór de toets schat 20% zich bovengemiddeld in, na de toets is dit 9.4%. Het aantal studenten die zich onder gemiddeld inschatten vóór de toets stijgt van 46% naar 62% na de toets.

Voor de anamnese is ook gekeken naar zelfinschatting van de student op het onderdeel in vergelijking tot de werkelijke score. Van de studenten had 39% een goede inschatting van zijn prestaties gemaakt vóór en na de toets. Echter, vóór de toets had 10% zichzelf lager ingeschat dan de werkelijke score, na de toets was dit percentage 19%. Het percentage studenten dat zichzelf overschatte daalde van 50% vóór, naar 41% na.

Discussie

De neiging zichzelf over te schatten is aanwezig bij het toetsonderdeel anamnese, maar is na de toets duidelijk verminderd. Bij de andere toetsonderdelen bestaat er een duidelijke neiging tot zelfonderschatting die na de toets toeneemt.

Conclusie: Ook op het moment dat studenten nog geen feedback hebben ontvangen over hun prestaties, verandert de zelfinschatting na een vaardighedentoets.


Trefwoorden: Students/Trainees: Characteristics, Assessment: Clinical assessment

Wijze van presentatie: Paper


Correspondentieadres:

F.W. Belterman

Radboud UMC

IWOO


Geert Grooteplein Noord 21

6525 EZ NIJMEGEN

E-mail: Floor.Belterman@radboudumc.nl
B9.2 / Zaal 537
Werkelijk druk of ervaren druk? Een dagboekstudie naar studielast bij Tandheelkunde
Velthuis F, Hell EA, Blanksma NG, Dekker H

UMC Groningen


Aanleiding

Veel universitaire opleidingen met een sterke nadruk op vaardighedenonderwijs worstelen met de studeerbaarheid van hun programma. Hoe houd je het onderwijs studeerbaar, maar zorg je er ook voor dat studenten, naast voldoende theoretische kennis, beschikken over fijn-motorische beroepsvaardigheden waar veel oefening voor nodig is? Landelijk zijn afspraken gemaakt over een minimale contacttijd van 12 uur per week (Hoger Onderwijs), maar daar staat tegenover dat garanderen van voldoende zelfstudietijd in het onderwijsprogramma het leerresultaat van studenten positief beïnvloedt (Wet van Vos, niet meer dan 12 uur contacttijd per week). Voor studies met veel vaardighedenonderwijs wordt deze 12 uur makkelijk gehaald. Dit roept de vraag op of voldoende tijd overblijft voor zelfstudie. Signalen van een mogelijk te hoge studielast bij Tandheelkunde waren aanleiding voor dit evaluatieonderzoek naar de verhouding tussen contacttijd voor theorieonderwijs en fijn-motorisch beroepsvaardighedenonderwijs, zelfstudietijd en totale studielast.

Opzet

Twintig eerstejaars Tandheelkundestudenten van de Rijksuniversiteit Groningen hielden gedurende een 10-weeks studieblok dagelijks bij hoeveel tijd zij besteedden aan zelfstudie, theorieonderwijs (colleges, practica, kleinschalig groepsonderwijs) en vaardighedenonderwijs. Hiervoor is een gedeeltelijk voorgeprogrammeerd dagboek ontwikkeld dat eenvoudig in te vullen was met behulp van snelcodes. Gerapporteerde uren zijn opgeteld en gemiddelde zelfstudietijd, theorieonderwijstijd, vaardighedenonderwijstijd en studielast zijn berekend. Daarnaast is elke week de open vraag gesteld: “Terugkijkend op deze week, kan je dan in een paar zinnen of woorden beschrijven hoe je de week hebt beleefd?”. Deze kwalitatieve data zijn globaal geïnterpreteerd.



Resultaten

Studenten rapporteerden gemiddeld 14.1 uur per week contacttijd (SD = 1.11) waarvan 7.1 uur vaardighedenonderwijs betrof (SD = 0.49) en 7.0 uur theorieonderwijs (SD = 1.52). Gemiddeld besteedden studenten 24 uur aan zelfstudie (SD = 6.5) en daarmee betrof de gemiddelde studielast 38.1 uur per week (SD = 7.08). In totaal werd de open vraag 134 keer beantwoord. Woorden als ‘druk’, ‘vermoeiend’ en ‘stress’, worden vaak genoemd.

Discussie

Vergeleken met gegevens van andere universitaire studenten (Onderwijsinspectie, 2011) ligt de gerapporteerde contacttijd in dit evaluatieonderzoek 26% lager, zelfstudietijd 61% hoger, en daarmee studielast 12% hoger. Gemiddeld valt de studielast van 38.1 uur binnen de kaders van de 40urige werkweek, maar de kwalitatieve data suggereren dat studenten de weken als druk, stressvol en vermoeiend beleven. Een suggestie is dan ook om studielast niet verder te verhogen en waar mogelijk iets te verlagen. Een aantal studenten geeft aan dat ze door het bijhouden van dit dagboek inzicht hebben gekregen in eigen studeer- en plangedrag. Mogelijk leidt het bijhouden van een dagboek door eerstejaarsstudenten tot eerder bewustzijn van studieproblemen en kan vroegtijdig hulp worden gezocht, bijvoorbeeld bij studiecoaches.


Trefwoorden: Curriculum: Planning, Education management: Quality Assurance

Wijze van presentatie: Paper


Correspondentieadres:

F. Velthuis

UMC Groningen

Onderwijsinstituut

A. Deusinglaan 1

9713 AV GRONINGEN

E-mail: f.velthuis@umcg.nl

B9.3 / Zaal 537
Middelengebruik ter verbetering van studieprestaties onder geneeskundestudenten
Nijenhuis MM, Alderlieste LC, Sprang N van

KNMG Studentenplatform


Probleemstelling

Als geneeskundestudent heb je veel contacturen in de bachelor en maak je tijdens de coschappen lange dagen in het ziekenhuis. Met het gegeven dat de opleidingsplekken tot specialist niet voor het oprapen liggen, is er voor geneeskundestudenten een constante prestatiedruk voelbaar, met mogelijk burn out-verschijnselen tot gevolg[i]. Er zijn geneeskundestudenten die middelen (zoals methylfenidaat, bètablokkers of benzodiazepinen) gebruiken om deze prestatiedruk beter aan te kunnen. Hoeveel geneeskundestudenten zijn dit, wat voor middelen worden er gebruikt, met welke frequentie en wat zijn de redenen voor het gebruik?

Methode

In november 2013 werden 14.570 studentleden van de KNMG uitgenodigd voor een digitale enquête met vragen over diverse actuele onderwerpen binnen de geneeskundeopleiding, waaronder vragen over het gebruik van prestatieverbeterende middelen. Zij werden gevraagd of zij ooit een middel hebben gebruikt ter verbetering van hun studieprestaties. Antwoordopties waren methylfenidaat, bètablokkers, benzodiazepinen, cocaïne en ‘anders’. Tevens werd gevraagd hoe vaak zij het middel hadden gebruikt, wat de reden was en op welk moment het middel werd gebruikt. De analyse van de resultaten werd uitgevoerd met SPSS 21.

Resultaten

Van de 2739 respondenten (responspercentage 18.8%) gaven 94 studenten (3.4%) aan wel eens een middel te hebben gebruikt ter verbetering van de studieprestaties. Onder deze 94 studenten wordt methylfenidaat het vaakst gebruikt (62.9%, n=66), gevolgd door bètablokkers (21.0%, n=22). Het merendeel gebruikt methylfenidaat één tot drie keer per jaar, mannen gebruiken het significant vaker dan vrouwen (60.6% versus 39.4%, p<0.001). Methylfenidaat wordt vooral gebruikt om beter te kunnen concentreren, langer te kunnen doorstuderen en alerter te zijn, vooral tijdens het studeren of voor een tentamen blijkt uit de enquête-antwoorden. Bètablokkers worden significant vaker door vrouwen gebruikt dan door mannen (81.8% versus 18.2%, p=0.014). De meeste studenten gebruiken het één tot drie keer per jaar om minder stress te ervaren of zelfverzekerder te zijn, meestal voor een tentamen, voor een presentatie of tijdens een coschap. Benzodiazepinen worden evenveel door mannen als vrouwen gebruikt (5.7%, n=6), waarbij de meesten dit middel meer dan drie keer per jaar gebruiken, om minder stress te ervaren en alerter te zijn. Door twee studenten (1.9%) is aangegeven dat zij cocaïne gebruiken ter verbetering van studieprestaties.

Conclusie en discussie

Een klein deel van de geneeskundestudenten gebruikt middelen ter verbetering van hun studieprestaties. Methylfenidaat is het meest gebruikte middel, gevolgd door bètablokkers. Beiden worden over het algemeen niet op regelmatige basis gebruikt. Deze enquête heeft specifiek gekeken naar middelengebruik ter verbetering van de studieprestaties, voor recreatief middelengebruik onder geneeskundestudenten is meer onderzoek nodig.

Referentie

[i]Veel burn-out onder geneeskundestudenten, Medisch Contact, Nr.40-03 oktober 2013



https://www.eventure-online.com/parthen-uploads/39/post4/img1_248092.png
Trefwoorden: Students/Trainees: Health and welfare, Students/Trainees: Stress, Students/Trainees: Characteristics, Middelengebruik, Prestatieverbetering

Wijze van presentatie: Paper


Correspondentieadres:

M.M. Nijenhuis


KNMG Studentenplatform
Vondelstraat 2

2513 EV 'S-GRAVENHAGE

E-mail: marijenijenhuis@hotmail.com

1   ...   4   5   6   7   8   9   10   11   ...   24

  • B8.2 / Zaal 536
  • B8.3 / Zaal 536
  • B8.4 / Zaal 536
  • B9.1 / Zaal 537
  • B9.2 / Zaal 537
  • B9.3 / Zaal 537

  • Dovnload 1.15 Mb.