Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Over Inter-persoonlijk leraarsgedrag Verschillen tussen leraren

Dovnload 1.97 Mb.

Over Inter-persoonlijk leraarsgedrag Verschillen tussen leraren



Pagina1/14
Datum25.09.2018
Grootte1.97 Mb.

Dovnload 1.97 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   14

Over Inter-persoonlijk leraarsgedrag

Verschillen tussen leraren


De V.I.L (Vragenlijst voor Inter-persoonlijk Leraarsgedrag) is ontworpen door Creton en Wubbels (1984) op basis van de Roos van Leary1 (1957). Hierin wordt aan leerlingen gevraagd het gedrag van hun leraar te beschrijven door op een 5-puntsschaal hun mening over het docentgedrag aan te geven.

De leraar kan zelf ook de vragenlijst invullen voordat deze aan de leerlingen wordt voorgelegd. Zo kan het zelfbeeld van de leraar, het 'leraarbeeld', vergeleken worden met het beeld dat de leerlingen van hem hebben, het 'leerling-beeld'. Ook kan de leraar de vragenlijst invullen door bij elke stelling de door hem gewenste antwoorden te geven om het eigen 'ideaalbeeld' te verkrijgen. Deze beelden kunnen natuurlijk van klas tot klas verschillen, dat geldt bijvoorbeeld voor een lagere klas en een hogere klas, voor een klas waar de leraar een betere of een slechtere orde heeft, of voor een klas waar de leraar wel of niet mentor is.

Bij elke sector van de interactieroos zijn items opgesteld die voor de leerlingen relevant zijn als kenmerken van leraarsgedrag. Met behulp van de scores van de leerlingen kunnen de sectoren van de interactieroos worden ingevuld. Daarmee ontstaat een profiel van het leraarsgedrag zoals het door een klas wordt ervaren.

De interactieroos - de Roos van Leary


De verschillende soorten leraarsgedrag die we kunnen onderscheiden kunnen we nader analyseren met behulp van de interactieroos. Dit model werd oorspronkelijk door Leary ontwikkeld voor klinische toepassingen en is door Hooymayers e.a. (1982) bruikbaar gemaakt voor de klassensituatie en later door Wubbels en Creton (1984) verder uitgewerkt.

Het model is gericht op inter-rationeel leraarsgedrag, in het bijzonder op de sfeer in de klas. Het zal duidelijk zijn dat de leraar niet alleen moet beschikken over interactiebekwaamheid maar daarnaast ook over vakkennis en vakdidactische kennis en de vaardigheid om de leerstof zo te kiezen, te ordenen en te behandelen dat de leerlingen zo goed mogelijk kunnen leren.
In het model worden twee dimensies onderscheiden: de "machtsdimensie" (verticale as) en de "nabijheiddimensie" (horizontale as) (schema 1). De polen op de machtsdimensie zijn: dominantie - onderwerping, op de nabijheiddimensie: vijandigheid - genegenheid.



Schema 1

boven
















tegen







samen
















onder






Kortweg duiden we de verticale dimensie aan als boven - onder en de horizontale dimensie als tegen - samen. We zeggen dat iemand "bovengedrag" of "ondergedrag" vertoont als iemand zich sturend respectievelijk ondergeschikt gedraagt, terwijl iemand zich bij tegengedrag of samengedrag, afwijzend respectievelijk coöperatief opstelt.

We kunnen de interactieroos in acht sectoren verdelen, zodat in elke sector een vorm van gedrag wordt aangegeven die de kenmerken heeft van de verticale "boven - onder" dimensie en van de horizontale "tegen - samen" dimensie. Zo ontstaan acht gedragswijzen die we elk symbolisch kunnen weergeven met twee letters (zie schema 2).



Schema 2



Leidend gedrag (BS)

Actief helpend gedrag (SB)

Welwillend / inlevend / begrijpend gedrag (SO)

Meegaand / ruimte gevend gedrag (OS)

Gereserveerd / teruggetrokken / onzeker gedrag (OT)

Protesterend / ontevreden gedrag (TO)

Aanvallend / corrigerend gedrag (TB)

Concurrerend / competitief / streng gedrag (BT)

Noodzakelijke vaardigheden


Bij elk segment behoren typerende vaardigheden (zie schema 3) en typerende houdingen (analoge taal, schema 4). Hoewel iedere leraar een persoonlijke voorkeur zal hebben voor het hanteren van bepaald gedrag, is het voor een goed verloop van de interactie leraar-leerlingen gewenst dat de leraar flexibel is en gedrag uit de verschillende sectoren kan hanteren. Oefenen in andere soorten gedrag kan het best beginnen bij de sectoren die grenzen aan het favoriete gedrag waarbij de docent zich thuis voelt. Hier geldt dat de docent vooral z'n sterke kanten moet gebruiken en daarbij kan werken aan de ontwikkeling van andere vormen van gedrag uit verder weg liggende sectoren, teneinde het gedragsrepertoire te verbreden.


  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   14


Dovnload 1.97 Mb.