Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Pedagogisch-didactische wenken en bijkomende informatie

Dovnload 1.98 Mb.

Pedagogisch-didactische wenken en bijkomende informatie



Pagina17/28
Datum04.04.2017
Grootte1.98 Mb.

Dovnload 1.98 Mb.
1   ...   13   14   15   16   17   18   19   20   ...   28




Tekstsoorten waarop de schrijftaak gebaseerd is

beschrijvend niveau

INF

PRES

NAR

ARG

ART-LIT

INF

PRES

NAR

ARG

ART-LIT

INF

PRES

NAR

ARG

ART-LIT




































structurerend niveau

INF

PRES

NAR

ARG

ART-LIT

INF

PRES

NAR

ARG

ART-LIT

INF

PRES

NAR

ARG

ART-LIT









































beoordelend niveau

INF

PRES

NAR

ARG

ART-LIT

INF

PRES

NAR

ARG

ART-LIT

INF

PRES

NAR

ARG

ART-LIT




































Kenmerken van de geproduceerde teksten

Onderwerp

concreet

concreet

vrij concreet

heeft betrekking op de eigen leefwereld en het dagelijkse leven

vertrouwd, eigen leefwereld en dagelijks leven

eigen leefwereld en dagelijks leven







Af en toe onderwerpen van meer algemene aard

ook onderwerpen van meer algemene aard

Taalgebruikssituaties

concrete en voor de leerling vertrouwde, relevante situaties

voor de leerlingen vertrouwde, relevante gebruikssituaties

voor de leerlingen vertrouwde, relevante gebruikssituaties




met aandacht voor digitale media

met aandacht voor digitale media

Structuur en samenhang

eenvoudige zinnen


enkelvoudige zinnen en eenvoudig samengestelde zinnen

enkelvoudige en samengestelde zinnen met een beperkte mate van complexiteit

eenvoudige en duidelijke tekststructuur

eenvoudige en duidelijke tekststructuur

duidelijke tekststructuur waarbij de indeling in alinea’s en standaard lay-out zijn toegepast







tekststructuur met een beperkte mate van complexiteit/met een zekere complexiteit

Lengte

korte teksten

vrij korte teksten

vrij korte teksten en af en toe langere teksten

af en toe langere teksten

Woordenschat en taalvariëteit

relevante woorden uit de woordvelden

frequente woorden

frequente en minder frequente woorden




toereikend om, eventueel met behulp van omschrijvingen, over de eigen leefwereld te spreken

voldoende uitgebreid om de schrijftaken uit te voeren

standaardtaal

standaardtaal

standaardtaal

informeel en formeel

informeel en formeel

informeel en formeel

Functionele kennis

Sch 5

gebruikmaken van elementaire omgangsvormen en beleefdheidsconventies

Sch

9


alledaagse omgangsvormen en beleefdheidsconventies voor sociale contacten gebruiken

Sch

11


alledaagse uitdrukkingen aanwenden en rekening houden met elementaire routines in het Frans gebruiken

Sch 8

hun functionele taalkennis inzetten en uitbreiden

Sch 10

de in de klas behandelde woordenschat en grammaticale structuren inzetten en uitbreiden

Sch 12

hun functionele kennis (taalhandelingen, woordenschat en grammatica) inzetten en uitbreiden

Strategieën

Sch

7





Sch

11





Sch 13




Schrijfstrategieën

  • het schrijfdoel bepalen en hun taalgebruik erop afstemmen

  • een schrijfplan opstellen

  • passende lay-out gebruiken

  • de eigen tekst nakijken

  • rekening houden met de belangrijkste conventies en de eigenheid van schrijftaal

  • het schrijfdoel bepalen en hun taalgebruik erop afstemmen

  • een schrijfplan opstellen

  • een passende lay-out gebruiken

  • de eigen tekst nakijken

  • rekening houden met de belangrijkste conventies en de eigenheid van schrijftaal

Compensatiestrategieën

  • gebruikmaken van een model of van een in de klas behandelde tekst

  • zich zowel naar stijl als naar inhoud laten ondersteunen door in de klas behandelde teksten

  • (standaard)brieven, documenten, mededelingen … aan eigen behoeften aanpassen

  • (vanuit een model) een antwoord formuleren op een brief

  • gebruikmaken van naslagwerken, onder andere: woordenlijsten, woordenboeken, grammaticaoverzichten …

  • gebruikmaken van een model of van een in de klas behandelde tekst

  • digitale en niet-digitale hulpbronnen (woordenboeken, grammatica’s, spellingcontrole …) raadplegen en de gevonden informatie correct gebruiken

  • gegevensbestanden raadplegen en rekening houden met de gevonden informatie

  • gebruikmaken van een model

  • bij de voorbereiding, digitale en niet-digitale hulpbronnen (woordenboeken, grammatica’s, …) raadplegen en de gevonden informatie correct gebruiken

  • en gegevensbestanden raadplegen en rekening houden met de gevonden informatie.



Leerstrategieën

  • zich blijven concentreren ondanks het feit dat ze niet alles kunnen uitdrukken




  • zich blijven concentreren ondanks het feit dat ze niet alles kunnen uitdrukken

  • bij een gemeenschappelijke schrijftaak:

- afspraken maken over inhoud opbouw;

- elkaars inbreng in de tekst benutten;

- elkaars teksten evalueren en corrigeren.


  • zich blijven concentreren ondanks het feit dat ze niet alles kunnen uitdrukken;

  • bij een gemeenschappelijke spreektaak:

- afspraken maken over inhoud en formulering (taal);

- elkaars inbreng in de tekst benutten

- elkaars voorbereiding evalueren en corrigeren.


Attitudes

Sch 9

tonen bereidheid en durf om te spreken.

Sch 12

tonen bereidheid om bovenvermelde taken uit te voeren en daarbij de gepaste strategieën toe te passen

Sch 13

tonen bereidheid om bovenvermelde taken uit te voeren en daarbij de gepaste schrijfstrategieën toe te passen; ze worden daarbij zelfstandiger en nemen meer initiatief.

Sch 10


zijn bereid hun taal te verzorgen

Sch 13

streven naar een verzorgd taalgebruik, onder andere door het inzetten van strategieën

Sch 14

streven naar een verzorgd taalgebruik, onder andere door het inzetten van strategieën


3Didactische wenken voor de overkoepelende doelstellingen

3.1De interculturele component

Onze leerlingen groeien op in een multiculturele samenleving. De kennis van vreemde talen is nu meer dan ooit een noodzaak. Zij brengen de leerlingen in contact met volkeren, hun geografische kenmerken, hun geschiedenis, hun leefgewoonten, hun cultuur. Een boeiende ontmoeting en kennismaking. Via de ogen van de anderstalige kunnen de leerlingen hun kijk op de wereld verbreden. Zij leren de leef- en denkgewoonten van mensen met een andere taal en cultuur beter te begrijpen.

In het basisonderwijs ligt de nadruk op het ontwikkelen van de communicatieve vaardigheden en het inoefenen van basisfuncties, - structuren en - woordenschat. Via luister- en leesteksten en korte gesprekssituaties verkennen de leerlingen de Franstalige wereld en wordt er naar een gezond evenwicht tussen taal en (culturele) inhoud gestreefd. In de 1ste graad en de 2de graad verwacht men dat de leerlingen belangstelling tonen voor de aanwezigheid van moderne talen in hun leefwereld, dat ze gevoelig worden voor verschillen en overeenkomsten met hun eigen leefwereld. Ze houden langzamerhand rekening met verschillen in omgangsvormen en taalgebruik. Ze stellen zich open voor de esthetische component van teksten. Ze ontdekken meer en meer de Franstalige cultuur aan de hand van tv- en radioprogramma’s, teksten, liedjes, eenvoudige gedichten, fragmenten uit films en verhalen en websites.

Het is dus goed om uit te gaan van de Franstalige cultuur die de leerlingen reeds kennen, maar het is essentieel die kennis en inzichten te onderhouden, eventueel bij te sturen en te verruimen. Als jongeren niet van meet af aan kennis en inzicht in die Franstalige wereld en bij uitbreiding in de multiculturele maatschappij krijgen, worden ze geen evenwichtige deelnemers aan die maatschappij. Stereotiepe ideeën over de Franstalige wereld worden kritisch bekeken en oorspronkelijke visies verruimd door middel van luister- en leesmateriaal.

De keuze van geschikt lesmateriaal is hier belangrijk. Authentieke teksten zoals artikels uit kranten en tijdschriften, affiches, folders, Franse reclameboodschappen, trailers van Franse films … geven ons een beeld van de culturele werkelijkheid van de Franstalige wereld. Dat houdt in dat de diversiteit eigen aan de samenleving ook uit de materiaalkeuze spreekt. Als dat materiaal bovendien een realistische voorstelling geeft en aansluit bij de belangstelling van onze leerlingen, als we daarbij zorgen voor duiding en reflectie, dan creëren we mogelijkheden om te werken aan die interculturele competentie. Dat wil zeggen dat we leerlingen de kans geven om te groeien en efficiënt te communiceren in de doeltaal.

Maar vandaag het belang van het Frans aantonen aan jongeren blijkt een moeilijkere oefening dan bij vorige generaties. Het Frans geniet geen voorname rol in de verschillende (nieuwe) media. Andere talen winnen meer en meer veld. We kunnen echter als Vlamingen niet om de Franstalige cultuur heen, noch in België, in het bijzonder in Wallonië, noch in ons onmiddellijk buurland, Frankrijk, noch in verdere Franstalige gebieden. Toch blijft het soms een moeilijke opdracht om jongeren te overtuigen dat het Frans leren in de eerste plaats het verwerven van een communicatiemiddel betekent, een instrument om in contact te treden met anderstaligen. En bovendien een belangrijke troef op de arbeidsmarkt, ook voor vakantiejobs, zeker in de horeca.

Het spreekt voor zich dat directe ontmoetingen (via authentieke documenten, via persoonlijke ontmoetingen of via uitwisselingen, via correspondentie …) de motivatie van de leerlingen doeltreffend kunnen verhogen. Ze kunnen dan ervaren dat Frans voor hen belangrijk, nuttig of gewoon interessant kan zijn.



3.1.1Mogelijke kanalen om de interculturele component aan bod te laten komen:

  • als toeristische bestemming;

  • de aanwezigheid van inwijkelingen en toeristen uit die landen en regio’s;

  • familie, vrienden en kennissen over de taalgrens en in het buitenland;

  • tv- en radioprogramma's voor hun leeftijd;

  • lectuur: bijvoorbeeld strips, tijdschriften en kranten die de ouders kopen, ...

  • muziek: actuele Franstalige hits en evergreens;

  • websites die hun zowel informatie als leer- en oefenmateriaal bieden;

  • enz.

3.1.2Cultuurverschillen in de dagelijkse omgang

  • Beleefdheidsrituelen

In het algemeen hechten Franstaligen veel belang aan beleefdheidsrituelen. Zij nemen minder aanstoot aan een taalfout dan aan het niet naleven van hun beleefdheidsconventies.

Bijvoorbeeld

  • Men dient steeds uitdrukkelijk te groeten, afscheid te nemen, te danken, zich te verontschuldigen, “s’il vous plaît” zeggen als men iets vraagt enz. Daarbij spreekt men volwassenen steeds "met twee woorden" aan: "Merci madame", "D'accord, monsieur".

  • Vooraleer men overgaat tot het "tutoyeren" van volwassenen, wacht men tot ze er uitdrukkelijk om gevraagd hebben.

  • Hartelijke omgagng

In de omgang met Franstaligen gaat het er vaak hartelijk aan toe: er wordt bv. gezoend - ook onder mannen - bij een ontmoeting.

  • Actief luisteren

Nederlandstaligen kunnen voor hen afstandelijk en koel overkomen. Het hoort immers tot de beleefdheidscode van Nederlandstaligen dat ze hun gesprekspartners zwijgend aanhoren tot deze volledig gedaan hebben met spreken. Franstaligen daarentegen laten hun instemming blijken nog terwijl de andere spreekt ("Oui, d'accord"/"Tout à fait"/"C'est ça"). Zij herhalen de woorden van hun gesprekspartner om zijn formulering te ondersteunen, verder op te bouwen. Het is hun manier om te laten blijken dat zij aandachtig luisteren. Ze nemen m.a.w. een actievere luisterhouding aan dan Nederlandstaligen. Oogcontact is eveneens belangrijk.

  • Aan de telefoon

Wanneer ze de telefoon opnemen, dienen Nederlandstaligen zich eerst te melden en te zeggen wie ze zijn. Franstaligen zeggen meestal gewoon “Allô?” en wachten tot de andere hun naam uitspreekt of die van de persoon met wie hij/zij wenst te spreken. Zo schermen zij hun “privacy” af.

Uit een reactie als alleen maar "oui" mag men weliswaar afleiden dat de gesprekspartner het betoog volgt, maar niet noodzakelijk dat hij met het gezegde instemt. Dit laatste is integendeel wel het geval indien hij deze "oui" herhaalt en bijvoorbeeld zegt "Oui, d'accord, ça va!". Uiteraard spelen ook de intonatie, de lichaamstaal en de context een belangrijke rol om reacties juist te kunnen interpreteren.

  • Aanspreking

Franstaligen houden er niet van abrupt te worden aangesproken. Vooraleer de weg te vragen zal men bijvoorbeeld de persoon groeten :
Bonjour, madame. Excusez-moi. La rue Pasteur, s’il vous plaît?”
Het gebruik van de conditionnel en dank- en beleefdheidsformules zijn belangrijk.

3.1.3Feitenkennis

Een zekere feitenkennis met betrekking tot Franstalige landen en regio's en met betrekking tot aspecten van het dagelijkse leven komen automatisch aan bod naar aanleiding van gebruikte teksten, visuele en auditieve media. Feitenkennis is geen doel op zich maar een middel om de doelstellingen te realiseren.

Bij luisteren en lezen kan je bv. aandacht besteden aan de zogenaamde “kennis van land en volk”, aspecten van het dagelijkse leven (wonen, eten, mobiliteit), gewoonten, belangrijke gebeurtenissen in Wallonië, Frankrijk en andere Franssprekende landen of regio’s als toeristische bestemming met inbegrip van toeristische wetenswaardigheden, aan afkortingen en letterwoorden, taalregisters, lichte afwijkingen van de standaardtaal ... . Afhankelijk van de behandelde teksten kunnen de leerlingen typische begrippen ontdekken zoals bv. RATP, Île-de-France, banlieue, HLM, collège … . Deze opsomming is uiteraard slechts exemplarisch. Bij deze cultuuruitingen horen ook beleefdheidsconventies (tutoyeren, vousvoyeren, groeten, …) en sociale conventies. Bij het lezen en beluisteren van authentieke teksten in de vreemde taal breiden de leerlingen niet alleen hun taalkennis, maar ook hun kennis van de wereld uit.

3.1.4Artistiek-literaire teksten

Als je een beroep doet op artistiek-literaire teksten, kies je ze zo dat de leerlingen zoveel mogelijk affectief aangesproken worden: ze vinden de teksten interessant, mooi, willen er graag meer van horen of lezen.

Dit primeert op het aanbieden van de klassiekers. (Zie ook 2.1.9)
3.2De taalkundige component: woordenschat en grammatica

Hieronder vind je een antwoord op de volgende vragen.


Woordenschat en grammatica

3.2.1 Waarom benader je de taalkundige component vanuit een context?

3.2.2 Welk gewicht kun je toekennen aan de taalkundige component?

3.2.3 De taalkundige component in opbouw : hoe bouw je een les woordenschat of spraakkunst

op?

3.2.4 Mag je nog driloefeningen geven?



3.2.5 Mag je vertalingen geven en vertalingen vragen?

3.2.6 Moet je leerstof van de vorige jaren nog herhalen?



Woordenschat

3.2.7 Welke woordvelden moeten leerlingen functioneel beheersen in de 3de graad?

3.2.8 Hoe pak je best woordenschat aan?

3.2.9 Hoe ga je om met woordenschatlijsten?

3.2.10 Hoe leer je de leerlingen een woordenboek en andere digitale en niet-digitale

hulpmiddelen gebruiken?



Grammatica

3.2.11 Hoe pak je best grammatica aan?

3.2.12 Wat is een goede spraakkunstregel?

3.2.13 Waarom is een contrastieve benadering van de grammatica soms aangewezen?



WOORDENSCHAT EN GRAMMATICA

3.2.1 Waarom benader je de taalkundige component vanuit een context?
‘Context’ heeft een discursieve dimensie (de samenhang van een gesprek, de gedachtegang) en een sociale dimensie. Deze laatste heeft betrekking op de sociale rol van deelnemers aan een gesprek, een briefwisseling, een blog… en hun onderlinge verhouding. Taalhandelingen (bv. vragen, uitnodigen, aanvaarden, weigeren) hangen samen met sociale factoren zoals beleefdheid, formele of familiaire omgangsvormen en tact. Dat beïnvloedt het gebruik van woordenschat en morfosyntactische structuren.

Om leerlingen te laten reflecteren over taal en taalgebruik zodat ze hun lexicale en grammaticale vaardigheid kunnen verfijnen (TC 2), hun functionele taalkennis kunnen uitbreiden (TC 3) en ze gesensibiliseerd worden voor het belang van taalcorrectheid (TC 3), is het belangrijk dat ze zo snel mogelijk zicht krijgen op die sociale dimensie en dus het reële gebruik en het belang van bepaalde kenniselementen in een bepaalde context.

Finaal is het immers de bedoeling dat leerlingen, na inoefenen, de aangebrachte kenniselementen zelf gebruiken in een functionele context, geïntegreerd in een taaltaak en daarbij spontaan de juiste keuzes maken tussen verschillende kenniselementen.

3.2.2 Welk gewicht kun je toekennen aan de taalkundige component?
Kenniselementen inzetten en gebruiken in taalsituaties

Om efficiënt te communiceren in de vreemde taal moet je over woordenschat beschikken en grammaticale structuren kunnen herkennen (lezen, luisteren) en gebruiken (spreken, gesprekken voeren en schrijven). Het volstaat niet om woorden te leren en grammaticale regels toe te passen om de opgedane kennis ook te kunnen inzetten en te gebruiken in taalsituaties. Zo volstaat het bv. niet alle woorden van een tekst te verstaan om de volledige tekst te begrijpen of alle woorden rond persoonlijkheid, gevoelens e.d. te kennen om een “colocataire” te zoeken.

Het komt er dus op aan om in je lespraktijk een goed evenwicht te vinden tussen kennis en vaardigheden en telkens te vertrekken van de taaltaken die je leerlingen moeten leren beheersen. In functie van die taaltaken en van de voorkennis van je leerlingen, selecteer je de kenniselementen die je aanbiedt en bepaal je het gewicht dat je eraan toekent.
Kennis beheersen om beter te communiceren

De eindtermen – en dus ook dit leerplan – laten er echter weinig twijfel over bestaan dat het onderwijs moderne vreemde talen gericht is op het verwerven van taalvaardigheid. Het einddoel is leerlingen vlot en efficiënt te leren communiceren. De taalkundige component speelt daarin een belangrijke ondersteunende rol, m.a.w. kenniselementen zijn geen doel op zich, maar een middel om leerlingen communicatief vaardiger te maken.


Meer dan ooit ligt de klemtoon immers op de integratie van kennis in vaardigheden, op het feit dat leerlingen iets moeten doen met de aangeleerde woordenschat en spraakkunst. Ze kunnen een taaltaak niet naar behoren uitvoeren als ze daarvoor niet over de adequate spraakkunst en woordenschat beschikken en die doeltreffend kunnen inzetten. Enerzijds zullen de receptieve en productieve vaardigheden dus nadrukkelijker aan bod komen dan vroeger bij het ontdekken en inoefenen van kenniselementen, anderzijds zal de beheersing van die kenniselementen ook een prominentere plaats innemen bij de evaluatie van de productieve vaardigheden.

3.2.3 De taalkundige component in opbouw: hoe bouw je een les woordenschat of spraakkunst op?
Het is belangrijk dat je kenniselementen geleidelijk en gefaseerd aanbrengt. In de 1ste en de 2de graad hebben de leerlingen al een eerste kennismaking met nieuwe structuren of vormen gehad waarin niet al te veel uitzonderingen werden behandeld. In de 3de graad worden die structuren en vormen ‘gerecycleerd’ en vastgezet; er wordt dieper op ingegaan. Een dergelijke cyclische aanpak biedt bij de leerlingen meer kansen op succes dan een lineaire aanpak waarbij je een nieuwe taalstructuur in zijn geheel aanbiedt (zie ook 3.1.6 Moet je leerstof van de vorige jaren nog herhalen?).

Een didactisch geheel bestaat meestal uit vier stappen; hieronder vind je enkele voorbeelden.


Voorbeeld 1 - Woordenschat


Comment aborder le lexique en cours de FLE ? 29
Il faut procéder en 4 étapes


  1. Sensibiliser (approche globale, cerner le savoir des apprenants)

Comment? QCM, questions sur le sens des mots

  1. Nommer (faire découvrir les unités lexicales à apprendre)

Comment? Exemples, lire, écrire, différentes façons d’exprimer, donner synonymes,

antonymes .

  1. Renforcer – fixer (préciser le sens à l’aide de définitions)

Comment? Expressions courantes, liens sémantiques, polysémie des mots, création de

petits dialogues.

  1. Réutiliser (faire réemployer par les apprenants le vocabulaire appris dans divers contextes

oraux et écrits)



Voorbeeld 2 – Woordenschat en grammaticale structuren
1 Observeren, analyseren, uitleggen (= oriënteren)

Leerlingen lezen en beluisteren gevarieerde teksten en ontdekken kenniselementen in een context; zo kunnen ze nagaan hoe deze worden gebruikt. Ze ontdekken de betekenis van lexicale en grammaticale elementen en krijgen een beter zicht op bepaalde woordvelden of grammaticale regels.

Tijdens deze fase kun je ook de taalreflectie van je leerlingen voeden (TC 2).

Voor lexicale elementen kun je ze stimuleren om na te denken over:



  • “la vie des mots”:

  • de vorming van woorden (bijvoorbeeld de betekenis van courante prefixen of suffixen) en

  • de betekenis van woorden (synoniemen, antoniemen, homoniemen) en uitdrukkingen

  • “les mots dans la vie”:

  • woorden en hun betekenis (register, letterwoorden, eufemismen, neologismen, leenwoorden, …)

  • de culturele dimensie van woorden (klanknabootsingen, idiomatische uitdrukkingen, …)

  • de esthetische waarde en het effect van een bepaalde woordkeuze

Voor grammaticale structuren kan een contrastieve aanpak hier zeer zinvol zijn (zie verder 3.2.13 Waarom is een contrastieve benadering van de grammatica soms aangewezen?).
2 Gericht inoefenen en toepassen (= voorbereiden)

Leerlingen kunnen taaltaken maar efficiënt uitvoeren als zij daarvoor de kenniselementen die zij nodig hebben, kunnen verankeren door ze in te oefenen. Daarvoor voorzie je voldoende reproductieve en transferopdrachten.

De tijd en ruimte die je daaraan besteedt, hangt af van de voorkennis van je leerlingen.
3 Gebruiken (= uitvoeren)

Leerlingen gebruiken spontaan de kenniselementen in een bepaalde, nieuwe context. Ze realiseren zo de leerplandoelstellingen voor de productieve vaardigheden.

Om het samenspel tussen kennis en vaardigheden maximaal tot zijn recht te laten komen en het belang van de context te onderlijnen, is het cruciaal om voldoende tijd en ruimte te voorzien voor creatief-communicatieve opdrachten. Zij worden voornamelijk in deze derde stap aangeboden.
4 Fixeren (= uitvoeren en reflecteren)

Om leerlingen te helpen de nieuwe kenniselementen te verankeren op lange termijn, is het belangrijk hulpmiddelen aan te reiken om die kenniselementen in te studeren.



Efficiënt woordenschat- en grammaticaonderwijs beperkt zich dus niet tot het leren van woordjes/vormen en het toepassen van regels in gesloten oefeningen. Gesloten oefenvormen moeten uitmonden in taaltaken waarbij de leerlingen het geleerde inzetten om hun communicatief doel te bereiken.



Voorbeeld van een taaltaakJe cherche un kot!
Taaltaak: Quelques élèves de la classe vont bientôt entamer des études supérieures à Namur (parce qu'ils veulent parfaire leur français!). Ils ont demandé à toute la classe de chercher un kot ou une chambre d'étudiant pour eux. Après avoir examiné plusieurs annonces sur Internet, chaque élève (ou chaque binôme) présente son kot favori, tout en expliquant bien ses avantages et ses inconvénients. La classe peut alors établir un hit parade des 3 ou 4 meilleurs kots pour finalement élire "le" kot, toujours en argumentant.



Doelstellingen:

  • beschrijvend: Le 4 (relevante informatie selecteren), Spr 1 (informatie meedelen), Schr 3 (beschrijven)

  • structurerend: Le 7 (de informatie ordenen), Spr 3 en Schr 5, 6 (samenvatten), Spr 5 (presentatie geven)

  • beoordelend: Le 8 (een oordeel vormen), Spr 8 (gefundeerd standpunt naar voor brengen)

  • TC1 (taalhandelingen uitvoeren), TC2 (functionele taalkennis uitbreiden)

Woordenschat: habiter, les logements, abréviations courantes des petites annonces

Taalhandelingen: comparer (ce kot-ci est moins cher que celui-là…), exprimer les avantages et les inconvénients, décrire (c'est un kot qui, pour lequel, dont…), situer dans l'espace (dans le centre-ville, dans un quartier branché…)

Morfologische elementen: les pronoms relatifs …


Verloop:

  • EO: kort verkennend gesprek over elders verder studeren en waar logeren

  • CE: een tekst over studentenkamers lezen en alle betrekkelijke voornaamwoorden erin aanduiden (bv. op internet, http://www.inspiration-maison.be/amenagement-interieur-2/chambre-coucher/5-etapes-pour-amenager-1-chambre-d%E2%80%99etudiant.html (gelezen op 20 november 2013))

  • Grammaire: betrekkelijke voornaamwoorden herhalen en uitbreiden (formes composées); eventueel de vergelijking herhalen

  • CE en TICe: advertenties voor studentenkamers zoeken op het internet, lezen en de meest geschikte selecteren

  • EE: korte schriftelijke voorbereiding – studentenkamers vergelijken en voor- en nadelen noteren

  • (a.d.h.v. de aangereikte structuren)

  • EO en presentatie: de uitgekozen studentenkamer presenteren en de anderen proberen te overtuigen waarom deze toch de beste keuze is, ondanks enkele minpunten



Voorbeeld van een bijbehorend evaluatierooster







0-1

ne répond pas aux critères



2-3-4

insuffisant



6-7

bien


8-9-10

très bien,

excellent


Richesse des arguments

(avantages et inconvénients)















Richesse lexicale

(vocabulaire adéquat)















Correction grammaticale

(comparer, pronoms relatifs)















Prononciation, intonation, débit













Aisance, naturel













Total












1   ...   13   14   15   16   17   18   19   20   ...   28

  • Tekstsoorten waarop de schrijftaak gebaseerd is beschrijvend niveau
  • Kenmerken van de geproduceerde teksten Onderwerp
  • Woordenschat en taalvariëteit
  • 3Didactische wenken voor de overkoepelende doelstellingen
  • 3.1.1Mogelijke kanalen om de interculturele component aan bod te laten komen
  • 3.1.2Cultuurverschillen in de dagelijkse omgang Beleefdheidsrituelen
  • 3.1.4Artistiek-literaire teksten
  • 3.2De taalkundige component: woordenschat en grammatica
  • WOORDENSCHAT EN GRAMMATICA 3.2.1 Waarom benader je de taalkundige component vanuit een context ‘Context’ heeft een discursieve dimensie
  • Het volstaat niet om woorden te leren en grammaticale regels toe te passen om de opgedane kennis ook te kunnen inzetten en te gebruiken in taalsituaties.
  • Kennis beheersen om beter te communiceren
  • 2 Gericht inoefenen en toepassen (= voorbereiden)
  • 3 Gebruiken (= uitvoeren)
  • 4 Fixeren (= uitvoeren en reflecteren)
  • Voorbeeld van een taaltaak – Je cherche un kot! Taaltaak

  • Dovnload 1.98 Mb.