Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Ouwehands diereninformatie zeearend Zeearend (Haliaeëtus albicilla) Engels

Dovnload 40.07 Kb.

Ouwehands diereninformatie zeearend Zeearend (Haliaeëtus albicilla) Engels



Datum10.10.2017
Grootte40.07 Kb.

Dovnload 40.07 Kb.


OUWEHANDS DIERENINFORMATIE

Zeearend

Zeearend (Haliaeëtus albicilla)

Engels : White-tailed Sea Eagle

Duits : Seeadler

Indeling

Klasse : vogels Aves

Orde : roofvogels Falconiformes

Familie : havikachtigen Accipitridae

Onderfamilie : buizerdachtigen Buteoninae

Geslacht : zeearenden Haliaeëtus

Verwantschap : arenden, buizerden, harpijen, kuifarenden

Afstamming : de tere structuur van het skelet, de holle beenderen

en de broosheid van de veren maken goede

fossilisatie van vogels onmogelijk. Dit verklaart,

waarom de vaststelling van de evolutie van de vogels

niet gemakkelijk is. Uit de weinige wel aangetroffen

fossielen heeft men geconcludeerd, dat er verwant-

schap bestaat tussen de roofvogels en ooievaars,

ibissen en reigers. De primitieve voorouder van de

roofvogels verscheen 63 - 36 miljoen jaar geleden.

Van het Oligoceen tot het Plioceen (36 - 2 miljoen

jaar geleden) verschenen vele van de huidige

vogelsoorten, waaronder ook de roofvogels.



Uiterlijk

Totale lengte : 70 - 100 cm

Staartlengte : staartpennen tot een lengte van + 33 cm

Gewicht : mannetje: 4000 gr, vrouwtje: 7500 gr

Spanwijdte : mannetje: 210 - 230 cm, vrouwtje: 225 - 255 cm

Andere maten : handpennen tot een lengte van + 58 cm

Armpennen tot een lengte van + 43 cm



Omschrijving uiterlijk : De zeearend is een grote, gedrongen, massief

gebouwde vogel met brede vleugels, een zeer korte

wigvormige staart en een enorme gele snavel. De

geslachten zijn gelijk van kleur. Het vrouwtje is

duidelijk groter dan het mannetje. De washuid is geel,

de poten helder geel en half bevederd. De iris is

lichtgeel tot geelwit. De zeearend is de grootste

Noord-Europese roofvogel. De zware vleugelslag is

kenmerkend.

Speciale aanpassingen : Bijzondere kenmerken voor alle roofvogels zijn de

wapens waarmee zij in staat zijn hun prooi te

overmeesteren. Het vermogen levende prooien te

vangen is mede door deze speciale aanpassingen tot

een zeer hoge graad opgevoerd. De zeearend

behoort tot de familie van de havikachtigen. Dit zijn

grijpdoders, zij doden hun prooi met de klauwen.

Instinctief maken de klauwen een knellende beweging

waarbij de nagels van de achterteen en de

middenvoorteen diep in de prooi doordringen en zo

dodelijke verwondingen aan hart en longen

toebrengen. Deze tenen zijn krachtiger dan de

overige tenen, ook zijn de nagels ervan langer dan de

overige.


Voortplanting

Paartijd : februari - maart

Baltsgedrag : het baltsen begint midden februari. Tijdens de balts

wordt het nest gemaakt.



Plaats/bouw van nest : het nest ligt op een hoge, rotsachtige plaats of in

hoge bomen, in de buurt van water. Vaak wordt het

nest van het voorgaande jaar hersteld, verhoogd en

hergebruikt.



Broedduur : het duurt 35 tot 40 dagen voor de eieren uitkomen.

Omdat het vrouwtje begint met broeden, zodra het

eerste ei is gelegd, is er een duidelijk verschil in

grootte en ontwikkeling tussen het oudste en jongste

dier.

Legselgrootte : twee, zelden drie eieren

Aantal legsels : één per jaar
Jongen

- geboortegewicht : 105 g

- geboortelengte : ?

- ogen open/dicht : bij het uitkomen zijn de ogen dicht.

- oren open/dicht : bij het uitkomen zijn de oren open.

- bevedering : de jongen hebben donsveren.

- uiterlijk : als de jongen worden geboren, zijn ze overdekt met

een donslaag, waaruit na ± acht weken het eerste

verenkleed is gegroeid. Soms blijven er wat

donshaartjes aan het uiteinde van de veer zitten. De

jongen zijn gemiddeld groter dan de volwassen

vogels; alle slag- en staartpennen zijn langer,

waardoor de jongen een eigen vorm hebben. De kop

van een jonge zeearend is donkerder dan die van een

volwassen vogel. De witte veerbasis is bij jonge

dieren, in tegenstelling tot die bij volwassen dieren,

meer egaal van kleur. De staart is bruin, die van

volwassen exemplaren wit. De poten zijn geelgroen

van kleur, de iris is donkerbruin, de snavel en

washuid donkergrijs tot zwart.

Na de derde winter wordt het verenkleed

egaler van kleur de staart wit en de snavel geel. Pas

na de vijfde winter is het verenkleed niet meer te

onderscheiden van het volwassen verenkleed.



Nesttijd : 80 - 90 dagen

Zelfstandig : twee jaar

Geslachtsrijp : drie tot vier jaar

Overig : bij voedselschaarste overleeft vaak alleen het

oudste jong: dat eet dan nl. het andere jong op.

Zeearenden zijn op een leeftijd van vijf jaar volgroeid.

Leefwijze

Sociale structuur : zeearenden vormen paren voor het leven. Ze

bewonen een territorium dat wat grootte betreft

afhankelijk is van het voedselaanbod. Het wordt

gesplitst in een horstgebied (nestgebied) en een

prooigebied. Andere paren worden wel in het

prooigebied geduld, maar niet in het horstgebied.

De oude vogels verblijven hier het gehele jaar.

Zeearenden leven meer dan andere grote roofvogels

in groepen. De jonge exemplaren die uit het

territorium worden verdreven, kunnen als wintergast

in Nederland worden gezien.

Voedsel : het voedsel van zeearenden is zeer gevarieerd, maar

bestaat overwegend uit vissen tot acht kg. Verder

eten ze watervogels tot de grootte van zwanen

en kraanvogels, zoogdieren van muizen tot jonge

vossen, reekalfjes en pasgeboren robben. De

onverteerbare resten worden als braakballen

uitgebraakt. De zeearend heeft een krop, waarin

voedsel opgeslagen kan worden.



Jachttechniek : zeearenden grijpen en doden hun prooien met hun

klauwen. De snavel dient uitsluitend als

scheurapparaat. De prooi wordt eerst geplukt en

daarna wordt het vlees er zorgvuldig afgescheurd. Bij

de jacht op watervogels werken paren vaak samen.

Ze buitelen dan beurtelings en dwingen het

slachtoffer op deze manier tot duiken.

Snavel : de snavel is zo gevormd dat hij als een soort schaar

werkt: hij ‘knipt’.



Activiteit : het jagen is de belangrijkste activiteit en gebeurt

hoofdzakelijk overdag.



Overwintering : zeearenden overwinteren in het eigen gebied.

Onvolwassen exemplaren die op zoek zijn naar een

eigen territorium, trekken verder weg.

Communicatie : communicatie is hoofdzakelijk op geluiden

gebaseerd.

Zeearenden zijn luidruchtige vogels, vooral in de

broedtijd. De mannetjes roepen een juichend

aaneengeregen en schor blaffend "krau" of "kjau".

Het vrouwtje roept lager en heser.



Zintuigen : gezicht en gehoor zijn uitstekend ontwikkeld, de reuk

matig.


Verspreiding

Habitat : rotsachtige kusten, grote meren en rivieren; beboste

en andere woeste landschappen in de buurt van

water

Woongebied : zeearenden komen voor van Noord- en Zuid-Europa

tot Kamtsjatka, Anadyr, Noord-China, Japan en

Zuidwest-Groenland.

Natuurlijke vijanden : de zeearend staat aan de top van de voedselpiramide

en heeft alleen de mens als vijand. Jonge

zeearenden worden wel eens uit het nest geroofd

door andere roofvogels.



Overig

Maximale leeftijd : ± 25 jaar

Bedreiging : zeearenden zijn zeldzaam. Tot in het begin van de

19de eeuw was de soort in grote delen van Europa te

vinden. Door menselijke activiteiten: vergiftiging,

roven van eieren, jacht, vernietiging van het

leefgebied en door cumulatie van pesticiden in het

lichaam van de arend (staat aan de top van de

voedselpiramide!), kwam de soort onder zware druk

te staan en was zij zelfs in veel landen uitgestorven.

Momenteel gaat het weer een stuk beter met de

zeearend. In Nederland is het een zeldzame

wintergast van augustus tot april. Dit betreft meestal

onvolwassen exemplaren op zoek naar een

territorium.

Bescherming : de soort staat in de IUCN Red List of Threatened

Animals genoteerd in Lijst 3 als Lower Risk: near

threatened. Dit betekent dat de soort op de rand van

“Vulnerable” staat. Door bescherming van

leefgebieden en nesten en tegengaan van de jacht

neemt het aantal zeearenden langzaam maar zeker

toe. Heel belangrijk zijn ook de acties die erop zijn

gericht het imago van de roofvogel in het algemeen

en dat van de zeearend in het bijzonder, op te

poetsen.


Bijzonderheden : zeearenden hebben, net als andere arenden, een

strenge, koele blik. Dit wordt veroorzaakt door een

botje dat als een soort afdakje schuin boven de

oogholte loopt.

De rui loopt parallel met het broeden. De vrouwtjes

beginnen gewoonlijk pennen te ruien tijdens het

leggen van de eieren en het uitbroeden hiervan.

Het mannetje begint later. Dit verschijnsel vindt zijn

oorsprong in de taakverdeling. Het vrouwtje heeft,

zolang zij verantwoordelijk is voor het nest en de

jongen, niet haar volledige vliegvermogen nodig. Het

mannetje daarentegen zorgt voor de aanvoer van

voedsel en is daarbij op zijn vliegvermogen

aangewezen. Bij havikachtigen is de differentiatie

zover gegaan, dat het vrouwtje haar vliegvermogen

bijna kwijt is tijdens de broedperiode, als gevolg van

een heftige handpennenrui in het begin van de

ruiperiode. Bij het mannetje verloopt de

handpennenrui veel rustiger.

De rui kost veel energie. Vandaar dat die in een

jaargetijde plaatsvindt waarin er voldoende voedsel

voorradig is. Jonge dieren ruien aanzienlijk later dan

de oudere vogels. Bij een slechte voedselsituatie

komt het voor, dat er enkele pennen niet worden

geruid.

Het vernieuwen van de veren vindt volgens een vast



patroon plaats. De rui begint bovenop het lichaam.

De lichaamsveren worden gewisseld voor de aanvang

van de pennenrui. Als laatste worden de veren op

achterhals en kop, de ondervleugeldekveren, de

laatste bovendekveren en de veren van de buik

vernieuwd.

De laatste vleugeldekveren worden gewisseld na de

pennenrui. De handpennen (elf stuks) worden vanuit

het polsgewricht naar de vleugelpunt gewisseld, de

grote handdekveren worden gelijktijdig met de pen

waarbij ze behoren, geruid. Een handpen heeft meer

dan twee maanden nodig om weer geheel uit te

groeien.

Tijdens de eerste of tweede ruiperiode wordt slechts

een deel van de handpennen geruid, gewoonlijk

handpen één tot vier, in de volgende rui handpen vijf

tot zeven en daaropvolgend handpen acht tot negen.

Tijdens de derde ruiperiode begint er een nieuwe golf

van binnen naar buiten. Deze getrapte rui stelt de

vogel in staat een groter aantal handpennen te ruien

dan mogelijk zou zijn, als alle pennen op één plaats

geruid zouden worden. De ruigaten zouden dan zo

groot worden, dat het vliegen haast onmogelijk zou

zijn.


De rui van de armpennen (17 stuks) start op vier

verschillende plaatsen. Sommige armpennen kunnen

ongeruid blijven. Dit is vaak het geval bij de veren die

volgens het schema het laatst moeten vallen. Dit

verschijnsel wordt mede veroorzaakt door de

voedselsituatie: in goede jaren zal de rui helemaal

worden afgerond, in slechte jaren wordt een deel van

de armpennen niet geruid. De staartpennen (twaalf

stuks) worden geruid vanuit het middelste paar

(staartpen één) en dat stopt vaak bij staartpen vijf. De

pennenrui begint in maart – april en loopt door tot

september - oktober, maar ook in de winter kunnen er

enkele pennen worden geruid.

Het getrapte ruipatroon stelt de vogel in staat in twee

jaar tijd alle pennen te wisselen, terwijl jonge vogels

daar drie tot vier jaar voor nodig hebben.

Ook de lichaamsveren hebben meer dan een jaar

nodig om geheel vernieuwd te worden, hetgeen met

zich meebrengt, dat alle oudere zeearenden er

‘onverzorgd’ uitzien in hun ongelijkmatig gesleten en



vlekkerige kleed.


Ouwehands Dierenpark, Postbus 9, 3910 AA, Rhenen

Tel: 0317 650 200 Fax: 0317 613 727 E-mail: info@ouwehand.nl

  • Onderfamilie
  • Uiterlijk Totale lengte
  • Voortplanting Paartijd
  • Legselgrootte
  • Nesttijd
  • Leefwijze Sociale structuur
  • Snavel
  • Zintuigen
  • Overig Maximale leeftijd
  • Ouwehands Dierenpark, Postbus 9, 3910 AA, Rhenen Tel: 0317 650 200 Fax: 0317 613 727 E-mail: info@ouwehand.nl

  • Dovnload 40.07 Kb.