Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Opgave Homeroswedstrijd 2017-2018 Homeros, Ilias 3,390-412 Inleiding

Dovnload 51.67 Kb.

Opgave Homeroswedstrijd 2017-2018 Homeros, Ilias 3,390-412 Inleiding



Datum08.11.2018
Grootte51.67 Kb.

Dovnload 51.67 Kb.

Opgave Homeroswedstrijd 2017-2018

Homeros, Ilias 3,390-412
Inleiding

Was het niet van de interventie van de godin Aphrodite, dan zou de Trojaanse oorlog in Ilias 3 zonder verder bloedvergieten geëindigd zijn. Een beslissend duel tussen Helena’s echtgenoten mocht dan wel dè oplossing zijn waar de soldaten al negen jaar op aan het wachten waren, maar, toegegeven, het epos zou niet half zo interessant geworden zijn als Menelaos Paris hier effectief verslagen had. De Trojanen zouden Helena met al haar bezittingen terug aan de Grieken hebben overgedragen. Patroklos, Hektor en Achilles zouden nooit op het slagveld gesneuveld zijn.

Aphrodite brengt haar beschermeling Paris echter net op tijd van het slagveld naar zijn slaapkamer – waar hij beter thuis is – en wil Helena ook op hem afsturen, als een troostprijs of beloning. Ze vindt haar op de stadswallen, neemt de gedaante aan van een oude vrouw en spreekt Helena aan. De wedstrijdtekst begint met de verleidelijke woorden van Aphrodite maar verandert al snel en vrij abrupt van toon zodra Helena de godin herkent en haar gal spuwt. Hoewel ze in de godin haar meerdere herkent, neemt ze hierbij geen blad voor de mond. De schuldvraag staat centraal. Helena is de vrouw voor wie er gevochten wordt, maar zelf legt ze de verantwoordelijkheid volledig bij Aphrodite, en deinst er niet voor terug om te suggereren dat Aphrodite dan maar zelf met Paris de koffer in moet duiken. Hierna (na deze passage) fluit de godin de opstandige Helena echter terug, en wordt er alsnog een potje gevreeën terwijl buiten de oorlog verder raast.

Voor de vertalers wordt het vooral de uitdaging om een geloofwaardige Helena neer te zetten. Ze wordt in deze passage haarfijn gekarakteriseerd door haar eigen woorden vol bittere ironie.

De Griekse tekst is die van de Loeb Classical Library.

Tekst

“δεῦρ᾿ ἴθ᾿· Ἀλέξανδρός δε καλεῖ οἶκόνδε νέεσθαι. 390


κεῖνος ὅ γ᾿ ἐν θαλάμῳ καὶ δινωτοῖσι λέχεσσι,
κάλλεΐ τε στίλβων καὶ εἵμασιν· οὐδέ κε φαίης
ἀνδρὶ μαχεσσάμενον τόν γ᾿ ἐλθεῖν, ἀλλὰ χορόνδε
ἔρχεσθ᾿, ἠὲ χοροῖο νέον λήγοντα καθίζειν.”
Ὣς φάτο, τῇ δ᾿ ἄρα θυμὸν ἐνὶ στήθεσσιν ὄρινε· 395
καί ῥ᾿ ὡς οὖν ἐνόησε θεᾶς περικαλλέα δειρὴν
στήθεά δ᾿ ἱμερόεντα καὶ ὄμματα μαρμαίροντα,
θάμβησέν τ᾿ ἄρ᾿ ἔπειτα ἔπος τ᾿ ἔφατ᾿ ἔκ τ᾿ ὀνόμαζε·
“δαιμονίη, τί με ταῦτα λιλαίεαι ἠπεροπεύειν;
ἦ πῄ με προτέρω πολίων εὖ ναιομενάων 400
ἄξεις, ἢ Φρυγίης ἢ Μῃονίης ἐρατεινῆς,
εἴ τίς τοι καὶ κεῖθι φίλος μερόπων ἀνθρώπων,
οὕνεκα δὴ νῦν δῖον Ἀλέξανδρον Μενέλαος
νικήσας ἐθέλει στυγερὴν ἐμὲ οἴκαδ᾿ ἄγεσθαι;
τοὔνεκα δὴ νῦν δεῦρο δολοφρονέουσα παρέστης. 405
ἧσο παρ᾿ αὐτὸν ἰοῦσα, θεῶν δ᾿ ἀπόεικε κελεύθου,
μηδ᾿ ἔτι σοῖσι πόδεσσιν ὑποστρέψειας Ὄλυμπον,
ἀλλ᾿ αἰεὶ περὶ κεῖνον ὀίζυε καί ἑ φύλασσε,
εἰς ὅ κέ σ᾿ ἢ ἄλοχον ποιήσεται, ἢ ὅ γε δούλην.
κεῖσε δ᾿ ἐγὼν οὐκ εἶμι—νεμεσσητὸν δέ κεν εἴη— 410
κείνου πορσανέουσα λέχος· Τρῳαὶ δέ μ᾿ ὀπίσσω
πᾶσαι μωμήσονται· ἔχω δ᾿ ἄχε᾿ ἄκριτα θυμῷ.”

Waaier aan vertalingen

De onderstaande waaier aan vertalingen biedt ook een inleiding op de vertaalgeschiedenis van het epos in de Lage Landen. Vertaal je epos best als proza, of als poëzie? In hexameters of – (volgens velen) dichter bij het natuurlijke ritme van de Nederlandse taal – in jamben? Langer of net veel korter dan het origineel? De vertaling van Gerard Koolschijn (zelf noemt hij het een “samenvatting” of “toneelbewerking”) is een buitenbeentje, een genre-experiment, een Ilias die louter uit dialoog bestaat en in vijf dramatische akten is ingedeeld.


  1. Carel Vosmaer 1880. De Ilias van Homeros / vert. [uit het Grieksch] door C. Vosmaer. Sijthoff. Leiden


390 - Kom thans meê, Alexandros verzoekt dat gij keert naar uw woning ;

Daar in de slaapzaal toeft hij, op ‘t kunstig besnedene rustbed,

Glanzend van lichaamsschoon en gewaad, en hij schoon u voorzeker

Niet of hij kwam uit den strijd, maar eer als een man die ten dansrei

Gaat, of die pas met den dans ophoudende, rustig er neerzit.

395 - Alzoo sprak zij en bracht in haar borst het gemoed in beroering.

Maar zoodra zij bespeurde den prachtigen hals der godinne,

‘t Minnelijk schoon van den boezem, den vonklenden gloed van de oogen,

Was zij aanvanklijk verbaasd, doch uitte vervolgens de woorden :

Schriklijke, waarom zoekt gij mij hiermeê dus te verdwazen ?

400 - Zult gij mij eerst weer ergens in volkrijk bloeiende steden

Voeren van Frugië’s landen of wel van Meonië’s lustoord,

Zoo bij de reedlijke menschen gij daar ook hebt eenen gunstling ?

Wijl Menelaos de zege op held Alexandros behalend

Mij, de verfoeilijke vrouw, naar zijn woning verlangde te voeren,

405 - Zoekt gij mij daarom weder, bedrieglijke listen verzinnend ?

Ga , zit zelf aan zijn zijde, de wegen der goden verlatend,

Wend voortaan nooit weder uw voeten terug ten Olumpos,

Maar blijf steeds zijn gezelle, verzorg hem en deel in zijn kommer,

Licht dan zal hij tot vrouw, wellicht zijn slavinne u maken.

410 - Maar ginds zal ik u niet, - want zeker dit ware berisplijk -

Volgen, zijn sponde bereidend ; mij zullen de Troïsche vrouwen

Allen er dra om bespotten; en reeds is eindloos mijn hartzeer.

  1. Frans Van Oldenburg Ermke 1959. Homeros, Ilias. Kempische boekhandel, Retie.


‘Kom,’ zei de godin, de vrouw nadoende, ‘Paris wil, dat u

met hem naar huis gaat. Daar ligt hij op zijn kamer, op het

mooi bewerkte rustbed, stralend in al zijn schoonheid en in

de heerlijke pracht van zijn kleren. Ge zoudt nooit geloven,

dat hij juist van een tweegevecht thuis kwam. Ge zoudt

menen, dat hij naar een danspartij wilde of er juist vandaan

kwam om te rusten.’

Verward keek Helena de godin aan. Toen zij de schoonheid

van haar hals en de liefelijke rondingen van haar borsten op¬

merkte en zag, hoe klaar en helder haar ogen fonkelden,

werd ze door een gevoel van ontzag overweldigd. Ze ver¬

heelde haar ontsteltenis niet. ‘O wreedste der vrouwen,’ zo

sprak zij, ‘waarom wilt ge me misleiden? Nu Menelaos Paris

heeft verslagen en zijn zeer schuldige vróuw met zich mee

naar huis wil nemen, koestert gij, vrees ik, heimelijke plannen

om mij weg te voeren naar een nóg verdere stad in Phrygië

of Maeconië voor de één of ander uwer verdere gunstelingen,

die daar misschien wonen mag. Daarom bent u hier gekomen

om me terug te lokken naar Paris. Neen, neen, ga zelf maar

bij hem zitten, houd hem maar gezelschap; vergeet, dat ge

een godin zijt; verzaak de Olympus voor een aards bestaan

met die man; verwen hem maar goed; wellicht wordt ge nog

eens zijn vrouw of anders zijn slavin. Ik weiger langer nog

zijn bed te delen en mezelf te schande te maken voor alle

vrouwen van Troje. Reeds heb ik, rampzalige, genoeg te

dragen!’

  1. Aegidius Timmerman 1931. Homerus, Ilias. Metrische vertaling van Aegidius W. Timmerman. Paris. Amsterdam


Hartelijk bemind - op haar nu gelijkende sprak Afrodite :

Ga met mij mee ; Alexander verzoekt U huiswaarts te keren,

‘Hij zit daarginds in zijn kamer op ’t rustbed, het kunstig gedraaide

Stralend door schoonheid en kleding. . . En zeker zou niemand beweren,

‘Dat hij zo waar uit een tweekamp gekomen was. Wel, naar een dans ging,

‘Of er, zo juist van de dansplaats gekomen, uit zat te rusten.

Zo dan nu sprak Afrodite. Zij maakte haar innerlijk kregel !

Maar toen zij, zie ! de beeldschone hals der Godin mocht herkennen,

Ook haar begeerteverwekkende borsten, haar flikkrende ogen,

Toen stond zij eerst wel verstomd, maar zij zei toch, haar toesprekend, eindlijk:

Onbegrijplijke, gij ! Waarom hunkert ge mij met dit alles

‘Weer te bedriegen ? Ge wilt mij natuurlijk nog verderweg voeren,

‘Naar een dier volkrijke steden, van Lyci’ of ’t lieflijke Lydië!

‘Hebt gij ook daar wellicht nog een vriend onder sterflijke mensen !

‘Daar Menelaus, na Paris nu werklijk te hebben verslagen,

‘Mij, verwenste, verlangt naar zijn huis met zich mede te nemen !

‘Dáárom komt ge nu zeker weer tot mij met listige streken !

‘Ga gij maar zelf bij hem zitten, wijk af van de paden der Goden,

‘Keer maar nimmer te voet weer terug naar de hoge Olympus,

‘Blijf maar sloven voor hèm en laat hem toch nooit uit uw ogen !

‘Tot hij u eindelijk maakt tot zijn vrouw of tot zijn slavin, hij !

Daarheen gaan doe ik niét - dat zou àl te verachtelijk wezen -

Om zijn leger te delen ; dan zouden de vrouwen van Troje

‘Later mij honen ; ’k heb tóch al eindloze smarten te lijden !’


  1. M.A. Schwartz 1956 (laatste herdruk 2012). Homerus, Ilias, vertaald door M.A. Schwartz. Oorspronkelijk bij Tjeenk Willink. Haarlem (nu Polak en Van Gennep. Amsterdam)


Zo vermomd sprak tot haar de godin: „Helena, kom! Paris vraagt u huiswaarts te keren .

Hij ligt in zijn slaapvertrek op zijn sierlijke rustbank, glanzend

van schoonheid in zijn kostbaar gewaad. Gij zoudt niet denken,

dat hij terug was gekeerd uit een hevig gevecht, maar dat hij naar de


dansplaats zal gaan of zo juist van de reidans uitrust.
Helena s hart werd van onrust vervuld. Zij herkende de won-
derschone hals der godin, haar bekoorlijke boezem en schitteren-
de ogen en hevig ontsteld sprak zij de woorden: „Rampzalige,

vanwaar uw begeerte mij zo te misleiden? Wilt ge me soms weg-

voeren nog verder van huis naar een stad van Phrygië of van het

liefelijke Lydië, als ook daar een van de stervelingen uw gunste-

ling is? Nu Menelaos Paris heeft overwonnen en mij, de gehate,

naar huis wil voeren, zijt ge mij daarom nu met uw listen gena-

derd? Ga naar Paris en zet u bij hem, verlaat de wegen der góden;

keer niet naar de Olympos weer. Houd niet op met hem te ver¬

zorgen, bewaak hem, tot hij u maakt tot zijn vrouw of tot zijn

slavin. Ik ga niet naar hem terug om opnieuw zijn bed te delen.

Dat zou een blaam zijn en alle vrouwen van Troje zouden er

schande van spreken voor immer. Ach, eindeloos is mijn ellende.”


  1. Jan Van Gelder 1969. Ilias : de wil van Zeus / Homerus; vert. en ingel. door Jan van Gelder. Bert Bakker/Daamen n.v. Den Haag.


„Kom eens mee: Alexandros vraagt of je thuis komt. Ja, daar is hij, in zijn

kamer, op zijn bed, glanzend in zijn schoonheid en glanzend gekleed. Men

zou niet zeggen dat hij kort hiervóór op leven en dood heeft gevochten, maar

dat hij klaar is om te gaan dansen, of zojuist met dansen is opgehouden en

even zit uit te rusten.”

Deze woorden maakten Helena opstandig. En toen zij nu ook nog de heer-

lijke hals van de godin moest zien, en die borsten schoon als het verlangen, en

die stralende ogen, sprak zij verbijsterd: „Onbegrijpelijke Demon! waarom wil

je mij zo misleiden ? Zul je mij nog, voorbij de wèlbewoonde steden, ergens in

Prygic of Lydic brengen? Heb je ook daar nog een gunsteling onder de

mannen ? Omdat nu eindelijk Menelaos de edele Alexandros heeft overwon-

nen en mij, afschuwwekkende vrouw, naar huis wil meenemen, kom je ze-

ker, op het allerlaatst, nog eens wéér met je begoochelingen? Ga zelf bij

hem zitten! Verlaat de paden der góden! Keer niet meer naar de Olympus

terug! Altijd door mag je zeuren om hèm en passen op hèm, tot je zijn vrouw

wordt, of zijn slavin wordt! Nooit ga ik daarheen! Het zou tè schandelijk zijn:

slapen met hem! Alle vrouwen in Troje zullen er later nog schande van spre -

ken. Ik weet geen weg meer in mijn eigen ellende.”


  1. H. J. de Roy van Zuydewijn 1980. De wrok van Achilles, ingeleid en vertaald in Nederlandse hexameters door H.J. de Roy van Zuydewijn. Martinus Hijhoff. ’s-Gravenhage.


390 Helena, kom! Alexandros vraagt of u thuiskomt. Hij ligt daar

neer op zijn rijk versierd bed in zijn slaapkamer, glanzend van schoonheid

en in zijn glanzende kleren. Men zou niet zeggen een man die

thuiskomt van een gevecht - meer maakt hij de indruk van iemand

die naar de dansplaats gaat, of juist heeft gedanst en wat uitrust.

Zo was het woord der godin. Maar Helena’s hart kwam in opstand,

en toen zij ook nog de mooie hals der godin, haar begeerlijk

welvende borsten gewaar werd en ’t stralende licht van haar ogen,

stond zij versteld en bracht haar gevoelens als volgt onder woorden:

Wat bezielt u, godin van het onheil, mij zo te misleiden?

400 Wilt u me soms nog verder van de bewoonbare wereld,

’t zij naar Frygië, of naar het lieflijke Lydië voeren?

Is daar misschien een andere man die uw gunst heeft gewonnen?

Nu Menelaos op Paris de overwinning behaald heeft

en hij met mij, ellendige vrouw, naar huis wil teruggaan,

komt u daarom weer bij me en hebt weer iets sluws in gedachten?

Ga maar zelf naar hem toe en vermijd de omgang met góden

en laat nooit meer uw voeten terugkeren naar de Olympos.

Blijf maar tobben om hem en neem hem maar goed in bescherming,

net zo lang tot u zijn vrouw of zijn eigen slavin bent geworden;

410 ik ga in geen geval naar hem toe; het zou me wat moois zijn -

nu te slapen met hem! De Trojaansen zouden er later

schande van spreken. Alsof ik nog geen ellende genoeg heb!

  1. Gerard Koolschijn 1993. Homerus' Ilias / Homerus; in vijf akten samengevat door Gerard Koolschijn. Polak en Van Gennep. Amsterdam


AFRODITE Ga terug, Paris roept je naar huis. Hij ligt op het prach-

tige bed, in zijn schitterende kledingstralend van schoonheid. Het

is of hij nooit in de slag is geweest, maar ieder moment naar de

dansplaats kan gaan of uitrust van dansen en zingen.


HELENA Ontzettend is dit. Waarom wilt u mij steeds weer ver-

leiden? Wilt u me soms nog verder wegvoeren, naar een Frygische

of Lydische stad, als ook daar weer een sterfelijke man woont naar

wie uw begeerte u drijft? Omdat Menelaos nu wint en mij terug

zal voeren naar huis, afschuwelijke vrouw die ik ben, komt u daar-

om nu hier met uw listige plannen? Zoek hem maar op in zijn

huis, uw geliefde, ga zelf bij hem zitten. Verlaat het paleis van de

góden, keer niet naar de Olympus terug, maar beklaag en bescherm

hem zó lang dat hij u, een godin, tot zijn vrouw maakt, of tot zijn

slavin. Ik ga daar niet heen, het is een schande nu met hem te

slapen. Ze zouden mij nawijzen hier in de stad, de vrouwen van

Troje. O, aan mijn verdriet komt geen eind.






  1. Patrick Lateur 2010 (2014). Ilias. Wrok in Troje. Athenaeum/Polak en Van Gennep. Amsterdam.


De goddelijke Afrodite sprak haar

in die gedaante aan: Kom, Helena,

want Alexandros vraagt of je naar huis keert.

Hij ligt daar schitterend van schoonheid, glanzend

van kleren in zijn kamer op zijn bed

met mooi gedraaide stijlen. Dat hij thuiskwam

nadat hij met een vijand had gevochten,

zou men niet zeggen, veeleer dat hij dansen

gaat of zopas gedanst heeft en nu uitrust.’

Met deze woorden schokte zij het hart

van Helena vanbinnen. Toen zij dan

de wondermooie hals van de godin

herkende en haar liefelijke boezem,

haar fonkelende blik, stond zij ontsteld

en zo verwoordde zij wat zij toen voelde:

Ach, vreemde godheid, waarom hunkert u

om mij zo te misleiden? Wilt u mij

nog verder voeren ergens naar een stad,

welvarend en in Frygië gelegen

of in het liefelijk Meionië?

Is er ook daar ergens een sterveling

die u geliefd is, omdat Menelaos

de goddelijke Alexandros nu

verslagen heeft en mij, gehate vrouw,

weer naar zijn huis wil voeren? Bent u daarom

met listen in het hoofd naar mij gekomen?

Ga maar bij Paris zitten en verlaat

het pad der góden, richt Uw schreden niet meer

naar de Olympos, maar verduur altijd

om zijnentwil alle ellende, hoed hem

tot hij u tot zijn vrouw of tot slavin maakt.

Neen, daarheen ga ik niet. Dat hoort toch niet!

Ik ga zijn bed niet spreiden. Alle vrouwen

Van Troje zullen later met me spotten.



En in mijn hart huist mateloos verdriet.


  • Carel Vosmaer 1880. De Ilias van Homeros / vert. [uit het Grieksch] door C. Vosmaer. Sijthoff. Leiden
  • Frans Van Oldenburg Ermke 1959. Homeros, Ilias . Kempische boekhandel, Retie.

  • Dovnload 51.67 Kb.