Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Pas na- & bijscholingsmodules

Dovnload 72.42 Kb.

Pas na- & bijscholingsmodules



Datum22.05.2018
Grootte72.42 Kb.

Dovnload 72.42 Kb.

PAS Na- & bijscholingsmodules


SNRO Uitwerking accreditatie bij-na-scholing in onderdelen, indicatoren en weging.

ACCREDITATIE Na- en Bijscholing SNRO

Onderdeel

indicatoren

beschrijving

CONCEPTUEEL


1.Beschrijf de visie, missie, en beroepssituatie voor de na/bijscholing

voorwaardelijk voor een positieve accreditatie.




1.1 Beschrijf de relatie tussen de visie en missie van het opleidingsinstituut in relatie tot de bij-na-scholing.



1.1 De visie en missie van het opleidingsinstituut is uitgewerkt en concreet verbonden met de kern van de bij-na-scholing).






1.2 Beschrijf de relatie tussen de beroepssituatie van de doelgroepen en de bij-na-scholing.


1.2 De beroepssituatie van de doelgroepen die de bij-na-scholing volgen is kort uitgewerkt en concreet verbonden met de inhoud van de bij-na-scholing. De instroomeisen (niveau) worden weergegeven.




CONTEXTUEEL


2. Beschrijf de voorzieningen die er voor zorgen dat de doelstellingen van de na/bijscholing bereikt worden.

voorwaardelijk voor een positieve accreditatie.




2.1 Beschrijf de personele

voorzieningen.



2.1 De cv’s van de docenten geven duidelijk aan dat ze inhoudelijk en didactisch gekwalificeerd zijn.





2.2 Beschrijf de andere
voorzieningen.


2.2 Het gebouw/lokaal en de te gebruiken is toegerust voor het lesgeven aan de bij-na-scholing. De noodzakelijke leermaterialen zijn aanwezig en in de ruimte te gebruiken.





2.3 Beschrijf het Toetsbeleid


2.3 Het toets beleid is omschreven in eventuele tussentijdse toetsen en eindtoetsen. De relatie wordt gelegd tussen competenties, doelstellingen en lesinhoud. Het niveau is weergegeven in een toets-matrijs.





2.4 Maak het schema en bereken de ECTS.


2.4 Het aantal ECTS is uitgewerkt conform het schema dat gebruikt wordt door de SNRO (schema bijgevoegd)








CONTENTUEEL


3 Beschrijf de opbouw en inhoud van het programma van de

na/bijscholing

voorwaardelijk voor een positieve accreditatie.




3.1 competenties.


3.1 De van toepassing zijnde generieke HBO competenties worden aangegeven en zijn uitgewerkt. En: er worden beroepsspecifieke competenties aangegeven die van toepassing zijn. Deze kunnen beschreven worden in beroepskritische situaties. (Schema bijgevoegd)

.





3.2 doelstellingen.


3.2 De relatie tussen competenties en doelstellingen wordt aangegeven. De doelstellingen worden concreet in niveaus aangegeven

(Bloom of Romiszowski, schema bijgevoegd).







3.3 inhoud.

3.3 De inhoud van het programma wordt uitgebreid weergegeven in thema’s, onderwerpen en concrete aspecten van de bij-na-scholing





3.4 methodiek/ didactiek.


3.4 De manier van lesgeven (didactiek en methodiek) wordt specifiek aangegeven (beginsituatie, didactische werkvormen, vaardigheden, integratie met beroep) .








Lesmateriaal en overige studie-informatie aanleveren

De aanbieder van de na- en bijscholing dient er voor te zorgen dat deze onderdelen in het lesmateriaal en/of informatiemateriaal, aantoonbaar zijn. Dit materiaal wordt altijd opgevraagd en ingezien door de onderwijskundig adviseurs die betrokken zijn bij een accreditatie.




Bijlagen:

  1. HBO Competenties

  2. Verbinding onderdelen en niveau doelstellingen (Bloom/Romiszowski)

  3. ECTS schema



Bijlage 1. HBO competenties


De algemene en specifieke beroepscompetenties staan centraal
Algemene of generieke competenties (bekwaamheden) zijn nodig om als professional effectief te kunnen werken en zichzelf te kunnen ontwikkelen. De SNRO hanteert als basis de generieke hbo competenties die ook in het reguliere hbo onderwijs worden gehanteerd. Deze generieke competenties zijn nodig voor ieder beroep en voor iedere functie. Het verwerven van generieke competenties zorgt ervoor dat de algemene ontwikkeling van de beroepsbeoefenaar als professional gewaarborgd is.
Naast de algemene of generieke competenties worden in het hbo onderwijs beroepsspecifieke competenties gehanteerd waar de SNRO op aan wil sluiten. Beroepsspecifieke competenties verschillen per beroep en zorgen ervoor dat de generieke competenties waarmee de beroepsbeoefenaar algemeen en breed wordt opgeleid, afhankelijk van het beroep verdiept, gespecificeerd en verder ontwikkeld worden. Ze stellen dus nadere, bijzondere eisen aan de beroepsbeoefenaar.
Een competentie kan eenvoudig omschreven worden als: ‘weten hoe op een bepaalde manier te handelen’. Of iemand competent is wordt duidelijk door de handeling. De SNRO verstaat onder een competentie de bekwaamheid van de hulpverlener om te handelen met een combinatie van kennis, vaardigheden en attituden (deze laatste worden ook wel de persoonlijke kwaliteiten genoemd). Meerdere competenties vormen samen een cluster van bekwaamheden, kennis, attitudes, karakteristieken, ambities en inzichten. Dikwijls is een bepaalde competentie een voorwaarde voor een andere competentie. Bovendien ontwikkelen competenties zich altijd in een bepaalde context. Die specifieke context is van cruciaal belang voor veranderingen in iemands competenties. Met andere woorden, competenties ontwikkelen zich voortdurend.
Algemene hbo competenties die voor de SNRO centraal staan bij haar kwaliteitswaarborging zijn:

Twee algemene basis competenties:



  1. Sociale en communicatieve competentie

    1. Samenwerken in een beroepsomgeving en meedenken over doelen en inrichting van de organisatie, waaruit eisen voortvloeien die betrekking hebben op de volgende kenmerken: multidisciplinariteit en interdisciplinariteit, klantgerichtheid, collegialiteit, leidinggeven (het sociale deel van de competentie).

    2. Communiceren, op alle niveaus, intern op alle niveaus, effectief en in gangbare Nederlandse taal. Dit omvat het lezen van teksten, het schrijven van teksten, het enthousiasmeren, motiveren, relatie aangaan (contracteren en verbinden), informeren, exploreren, verifiëren, afronden.



  2. Zelfsturende competentie

    1. Sturen en reguleren van resultaatgericht werken, initiatief nemen, zelfstandig optreden, flexibiliteit.

    2. Nadenken en reflecteren over en verantwoording nemen voor eigen handelen wat wijst op betrokkenheid en kritische zelfbeoordeling.

    3. Verder ontwikkelen van een beroepshouding met initiatief of ruimte voor normatief-culturele aspecten, met respect voor anderen, de specifieke beroepscode en de ethische principes voor professioneel handelen online.

    4. Leveren van een bijdrage aan de verdere professionalisering van de sector, publicaties, bijdragen aan congressen etc.

Tien generieke basis competenties:



  1. Brede professionalisering

Hiermee wordt bedoeld de mate van professionalisering die voor de beginnend beroepsbeoefenaar nodig is om binnen een arbeidsorganisatie of als vrije beroepsbeoefenaar goed te kunnen en te blijven functioneren en voor het zelfstandig uitvoeren van taken nu en in de toekomst. Een brede professionalisering is ook nodig voor het bouwen aan en verder ontwikkelen van de eigen beroepsuitoefening, de beroepsattitude en het beroep zelf.


  1. Multidisciplinaire integratie

De beroepsbeoefenaar op hbo niveau dient integratief te kunnen denken en integratief te kunnen werken vanuit het perspectief van het beroepsmatig handelen inzake kennis, inzichten, methodieken en vaardigheden vanuit verschillende vakinhoudelijke disciplines.


  1. Toepassing van wetenschappelijke inzichten

Wetenschappelijk onderzoek dient vertaald te kunnen worden in een praktisch handelen van de beroepsbeoefenaar. Bij het oplossen van probleemstellingen, waarmee de werkende geconfronteerd wordt, dient hij in staat te zijn relevante wetenschappelijke inzichten, theorieën, concepten en onderzoeksresultaten te kunnen toepassen.


  1. Transfer en brede inzetbaarheid

De beroepsbeoefenaar op hbo niveau dient in staat te zijn kennis, inzichten en vaardigheden in meerdere uiteenlopende beroepssituaties zoals we die eerder hebben aangegeven te kunnen toepassen.


  1. Creativiteit en complexiteit in handelen

Dit houdt in dat de beroepsbeoefenaar in staat is om vraagstukken die zich in de beroepspraktijk voordoen, waarvan het probleem op voorhand niet duidelijk is omschreven en waarop standaardprocedures niet van toepassing zijn, met professionele kwaliteit tot oplossing te brengen.


  1. Probleemgericht werken

Op basis van relevante kennis en theoretische en praktische inzichten, dient de beroepsbeoefenaar complexe probleemsituaties in de beroepspraktijk zelfstandig te kunnen definiëren en analyseren. In dit licht dient hij zinvolle (nieuwe) oplossingsstrategieën te ontwikkelen en toe te passen. Hij dient de effectiviteit van deze strategieën te kunnen beoordelen en te evalueren.


  1. Methodisch en reflectief denken en handelen

Hiermee wordt bedoeld dat de beroepsbeoefenaar realistische doelen kan stellen, werkzaamheden kan plannen en planmatig kan afwerken. Tevens kan hij, op basis van het verzamelen en analyseren van relevante informatie, reflecteren op zijn beroepsmatig handelen.


  1. Sociaal - communicatieve bekwaamheid

De beroepsbeoefenaar dient te kunnen communiceren en te kunnen samenwerken met anderen in de sociale context van zijn beroepsmatig handelen en te kunnen voldoen aan de eisen die het participeren in een arbeidsorganisatie stelt.


  1. Basiskwalificering voor managementfuncties

Hier gaat het erom dat de beroepsbeoefenaar leidinggevende en managementtaken kan uitvoeren. In staat is om duidelijke instructies te geven en planningen op te stellen. Deze kan controleren en daar waar nodig kan anticiperen op onvoorziene omstandigheden. Vanuit een managementfunctie effectief en efficiënt overleg kan voeren met betrokkenen en een werkverdeling kan aansturen en delegeren.


  1. Besef van maatschappelijke verantwoordelijkheid

De beroepsbeoefenaar heeft het besef van maatschappelijke verantwoordelijkheid en is in staat tot het ontwikkelen van begrip en betrokkenheid bij ethische, normatieve en maatschappelijke vragen in de beroepspraktijk.

Bijlage 2: Verbinding in materiaal en niveau doelstellingen



Relatie van de onderdelen in de na- en bijscholing.

Wat gevraagd wordt aan de opleiding is om het volgende schema uit te werken en samen te stellen:





Beroep

Generieke en beroepscompetenties

Geoperationaliseerde

Doelstellingen (in niveau uitgedrukt)



Waar in het programma?

Hoe getoetst?









































































Vanuit het beroep worden algemene en beroepsspecifieke competenties belangrijk gevonden (zie eigen uitwerkingen). Deze competenties worden concreet gemaakt in doelstellen en komen in modules/onderdelen van een opleiding naar voren. Die lijn kan vervolgens doorgezet worden naar waar in de opleiding en in welk materiaal wat daarbij gebruikt wordt (zie literatuur). Op basis van die lijnen kan ook het toetsen bekeken en ingevuld worden (en dan ontstaat er een toetsmatrijs).



Bijlage 3: ECTS uitleg en schema


Studiepunten en studie-uren in het hbo

Inleiding

Inhoudelijk is het belangrijk om aan te geven dat de kwaliteit van een opleiding niet alleen in het aantal uren dat de opleiding omvat te vatten is. Dat zou een grove simplificatie van de (onderwijs)werkelijkheid zijn. Het aantal uren en de tijdsduur van de totale opleiding in maanden of jaren is één van de factoren waarmee een indicatie wordt aangegeven. Kwaliteit van een opleiding wordt ook bepaald door de kwaliteit van het gebodene: de docent, het studiemateriaal, de werkvormen, de organisatie etc. Daarnaast is belangrijk aan te geven dat de opleidingen waarmee het SNRO geconfronteerd wordt ter accreditatie, opleidingen zijn die niet door opleidingsinstituten binnen het reguliere onderwijssysteem gegeven worden. In de beoordeling van de te accrediterende opleidingen zullen wij ons laten leiden door het reguliere systeem. Voor de bepaling van het aantal uren is daardoor aanpassing van het reguliere systeem aan het additionele opleidingssysteem noodzakelijk.



De basis

Vanaf het studiejaar 2002-2003 is een nieuw studiepuntenstelsel ingevoerd: ECTS (European Credit Transfer System). HBO’s maken gebruik van dat studiepuntensysteem. Dit is ingevoerd om in Europa opleidingen met elkaar te kunnen vergelijken en zodoende internationalisering te stimuleren. Het studiepuntensysteem werkt met European Credits. Hiervoor wordt de afkorting ECTS gebruikt.

Sinds september 2002 kent het Nederlandse hoger onderwijs ook een bachelor-masterstructuur (BaMa). Studenten krijgen de graad van bachelor als ze een bacheloropleiding in het hbo (vier jaar voltijdse studie) of in het wo (drie jaar voltijdse studie) met succes afsluiten. Met de hbo-bachelorgraad is het mogelijk een beroep uit te oefenen. Veelal zullen hbo-bachelors er dan ook voor kiezen de arbeidsmarkt op te gaan. Als ze dat willen, kunnen ze hun studie voortzetten met een masteropleiding in het hbo of het wo. Deze masteropleidingen (post hbo) duren meestal 1 tot 2 jaar maar per instelling kan daarvan afgeweken worden.

Enkele feitelijke aspecten


  • Elk opleidingsprogramma is verdeeld in ECTS. Een studiepunt (ECTS) staat voor 28 uur studie. En per uur studie mag bij de zelfstudie tussen de 4 en 8 pagina’s per uur worden gerekend (afhankelijk van de moeilijkheidsgraad van de tekst).

  • Een studiejaar in het HBO bedraagt 60 ECTS of 1680 studiebelastingsuren.

  • De studielast van een bacheloropleiding in het hbo bedraagt 240 studiepunten ( 4 jaar. In het WO 3 jaar en 180 studiepunten.)

  • Van een masteropleiding in het hbo bedraagt de studielast 60 studiepunten. Het instellingsbestuur kan bepalen dat een masteropleiding een grotere studielast heeft dan 60 studiepunten. Een studiejaar bestaat uit 60 studiepunten, hetgeen overeenkomt met 1680 studiebelastingsuren.

Een rekenvoorbeeld studielast

De berekening van de studielast

Stel je hebt als docent nu 140 uur studielast( 5 ECTS) tot je beschikking voor jouw vak. Hoe weet je nu of dat wat je aan onderwijsactiviteiten plant ook past binnen die 140 uur? Onderstaande richtlijnen en het voorbeeld bieden een globale leidraad.




Richtlijnen

Voorbeeld

Studie-last

Colleges en contacturen
Voor college-uren worden hele klokuren gerekend.

Docent A. geeft gedurende 12 weken een college van 3 uur

36

Zelfstudie
In aanvulling op de colleges, zal de student de nodige tijd aan zelfstudie dienen te besteden. Voor deze tijdsbesteding gelden globale normen. Globaal omdat een moeilijke, complexe tekst meer tijd zal vergen dan een wat makkelijkere tekst en het echt kunnen begrijpen van de informatie meer tijd zal vergen dan een tekst alleen als achtergrondinformaties doorlezen.

Als globale norm voor serieuze bestudering van de informatie kan gelden voor Nederlandse teksten:

- tamelijk makkelijke tekst: 8 pagina’s per uur

- moeilijk tot gemiddelde teksten: 5-7 pagina's per uur

- voor zeer moeilijke teksten, bijvoorbeeld in een andere taal, kan gerekend worden met ongeveer 4 pagina's per uur


Voor zelfstudie zijn een Nederlandse reader van 160 pagina’s + enkele Engelstalige artikelen (60 pagina;’s) beschikbaar.

60

Afsluitend tentamen
Hoeveel uren ter voorbereiding voor een eindtoetsing gerekend kan worden is moeilijk aan te geven. Een groot deel van de studieactiviteiten vinden gedurende de studie plaats (voorbereiden van colleges door de reader te bestuderen). Het voorbereiden voor een tentamen zou dan weinig extra tijd vergen.

De docent schat in dat studenten die gedurende de cursus goed hebben meegedaan, weinig tijd meer zullen nodig hebben ter voorbereiding. Het is meer het opnieuw weer even doorkijken van de belangrijkste punten. Het tentamen zelf kost 3 uur.

13

Presentaties of werkstukken
Een presentatie of werkstuk vergt waarschijnlijk een nauwkeurigere bestudering van testen en de uitvoering van de activiteit zelf. Bij een tekst die 4 uur leestijd kost, kan globaal 4 uur extra leestijd + 4 uur schrijfactiviteit of tijd voor de voorbereiding van de presentatie worden gerekend. Dit betekent dat een werkstuk dan nog 8 uur extra vergt.

De studenten maken 1 werkstuk waarbij ze de tekst van 2 van de Engelstalige artikelen gebruiken (samen 21 pagina’s) en 1 case-beschrijving (1 uur). Het werkstuk kan vanaf het 6e college worden gemaakt en ingeleverd.

15

Overige opdrachten
Dit kunnen opdrachten zijn om de studenten te stimuleren met de leerstof aan het werk te gaan. Bijvoorbeeld het beantwoorden van studievragen of het uitwerken van een beperkte case.

Hiervoor is het lastig richtlijnen te geven en kunnen alleen schattingen gemaakt worden.



Gedurende de cursus worden en drie kleine deelopdrachten verstrekt. De studenten leveren de resultaten in en beoordelen via Teletop* steeds de uitwerking van 2 opdrachten van medestudenten en geven feedback. De uitwerkingen en feedback worden later in de colleges besproken. De docent schat in dat de opdrachten, inclusief het beoordelen van opdrachten van anderen, per keer 5 uur vergen.

15

 

1 uur blijft over, die geeft de docent maar ‘cadeau’. Wie weet kunnen de studenten dat uurtje gebruiken om vragen te stellen of om deel te nemen aan een discussie.

1

 

De docent acht dit een reële inschatting van de studielast, maar zal tijdens de studie bij de studenten nagaan of dit klopt en zal dit achteraf via de vakevaluaties nagaan.

140 uur

of


5 ECTS


Een ander rekenvoorbeeld voor 10 ECTS (=280 uur)

- bijwonen hoorcollege 2 uur per week gedurende 8 weken

16 uur

- deelname werkgroepen 2 x 2 uur per week gedurende 8 weken

32 uur

- voorbereiding werkgroepen 16 x 4 uur per bijeenkomst

64 uur

- maken van specifieke opdrachten ( 4 opdrachten van 6 uur)

24 uur

- deelname excursie

4 uur

- uitvoeren bibliotheek/research opdracht

4 uur

- bestuderen verplichte literatuur 665 pag.’s x 5 pag’s per uur

133 uur

- maken van een schriftelijk tentamen

3 uur

TOTAAL

280 uur of 10 ECTS





Portfolio Accreditatie SNRO (PAS) Na- & bijscholing

  • Bijlage 1. HBO competenties
  • Bijlage 2: Verbinding in materiaal en niveau doelstellingen
  • Bijlage 3: ECTS uitleg en schema

  • Dovnload 72.42 Kb.