Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Oriëntaties in Midden-Afrika

Dovnload 246.99 Kb.

Oriëntaties in Midden-Afrika



Pagina1/3
Datum05.12.2018
Grootte246.99 Kb.

Dovnload 246.99 Kb.
  1   2   3


Oriëntaties in Midden-Afrika
Cultuurhistorische studie rond beeldvorming van equatoriaal Afrika en de Arabische kwestie, via Belgische dagbladen en exploratieliteratuur. Ca. 1880-1900.
Laurent Poschet
____________________

Regions unknown! My imagination could depict to itself there worthy, adventurous and devoted men, nibbling at the edges, attacking from north and south and east and west, conquering a bit of truth here and a bit of truth there, and sometimes swallowed up by the mystery their hearts were so persistently set on unveiling.”


- Joseph Conrad, ‘Geography and some explorers’.1

In de tweede helft van de negentiende eeuw doorkruist een amalgaam van Europese en Amerikaanse ontdekkingsreizigers, missionarissen, avonturiers en fortuinjagers Afrika, het ‘donkere, mysterieuze continent’. Na de ontwikkeling van kinine wagen steeds meer explorateurs zich aan Midden-Afrika: grote witte vlek op de wereldkaart en ‘heart of darkness’ bij uitstek. Dit proces culmineert in de scramble for Africa en de koloniale bezettingen. In 1885 wordt Leopold II privé-eigenaar van een gigantisch gebied rond de evenaar in Centraal-Afrika: L’Etat Indépendant du Congo. Reeds tijdens de eerste jaren van het kolonisatiewerk zijn er spanningen met de Congolese bevolking. Rondtrekkende Europeanen komen in Midden-Afrika in contact met diverse lokale volkeren en Arabieren. In een Centraal-Afrikaanse context is de term ‘Arabieren’ een toenmalige, westerse ‘verzamelnaam’ voor een groep slaven- en ivoorhandelaars, afkomstig van Zanzibar en de Oost-Afrikaanse kust. Medio achttiende eeuw reizen door Indische bankiers gefinancierde Arabische handelskaravanen via bestaande Afrikaanse routes steeds dieper in het binnenland. Een eeuw later heersen Arabieren vanuit handelsposten in Midden-Afrika over uitgestrekte territoria waarbinnen ze de mensen- en ivoorhandel monopoliseren.2 Studies tonen aan hoe deze Arabieren een economische en politieke doorn in het oog van de Congolese staat betekenen.3 De confrontatie loopt uit de hand. Onder het mom van een ‘strijd tegen de slavernij’ komt het tot een bloedige oorlog tegen de Arabieren. ‘Arabische Campagnes’ in de vroege jaren 1890 moeten hun macht breken. Dit onderzoek focust op ontmoetingen tussen Europeanen en Arabieren in equatoriaal Afrika tijdens de twee laatste decennia van de ‘opening-up’.


De koloniale geschiedschrijving evolueerde van een vooroorlogse vergoelijking van de beschavende kolonisatie, naar postkoloniale, politieke en economische studies die ‘onpartijdigheid’ of ‘objectiviteit’ nastreven, zonder daarbij het westers perspectief te verlaten. In de jaren 1980 krijgt de koloniale historiografie een nieuw elan vanuit de sociale geschiedenis.4 Socio-culturele studies stomen het concept imperialisme klaar voor interdisciplinaire aanpak.5 Tegelijkertijd verschijnen vele ‘zelfkastijdende’ werken.6 Zulke studies ontrafelen excessen van het imperialisme, maar dwingen de mentale leefwereld van de kolonisator naar de achtergrond.

Hierin bracht Edward Saïd met zijn Orientalism en Culture and Imperialism verandering. Orientalism illustreert hoe het Westen de Orient reduceert tot een exotisch curiosum of tot vertrouwde denkbeelden. Een georiëntaliseerd Oosten krijgt een plaats binnen imperialistische denkkaders.7 De taal als scheppende, structurerende en vernietigende kracht speelt in Saïds analyses een hoofdrol. Het imperialistische streven naar economische en geopolitieke machtsuitbreiding is evenzeer de verovering van denken binnen het Westen zelf. Said baant de weg voor een studie van de ‘cultuur van het imperialisme’.



Het aantal cultuurhistorische studies rond imperialisme en kolonialisme neemt tot op vandaag exponentieel toe. De laatste jaren concentreert veel onderzoek zich rond westerse beeldvorming, representatie en perceptie van het ‘andere’: de ‘primitieve wilde’, de exotische natuur, enzovoort.8 De nieuwste trends in het cultuurhistorisch onderzoek rond de ‘ontdekking van Afrika’ komen vanuit de antropologie, psychologie en kennisleer overwaaien. Culturele antropologen gaan ‘back to basic’ in studies rond de ‘colonial encounter’: de concrete situatie en mentale ingesteldheid van de Europeaan bij het aantreffen, al dan niet herkennen en representeren van vreemde elementen. Zo geeft de antropoloog Johannes Fabian een ontluisterend beeld van Europese explorateurs: heldhaftige, civiliserende expedities, blijken verhalen van ziekte, geweld, drugs en dood te zijn. Via alledaagse exploratiepraktijken schetst Fabian een verhelderend tableau van de (mentale) leefwereld van de westerling in het onbekende.9 De explorateur of kolonisator, niet als voorwerp van een (inter)nationaal schuldgevoel, maar als volwaardige, denkende en handelende mens, is terug van weggeweest.
Vanuit de meest recente cultuurhistorische inzichten rond het imperialisme richt deze studie zich op problematische confrontaties tussen Europeanen en Arabieren in equatoriaal Afrika. Dit gebeurt met de overtuiging dat de conflictueuze ‘Arabische kwestie’ onmogelijk gereduceerd kan worden tot zuivere socio-economische of politieke basisvragen. Was de Arabische aanwezigheid een humanitair probleem? Remde de Arabische ivoorhandel de Congolese economie? Dit zijn vragen die voorbijgaan aan een langgerekte ‘colonial encounter’ en aan westerse representaties van de Congo-Arabieren. Het militair conflict is een escalatie in een groter verhaal. Daarom is het interessant om te achterhalen hoe Europeanen zich die eigensoortige Arabieren eigen maken. Op welke wijze percipiëren Europeanen de Centraal-Afrikaanse Arabieren - hun ‘karakter’, hun praktijken - en hoe verhouden die representaties zich tot westerse zelfbeelden? Dat zijn de hamvragen van deze studie.
Reisverslagen en dagbladen zijn de bronnen die hiervoor in aanmerking komen. Eind negentiende eeuw krijgt het kolonisatieproces in de Vrijstaat internationale belangstelling. Hiervan getuigen de frequente Congo-berichten in verschillende Belgische kranten. De ‘Arabische kwestie’, als onderdeel van een Belgische ‘mission civilisatrice’, is begin jaren 1890 een ‘hot topic’. De Antwerpse krant Le Précurseur en de Brusselse L’Indépendance Belge berichten het meest over Congo. Het zijn twee grote, koningsgezinde, uitgesproken liberale dagbladen met een kosmopolitisch karakter, gericht op de beter geschoolde burgerij. Van ca. 1891 tot 1894 gonzen beide kranten van de militaire berichten over expedities in de wildernis. Tegelijkertijd wordt gedebatteerd over het kolonisatiewerk in Congo.

Vele explorateurs hebben hun exploten in dikke, avontuurlijke reisverslagen gegoten. In de regel gaan zulke reisverslagen door voor non-fictie.10 Deze benadering werpt een nodeloze barrière op tussen fictie en non-fictie.11 Het genre van de avontuurliteratuur - van serieuze verslagen tot goedkope pulp - is eind negentiende eeuw waanzinnig populair in Europa, vooral in Engeland.12 De toenmalige kennis van imperiale gebieden is dan ook een bonte mix van feit en fictie. Een reisverslag presenteert zich als een literaire weergave van wetenschappelijke resultaten van de expeditie en saillante gebeurtenissen waarin de auteur de protagonist is, doorspekt met allerlei overpeinzingen.13 De held onderneemt een ‘dark journey’ in het onbekende. De doelen zijn ontdekken, “conquering a bit of truth”, overleven en terugkeren. Zulke ‘Odyssees’ vormen een schitterende basisbron voor een studie rond westerse perceptie van het Afrikaanse continent en haar bevolking. In de cultuurhistorische traditie zijn deze boeken, als imperialistische referentiekaders, als literaire en ideologische constructies, nog grotendeels onverkend terrein.14

Dit onderzoek steunt op een selectie van vier titels. De keuze valt ten eerste op twee publicaties van Henry Morton Stanley. Through the Dark Continent (1878) verhaalt over de eerste Europese expeditie die tussen 1874 en 1877 het Afrikaanse continent van oost naar west doorkruist.15 In Darkest Africa (1890) is de neerslag van de Emin Pasha Relief Expedition tussen 1887 en 1890, de grootste en laatste niet-militaire Europese expeditie in Afrika.16 Het derde werk is het doorleefde La Vie en Afrique (1887) van Jérôme Becker uit Kalmthout die, geïnspireerd door Stanley, in opdracht van Leopolds Association Internationale Africaine tussen 1880 en 1883 naar het Tanganikameer trekt.17 Becker reist naar eigen zeggen door Arabische kolonies.18 De laatste titel, The Fall of the Congo Arabs (1897), is van de hand van de Engelsman Sidney Langford Hinde, een protagonist in de brutale ‘Arabische Campagnes’.19 In dienst van Leopold II versloegen, begin jaren 1890, een handvol Europeanen aan het hoofd van duizenden lokale, ongeregelde troepen de laatste Arabische bolwerken in Oost-Congo. Los van een eigen stijl en methode zijn in alle verslagen de geografische taken - land verkennen, beschrijven en evalueren, etnografische notities maken en oorlogen uitvechten - het grootse, jongensachtige avontuur de vaste registers.20
Een snelle blik doorheen de bronnen leert dat vertogen rond Arabieren drastisch kunnen verschuiven: van beschaafde vrienden tot barbaarse vijanden. Kranten en reisverslagen zijn ambigu in de typering van Afrikaanse volkeren. Welke eigenschappen of praktijken worden de Arabieren toegekend en hoe worden deze (normatief) geëvalueerd in de opbouw van wisselde imago’s? Hoe verhoudt de Arabier zich tot de Europeaan en de ‘gewone zwarte’? De confrontatie tussen Europeanen en Arabieren brengt verwarring met zich mee. Arabieren maken deel uit van Afrika, maar lijken er ook vreemd aan. “Hard to believe I [am] in Central Africa”, zegt Hinde als hij door een Arabische nederzetting stapt.21 De epistemologische complexiteit dwingt om na te gaan waar de clash tussen culturen beladen is met andere tegenstellingen: kust en binnenland, beschaving en barbarij,…22 De verwarrende perceptie werd tot op vandaag nooit cultuurhistorisch in kaart gebracht.

De bronnen projecteren westerse concepten rond culturele verschillen op Afrika. Maar in welke mate oefent het diffuse beeld van de Arabier een invloed uit op het gedrag van de explorateur en het verloop van zijn expeditie? Hebben de representaties van Arabieren en de Arabische kwestie repercussies op het ideaalbeeld van de westerse explorateur? In een ‘encounter’ kunnen beide partijen geherdefinieerd worden, afhankelijk van tijd, plaats en context.23 ‘Veroverde waarheden’ kunnen hardnekkig of volatiel zijn. Variaties in beeldvorming komen zowel na elkaar als naast elkaar in de tijd voor. Deze eerste vaststellingen vormen de leidraad doorheen de studie.


Eén vaste ‘imagologische methode’ bestaat niet. De vraagstelling leent zich tot methodologische creativiteit. Arabische imago’s hebben doorheen de bronnen in de eerste plaats een ‘talig’ karakter, hetgeen een discoursanalytische aanpak vergt. Een discoursanalyse wil teksten ‘karteren’, hun betekenis in een historische en (inter)tekstuele context achterhalen. Binnen een verzameling teksten heeft een vertooganalyse aandacht voor vocabularium, retoriek en verschillende topoi. Wat de representativiteit van de teksten betreft, wordt het bronnencorpus niet behandeld als een soort pars pro toto voor een abstract concept van ‘het laat-negentiende eeuws, westers, imperialistisch vertoog’. De bronnen zijn illustratieve voorbeelden van omgang met vreemde elementen in een koloniaal verleden. In dat opzicht blijft een lectuurvergelijking relevant.

De onderzoeksmethode houdt niet op bij een discoursanalyse. Als men uit een exploratiecultuur een vertoog wil distilleren, betreft dit niet alleen een talige constructie: het betreft “eveneens een amalgaam aan dagelijkse handelingen, concrete ervaringen, lichaamlijke gewaarwordingen en materiële cultuur” van de explorateur in het vreemde land.24 Dit laat een meer antropologische benadering toe, in de overtuiging dat, naast taal, ook de handelingen van reizigers in concrete situaties aspecten van hun mentale leefwereld kunnen onthullen. Omdat reisverslagen geësthtiseerde teksten blijven, vormen taalanalyse en antropologische aanpak één geheel. Bovenstaande benadering vraagt om een sterk afgebakend bronnencorpus. Deze studie jaagt geen volledigheid na. Maar de dubbele werkwijze verhoogt allicht haar tastbaarheid.25


Een eerste deel concentreert zich op de verschillende wijzen waarop een Arabische aanwezigheid in equatoriaal Afrika het verloop van het exploratiegebeuren beïnvloedt. Leggen explorateurs verbanden tussen Arabische elementen en het concept ‘geografische expeditie’? Arabische interferenties in een exploratiecultuur staan centraal. Een tweede deel treedt buiten de kaders van de onmiddellijke exploratiewereld en focust op de Europese perceptie van de Arabische beschaving. Welke beschavingscriteria hanteren Europeanen in een equatoriaal Afrikaanse context? Interessant is om de beeldvorming rond Arabische civilisatie in ruime, westerse kolonisatiemodellen te kaderen. Een derde en laatste deel belicht de perceptie van Arabieren als koloniale concurrenten, rivalen of vijanden. Welke vormen en proporties neemt de Europees-Arabische rivaliteit aan? De uiteindelijke vraag is welke negatieve beelden een oorlog voorbereiden en funderen.

I
The sun sinks fast to the western horizon, and gloomy is the twilight that now deepens and darkens. Thick shadows fall upon the distant land and over the silent sea, and oppress our throbbing, regretful hearts, as we glide away through the dying light towards The Dark Continent.” 26
Met deze woorden verlaat Stanley in Trough the Dark Continent het Arabische eiland Zanzibar. Stanley heeft er zijn transafrikaanse expeditie voorbereid. De negentiende-eeuwse ‘opening up’ van Afrika gebeurt in het spoor van de Arabieren.27 Stanley zal, zoals zijn voorgangers, via Arabische handelsroutes reizen, doorheen gearabiseerde contreien. De explorateur vaart het continent tegemoet en zakt af naar een onheilspellende onderwereld. Becker schetst gelijkaardige beelden in La Vie en Afrique.28 Zanzibar is een ‘finis terrae’ waarachter het avontuur begint. De vraag is nu in hoeverre Arabische elementen op het continent een plaats krijgen in een ‘imaginaire geografie’ van beide explorateurs: verbeelde ‘grenzen’ en ‘geografische verschillen’, beladen met tegenstellingen zoals de lichtcontrasten in bovenstaand citaat. Waar en hoe interfereren Arabische elementen in de geografische missie en stuwen ze de narratieve structuur van de avonturen? Hoe oriënteert de explorateur zich in zijn geografie?
Stanley is een explorateur die graag uitpakt met de snelheid waarmee hij dwars door Afrika ‘raast’.29 Dit heldenimago mag niet verhullen dat expedities erg stationair gericht zijn.30 Vijftien reisdagen van een twintigtal kilometer per maand is een respectabel gemiddelde.31 Reizen in tropisch Afrika betekent een aanslag op het menselijk gestel. Vermoeidheid, voedseltekort, koorts, ziekte en dood dwingen een karavaan tot regelmatige haltes. Arabische nederzettingen langs de handelsroutes, goed voorzien van etenswaren, zijn belangrijke ijkpunten op de exploratietrajecten. Stanley reist naar Ujiji aan het Tanganikameer (waar hij in 1871 Livingstone vindt), gaat noordwaarts via Kafurro en terug zuidwaarts naar Kassongo en Nyangwé, alle Arabische handelscentra. Becker vertoeft reis lange tijd in Tabora, een Arabisch knooppunt tussen de kust en het Tanganikameer. In tegenstelling tot Stanley, beoogt Becker een ‘trager’, beschrijvend reisverslag. Zijn stopplaatsen bieden ruimte voor pittige anekdotes. In Tabora is Becker in zijn element:
Depuis que je suis arrivé à Tabora, je jouis d’un bien-être dont je ne me rends pas bien compte. Pas un seul petit accès de fièvre. […] Il est vrai que je suis ici un régime très hygiénique. Levé dès l’aube, je vais, après avoir pris mon bain, faire des excursions dans les villages avoisinants. […] Kouyara, Ou-Ganga [...], Itourou, où le père et le frère du célèbre Tipo-Tipo [een schatrijke Arabier] sont établis, me voient, le fusil à l’épaule et le carnet à la main, fournir de longues traites. Puis, après la prière de l’Allah Siri […] ce sont des visites chez Séki, chez Sheik bin Nassib et chez quelques Arabes influents dont j’ai fait la connaissance.” 32
De exporateur verkeert in een uitstekende gezondheid. Koortsaanvallen, zo talrijk tijdens het reizen, blijven hier uit.. Becker neemt dagelijks een bad, een praktijk die hij hier voor het eerst vermeldt. Nergens krijgt een plaats zo expliciet ‘hygiënische’ connotaties mee. Uitgerekend op een rustplaats houdt Becker er een gedisciplineerd ritme in: vroeg opstaan, lange tochten maken, geëquipeerd met geweer en notitieboekje. Meer dan tijdens de zware tochten, belichaamt Becker hier de archetypische explorateur. Zijn ‘hygiënisch regime’ moet in termen van een algemeen fysiek (en mentaal) welzijn begrepen worden, een ‘bien-être’ bekomen door zelfcontrole.33 In het primitieve Afrika zijn explorateurs gesteld op fysieke en geestelijke integriteit, op hun hoede voor ‘verval’ of ‘degradatie’.34 Becker ‘regenereert’ in Tabora. De explorateur beschrijft de rijke post ook als “un lieu de délices et d’exubérante licence”.35 Becker lijkt de discipline van de dagmarsen wat terug te schroeven voor alle karavaanleden. Iedereen krijgt in Tabora ‘vrijaf’. Ondertussen eet Becker zijn buik rond bij gastvrije Arabieren.36 Het ‘hygiënisch regime’ is rekbaar qua interpretatie. Hij profiteert, want eens buiten de post is het eten schaars.37 Ook Stanley dikt aan in Ujiji.38 ‘Hygiënisch’ of ‘losbandig’, het ‘lichamelijk’ vocabularium typeert de Arabische post als een plaats die op Beckers kaart in positieve zin afsteekt tegen het omringende, dodelijk vermoeiende, gevaarlijke Afrika. Die discrepantie tussen beide sferen wordt nog kracht bijgezet door contrasterende topografieën. De woeste, ondoordringbare, Afrikaanse brousse staat tegenover de rijkelijke, ordelijke Arabische land- en tuinbouw. Hoe verder van Tabora, hoe wilder de natuur, merkt Becker op.39 De explorateurs trekken ‘grenzen’ volgens hun behoeften en reizigersprofiel. De Arabische rustplaatsen zijn de ideale, on-Afrikaanse intermezzo’s.

De reistrajecten van Stanley en Becker ontkrachten hun heroïsche definitie van een exploratie: een duik in het duister, het ‘onbekende’. Explorateurs bewandelen grotendeels ‘begane paden’, doorheen gebieden die allerminst als politieke vacua getypeerd kunnen worden. Karavanen gaan dwars door territoria heen en zijn daarbij kwetsbaar voor lokale vijandigheden; explorateurs zijn tenslotte ‘nieuwkomers’ of ‘indringers’ in Afrika. Een reispolitiek, geijkt op hoge autoriteiten, is van vitaal belang.40 Omdat ook de planning van het expeditietraject afhankelijk is van de Arabische aanwezigheid (routes en posten) hebben explorateurs er baat bij goede contacten te onderhouden met Arabieren. Beckers cognacflessen doen het daarbij uitstekend als relatiegeschenk.41

Bij Arabische stopplaatsen zetten zowel Stanley als Becker hun convivialiteit met Arabieren in de verf.42 De explorateurs scheppen op over hun goede verstandhouding met rijke Arabieren. Erkenning van machthebbers geeft de expeditie een deontologische status. Amicaliteit getuigt voor Becker van professionaliteit: de goede explorateur weet zich vreedzaam en efficiënt te manoeuvreren in Afrika.43 Confrontaties met vreemde autoriteiten zijn het ‘examen’ van de explorateur. Zulke ontmoetingen testen sociale competenties die niet altijd tot de standaard culturele bagage van de explorateur behoren.44 Aan de reizigers om de juiste ‘moves’ te vinden en te verfijnen.45 Zo koopt Becker, om in Tabora een goed figuur te slaan, een ezeltje waarop hij de Arabieren tegemoet rijdt.46 Avonturiers zijn nooit eenzame enkelingen in een onbekende duisternis. In een geëvoceerde geografie waarbinnen de protagonisten zich oriënteren, zijn Arabische elementen opvallende, positieve ankerpunten.

Op avontuur doorheen het ‘onbekende’ zoeken explorateurs toenadering tot bepaalde elementen en distantiëren zich tegelijkertijd van andere. De contacten tussen westerlingen en Arabieren overstijgen het politieke niveau. De tochten illustreren dit goed. Niet lang vertrokken, kruist Becker het pad van een ivoorkaravaan. Beide karavaanleiders wisselen informatie uit over de kust en het binnenland.47 Ook voor Stanley is kennisuitwisseling belangrijk. Zo gaat Stanley, vóór hij zich aan de rondvaart van het Tanganikameer waagt, te rade bij Arabische vrienden in Ujiji, bij gebrek aan geografische informatie.48 Kort daarvóór treft Stanley een Arabische handelskaravaan aan. De leider vertelt afgeperst te zijn geweest door een lokale dorpschef. Stanley herkent de anekdote. De volatiele ‘hongo’ of ‘doorgangsbelasting’ is een doorn in het oog van elke karavaanleider.49 Stanley bezoekt het dorpshoofd en wijst hem terecht: Arabieren wegsturen houdt iederéén weg en handelskaravanen maken de streek welvarend.50 Ook Becker verhaalt over voor Arabieren en Europeanen identieke problemen met de lokale bevolking. Een Arabische strafexpeditie tegen inlandse stammen, naar eigen zeggen om de moord op Europese missionarissen te wreken, is volgens Becker legitiem: “Si on laissait sans répression les attentats des chef indigènes, […] ni les Arabes ni les Blancs n’oseraient plus s’aventurer dans le pays.”51



Bovenstaande anekdotes illustreren hoe de explorateurs zich kunnen herkennen in de reizende Arabieren: chefs aan het hoofd van handelsposten of karavanen, soms jarenlang onderweg doorheen gevaarlijk gebied, stuitend op welgekende problemen en met een enorme reisexpertise.52 Westerlingen en Arabieren houden er in Afrika gelijkaardige activiteiten op na. Beide ‘groepen’ bestaan bovendien uit een handvol ‘enkelingen’ in een onmetelijk gebied. Explorateurs benadrukken de camaraderie met Arabieren, erkennen de Arabische macht en zoeken, ook op hun beurt naar erkenning. Dit alles vloeit voort uit een initiële herkenning. Zowel westerlingen als Arabieren wagen zich aan Afrika; “s’aventurer”, zegt Becker. Naar analogie met de on-Afrikaanse handelsposten, is Afrika niet het natuurlijke habitat van Europeanen en Arabieren. Herkenningsprocessen tussen explorateurs en lokale zwarten zijn zeldzaam, zoniet onbestaande. Vervreemding is hier de regel. Explorateurs zijn in realiteit afhankelijk van de Arabische macht in Afrika. De reisverslagen camoufleren die ondergeschiktheid met een amicale sfeer en door de Arabieren, qua activiteiten, als spiegelbeeld van de westerlingen te representeren.
Van een algemeen ‘(h)erkennen’ van gedrag, is het slechts een kleine stap tot een normatieve vergelijking van activiteiten en intenties. Bij Stanley komen toenadering en distantiëring op gespannen voet met elkaar te staan. Stanley gebruikt de reizende Arabieren als een kwalitatief referentiekader voor zijn reisplannen en resultaten. Sterker nog, de prestatiegerichte explorateur meet zich aan de Arabieren. Zo belooft Stanley, om zijn karavaanleden net vóór het vertrek op Zanzibar gerust te stellen, de eerste belangrijke halte veel sneller te bereiken dan de Arabieren dat kunnen.53 Verder vertelt Stanley hoe de Arabieren perplex staan over de snelheid waarmee zijn karavaan de 338 mijl tussen het meer Tanganika en Nyangwé weet af te leggen.54 Contrasterend met de eigen snelheid, alludeert Stanley meermaals op een (stereotiepe) Arabische ‘traagheid’.55 De Arabische reiscultuur kan als maatstaf dienen voor westerse prestaties, maar blijft daaraan ondergeschikt. In een jongensachtig imperiaal avontuur wordt geconcureerd met diegenen die ver voor zijn in het ‘verkennen’ van het continent.56 Zo’n houding beperkt zich niet tot een strikt Arabische context. In het verslag In Darkest Afrika geeft Stanley een overzicht van de geografische kennis rond de mythische Nijlbronnen.57 De Grieken, Romeinen en Arabieren zijn zonder twijfel dè drie civilisaties die de Nijlqueeste aankunnen. Stanley schrijft zich in een grootse traditie in, maar voegt daar iets aan toe: hij doet het sneller, exacter, wetenschappelijker. Zijn onderneming heeft een voltooid en definitief karakter.58
De romantische avonturier reist vanuit een fascinatie voor grootse vertelsels.59 Een opvallend oriëntaals stereotype doorheen de reisverslagen is de representatie van de Arabier als gedreven verhalenverteller. Zo roepen exotische Swahilifabels voor Becker de sfeer van Mille et une nuit op.60 De oriëntaalse lust voor overdrijvingen - ‘the true Oriental spirit’, zegt Stanley61 - komt tot uiting in geografische en etnografische informatie-uitwisselingen. In Kafurro, een Arabische handelspost, luistert Stanley naar verhalen over Ruanda en haar wrede koningin. Elke Arabische handelsexpeditie richting Ruanda kent een negatieve, soms dodelijke afloop. Honderden mijlen verder, in Nyangwé, klinkt het niet anders. Dit Arabisch centrum, diep in het binnenland, is de ‘laatste post’ in Midden-Afrika. Voor Stanley is de stad een ‘grens’, waarachter het volslagen onbekende ligt. De Arabische verhalen over een oneindig noordwaarts lopende rivier - de ongekarteerde Lualaba, in het verlengde van de Congo - geflankeerd door kannibalistische dwergenstammen bevestigen dit.

De ‘Oriental spirit’ heeft zijn functie in de narratieve structuur van de reisverslagen. De Arabische spannende en desastreuze vooruitzichten geven het Afrika-avontuur een extra ‘drive’. Welke mysteries staan de held te wachten? “Hamed Ibrahim was not opening out very brilliant prospects before me”, zegt Stanley na het relaas over Ruanda, “nevertheless I resolved to search out in person some known road to this strange country that I might make a direct course to Nyangwé”. Waar de Arabieren stoppen of falen, reist Stanley verder. Tot onbegrip van de Arabieren in Nyangwé, wordt Stanleys enthousiasme om op de Lualaba nóg verder de brousse in te trekken alleen maar groter bij het horen van de ‘oriëntaalse’ vertelsels. Typerend is het antwoord van een Arabier op Stanleys vraag of een karavaan hem kan vergezellen op zijn gevaarlijke tocht.


Ah, yes! If you Wasungu (white men) are desirous of throwing away your lives, it is no reason we Arabs should. We travel little by little to get ivory and slaves, and are years about it [...] but you white men only look for rivers and lakes and mountains, and you spend your lives for no reason, and to no purpose.” 62
Wat bezielt die westerlingen? Qua ‘mentaliteit’, reisintenties en -doelen vervreemden de westerlingen en Arabieren van elkaar. Arabieren fungeren enerzijds als spiegelbeelden van de westerlingen. Anderzijds voert Stanley de Arabieren op als trage en materialistische mensen die de kern van zijn expeditie niet begrijpen. Het reizen is een doel op zich. Die nobele nieuwsgierigheid overstijgt de Arabische geest. Dat Stanley hier figuren ‘creëert’ en hen de woorden in de mond legt, blijkt wel uit het begin van Through the Dark Continent. Stanleys karavaanleden, waaronder vele Zanzibarieten, zijn onder de indruk van de plannen om rivieren, meren en bergen te ontdekken.63

Stanley kan in Nyangwé uiteindelijk één Arabier overtuigen. De roemruchte Hamed bin Mohammed el Murjebi alias Tippu-Tib reist een tijdlang met hem mee. Opvallende anekdote: als het middenin een oerwoud te gevaarlijk wordt, ziet de Arabier het nut van de reis niet meer in: “Tippu-Tib breaks down”. Vele mijlen verder geeft hij op en keert op zijn passen terug. Stanley is teleurgesteld - “Tippu deserts me” - maar reist resoluut verder.64 Arabische elementen zijn positieve ankerpunten in de expeditie en de Arabische reiscultuur kan als normatief referentiekader fungeren. Tegelijkertijd benadrukt het Arabische gebrek aan ‘daadkracht’, ‘geestkracht’, ‘hogere doelen’ of ‘waarden’ de morele superioriteit van de imperiale exploratiecultuur. De vraag is nu in welke mate deze vaststelling de beschrijvingen van het Afrikaans-Arabische beschavingsniveau typeert. Tot hiertoe werd gekeken naar de plaats van Arabieren in exploratiewerelden. Bovenstaande vraag zal in ruimere imperialistische referentiekaders geplaatst worden.


  1   2   3


Dovnload 246.99 Kb.