Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Organische intellectuelen in het politieke lichaam. De staatsideologie van de laatmiddeleeuwse Bourgondische ambtenaren1

Dovnload 166.13 Kb.

Organische intellectuelen in het politieke lichaam. De staatsideologie van de laatmiddeleeuwse Bourgondische ambtenaren1



Pagina1/9
Datum11.05.2017
Grootte166.13 Kb.

Dovnload 166.13 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9

Organische intellectuelen in het politieke lichaam. De staatsideologie van de laatmiddeleeuwse Bourgondische ambtenaren1




Inleiding


Binnen de geschiedenis van het politieke denken woedt al lang een discussie over het ontstaan van de raison d’état, van een autonome “staatsideologie”. Vóór de zeventiende eeuw bestond er volgens de specialisten van het middeleeuwse politieke denken immers geen autonoom politiek discours2. Sinds wanneer werd dan het publieke karakter van de staat ideologisch losgekoppeld van de persoon van de vorst? Volgens Skinner moet een “moderne staatsideologie” de staat immers onderscheiden als een vorm van openbare macht die duidelijk afgescheiden is van de vorst en van de onderdanen3. In de opvatting van Post bestond er al sinds de twaalfde eeuw een gematigde versie van zo’n staatsraison. Vorst en staat vielen met andere woorden zeker niet meer volledig samen4. De politieke ideologie was in middeleeuws Europa met name tot een hogere vlucht gekomen wanneer tijdens hun onderlinge confrontaties zowel Kerk als Rijk in de theologie en het Romeins Recht een legitimatie zochten voor hun machtsaanspraken5. Vanaf de tweede helft van de dertiende eeuw voegde zich daar het politieke aristotelisme bij als ideologisch reservoir voor een autonomer politiek denken. De regering van de Franse koning Filips de Schone was op dat vlak een periode van stroomversnelling6. Een onafhankelijk “idee van de staat” begon nu vorm te krijgen. Tussen de dertiende en de zestiende eeuw ontwikkelde zich uiteindelijk “vanuit de ruïnes van de Atheense en Romeinse wijsheid” een nieuw onafhankelijk politiek vertoog7. Nicolo Macchiavelli en Jean Bodin waren hier belangrijke ankerpunten. Pas in de zeventiende eeuw zou er echter een echte raison d’état tot stand komen ten nadele van de politiek als louter civiele filosofie8.
De studie van het Franse politieke vocabularium tijdens de vorming van de “absolutistische” moderne staat werd onvoldoende grondig onderzocht en hetzelfde geldt voor de Bourgondische politieke ruimte9. In het bijzonder werd weinig tot geen aandacht besteed aan het politieke denken van de ambtenaren die immers mede aan de basis lagen van de meer gecentraliseerde staatsvormen die zich sinds de twaalfde en dertiende eeuw ontwikkelden10. Vooral de laatmiddeleeuwse periode is inderdaad zeer rijk aan politiek-theoretische geschriften die nog te weinig werden bestudeerd. Het is echter niet onze bedoeling een klassieke studie te ondernemen van de normatieve politieke theorie die men in dat soort bronnen terugvindt11. Ook de “constitutionele” bronnen uit die periode zijn niet ons voornaamste uitgangspunt. Wel stellen we de vraag hoe de “praktische ideologie” van de laatmiddeleeuwse ambtenaren – en specifiek de vijftiende-eeuwse hogere ambtenaren van de Bourgondische staat – eruit kan gezien hebben12. Met Charles Taylor gaan we immers uit van verschillende niveaus van politiek denken13. Er is enerzijds de verheven theorie die systematisch politieke noties uitwerkt en aan kritiek onderwerpt. In de wetenschappelijke literatuur over de middeleeuwse politieke theorie is bijna alle aandacht uitsluitend op deze – in feite qua belang ondergeschikte – vorm gericht. Het blijft trouwens een zeer moeilijke kwestie, waarvoor telkens zeer concrete gevalstudies nodig zijn, om de werkelijke invloed van de geleerde politieke theorieën op het praktische politieke handelen van middeleeuwse raadslieden en andere juristen aan te tonen14. Maatschappelijk relevanter lijkt anderzijds het pre-theoretisch begrip dat de leden van een maatschappij ontwikkelen over het politieke gebeuren en hun eigen (constitutieve) rol daarin, een begrip dat samenhangt met en noodzakelijk is voor iedere vorm van politieke activiteit en waarin een aantal elementen uit de meer geleerde theorieën worden overgenomen15. In dit artikel zoeken we dus naar het bestaan van zo’n eventuele middlebrow ideology, een discours samengesteld uit een aantal concepten dat onder meer eigen was aan de voornaamste agenten van de laatmiddeleeuwse staatsvorming: de ambtenaren. Hoe legitimeerden zij hun politiek handelen en welke politieke opvattingen gaven daar mede vorm aan? Onze focus beperkt zich tot de Bourgondische staat in de vijftiende eeuw.

Een cruciale factor in het staatsvormingsproces was de ontwikkeling van een bureaucratische elite die een inzicht bezat in haar functie in staat en maatschappij, zich identificeerde met een bepaald ideologisch en symbolisch vertoog en haar personeel opleidde in de institutionele rollen en gedragspatronen die noodzakelijk waren voor de reproductie en de expansie van de staatsstructuren16. Klassiek romantische historici zagen in de “legisten” al de doodgravers van de Middeleeuwen17. Thierry, Guizot en Michelet beschouwden hen als revolutionaire burgerlijke grondleggers van de egalitaire maatschappij en tegenstanders van de adellijke privileges. Die these is echter al lang door het moderne onderzoek weerlegd. Het “klassenbewustzijn” van de laatmiddeleeuwse legisten bestond eerder uit de aspiraties grond en status te verwerven en de eigen familie en sociale relaties te bevoordelen via de staat18. Die vaststelling doet nochtans niets af van de cruciale rol die zij hebben gespeeld in de ontwikkeling van het moderne staatsdenken. De meeste institutionele historici van de Bourgondische Nederlanden zijn geneigd hen zo’n rol toe te kennen. Van den Auweele en Oosterbosch beschouwen de “juristenstand” bijvoorbeeld als een nieuwe sociale klasse waarvan de bewustwording van het eigen kennen en de eigen macht een doorslaggevende invloed uitoefende op de ontwikkeling van de westerse politieke ideologie19. Ook Boone karakteriseerde de laatmiddeleeuwse juristen als dragers van een vroege “staatsideologie” waarmee zij systematisch centralisatie en staatsvorming propageerden20. Ideologieën hebben natuurlijk steeds als legitimatie- en propagandamiddelen gefungeerd. Instellingen zoals de vorstelijke kanselarijen verspreidden bijvoorbeeld heel bewuste staatspropaganda. Toch moest er volgens Le Goff daarnaast ook een onbewust – “hegemonisch” – ideologisch vertoog aanwezig zijn geweest bij de ambtenaren van die instellingen21. Het is naar de grondslagen van zo’n ideologie dat we hier op zoek gaan.



  1   2   3   4   5   6   7   8   9


Dovnload 166.13 Kb.