Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Opleiding Leraar Nederlands (B), Leraar Fries (B), Leraar Engels (B), Leraar Duits (B), Leraar Frans (B) Toetsvorm

Dovnload 84.09 Kb.

Opleiding Leraar Nederlands (B), Leraar Fries (B), Leraar Engels (B), Leraar Duits (B), Leraar Frans (B) Toetsvorm



Datum13.11.2017
Grootte84.09 Kb.

Dovnload 84.09 Kb.

Opleiding

Leraar Nederlands (B),

Leraar Fries (B),

Leraar Engels (B),

Leraar Duits (B),



Leraar Frans (B)

Toetsvorm

Tentamen

Titel Toetseenheid

ATTK I (16)

Datum

26-06-2017

Titel Toets

ATTK I (HK)

Examinator

Henk Wolf

Code

TE.ECT.Dt.P.16.ATTK I

Tijdsduur

90 minuten

Toetsperiode/Studiejaar

T4 2016/2017

Domein

1 - 10, zonder decimaal













Toegestane hulpmiddelen: geen





Toets inleveren

Ja

Papier gebruiken

Nee



Toetsinstructie
1. Vul hieronder je gegevens in.

2. Schrijf de antwoorden op het tentamen zelf. Je krijgt geen blanco toetspapier.
3. Beantwoord open vragen naar eigen keuze in het Nederlands, Fries, Duits, Engels of Frans. Schrijf leesbaar, begrijpelijk en op hbo-niveau.


4. Controleer goed of je alle vragen beantwoord hebt, voordat je de toets inlevert.

Naam :


Studentnummer :

Opleiding :

Docent bij wie je het vak gevolgd hebt:
Niet invullen, voor de docent!


aantal onvoldoende




cijfer:

aantal voldoende




aantal goed




bijzondere prestatie







Berekening cijfer:

7 onderdelen onvoldoende: 1

6 onderdelen onvoldoende: 2

5 onderdelen onvoldoende: 3

3 of 4 onderdelen onvoldoende: 4

1 of 2 onderdelen onvoldoende: 5

onderdeel 7 en nog 1 onderdeel onvoldoende,
min. 3 onderdelen goed: 6
1 onderdeel onvoldoende en min. 3 onderdelen goed: 6


1 onderdeel onvoldoende en min. 5 onderdelen goed: 7

7 onderdelen voldoende: 6

1 of 2 onderdelen goed, rest voldoende: 6

3 of 4 onderdelen goed, rest voldoende: 7

5 onderdelen goed, rest voldoende: 8

6 of 7 onderdelen goed, rest voldoende: 9

7 onderdelen goed en bijzondere prestatie: 10




Onderdeel 1
Kennis van de basisbegrippen.

Maak de onderstaande zinnen af door een van de begrippen uit de begrippenlijst in te vullen in de hokjes. Elk begrip uit de lijst wordt precies één keer gebruikt.

1. Het mechanisme waarmee kinderen volgens Noam Chomsky een taal verwerven, heet


LAD.

2. Als iemand iets wil gaan zeggen, dan begint diens spreekproces met de vorming van een


preverbale boodschap.

3. De grammaticaregels die we als kind hebben verworven, worden samen wel aangeduid als


competence.
4. Volgens Krashen zijn expliciet aangeleerde taalregels alleen beschikbaar via de
monitor.
5. De tussentaal is de taal zoals een T2-leerder die spreekt.


Begrippenlijst:

afasie
competence
compositionaliteit
diachrone grammatica
fonetiek
LAD
monitor
negatieve transfer
performance
positieve transfer
preverbale boodschap
tussentaal

6. In een
diachrone grammatica kun je zien welke veranderingen zich in de loop van de tijd in een taal voltrokken hebben.

7. Bij mensen die fouten maken doordat ze elementen uit hun moedertaal overnemen in een vreemde taal, is sprake van negatieve transfer.

8. De daadwerkelijk gesproken taal, met al zijn slordigheden en versprekingen erin, noemen we de performance.

9. Als een spreker iets letterlijk uit zijn moedertaal vertaalt en er onstaat een correcte zin in de vreemde taal, dan is er sprake van positieve transfer.

10. De regels voor de juiste intonatie van zinnen vinden we op het taalbeschrijvingsniveau fonetiek.

11. Afasie is een medische term voor taalstoornissen als gevolg van hersenschade.

12. Als een communicatiesysteem volgorderegels heeft, dan voldoet het aan de eis van
compositionaliteit.

Voor de docent!




onderdeel 1

onvoldoende


voldoende

min. 9 juist



goed

alle juist











Onderdeel 2

Kennis-, begrips- en toepassingsvraag bij het college 'Wat is taal?'



a. Laat met behulp van een voorbeeldzin zien dat de taal die je studeert recursief is:

Juist zijn alle zinnen waarin dezelfde constructie wordt herhaald. Voorbeelden:


- Jan zegt dat Piet zegt dat Marie zegt dat het mooi weer is.
- Dit cadeau is voor Jan en Piet en Marie ...
- De man die de vrouw zag die de burgemeester had verteld dat het regende is er ook.


b. Hoeveel talen worden er momenteel ongeveer op de wereld gesproken?
Alle antwoorden tussen de 5000 en 10.000 zijn goed gerekend.
Ook goed gerekend: het aantal talen is ontelbaar, want de grenzen zijn onscherp.



c. Leg (eventueel met behulp van een voorbeeld) uit wat 'prescriptieve regels' zijn.

Prescriptieve regels zijn door mensen bedachte regels die moedertaalsprekers bewust moeten aanleren.


Voorbeelden:


- na een vergrotende trap krijg je 'dan' en niet 'als';
- 'hun' mag geen onderwerp van een zin zijn.

Een voorbeeld was niet per se nodig. Was het gegeven, dan moest het wel correct zijn. Sommige mensen hebben een juiste definitie gegeven, met daarbij een voorbeeld van een descriptieve regel (bijvoorbeeld 'in het Nederlands staat in een stellende hoofdzin de persoonsvorm altijd op de tweede plaats'.) Zij hebben 1 punt gekregen in plaats van 2.






Voor de docent!


onderdeel 2
a: 2 punt
b: 1 punten
c: 2 punten


onvoldoende


voldoende

min. 2 punten



goed

5 punten










Onderdeel 3

Toepassingsvragen bij het college 'Welke taalregels zitten er in je hoofd?'
a. Hieronder zie je een aantal gesproken zinnen die voor ons taalgevoel onjuist zijn. Dat komt doordat er bij het uitspreken ervan steeds een descriptieve regel overtreden wordt. Probeer die regel te formuleren en geef aan bij welk taalbeschrijvingsniveau hij hoort. Als voorbeeld is het schema voor de eerste twee zinnen alvast voor je ingevuld.


Foute zin:

Regel die overtreden wordt:

Beschrijvingsniveau waarop de regel zit:

Ze zei dat ze had honger.

In een Nederlandse bijzin staan de werkwoorden helemaal achteraan.

syntaxis

Is dat een vrouw of een mens?

In het Nederlands is iedereen die 'vrouw' is automatisch ook 'mens'.

semantiek

De blote man liep met zijn handen in zijn zakken over straat.

In het Nederlands sluiten 'bloot' en het hebben van zakken elkaar uit.


semantiek



Joop en Frits wonen Amsterdam in.

In het Nederlands komen voorzetsels voor naamwoorden.


syntaxis


Pardon, meneer, weet jij ook hoe laat het is?


Bij de formele aanspreekvorm 'meneer' hoort in het Nederlands het persoonlijk voornaamwoord 'u' en niet 'jij'.


pragmatiek



Hoi schatje, kunt u mij zeggen wat we hedenavond eten?


In het Nederlands past het formele 'hedenavond' niet in een uiting waarin het informele 'hoi, schatje' wordt gebruikt.

pragmatiek



Morgen we gaan op excursie.


In het Nederlands is in een stellende hoofdzin de persoonsvorm het tweede zinsdeel.


syntaxis


Ze keek door het raamtje naar buiten.


In het Nederlands krijgen woorden die eindigen op lange klinker + [m] de verkleinwoorduitgang -pje.


morfologie



Antwoorden in de middelste kolom heb ik ook goed gerekend als ze onjuist waren, maar wel lieten zien dat de kandidaat over de kwestie had nagedacht. Ik heb verkeerd benoemde woordsoorten niet fout gerekend, maar ik schrok er wel van dat er studenten zijn die voorzetsels en naamwoorden als bijwoorden benoemen. Wie het elementaire ontleden niet beheerst, moet daar heel snel iets aan doen, anders komt hij of zij op korte termijn in de problemen.


Voor de docent!



onderdeel 3

onvoldoende


voldoende

min. 3 plausibele antwoorden



goed

min. 5 plausibele antwoorden











Onderdeel 4

Toepassingsvragen bij het college 'Hoe verwerven kinderen hun moedertalen?'
a. De onderstaande uitingen zijn typisch voor bepaalde verwervingsfases van kindertaal. Schrijf achter elke uiting de naam van die fase op. Geef ook steeds kort aan hoe je kunt zien dat de uiting bij de door jou genoemde fase hoort.


1. "Papa, zou jij mijn veter even voor me vast willen maken, alsjeblieft?"

voltooiingsfase: lange, complexe, correcte zinnen.

2. "Babababababa"

voortalige/prelinguale/brabbelfase: uitsluitend gebrabbel

3. "Ikke koekje!"



vroegtalige of tweewoordfase: communicatie met tweewoordzinnetjes.

4. „Is die meneer gevald op de stoep, mama? Vin ik zielig als is hard gevald is.“



differentiatiefase: lange zinnen met opvallende overgeneralisatiefouten in gebruikelijke woorden.

b. Hieronder staan zes stellingen. Doe niets met de juiste stellingen. Corrigeer de onjuiste stellingen.




1. Als een kind alles met wielen “auto” noemt, is er sprake van overextensie.


2. Als een kind "ik loopte" zegt, is er sprake van overextensie.

overextensie -> overgeneralisatie



3. Een taal die mensen tijdens hun jeugd verwerven, noemen we hun T2.

jeugd -> volwassenheid OF T2 -> T1



4. Volgens het behaviorisme leren mensen vooral door hun verstand te gebruiken.

behaviorisme -> cognitivisme OF verstand te gebruiken -> te herhalen



5. De voortalige fase van taalverwerving loopt ongeveer tot aan de eerste verjaardag.


6. Volgens het interactionisme is sociaal contact wezenlijk voor het verwerven van een taal.


Voor de docent!



onderdeel 4

onvoldoende


voldoende

a. min. 6 plausibele antwoorden



goed

a. min. 9 plausibele antwoorden












Onderdeel 5

Toepassingsvragen bij het college 'Hoe verwerven pubers en volwassenen een taal?'
a. TIjdens het college hebben we vier theorieën behandeld die (deels) verklaren hoe mensen zich een tweede taal eigen maken: cognitivisme, behaviorisme, innatisme en interactionisme. Geef bij de onderstaande casussen steeds aan welk van die theorieën door de feiten wordt ondersteund. Licht elk antwoord kort toe.


1. Jan leert op school van Frans van een lerares die veel grammaticale uitleg op het bord schrijft en thuis schriftelijke oefeningen laat maken.



cognitivisme: leren via abstracte uitleg

2. Jenny heeft nooit veel Engels opgepikt van de televisie of van het luisteren naar toeristen, maar nu ze voor haar werk vaak in Engeland is en de taal moet spreken, gaat ze heel snel vooruit.

interactionisme: wat de televisie en het luisteren niet doen, doet sociaal contact wel

3. Een zanger onthoudt Engelse woorden het makkelijkst als ze voorkomen in liedjes die hij vaak zingt.


behaviorisme: het leereffect zit in de herhaling

b. Dankzij welk mechanisme begrijpt een luisteraar ondanks de ontbrekende informatie toch wat er wordt bedoeld? Kies uit contexteffect, priming, cohortmodel en vooruitontleden. Je hoeft geen toelichting te geven.





1. Een vrouw is bij de slager. Ze bestelt vier biefstukken. De slager vraagt aan haar dochtertje: "Wil jij ook een stukje wo..."

In elk geval moet 'cohortmodel' genoemd zijn. Daarnaast in contexteffect en priming ook te verdedigen.

2. Iemand vraagt: "Wil je koffie of ..."


In elk geval moet 'priming' genoemd zijn. Daarnaast is 'contexteffect' ook te verdedigen.

3. Je hoort "Hun dragen de knoepsen". Je concludeert dat 'hun' het onderwerp van de zin is.

Vooruitontleden



Voor de docent!

onderdeel 5

a: 6 punten
b: 3 punten



onvoldoende


voldoende

min. 5 punten



goed

min. 8 punten











Onderdeel 6

Toepassingsvragen bij het college 'Hoe geven we les in vreemde talen aan pubers en volwassenen?'
Welke taalleermethoden worden hier geïllustreerd? Kies uit: grammatica-vertaalmethode (GV), audio-linguale methode (AL), natuurlijke methode (N), samenwerkend leren (SL), taakonderwijs (TO), meervoudige intelligentie (MI), competentiegericht leren (CL), meertalig onderwijs (MO) en onderdompelingsonderwijs (OO).


1. De ene leerling is muzikaal en leert Frans via liedjes, de andere verwerkt makkelijk uitleg en oefent die samen met de docente, de derde loopt met een Fransman door de schooltuin in het Frans over planten en kevertjes te praten.

MI


2. De leerkracht legt op het bord uit in welke volgorde de verschillende soorten bijwoordelijke bepalingen in een Engelse zin staan.

GV


3. Een school met uitsluitend Engelstalige leerlingen geeft alle lessen in het Frans.


OO


4. Een student ontdekt tijdens stages en bij het lezen van vakliteratuur voortdurend dat hij woorden tekort komt en zoekt die dan meteen op in een woordenboek.

CL


5. Bram zit met een koptelefoon op een uur lang Engelse zinnen te herhalen.


AL


6. Meneer Dijkstra volgt een cursus Italiaans. Hij lees elke dag een stukje theorie en maakt wat oefeningen in zijn werkboek.

GV


7. Een groep Nederlandse leerlingen werkt een maand lang aan het schrijven en opvoeren van een Friestalig toneelstukje.

TO


8. Om de taalvaardigheid van de studenten Engels te vergroten besluit de NHL dat de boeken en colleges van de studie Engels voortaan volledig Engelstalig moeten zijn.

OO/N


9. Nederlandse leerlingen discussiëren tijdens de les Frans in groepjes in het Frans over een aantal stellingen.

SL


10. Leerlingen op een school in Duitsland zingen elke week het lied Mag ik dan bij jou van Claudia de Breij en na een tijdje kunnen ze allemaal foutloze Nederlandse zinnen maken die beginnen met 'Mag ik ...'

AL


11. Yvonne krijgt in Bolsward wiskunde, Engels en geschiedenis in het Engels, de andere vakken volgt ze in het Nederlands.

MO


12. Kim verhuist uit Flevoland naar Friesland. Ze volgt een cursus Fries, maar steekt daar weinig van op. Wel merkt ze dat ze door gewoon met haar Friese buren te praten, steeds makkelijker Fries gaat spreken.

N



Voor de docent!



onderdeel 6

onvoldoende


voldoende

a. min. 8 goed





goed

a. min. 11 goed











Onderdeel 7

Analyseopdracht bij de hele stof
Suzie Struiksma is een lerares Duits met een structurele kijk op taal. Haar collega Frits Fung geeft ook Duits. Hij heeft juist een functionele kijk op taal. Op een dag zitten ze allebei proefwerken na te kijken. Frits verbaast zich over de manier van nakijken van Suzie. Er ontrolt zich een discussie, waarin ze allebei hun eigen nakijkstijl verdedigen. Schrijf de discussie op. Laat zien dat je weet wat de verschillende kijken inhouden en hoe ze hun weerslag krijgen in de nakijkstijl van de docenten.

Wie een 'goed' wil scoren, moet de opdracht hebben uitgevoerd en een discussie hebben opgeschreven. Niet iedereen heeft de opdracht goed gelezen, sommige mensen hebben betogen of lijstjes met eigenschappen opgeschreven. In een enkel geval heb ik daar nog een 'voldoende' voor gegeven.

Verder moet een antwoord voor de beoordeling 'goed':

- laten zien dat de kandidaat weet dat docenten met een structurele kijk op taal zich op de correcte vorm concentreren;


- laten zien dat de kandidaat weet dat docenten met een structurele kijk op taal elke fout willen corrigeren;
- laten zien dat de kandidaat weet dat docenten met een structurele kijk op taal zich opwinden over de geringe effectiviteit van hun abstracte uitleg;
- laten zien dat de kandidaat weet dat docenten met een functionele kijk op taal zich op de communicatieve vaardigheden concentreren;
- laten zien dat de kandidaat weet dat docenten met een structurele kijk op taal zich bij het nakijken minder door de vorm en meer door de effectiviteit van de communicatie laten leiden;

- in een navolgbare dialoogvorm geschreven zijn;


- in enigszins correct en vooral begrijpelijk Nederlands/Duits/Engels/Frans/Fries geschreven zijn.



Voor de docent!



onderdeel 7

onvoldoende


voldoende

a. plausibel verhaal



goed

a. volledig en overtuigend verhaal
















  • Toetsvorm Tentamen Titel Toetseenheid
  • Examinator Henk Wolf Code
  • Toetsinstructie 1. Vul hieronder je gegevens in.
  • 4. Controleer goed of je alle vragen beantwoord hebt, voordat je de toets inlevert.
  • Onderdeel 1 Kennis van de basisbegrippen.
  • Onderdeel 2 Kennis-, begrips- en toepassingsvraag bij het college Wat is taal
  • Onderdeel 3 Toepassingsvragen bij het college Welke taalregels zitten er in je hoofd
  • Foute zin: Regel die overtreden wordt
  • Onderdeel 4 Toepassingsvragen bij het college Hoe verwerven kinderen hun moedertalen
  • Onderdeel 5 Toepassingsvragen bij het college Hoe verwerven pubers en volwassenen een taal
  • Onderdeel 6 Toepassingsvragen bij het college Hoe geven we les in vreemde talen aan pubers en volwassenen
  • Onderdeel 7 Analyseopdracht bij de hele stof

  • Dovnload 84.09 Kb.