Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Overdenkingen zomeravondontmoetingen teksten gebruikt in 2-jaarlijkse cursus teksten van 2-jaarlijkse thomaslezing

Dovnload 46.16 Kb.

Overdenkingen zomeravondontmoetingen teksten gebruikt in 2-jaarlijkse cursus teksten van 2-jaarlijkse thomaslezing



Datum11.10.2017
Grootte46.16 Kb.

Dovnload 46.16 Kb.

ARCHIEF OVER DE JAREN 1987 TOT EN MET 2012

  • OVERDENKINGEN ZOMERAVONDONTMOETINGEN

  • TEKSTEN GEBRUIKT IN 2-JAARLIJKSE CURSUS

  • TEKSTEN VAN 2-JAARLIJKSE THOMASLEZING


Thomas a Kempis-lezing door Huub Oosterhuis op vrijdag 4 november 2011 in Zwolle
1.

Vanaf half maart tot half juni 1952, ik zat in de zesde klas gymnasium van het Ignatius College in Amsterdam, heb ik drie maanden dag in dag uit met God gestreden. Met welke God? Met de God die volgens het bijbelse verhaal aan Abraham de opdracht gaf zijn zoon Izaäk te offeren. Waarover ging die strijd? Over de vraag of ik zou toetreden tot de orde der Jezuïeten om rooms-katholiek priester te worden (je kon ook langs andere wegen rooms-katholiek priester worden). Dat was toen nog niet zo uitzonderlijk als het nu klinkt: ieder jaar waren er in Nederland zo’n achttien tot dertig jongens die dat deden. Ik wou het niet, maar ik moest. Van God moest ik, dacht-angstdroomde-fantaseerde ik, voelde ik. Van de God die mij in godsdienstlessen en geestelijke leiding werd verkondigd en die door indrukwekkende Jezuïeten, jonge en zeer oude, werd uitgestraald.

Een God die riep, en die roepstem was een bevel, een onontkoombare uitnodiging, en wie die afsloeg ging bedroefd heen en miste de vervulling van zijn leven.

Het meest concrete, voelbare waartoe God mij riep was het celibaat, in jezuïetenorde-verband de ‘gelofte van zuiverheid’ genoemd. Zuiverheid betekende dat je met niemand erotisch contact had, en geen seksuele gemeenschap – en dat betekende toen voor mij dat ik geen kinderen zou krijgen.

Toen ik achttien was, hoopte ik ooit kinderen te zullen krijgen en precies op dat verlangen werd ik aangesproken, ik moest mijn mogelijke kinderen offeren zoals Abraham zijn zoon offerde op de berg Moria.
2.

Eind mei 1952 deed ik eindexamen. Ik kreeg herexamens wiskunde en Latijn, kreeg twee weken om bijles te nemen. In die dagen besloot ik mij gewonnen te geven aan de God van de berg Moria en priester te worden.

De dag brak aan dat ik herexamen Latijn moest doen, mondeling, ik kreeg een tekst uit de ‘Belijdenissen’ van Augustinus: ‘Sero te amavi, pulchritudo tam antiqua et tam nova, sero te amavi’. En ik kende, hèrkende ieder woord; en begreep de tekst tot in de kleínste nuances van klank en ritme. Over een God die schoonheid was en harmonie, stem en licht, vuur en vrede. Geen grimmige Moria-God die een offer eist, maar een vriend, een grote liefde. ‘Veel te laat heb ik U lief gekregen’, vertaalde ik; en zó voelde het in dat herexamenkamertje. Het was alsof ik eindelijk herkende met wie ik gestreden had – alsof hij in die Latijnse tekst zijn ware gezicht liet zien. In een half uur voorbereiding prentten die woorden van Augustinus zich voorgoed in mijn geheugen.

Ik werd voor de commissie geroepen, las voor, vertaalde, was geslaagd. Drie dagen later meldde ik mij bij de Jezuïeten. Op 7 september 1952 trad ik in, om één minuut voor acht uur ’s avonds, in het noviciaat in Grave, een zwaarlijvig gebouw met hoge smalle ramen en een torentje – het heette Mariëndael.


3.

Na drie dagen onwennig wennen, kreeg je een zwart habijt aan, een toog, en een priesterboordje om. Je kreeg ook een exemplaar van de Imitatio Christi, om daar twaalf minuten pers dag in te lezen, en je leerde mediteren. Mediteren volgens de methode van Ignatius van Loyola die een sterk beroep doet op je ‘innerlijk aanschouwingsvermogen’. Mijn nieuwe leven begon met zijn ‘geestelijke oefeningen’, dertig dagen lang, vier meditaties per dag over ‘Gods grote bestemmingsplan met deze wereld’ en over het leven van Jezus, dat je je al mediterende zo concreet mogelijk moest voorstellen, ‘met de ogen der verbeelding beschouwend’ hoe Jezus zijn weg gaat, altijd door menigten omringd - je moest in die menigte gaan staan en van dichtbij zien hoe hij de zieken één voor één de hand oplegde en de demonen uitdreef.

Geestelijke oefeningen: proberen zo dicht mogelijk bij hem te komen, bij hem te horen. Je vereenzelvigen met hem, in hem veranderen, zijn geest inoefenen’.
Tijdens die ‘dertigdaagse’, en de maanden daarna, beleefde ik niet de God van ‘veel te laat heb ik jou lief gekregen’, maar die van de berg Moria. Het was oktober 1952. De Generaal Overste van de Jezuïetenorde had van de Paus zelf het dringende verzoek ontvangen, zoveel als een opdracht, om de missionering van Japan op zich te nemen – de tijd werd rijp geacht, na Hiroshima en Nagasaki.

Die generaal – ook wel de zwarte paus genoemd – schreef een brief aan alle leden van de orde om deze grote uitverkiezing te melden, en met name een oversten van opleidingshuizen, om energieke en liefst taalbegaafde studenten voor de missie in Japan te interesseren.

Er werd uit de regel van Ignatius geciteerd: 'Om hen bij wie zij wonen beter van dienst te kunnen zijn, moeten allen de taal aanleren van het land waar zij verblijven’, en dan volgde er een passage over de moeilijkheidsgraad van de Japanse taal.

De generale brief werd tijdens de avondmaaltijd in de refter voorgelezen:

wie jong en gezond was, werd dringend uitgenodigd zich af te vragen of God hem niet riep naar Japan om daar de roomskatholieke kerk te verbreiden. Het was geen bevel, maar het klonk. Terwijl ik een lepel soep naar mijn mond bracht, verstond ik de oproep en onmiddellijk klonk uit mijn ziel het antwoord op, ja en nee tegelijk. Ik dacht, maar kon het niet denken. Zou ik het doen? Ik zou het nooit doen. Maar ik moest. Maar kon niet. Maar moest het kunnen. Van wie? Van de Moria-God.

Zo was het en bleef het, week in week uit, uur in uur uit. Ik bevond mij in het onbestaanbare en er was geen ontkomen.


Gij komt mij verschrikken

met dromen en angstvisioenen –

wend toch uw ogen van mij af

en geef mij de tijd mijn speeksel

door te slikken. Mensenbespieder.
Hij wou van me wat ik niet kon willen. Hij wou een nog groter offer dan een toekomst zonder kinderen. Hij wou van mij een toekomst zonder taal.
Een lentemiddag zeven maanden later schoffelde ik op het kerkhof links achter, in de doodse stilte van de noviciaatstuin. Daar lagen beroemde priesters. Met een troffel krabde ik hard mos van een grafsteen, en maalde dat God mij wilde in Japan. Hij wilde immers wat een mens niet wou, of kon. Hij was toch een verterend vuur. The Hound of Heaven. Tijdens mijn meditaties blafte Hij mij toe dat hij mij wou als missionaris in Japan.

Ik lag geknield en diep gebogen over de grafsteen, ik richtte mij op, ik zag de hoge blauwe lucht, de hemel open en dacht: Hij is bedacht, hij bestaat niet. Ik duizelde, ik wist niet wat ik dacht, maar mijn ziel riep nee en weg jij. Ik boog opnieuw voorover, krabde, schraapte, spuwde, poetste met mijn mouw een stukje grafsteen blinkend schoon als een gootsteen en God verdween door de lozing. De lucht bleef blauw, de stilte stil.

Ik stond op van de kerkhofgrond en gooide mijn troffel de lucht in, ving hem op, en weer, acht keer, steeds hoger. De negende keer greep ik mis en kletterde het stalen ding op de steen van pater Johannes Alberdinck Thijm, wiens overwoekerde naam ik die middag te voorschijn gekrabd had.

Het was tien voor vijf, zag ik op de torenklok. Om vijf uur werd ik geacht een geestelijk boek te lezen. Ik besloot een wandeling te maken, door het verboden gedeelte van de noviciaatstuin. Ik nam de uiterste lanen, keek over aangrenzend akkerland uit – van het erf van daargelegen boerderijen waaiden kinderstemmen naar mij toe – en ik wist dat Hij niet bestond, nooit had bestaan.

Dat duurde tien minuten. Leeg en gelukkig zag ik de blauwe lucht boven lichtgroene bomen.
Ik naderde de achterzijde van Mariëndael, waar een siertuin lag rondom een vijver. Wat kon het me schelen of Hij wel of niet bestond – ik smeet de troffel in de vijver, ging het huis binnen waar stilte heerste en geestelijk gelezen werd.

Ik betrad de leeskamer, zette mij aan mijn tafeltje en sloeg het boek open waarin ik bezig was, Het leven van de heilige Franciscus Xaverius, de eerste Jezuïetenmissionaris in Japan.


Het vrolijke lichte gevoel hield dagenlang aan. Ik liep rechterop dan in maanden en de soep smaakte me weer. Ik had die Hound of Heaven, die hartverscheurende stem het zwijgen opgelegd, die tirannieke mensenbespieder ‘afgeschaft’, dácht ik, toen. Nu weet ik, met meer nuances, dat ik de last van een oeroud overal ter wereld voorkomend godsbeeld had afgeschud, nee nog anders: het was van me afgegleden toen ik die middag op het kerkhof naar de blauwe lucht keek en de open hemel zag; het was weg.
4.

Prachtig voorjaar 1953 was het. Wat moet je als priester als God niet bestaat, vroeg ik mij af? Het maakte me niet uit, ik zou wel zien. En ik had geen God nodig om als nooit eerder in mijn leven te genieten van de lente – en van het zingen, gregoriaanse melodieën op stralende psalmcitaten. Refugium factus es nobis, onze toevlucht zijt Gij geworden. Het werd zomer – soms weerlichtte het vanaf de Moria, kort. Ik deed of ik het niet hoorde, ik probeerde af te zien van welke gedachte aan God dan ook. Langzaam groeide het besef dat ik onvoorwaardelijk moest leren leven, met of zonder God, met of zonder kinderen, kome wat komt.

En iedere zondag zong ik met mijn in Latijn geklede medebroeders de misformulieren van het Romeins Missaal, een troostend verhaal over God, in de toonsoort van ‘sero te amavi’.
tot U sla ik mijn ogen op, die woont in de hemel

Hij zal je overschaduwen met zijn vleugels

Ik zal mij verheugen in zijn ontferming

Gij hebt mijn tranen gezien
En zo bleef het dat jaar. Én de jaren die volgden – refugium factus es nobis. En toen ik in november 1959 gevraagd werd – door een vriend die voor zijn middelbare scholieren het Lof op zondagavond (de aanbidding van de hostie) bij de tijd wilde brengen, het was in Groningen – toen ik gevraagd werd om ‘in godsnaam’ iets in het Nederlands te maken, in plaats van die onverstaanbare Latijnse hymnen, toen kwam dát beeld van God, die beeldspraak en die beleving in mijn liedjes: Zo vriendelijk en veilig als het licht – Zolang er mensen zijn op aarde – O Heer gij zijt mijn onderkomen.
5.

In de zomer van 1985 publiceerde NRC Handelsblad een reeks beschouwingen en getuigenissen over ‘Het verschijnsel godsdienst’. Karel van ’t Reve deed ook mee en kwam met de inmiddels gevleugelde woorden ‘De ongelooflijke slechtheid van het opperwezen’. God, schreef hij, díe is’ slechter dan de slechtste mens’.


In een latere, aanvullende beschouwing schrijft hij het volgende: ‘De blindheid van de christenen voor de slechtheid van hun eigen god trof mij zeer sterk toen ik een keer tijdens een televisie-uitzending (…) in debat raakte met een dominee. Een vrijzinnige dominee, hij was lid van de Partij van de Arbeid. Ik herinnerde hem aan het geval van Abraham, die van God opdracht krijgt zijn eigen zoon de keel af te snijden. Is dat nu geen schurkenstreek van die God, vroeg ik. Nee, zei de dominee, want het hoefde niet! Op het laatste moment hield God – zoals je op allerlei schilderijen kunt zien – de hand van Abraham tegen. Die zoon bleef in leven. Ik kon die dominee niet aan zijn verstand brengen, dat het niet dóór laten gaan van die moord het gedrag van God geenszins beter maakt. Als een méns zoiets zou doen, zou men die mens dan niet voor een schurk houden?’
Nu is het Abraham-verhaal met zijn Moria-God nog wel zó uit te leggen dat ook Karel van ’t Reve misschien bereid is het met andere ogen te lezen. Zo’n uitleg gaf Abel Herzberg. Hij schreef in zijn laatste boek ‘Aartsvaders’ mede naar aanleiding van deze discussie, en toen het uitkwam, vlak voor zijn 93ste verjaardag in 1986, zei hij in een interview het volgende: ‘Een engel roept Abraham: ‘Doe het niet’. Dat is verbeelding, het is Abraham zelf die het roept, zijn eigen hart, zijn eigen stem. Zoals in het algemeen de stem van God je eigen stem is. Als je maar hoog genoeg in jezelf gelooft. Hij heeft van zichzelf uit die kindermoord geweigerd. Hij heeft de god verworpen die kinderoffers vraagt. Hij heeft gedacht: een god die kinderoffers vraagt kan de ware niet zijn.’
Karel van ’t Reve bleef erbij. ‘De ongelooflijke slechtheid van het Opperwezen’ werd de titel van een van zijn boeken en dat opperwezen is de god van joden en christenen, de God van de bijbel dus. En wat is de bijbel anders dan een’ gruweloratorium’, ik citeer Jan Wolkers, ‘waarin de uit Dode-Zeezout en woestijnzand geknede niets en niemand ontziende Michelangeleske geweldenaar talrijke generaties onnozele kinderen het lachen al vroeg heeft doen vergaan’.
De beleving van de God van de bijbel als een kwaaie, harde, jaloerse, wraakzuchtige, kan zich beroepen op nog veel gruwelijker passages dan die over de Moria-God. David (‘de lieveling van Israëls liederen’) is de hoofdpersoon van de boeken Samuel. Aan het eind van die boeken, in de laatste levensjaren van David, is er sprake van een God die een hongersnood zendt, drie jaar lang, omdat er een bloedschuld te vereffenen valt; en die het niet zal laten regenen, voordat zeven onschuldige mannen zijn opgehangen voor zijn aangezicht. Is dat dezelfde over wie David ooit gezongen heeft, in psalm 36, dat zijn genade reikt tot aan de hemel, zijn trouw tot aan het firmament – ‘daarom zoeken de kinderen der mensen hun toevlucht in de schaduw van uw vleugels, bij U is de bron van het leven, en in uw licht zien wij het licht’.
Er waart door een aantal bijbelse teksten een doodsgod, tegenbeeld van die van psalm 36, een donkere ondoorgrondelijke die mensen opjaagt, beschuldigt, bedreigt, op wiens instigatie mensen elkaar kwellen; ophangen als het moet.

Karel van ’t Reve en Jan Wolkers lazen de bijbel, de hele bijbel, vanuit dat Godsbeeld. En ze zijn niet de enigen. Hoe lezen wij de bijbel?


6.

Uit de boeken van David Flusser, hoogleraar in Jeruzalem, heb ik geleerd, dat zo’n 180 tot 150 jaar voor de geboorte van Jezus - binnen het jodendom – onder de vleugels van de tempel in Jeruzalem, de zogeheten Tweede Tempel, die van na de ballingschap – zich een ‘nieuwe humane gevoeligheid’ ontwikkelde. Het meest typerende van deze nieuwe spiritualiteit, is wat Flusser noemt ‘de Godgerichte naastenliefde’: nadruk op liefde voor God boven ontzag en vrees, en nadruk op de liefde voor de naaste die een kwetsbaar mens is zoals jij, wiens daden even slecht zijn als die van jou, of even goed. Een nieuwe humane gevoeligheid voor de gelijkheid en de gelijke rechten van alle mensen; een spiritualiteit die universele solidariteit aanbeveelt, begrip, tolerantie en respect vraagt voor ‘slechten en goeden’, omdat God het laat regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Een pleidooi voor allenomvattende liefde, bij monde van grote rabbijnen. In dit geestelijke klimaat van verzoening zou Jezus van Nazareth zijn gevormd, en Paulus.


De beweging van de nieuwe humane gevoeligheid: de keuze om heel de ‘oudtestamentische traditie’ te herlezen vanuit het woord over de naastenliefde en op dat woord opnieuw te ijken. Voortaan is de kern van heel Israëls levensleer: de liefde tot de naaste. En ‘God’ is de stem die daartoe krachtig aanspoort.
In die dagen van nieuwe humane gevoeligheid wordt het ideaal geformuleerd van een liefdevolle samenleving van alle mensen – de onvervreemdbare utopie van het rabbijnse jodendom, ook door Jezus van Nazareth gekoesterd. De oudste spiritualiteit van de westerse beschaving.
In de joodse traditie zijn de eeuwenoude bijbelse verhalen ingebed in mondelinge overlevering en actualiserende uitleg, in ‘talmoed’. Eén van de beginselen van die bijbeluitleg is: dat ieder afzonderlijke tekst benaderd en zo mogelijk verklaard moet worden ‘in het licht en volgens de geest die de bijbel in haar geheel kenmerkt’. De geest die het geheel kenmerkt is de verantwoordelijkheid (‘liefde’) van mensen voor elkaar.

Na mijn Moria-godservaring in 1952 heb ik ervoor gekozen, eerste nauwelijks bewust, later steeds overtuigender, de bijbel te lezen vanuit teksten als psalm 36, en mij te concentreren op de taferelen en beeldspraak waarin God benoemd en geïdentificeerd wordt als vriend, als vader van weduwen en wezen, die het kermen van de verdrukten hoort en de vernederden optilt uit het stof, die erbarmend en genadig is tot het duizendste geslacht.


7.

In die dagen van godsverwarring las ik ‘de Navolging van Christus’, twaalf minuten per dag – dat was voorschrift in ons noviciaat – het was nog lang vóórdat de zeer schone vertaling van Rudolf van Dijk, met het inleidende essay van Kees Waaijman was verschenen - dat geschiedde in het jaar 2008. En sindsdien weten we dat wat in mijn tijd nog het derde boek van de Navolging was, oorspronkelijk en ook nu weer het vierde boek is, waar alle voorgaande hoofdstukken van alle drie de boeken naar op weg zijn: het boek van de innerlijke vertroosting, van de voltooiing, de grote ervaring van thuiskomen en herkend worden.


Enkele dagen voor die-middag-te-midden-van-de-grafstenen, de middag van de open hemel en van het ‘weg jij’, had ik in het Boek van de innerlijke vertroosting de regels gelezen: ‘Mijn zoon, je bent nog geen sterke en verstandige minnaar (amator). Hhoezo, Heer? Omdat jij je om de geringste tegenslag af laat brengen van wat je begonnen bent, en te gretig vertroosting zoekt. Een sterke minnaar blijft staande in de beproevingen, en hecht geen geloof aan de sluwe inbeeldingen van de vijand’. De Moria God is de vijand, flitste het even in mijn hart. Ik voelde sindsdien een zachte sympathie voor De Navolging en begon verwachtingsvol en vroom te bladeren, en vond de woorden:
O fons amoris perpetui’ –

o bron van blijvende liefde

wat moet ik over jou zeggen.

Hoe zal ik jou kunnen vergeten

die mij zoveel waard vind

dat je aan mij denkt, zelfs nu ik

ben weggekwijnd en vergaan.
En nog weer verderop regels van psalmodische allure. Je kon ze zo op Gregoriaanse wijze reciteren: Jij alleen bent de ware vreugde, jij bent mijn hoop en mijn kroon. Als jij vrede geeft, als jij heilige vreugde instort, zal de ziel van jouw knecht in alle toonaarden jou innig loven – innig, niet uitbundig.
Het nogal vreemde, beetje mechanisch opgedrongen boek, ging mij intrigeren, en ik besloot de psalmcitaten die in de tekst vervlochten zijn, op te zoeken en in hun context te lezen. Het werd mijn eerste serieuze kennismaking met de psalmen.

Het eerste en tweede boek van de Navolging hebben ieder drie psalmcitaten, het derde boek ‘de innige aansporing tot de heilige communie’ heeft vier citaten. Het vierde, het ‘Boek van de innerlijke vertroosting’, heeft veertig psalmcitaten, hele heftige – en vier citaten uit psalm 119, dat grote lied over de Thora, de joodse levensleer, en drie citaten uit de andere psalm over de betekenis van de Thora, psalm 19.

De Navolging – na twee jaar noviciaat wat in vergetelheid geraakt - is in mijn geheugen gebleven als een door psalmteksten gestructureerd document en geestverwant aan deze joodse liederen, die via de Christusbeweging tot werelderfgoed zijn geworden. En dat is mij door de nieuwe vertaling van Rudolf van Dijk verrassend bevestigd.
8.

De psalmen, die oerteksten van alle joodse en christelijke liturgie; onuitputtelijke bron, in miljoenen edities gedrukt, verspreid in alle talen, in veel verschillende vormen. Ze moeten steeds opnieuw ontdekt worden en verstaanbaar gemaakt, die stugge, mateloze teksten vol afgrond en zevende hemel. Ze zijn het hart van de bijbel en ze gaan over God en ‘ik’ en tegen God aan. Er is geen spoor van twijfel over Gods bestaan: hij bestaat, heeft een aangezicht, hij ziet, hoort – en hij verbergt zijn aangezicht, en zwijgt; zo’n god, dat soort vriendschap. Bedenk wel: die van toen en wij van nu zijn geen wezenlijk andere mensen. Mensen met maar één leven in deze moorddadige wereld. De psalmen zijn het meest persoonlijk boek der innerlijke vertroosting, werelderfgoed.


Ik ging naar Bommel om de brug te zien.

Ik zag de nieuwe brug. Twee overzijden

die elkaar vroeger schenen te vermijden,

worden weer buren. Een minuut of tien

dat ik daar lag, in ’t gras, mijn thee gedronken,

mijn hoofd vol van het landschap wijd en zijd –

laat mij daar midden uit de oneindigheid

een stem vernemen dat mijn oren klonken.
Het was een vrouw. Het schip dat zij bevoer

kwam langzaam stroomaf door de brug gevaren.

Zij was alleen aan dek, zij stond bij ’t roer,
en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren.

O, dacht ik, o, dat daar mijn moeder voer.

Prijs God, zong zij, Zijn hand zal u bewaren.
Een gedicht van Martinus Nijhoff – de brug is, omwille van dit gedicht naar hem genoemd: De Martinus Nijhoffbrug bij Zaltbommel.
De psalmen zijn liederen binnen het bijbelse bevrijdingsverhaal. Ze moeten niet worden losgezongen van dat verhaal. Ze moeten gezongen worden in een liturgie die de kern van dat verhaal vertolkt en tot klinken brengt, steeds weer, zo mogelijk iedere zondag. Die kern is de Naam, zoals die in het boek van de Uittocht geschreven staat in onuitsprekelijke letters – wij spreken uit ‘Adonai’, mijn heer, mijn lieve heer – en die door de Stem uit het vuur, door Adonai zelf, nader wordt verklaard met de woorden ‘Ik zal er zijn – ik stuur jou; en nog nader als hij, afdalend van het Sinaï-gebergte, tegen Mozes roept na de grote ontrouw, na het Gouden Kalf, dat hij zal zijn ‘God erbarmend genadig lankmoedig’. Dat grote verhaal over een God-Bevrijder, een God van de armen, die een toekomstvisioen heeft, die een orde van gerechtigheid wil; die daartoe zijn Thora gegeven heeft, gegeven woorden, die een verbond van vriendschap aanbiedt, die een Afspraak maakt met mensen – dat grote verhaal-visioen heeft in mensen de psalmen opgeroepen. De psalmen zijn het bewijs dat dit verhaal weerklank heeft gevonden in mensen, en nóg vindt, want we zingen ze nóg en kunnen niet van ze afblijven, van die lichtliederen; die zuchten en klagen, die hun vuisten schudden van woede, en over die wanhoop en woede heen zingen en steeds weer uitkomen bij het vaste vertrouwen dat Hij trouw is en zijn woord onfeilbaar, het zal ooit in vervulling gaan, het zál omdat ‘Ik zal’.
De samenleving waarin de psalmen zijn ontstaan, gepreveld, gezongen, gebruld èn opgeschreven, was geen samenleving volgens de Thora, geen orde van gerechtigheid, niet wat Jezus van Nazareth noemde ‘Koninkrijk van God’. De armen waren arm en behoeftig en bijna iedereen was arm. En de rijken waren schatrijk en meedogenloos, en de keizers en hun legeroversten en ambtenaren waren corrupt. In de taal van de psalmen worden ze ‘goddeloos’ genoemd en ‘dwaas’- de dwaas zegt in zijn hart: er is geen god, wat betekent: de God van de Thora, de God van de armen, stelt niets voor, doet er niet toe, ‘bestaat’ niet echt. De dichters van de psalmen zingen en brullen namens de armen, zelf arm met de armen. Zij kijken naar de wereld met de ogen van de armen, en ze gaan tekeer tegen die loochenaars van recht en ontferming, die schenders van de mensenrechten. Zo heb ik de psalmen leren lezen vanuit het grote bijbelse verhaal ingebed in zijn mondeling, later schriftelijke overlevering, de Talmoed. In de beweging van de ‘humane gevoeligheid’ zijn zij meegenomen. Die beweging is nog altijd in beweging en actueel en noodzakelijk. In die beweging heb ik mij ingeleefd en vanuit die beleving heb ik de psalmen vertaald, vrij, dat wil zeggen zo toegankelijk mogelijk voor ieder die van heftige poëzie houdt en van god niet weet. Wie mijn psalmen leest, zingt, overweegt, krijgt te horen, krijgt voor zijn kop: dat God vriend is, vriend voor het leven – vriendschap, ontferming en trouw. En dat hij jou gezegt: Red hen die geen verweer hebben; dat hij jou vraagt om liefde, solidariteit, verantwoordelijkheid voor je naaste, je naaste vreemdeling.
9.

Het grootste wonder van de psalmen is dat ze er zíjn, dat ze staan geschreven. Dat het gedacht en geschouwd is, en ervaren, geleefd en opgeschreven en van daaruit opnieuw geleefd. Die troost, dat wéten. ‘Mijn ziel smacht naar bevrijding – mijn ogen smeken om uw toekomst – mijn ogen dorsten naar De Bevrijding’ – prevelt, als een mantra, psalm 119.


Jullie, met je Moderne Devotie-projecten – ik met mijn psalmen vrij en mijn Nieuwe Liefde. Wij door heel Nederland, Vlaanderen en Duitsland; meer dan vijftig plaatsen waar bezinning en de daad bij het woord, dat gaat iets veranderen in het geestelijke en misschien ook politieke klimaat van Nederland. En in ieder geval in onze eigen zielen. Hoor het voorlaatste lied van psalm 119 en herken jezelf.
10.
Jij, Levende,

Volstrekte, Integere.


Orde scheppende, veelvergevende

in alles Betrouwbare.


Vergeefs heb ik voor Jou geijverd,

het afgelegd tegen de vijand


die jouw woord loochent, het beproefde

dat ik liefheb, dat ik dien.


Nietig ben ik, geminacht –

ontrouw was ik niet.

En wat ik weet weet ik:
dat jouw gerechtigheid eeuwig is,

jouw Thora onfeilbaar


en dat ik in benauwenis, in welke nood ook,

dát nog heb, als een ademtocht.


Zo heb jij het voor alle tijden geschreven.

Mocht ik dit doorgronden. Dan zou ik leven.





Dovnload 46.16 Kb.