Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Over geloof en wetenschap

Dovnload 244.53 Kb.

Over geloof en wetenschap



Pagina1/5
Datum24.09.2018
Grootte244.53 Kb.

Dovnload 244.53 Kb.
  1   2   3   4   5




IK WEET GENOEG!



over geloof

en
wetenschap

Verslag van het studieverlof van mei – juli 2008


Ds. Hans Buurmeester
WIE BEN IK?
Wie ben ik?

Ze zeggen me vaak:

je treedt uit je cel

rustig blij en zeker

als een burchtheer uit zijn slot.
Wie ben Ik?

Ze zeggen me vaak:

je spreekt met je bewakers

vrij rechtuit en vriendelijk

als was je hun heer.
Wie ben ik?

Ze zeggen me ook:

je draagt je zwarte dagen

evenwichtig en waardig

als iemand die gewend is te overwinnen.
Ben ik werkelijk wat anderen van mij zeggen?

Of ben ik alleen wat ik weet van mijzelf:

onrustig vol heimwee

ziek als een gekooide vogel

snakkend naar lucht als werd ik geworgd

hongerend naar kleuren naar bloemen en vogels

dorstend naar een woord naar een mens dichtbij

trillend van woede om willekeur en de geringste krenking

opgejaagd wachtend op iets groots

machteloos bang om vrienden in de vreemde

moe en te leeg om te bidden te danken te werken

murw en bereid om van alles afscheid te nemen?


Wie ben ik? De een of de ander?

Ben ik nu de een en morgen de ander?

Ben ik beiden tegelijk?

Huichel ik voor de mensen

en ben ik in mijzelf een verachtelijk huilende zwakkeling?

Lijkt wat nog in mij is op een verslagen leger

wanordelijk vluchtend na een verloren slag?
Wie ben ik? Ik ben de speelbal van mijn eenzaam vragen.

Wie ik ook ben Gij kent mij

ik ben van U mijn God.
Dietrich Bonhoeffer

INHOUD



Wie ben ik? p. 2
Inleiding p. 4

deel I – Geloof en wetenschap




  1. Dawkins : “God als misvatting” p. 6

  2. Bonhoeffer e.a. : Afrekening met verkeerde godsbeelden p. 9

  3. nogmaals Dawkins : De God – hypothese p. 11

  4. De God van de gaten p. 17

  5. Cornwell : “Darwins engel” p. 19

  6. Collins : “De taal van God” p. 28

  7. Bryson : “Een kleine geschiedenis van bijna alles” p. 32

deel II – “A Way between Fundamentalism and Secularism?” p. 35

Enkele notities n.a.v. het 10e Internationale Bonhoeffer congres

Praag, 22 – 27 juli 2008


Epiloog: Ik weet genoeg p. 43

Selectie van gebruikte termen p. 45

Geraadpleegde literatuur p. 47

INLEIDING
Dit verslag is het resultaat van mijn studieverlof in de periode mei – juli 2008.

Het geeft een beschrijving van mijn zoektocht door diverse boeken en artikelen die betrekking hebben op de verhouding tot elkaar van geloof en wetenschap. Hierover is de laatste jaren veel geschreven en gezegd dat mijn aandacht trok.



Ik noem hier bijvoorbeeld een uitzending van het TV-programma “Buitenhof”, waarin Cees Dekker, hoogleraar moleculaire biofysica aan de Technische Universiteit van Delft en overtuigd christen, aan het woord was als mede-auteur van het boek “Schitterend ongeluk of sporen van ontwerp?”
In dit boek worden de mogelijkheden van Intelligent Design onderzocht, een betrekkelijk nieuwe kijk op de werkelijkheid, waarbij er rekening mee wordt gehouden dat er in de ons omringende natuur en in onszelf sprake zou kunnen zijn van een ontwerper die in de werkelijkheid schuilgaat. In het spoor hiervan las ik ook andere boeken en surfte ik regelmatig op het Internet.
Ook noem ik “De taal van God” van Francis S. Collins die in zijn boek geloof en wetenschap met elkaar probeert te verzoenen. Dit boek sprak mij aan omdat Collins rationele gronden aanvoert om te geloven in een schepper.
De boeken die ik verder heb gelezen en bestudeerd, heb ik voor een belangrijk deel gekozen nadat ze waren besproken in het dagblad Trouw. Daarnaast kreeg ik welkome tips en soms ook boeken aangereikt van collega’s, vrienden en bekenden. Een opsomming ervan is aan het eind van dit verslag opgenomen.
Toen ik aan mijn studieverlof begon had ik nog geen afgeronde doelstelling geformuleerd. Globaal ben ik geïnteresseerd in alles wat met religie en/of wetenschap te maken heeft en ik heb in de loop der tijd vanuit die belangstelling een aantal boeken aangeschaft. Die belangstelling heeft vanzelfsprekend te maken met mijn werk als predikant, beroepsgelovige dus. Zoals bij veel gelovigen gaan ook bij mij geloof en twijfel vaak hand in hand. Vragen als: geloof ik wel echt en wat geloof ik eigenlijk, wat doet het geloof met mij en is het allemaal wel waar wat ik geloof en hoe is mijn geloof veranderd in de loop der jaren etc. vergezellen een gelovig mens zijn hele leven. Niet voor niets heb ik op pag. 1 het gedicht Wie ben ik? van Dietrich Bonhoeffer opgenomen. Ook hij worstelde gedurende zijn leven met het geloof. In de loop der jaren is hij voor mij een reisgenoot geworden in mijn theologisch bezig zijn en in de vragen die mij bezig houden. De titel van dit verslag heeft met dit gedicht dan ook te maken, m.n. met de slotstrofe “Wie ik ook ben Gij kent mij ik ben van U mijn God”.
Maar goed, ik ben met al mijn vragen dus op zoek gegaan in de boeken die mij ter beschikking stonden. Gaandeweg begon zich echter wat tekening te vertonen in wat ik las en spitste mijn belangstelling zich wat meer toe op de relatie tussen atheïsme en religie. M.n. het neo-Darwinisme en zijn verklaring van de werkelijkheid en hoe aanhangers van deze visie zich afzetten tegen het geloof in het algemeen en het christelijk geloof in het bijzonder, intrigeerde mij. M.n. het boek van Richard Dawkins “God als misvatting” , waarin hij zegt dat mensen met een theologische inslag vaak chronisch onbekwaam zijn om onderscheid te maken tussen wat waar is en wat ze graag als waar zouden zien (p.122), prikkelde mij bovenmate om kennis te nemen van zijn inzichten

Ik raakte zodoende ook geïnteresseerd in de geschiedenis van de wetenschap en in het ontstaan van het Darwinisme en ik moet zeggen dat ik met veel plezier de diverse boeken heb gelezen die zich hier mee bezig houden.


Een andere bron van inspiratie voor mijn studieverlof is gelegen in het feit dat dit jaar de 10e Internationale Bonhoeffer conferentie is gehouden in Praag met het uitdagende thema ”Dietrich Bonhoeffer’s Theology in Today’s World – A Way between Fundamentalism and Secularism?”

Als secretaris van het Bonhoeffer Werkgezelschap Nederlandstalig mocht ik deze conferentie, waaraan een aantal leden van dit gezelschap een bijdrage leverden, bijwonen.

Het thema van de conferentie geeft goed weer waar m.i. de huidige vragen van kerk en geloof in m.n. de westerse wereld liggen, nl. tussen fundamentalisme en secularisme. Ik probeer in dit verslag een weergave te geven van wat beide, de literatuurstudie en het Bonhoeffer-congres mij hebben opgeleverd.
De inhoud van dit verslag komt wellicht wat verbrokkeld over. Het is mij gebleken dat er erg veel aspecten aan de onderwerpen zitten die ik hier beschrijf, allemaal thema’s op zichzelf. Ik heb afgezien van een poging er een sluitend en geïntegreerd geheel van te maken. Om het met Anne van der Meiden te zeggen: het wordt op een moderne wijze aangeboden. 1

Het verslag is dan ook een poging verantwoording af te leggen van wat ik in mijn studieverlof heb ondernomen.


deel I – Geloof en wetenschap

1. Dawkins : “God als misvatting


Als je een gelovig mens bent en een religie aanhangt, ben je knettergek en lijd je aan waanvoorstellingen.
“Als één persoon lijdt aan waanvoorstellingen,

dan heet dat “krankzinnigheid”.

Als veel mensen tegelijk lijden aan waanvoorstellingen

noemt men dat “religie”.

Richard Dawkins

De verhouding tussen geloof en wetenschap is er een die de mens eeuwenlang heeft bezig gehouden. Hoe meer de mens te weten kwam hoe meer God werd verdreven naar de rand van het bestaan. Zaken die we vroeger aan God toeschreven – oorzaak van ziek worden, natuurrampen als straf voor zondig gedrag, weersinvloeden op bepaalde delen van onze aarde enz. – weten we nu op een wetenschappelijke manier te verklaren, daar hebben we God niet meer voor nodig.


Toch lijkt de mens “ongeneeslijk religieus”, zoals Harry Kuitert het ooit eens zei. Volgens Robert Winston 2 “heeft sinds het begin van het menselijk bewustzijn de religie zich gehandhaafd omdat het zoveel van het mens-zijn bevat: scheiding en samenvoeging, haat en liefde, boosheid en medelijden, nauwkeurige wetten en eenvoudige vroomheid, maar ook onzekerheid en zekerheid.

Volgens Winston is het vrijwel zeker dat religieus geloof zo oud is als de mensheid zelf. De vroegste sporen van het goddelijk idee zijn te vinden in de dertigduizend jaar oude grotten en graven van de prehistorische mens, maar het is waarschijnlijk ouder dan de cro-magnonmensen die in deze grotten woonden. 3

Niettemin heeft religie altijd op gespannen voet gestaan met wetenschap, met kennis van de wetmatigheden in de natuur. Winston spreekt in dit verband van een
“worstelwedstrijd”, die getypeerd is door het schijnbare conflict tussen God en wetenschap. Nu we de wetenschap hebben, vraagt men zich af of we nog een God nodig hebben”. 4
Er zijn wetenschappers die het bedrijven van wetenschap weten te combineren met geloof in het bestaan van God en er zijn wetenschappers die zeggen dat dit niet kan. Er zijn atheïsten die het geloof in God bestrijden, soms op een felle manier, en er zijn atheïsten die serieus het gesprek met gelovigen aangaan.
Ik wil proberen degenen van wie ik kennis heb genomen recht te doen door hen in het vervolg van dit verslag aan bod te laten komen. Daarbij neem ik mijn uitgangspunt in het boek van de Britse etholoog [ gedragsbioloog ] en evolutionair bioloog Richard Dawkins : “God als misvatting”. 5
In dit boek doet Dawkins een poging om aan te tonen dat het geloof in een bovennatuurlijk wezen dat het universum ontworpen en geschapen heeft een schadelijk waanidee is. Hij verdedigt dit standpunt knap, strijdlustig en bij vlagen met brille.
In een lijvig boek van zo’n 448 pagina’s betoogt hij dat religie niet nodig is voor het legitimeren van moraal en hoe we het bestaan van godsdiensten kunnen verklaren.

Daarnaast beschrijft hij religie als een gevaarlijk virus voor de menselijke geest.


God als misvatting” is een boek dat wereldwijd veel aandacht heeft getrokken omdat Dawkins op een niet mis te verstane wijze zijn visie op de werkelijkheid geeft, nl. een neo-Darwinistische, en voor geen andere visie oog blijkt te willen/kunnen hebben en zeker niet voor religieuze visies. De toon van het boek is dan ook vaak ronduit vijandig t.o.v. religies.
Dawkins begint met uiteen te zetten wat hij aanvalt. Niet de God van Einstein of Hawking, die God louter als metafoor gebruikten en zeker geen theïsten waren. De schrijver richt zijn pijlen op de theïst:
"Een theïst gelooft in een bovennatuurlijk wezen dat na zich te hebben gekweten van zijn voornaamste taak - de schepping van het universum - nog altijd present is om toe te zien op het lot van zijn schepping en er invloed op uit te oefenen, aldus Dawkins. "6
In de eerste 160 pagina's van zijn boek valt Dawkins de theïstische argumenten aan en noemt deze 'opmerkelijk zwak'. Hij stelt dat God met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bestaat. In de resterende pagina's beschrijft hij religie als een goedbedoelde theorie, die de plank misslaat (zoals de gedachte dat kinderen altijd geloven wat hun ouders hun vertellen), zoekt hij in het darwinisme de oorsprong van ons ethisch besef, ontkent de relevantie van religie voor gezonde ethische principes, legt de schade bloot die door absolutistisch geloof (in het bijzonder aan kinderen) wordt toegebracht en wordt gewoon lyrisch over de inspirerende rol die de natuurwetenschappen kunnen spelen. Dawkins brengt zijn boek met verve onder de aandacht als een "bewustzijnsverruimend middel voor de groep atheïsten". Hij hoopt dat de gelovigen onder zijn lezers het voorbeeld zullen volgen van zijn vriend, wijlen Douglas Adams - de schrijver van The Hitch Hiker's Guide to the Galaxy (Het Transgalactisch Liftershandboek) - en van anderen die na lezing van Dawkins eerdere boeken atheïst werden.
Adams beschrijft zijn eigen contact met het darwinisme aldus:
“Alles viel op zijn plaats. Het was een denkbeeld van een verbijsterende eenvoud, maar leidde vanzelf tot alle oneindige en ongelooflijke complexiteit van het leven. Het ontzag dat het me inboezemde maakt het ontzag dat mensen aan godsdienstige ervaringen verbinden, vergelijkenderwijs, eerlijk gezegd onbenullig. Ik heb altijd liever ontzag voor iets wat ik begrijp dan ontzag voor iets wat ik niet weet.” 7
Het aardige van deze ontboezeming van Adams is dat het verrekte veel lijkt op die van Paulus op weg naar Damascus. Maar dit terzijde.

Dawkins spant Adams in ieder geval graag voor zijn karretje. Hij doet uitspraken over figuren als Jefferson, Dostojevski en Einstein, die allemaal geworsteld hebben met de keus tussen godsdienstig geloof en twijfel. Einstein zei bijvoorbeeld :


”Wetenschap zonder religie is kreupel, religie zonder wetenschap is blind”.
Volgens Dawkins wordt deze uitspraak door vele gelovigen al te gretig aangehaald om maar aan te tonen dat de grote Einstein open stond voor religie. Hij haast zich dan ook een andere uitspraak van Einstein er naast te leggen om aan te tonen dat hij het anders bedoelde. 8
Om nu te laten zien hoe Dawkins redeneert een voorbeeld :

John Cornwell, historicus, en verbonden aan het Jesus College te Cambridge als hoofd van het onderzoeksprogramma “Science and Human Dimension”, spreekt over een tijdgenoot van Darwin, een zekere pater Gregor Mendel, woonachtig in de oude abdij van het Moravische Brno. Deze grondlegger van de genetica voerde vele jaren experimenten uit met behulp van erwten van verschillende kleuren, vorm en grootte. Experimenten die tot op de dag van vandaag ten grondslag liggen aan de erfelijkheidsleer. Mendel was dus een gelovige monnik én wetenschapper. Alsof deze combinatie uit den boze zou zijn zegt Dawkins:


“Monnik worden was de gemakkelijkste manier voor Mendel om zich op zijn wetenschappelijke werk te kunnen storten. Voor hem was het hét equivalent van een onderzoeksbeurs.” 9
Dawkins probeert aldus aan te tonen dat er geen vreedzame co-existentie tussen godsdienstig geloof en wetenschap mogelijk is. Wat hij over Mendel echter niet vermeldt is dat deze pas laat in zijn priesterleven zich in de plantenkunde begon te verdiepen, nadat hij zich zeven jaar met filosofie en theologie had bezig gehouden. 10

Het laatste kan van Dawkins helaas niet gezegd worden, gelet op een uitspraak van Michael Ruse in een interview in het dagblad Trouw op 3 april 2007:


”een van de redenen dat ik weinig op heb met het werk van Richard Dawkins is dat hij niet laat blijken ooit ook maar een minuut tijd te hebben besteed aan het bestuderen van filosofie of theologie.”
Michael Ruse schreef het boek “Darwin of God, een broedertwist”. Op dezelfde bladzijde als waarop Dawkins de overwegingen van Mendel beschrijft komt ook de gelovige wetenschapper Francis S. Collins aan de orde. Dawkins noemt hem als een van de paar voorbeelden van gelovige wetenschappers in de VS en zegt hierover:

“… net als in Groot-Brittannië vallen ze op omdat ze zo zeldzaam zijn en zijn ze het voorwerp van geamuseerde verbijstering bij hun collega’s in de academische wetenschap”. 11


Gemakshalve laat Dawkins na te vermelden dat ongeveer 40 procent van de wetenschappers er een geloof op nahoudt12 , een getal dat dateert uit een onderzoek in 1916 en dat herhaald werd in 1996. De uitkomst van 1996 laat geen significante vermindering zien van het percentage wetenschappers dat er godsdienstige opvattingen op nahoudt.

Dit gegeven haalt de grond weg onder de voeten van degenen die beweren dat de natuurwetenschappen noodzakelijk atheïstisch zijn. Van de ondervraagden uit 1996 had 40 procent actieve godsdienstige overtuigingen, 40 procent geen (en kan dus legitiem als atheïstisch worden beschouwd) en was 20 procent agnostisch. M.a.w.: 60 procent is geen atheïst. Je zou verwachten dat dit cijfer Dawkins enigszins bescheidener zou maken.



2. Bonhoeffer e.a. : Afrekening met verkeerde godsbeelden
Keren we terug tot John Cornwell, die een lange brief aan Richard Dawkins schreef met als titel “Darwins engel”.
“Beste Richard”, zo schrijft Cornwell, “volgens jou bestaat er in wezen geen verschil tussen een terrorist van Al-Qaida en je buurman in Noord Oxford die twee maal per jaar naar de kerk gaat. Geloof als zodanig vormt het mechanisme waardoor religie verandert in moorddadig fanatisme.” 13
In het vervolg hierop citeert Cornwell de dichter W.B. Yeats die ooit schreef:
”Haat jegens God kan de ziel tot God brengen”. Vervolgens een uitspraak van de filosofe en romanschrijfster Iris Murdoch: ”Niets wat bestaat, kan dat zijn wat we met God hebben bedoeld. Een bestaande God zou een afgod of demon zijn.”
Zou Klaas Hendrikse het ook zo bedoelen in zijn “Geloven in een God die niet bestaat”? Over Dawkins zegt hij in ieder geval:
“Zijn uiteindelijke conclusie, “dat God hoogstwaarschijnlijk niet bestaat”, heeft niet meer om het lijf dan de vooronderstelling waarvan hij was uitgegaan.” 14
Interessant vind ik zijn uitspraak dat
“het verschil tussen gelovige mensen en veel atheïsten is dat het godsbeeld van de meeste gelovigen gaandeweg is veranderd, terwijl het bij de meeste atheïsten is blijven stilstaan op het moment dat zij er afscheid van namen.” 15
Mc Grath spreekt er in dit verband over dat
“atheïsten die het christendom op de korrel willen nemen, schieten op een bewegend doel”. 16

En inderdaad, als we kijken naar de ontwikkeling van het christendom kun je zeggen dat het een dynamische godsdienst is, voortdurend in ontwikkeling en zoekend en tastend naar adequate omschrijvingen voor God, waarbij m.n. in de westerse theologie de laatste decennia getracht is verkeerde opvattingen over God aan de kaak te stellen.


“Daarom”, zo schrijft Cornwell, “kan de drijfveer van mensen om met verkeerde opvattingen over God af te rekenen, hen nader tot God brengen”. Of, zoals de anglicaanse priester Don Cupitt, die andere vermaarde atheïstische christen schreef: ”God ontmantelen en de volmaakte eenheid met God bereiken komt op precies hetzelfde neer.”
Ook Dietrich Bonhoeffer heeft zich als geen ander bezig gehouden met het afrekenen met verkeerde Godsbeelden. Op 18 juli 1944 schrijft hij vanuit de gevangenis een brief aan zijn vriend Eberhard Bethge over

”de mondig geworden wereld”; een wereld waarin wij moeten leven “etsi deus non daretur”, ook al zou er geen God bestaan.


Het luistert nauw hoe wij deze beroemd geworden uitspraak verstaan. Bonhoeffer bedoelt te zeggen dat de wereld heeft afgerekend met onjuiste voorstellingen van God. Ons mondig worden brengt ons tot een waarachtige kennis van onze situatie tegenover God. De God die met ons is is de God die ons verlaat (Marcus 15:34). Voor en met God leven wij zonder, God laat zich terugdringen uit de wereld tot op het kruis. God is machteloos en zwak in de wereld en juist zo en alleen zo is Hij met ons en helpt Hij ons. Met een beroep op Mattheüs 8:17 zegt hij dat Christus ons niet helpt krachtens zijn almacht, maar krachtens zijn zwakheid, zijn lijden.

Hij kan het zelfs nog gewaagder zeggen:


“De mondige wereld is godlozer, en daarom misschien dichter bij God dan de onmondige wereld.” 17
Ik schaar Bonhoeffer dan ook in het rijtje van religieuze bergbeklimmers als de Joodse mysticus Spinoza, de Perzische moslimmysticus Al-Halladj en de monnik Meister Eckhart, die alle drie werden verafschuwd en vervolgd door de verdedigers van georganiseerde godsdiensten: ze vonden God door Hem van alle leerstellige prullaria te ontdoen.
Het gevaar van de ontmanteling van God is echter dat er een andere God voor in de plaats komt, vooral als die afbraak gepaard gaat met minachting voor medemensen die, elk op hun manier, in Hem blijven geloven. Het gevolg is afgodendienst. En dat lijkt mij nu precies het geval bij Richard Dawkins.
Met andere woorden: het militante atheïsme van Dawkins is net zozeer religie als de religies die hij bestrijdt. In zijn boek Darwin of God?Een broedertwist beschrijft de filosoof en historicus Michael Ruse de opkomst van de evolutieleer en de opkomst van het evangelisch creationisme beiden als reactie op de geloofscrisis die was ontstaan na de Verlichting. Hij vraagt zich af waarom het nu komt dat we op dit moment twee kampen hebben die zo sterk op elkaar gebeten zijn. 18

Hij voert aan dat, wat hij noemt schepping en evolutie – onderling rivaliserende – reacties zijn op een geloofscrisis. 19



Volgens hem is er dan ook geen sprake van een conflict tussen godsdienst en wetenschap, maar tussen godsdienst en godsdienst. 20 Hierover meer in 3: nogmaals Dawkins: de God-hypothese.


3. nogmaals Dawkins : De God – hypothese
In hoofdstuk 2 van “God als misvatting” bespreekt Dawkins de God-hypothese, waarin hij de God van het Oude Testament zo’n beetje het onaangenaamste personage noemt “dat de literatuur ooit heeft voortgebracht.
“Hij is jaloers en er nog trots op ook; hij is een kleingeestige, onrechtvaardige, onverzoenlijke regelneef; een haatdragende, bloeddorstige pleger van etnische zuiveringen; een vrouwenhatende, homofobe, racistische, kinderen en volkeren uitmoordende, drammerige, megalomane, sadomasochistische, onvoorspelbare boosaardige dwingeland.” 21
De diepere ironie van deze uitspraak is, dat ontwikkelingsperspectieven, waarbij de religie betrokken is, niet serieus worden genomen. Dawkins weet dat de Bijbel een verzameling boeken uit diverse eeuwen is, maar hij heeft een uitgesproken tijdeloos begrip van de ideeën over God in deze boeken. Hij overweegt nooit wat het voor mensen in geheel verschillende historische contexten kan betekenen te verwijzen naar God in theologische constructies die gelden voor hun specifieke omstandigheden. Dawkins is kennelijk "een atheïst voor Jezus" omdat voor hem de Nazarener "een geweldige verbetering" vertegenwoordigt "ten opzichte van de wrede bruut van het Oude Testament" 22. Toch spreken Jezus en de Hebreeuwse profeten met één stem inzake gerechtigheid. Iets dat Dawkins niet is opgevallen.
Dawkins ergert zich over de wat chaotische opzet van de bijbelboeken als geheel en over de verschillende manieren waarop theologen, en trouwens ook de meeste gelovigen, ze lezen.
“Deze ergernis verraadt dat je je volstrekt niet hebt verdiept in de aard van de bijbelwetenschap”, aldus Cornwell.23
Dawkins stelt dat "de God-hypothese een wetenschappelije veronderstelling over het universum is, die met evenveel scepsis moet worden onderzocht als elke hypothese" (p10). Hij formuleert deze God-hypothese als volgt:
"Er bestaat een bovenmenselijk, bovennatuurlijk wezen dat doelbewust het universum en alles erin heeft ontworpen en geschapen". (p.39)
Daarmee distantieert hij zich van o.a. Stephan J. Gould.24 Wetenschap en religie zijn volgens Gould elkaar - niet -overlappende gebieden of magisteria (NOMA).25 Dawkins daarentegen: "Een universum met een scheppende toezichthouder zou "een heel ander soort universum zijn als een universum zonder zo'n wezen. Waarom is dat geen stof voor wetenschappers?" (p. 65)
Goed, laten we er even van uitgaan, dat Dawkins’ mening hout snijdt en dat het zinvol is om God en de religie wetenschappelijk te benaderen. Hoe komt hij dan tot zijn conclusie, dat God vrijwel zeker niet bestaat (hfdst. 4 - p.125-176)? En ... dat "atheïst zijn iets is om trots op te zijn, omdat het vrijwel altijd duidt op een gezond zelfdenkend vermogen" (p.12), zodat "vrije geesten weinig aanmoediging nodig hebben om zich te ontworstelen aan de verdorvenheid van religie” (p. 14)?.
Zijn voornaamste argument is, dat statistisch gezien het ontstaan van leven uit de materie wel heel erg onwaarschijnlijk is. Een entiteit (als God ) die in staat is zoiets onwaarschijnlijks te ontwerpen als een Duitse pijp (Aristolochea trilobata. Een plant die tot een van de meer zeldzamere Aristolochia soorten behoort. Inheems in tropisch Zuid-Amerika, van Costa Rica tot de Amazone.) zou zelf nog onwaarschijnlijker zijn.... Wie ontwerpt de ontwerper? (p. 135/136).

"De darwinistische evolutie neemt het stokje monter over zodra het leven er eenmaal is. Maar hoe gaat het van start? Dat vereist de expertise van een chemicus. De ID-hypothese 26 postuleert een God, die bewust een wonder heeft verricht, die in de pre-biotische soep zijn goddelijk vuur heeft doen ontbranden en als spectaculair hoogtepunt DNA of iets soortgelijks lanceerde."[p.153]


"Het antropisch 27 alternatief ervoor is statistisch van aard... met een bespottelijk geringe kans van één op één miljard planeten zal er op Aarde leven ontstaan." [p.154]

"Een God, die in staat is om de ideale waarden te berekenen van de zes natuurconstanten zou minstens even onwaarschijnlijk moeten zijn als de subtiel afgestelde getallencombinatie zelf, en dat is wel héél onwaarschijnlijk - en de premisse van de hele discussie die we hier voeren" (p. 160).

Dawkins schrijft verder perplex te staan "van het aantal mensen dat het probleem niet inziet en echt genoegen lijkt te nemen met het argument van de goddelijke knoppendraaier... een verbijsterende blinde vlek".
“Klinkt dat wetenschappelijk?”, zo vraagt Henk Hoogeboom van Buggenum zich af in zijn bespreking van “God als misvatting28, in het tijdschrift GAMMA van de stichting Teilhard de Chardin.

“Voor Dawkins telt slechts als werkelijkheid datgene wat via onze instrumenten (hersenen, microscopen enz.) materieel kan worden waargenomen”, zo gaat Hoogeboom van Buggenum verder. Voor hem verschijnen hierin leven en bewustzijn als bij toverslag door statistisch toeval. Deze verschijnselen zijn voor hem kennelijk niet op een wijze deelbaar als in het cumulatieve proces dat we aantreffen in de ontwikkeling van levende soorten.


Winston zegt m.b.t. dit punt:
“Ik ben terughoudend om een geschiedenis van wetenschappelijke ontdekkingen te beschrijven, omdat daaruit het idee zou kunnen ontstaan dat we op een bepaald punt in onze ontwikkeling “rationeel begonnen te worden” en dientengevolge het geloof in God in de steek lieten. Dat zou een veel te eenvoudige voorstelling van zaken zijn.” 29
Merkwaardig eigenlijk die redenering van Dawkins, want 'leven' zowel als 'bewustzijn' bestaan in dit proces toch in diverse gradaties. Teilhard de Chardin lijkt wat dat betreft veel consequenter. Voor hem zijn 'leven' en 'bewustzijn' in potentie al vanaf de big bang in een of andere graad in de materie aanwezig. Zoals bijvoorbeeld in een stamcel de potentie aanwezig is om zich te ontwikkelen tot een 'hartcel', een 'levercel' of een 'huidcel', ook al kunnen wij die potentie noch waarnemen noch meten. De matrix van onze werkelijkheid is derhalve in de visie van Teilhard de Chardin 'omnipotent'.
Een mooi woord voor deze omnipotente onzichtbare en voor ons ondeelbare werkelijkheid achter de waarneembare werkelijkheid is het woord God. God, een woord waarmee wij op grond van ons beperkte inzicht of bewustzijn in deze werkelijkheid inderdaad - zoals Dawkins ook vanuit zijn bespreking van o.a. de Bijbel uiteenzet - zoveel verschillende beelden hebben ontwikkeld. Beelden, die tijd- en cultuurgebonden zijn omdat ze afhankelijk zijn van ons wereldbeeld, ons bewustzijn van de wereld. Vandaar ook, dat Dawkins terecht mag stellen, dat onze ethiek er was vóór onze religies, dat moraal niet vastligt en dat gelovigen zowel als atheïsten een besef hebben van 'goed' en 'kwaad' en navenant kunnen handelen.” 30
Een ander geluid op dit gebied komt tot ons via Edwin Koster. 31 Met instemming haalt hij de postmoderne filosoof Jean-Francois Lyotard32 aan die de narratieve of verhalende kennis, zoals we die o.a. in de bijbel aantreffen, vergelijkt met wetenschappelijke kennis. Lyotard schrijft in La condition postmoderne dat volgens de criteria van de wetenschap verhalen onderontwikkeld en achtergebleven zijn, bestaan uit een reeks van opinies, geen sluitende argumenten voor hun kennisaanspraken bevatten en, tenslotte, overgeleverd, verteld en beluisterd worden op grond van het gezag van autoriteiten en niet op grond van voor iedereen toegankelijke bewijzen. 33
Verhalen zijn volgens deze opvatting ‘fabeltjes, goed voor vrouwen en kinderen (!). Lyotard gaat hierin niet mee, aldus Koster. In een lang betoog laat Koster Lyotard aan het woord om vervolgens tot de conclusie te komen dat volgens Lyotard het geloof in de vooruitgang zoals het sinds de Verlichting is geproclameerd, door Auschwitz is vernietigd. Het grote verhaal van de Verlichting en ook de andere grote verhalen, zoals het zogenaamde Bildungsverhaal, zijn teloor gegaan.

De legitimatie van wetenschap is in zijn ogen een zaak van consensus geworden.


“Wetenschap vervalt daarmee”, volgens Lyotard “tot het niveau van de ideologie, het is een machtsinstrument dat haar eigen spel speelt.”34
Ook Michael Ruse, Darwinist met een kritische visie, laat zich in dergelijke termen uit.
“Mijn analyse is dat we niet te maken hebben met een simpele botsing tussen wetenschap en godsdienst, maar met een botsing tussen twee godsdiensten.”35

Hij neemt zijn uitgangspunt in de teloorgang van het geloof sinds de Verlichting en stelt dat evolutieleer en creationisme twee tegengestelde, maar aan elkaar verwante antwoorden daar op zijn.

Voor alle duidelijkheid: Ruse vergelijkt evolutionisme met creationisme, een stroming binnen het christendom die vasthoudt aan de letterlijke uitleg van de bijbelverhalen, m.n. als het gaat over het ontstaan van de aarde. De verklaring voor het ontstaan van de aarde, zoals beschreven in het bijbelboek Genesis wordt hierbij letterlijk genomen, ongeacht de resultaten van wetenschappelijk onderzoek.
Overigens, ook Michael Ruse vindt geen genade in de ogen van Richard Dawkins. In een subhoofdstukje van hoofdstuk 2, de God-hypothese besteedt Dawkins aandacht aan wetenschappers die achter het NOMA-denken staan. In dit gedeelte van zijn boek spreekt hij over de NCSE, het National Center for Science Education. Hij noemt hier Michael Ruse een “prominente ster” van de NCSE. Hij citeert hier met instemming Jerry Coyne, een geneticus uit Chicago:
“Ruse slaagt er niet in de essentie van het conflict in te zien. Het gaat niet alleen om evolutieleer versus creationisme. Voor wetenschappers als Dawkins en Wilson [E.O. Wilson, de gevierde bioloog op Harvard] is de echte oorlog de strijd tussen rationalisme en obscurantisme. Wetenschap is slechts één vorm van rationalisme, terwijl religie de meest voorkomende vorm van obscurantisme is. Creationisme is voor hen slechts een symptoom van wat zij zien als een grotere vijand: godsdienst. Terwijl godsdienst kan bestaan zonder creationisme, kan creationisme niet bestaan zonder godsdienst.” 36
Het interessante van het boek van Ruse, vind ik, is dat hij het ontstaan van zowel evolutionisme als creationisme beschrijft vanuit een historisch perspectief.

Hij neemt zijn startpunt in, wat hij beschrijft als, de geloofscrisis tijdens de Verlichting.


“Oude godsdienstige waarheden overtuigden niet langer. Er waren problemen met geopenbaarde godsdienst (hoe moet je kiezen tussen de mogelijkheden binnen het christendom en zelfs tussen christendom en andere geloven?) en er waren problemen met natuurtheologie (hoe verklaar je pijn en lijden als God zo goed is als hij geacht wordt te zijn?)”37
Onder invloed van de Verlichting ontstond er een zekere rationalisatie in het nadenken over de oorsprong van leven op aarde. Een en ander had veel ontdekkingen tot gevolg. De industriële revolutie, ooit in Engeland begonnen, zou ondenkbaar zijn zonder de Verlichting. Er ontstond zodoende vooruitgangsgeloof en de overtuiging dat de samenleving maakbaar was.
In dit verband is het interessant om Schleiermacher te noemen die in zijn beroemde

Über die Religion: Reden an die Gebildeten unter ihren Verächtern, reeds in 1799 het volgende schreef:
“Door de rationalisering van de samenleving ontstaat ook een eenzijdige aandacht voor het maakbare en het strikt nuttige.”38
Ik noem hier Schleiermacher omdat ik bij het lezen van Dawkins’ God als misvatting voortdurend aan zijn “Reden an die Gebildeten” moest denken.
Overigens valt het ontstaan van het moderne atheïsme niet samen met de komst van Darwin’s ontdekkingen. Cornwell beschrijft het protest van de filosoof Francis Bacon tegen de corrumperende invloed van de theologie op de natuurwetenschap, in het bijzonder tegen de gewoonte om aan het eerste hoofdstuk van Genesis wetenschappelijke conclusies te verbinden. Dit protest klonk reeds in de 17e eeuw. M.a.w.: toen Charles Darwin ten tonele verscheen, was al ingezien dat het scheppingsverhaal in Genesis geen letterlijk relaas over de schepping van de wereld is. Het moderne atheïsme is dan ook niet ontstaan doordat de natuurwetenschap zich van God ontdeed, maar doordat de godsdienst, in het defensief gedreven, door eigen toedoen de koers kwijtraakte. De godsdienst begon daarmee a.h.w. het atheïsme aan te moedigen.39
De geloofscrisis die in de 18e eeuw ontstond kwam echter niet alleen door de Verlichting en de daarmee gepaard gaande opkomst van de wetenschap. Ook veranderende maatschappelijke omstandigheden waren van invloed. In Engeland kon het anglicaanse christendom zijn traditionele greep op de emoties van de massa niet langer in stand houden. In Amerika waren er na de Revolutie nieuwe ideeën nodig.
“Hoe belangrijk de evolutie ook voor de geschiedenis van het christelijk geloof mag zijn, zij was slechts één van de vele factoren die daarop inwerkten en niet noodzakelijk de belangrijkste.” 40
Dit alles plaatst de invloed van de evolutietheorie op het denken over het ontstaan van leven in een wat breder kader en daarmee gepaard gaand ook de aanspraken die evolutionisten maken op de claim dat iets alleen waar is als het wetenschappelijk bewezen kan worden, zoals Dawkins doet.
Een aardig voorbeeld hiervan vinden we in Bill Brysons’ Een kleine geschiedenis van bijna alles. In een hoofdstuk over het ontstaan van leven schrijft hij over wat biologen noemen “de oergeboorte” van het leven op aarde, zo’n 3,85 miljard jaar geleden.
“Wat ook het leven gebracht mag hebben, het bracht het in één keer. Dat is het uitzonderlijkste feit in de biologie, misschien wel het uitzonderlijkste feit dat we kennen. Alles wat ooit geleefd heeft, plant of dier, ontstond tijdens een en dezelfde stuiptrekking……..

Het was het moment van de schepping van ons allemaal. Biologen noemen dit soms de oergeboorte.”41


We moeten ons hierbij overigens wel realiseren dat het om aannames gaat, gebaseerd op goed onderbouwde theorieën. Het gaat erom te interpreteren wat bijvoorbeeld fossielen zeggen over een bepaalde periode in de geschiedenis van de aarde. Anderen interpreteren dan weer de interpretaties en borduren vervolgens weer verder daarop voort. Kortom, de wetenschap is nog steeds bezig de geschiedenis van de aarde te interpreteren. Zodanig zelfs dat Bill Bryson zegt:

Kortom, we weten niet echt waar we vandaan komen.42

In zijn woord vooraf in John S. Collin’s De taal van God schrijft prof. dr. Cees Dekker in dit verband


“De EO formuleerde het 25 jaar terug als “Adam of aap?”. VPRO Buitenhof “hield het dit jaar op “God of Darwin? Blijkbaar moet er rond schepping en evolutie onontkomelijk een scherpe óf-óf-keuze worden gemaakt.”43
Stephen J. Gould, geciteerd door Bryson zei in dit verband:
”De geschiedenis van het leven is een verhaal van massale ontruiming, gevolgd door differentiatie binnen een paar overlevende stammen, niet het conventionele verhaal van geleidelijke verbetering, complexiteit en diversiteit. Bryson voegt hieraan toe: Evolutionair succes bleek een gok te zijn.” 44
Ook Alistair McGrath doet een duit in het zakje. In een bespreking van Einstein’s relativiteitstheorie stelt hij het volgende: Einstein betoogde dat de zwaartekracht van de zon een uitwerking zou hebben op het door de zon uitgestraalde licht. Deze “gravitationele roodverschuiving” wordt veroorzaakt doordat de massa van de zon de snelheid van het licht vermindert, zo was zijn stelling.
De omvang van deze vermindering was zo oneindig klein dat het in de jaren 20 van de vorige eeuw niet langs enige beschikbare weg kon worden vastgesteld. Pas in de jaren 60 van de vorige eeuw, dus twee generaties later, was men in staat om het voorspelde effect waar te nemen. In de tussentijd “geloofden” de meeste wetenschappers dat de theorie van Einstein te vertrouwen was en dat er op enig moment in de toekomst wel een definitieve bevestiging zou komen voor zijn voorspelling.
McGrath vraagt zich nu af:

“Wat is nu de relevantie van dit beroemde incident in de wetenschapsgeschiedenis voor onze reflecties over Dawkins’ houding tegenover de wetenschap? Het laat ons zien dat we ons vertrouwen in een theorie kunnen stellen zonder dat we beschikken over een definitieve bevestiging van zijn waarheid. Een theorie kan voldoende plausibel zijn om ons vertrouwen te winnen, ook al liggen sommige van zijn voorspellingen in de toekomst. Kortom: ook wetenschap berust op geloof.” 45


En zo eindigen we dit hoofdstukje op dezelfde wijze als het vorige, nl. dat het in het conflict tussen geloof en wetenschap gaat om een conflict tussen geloof en geloof.
Zoals Michael Polanyi (1891-1976), een scheikundige en bekend wetenschapsfilosoof, heeft benadrukt zal er altijd een element van geloof en vertrouwen in de natuurwetenschappen aanwezig blijven omdat er zoveel niet bewezen kan worden. Hij heeft er op gewezen dat natuurwetenschappers inzien dat ze bepaalde dingen moeten geloven waarvan ze weten dat deze later verworpen zullen worden – maar dat ze er niet zeker van zijn welke van hun huidige overtuigingen foutief zullen blijken te zijn. “Kortom: ook wetenschap berust op geloof”, 46


  1   2   3   4   5

  • A Way between Fundamentalism and Secularism”
  • Geloof en wetenschap
  • 2. Bonhoeffer e.a. : Afrekening met verkeerde godsbeelden
  • 3. nogmaals Dawkins : De God – hypothese

  • Dovnload 244.53 Kb.