Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Perscommuniqué nr. 125/12

Dovnload 14.24 Kb.

Perscommuniqué nr. 125/12



Datum04.06.2017
Grootte14.24 Kb.

Dovnload 14.24 Kb.

Pers en Voorlichting

Hof van Justitie van de Europese Unie

PERSCOMMUNIQUÉ nr. 125/12

Luxemburg, 4 oktober 2012



Arrest in zaak C 321/11

Germán Rodríguez Cachafeiro, María de los Reyes Martínez-Reboredo Varela-Villamor / Iberia, Líneas Aéreas de España SA





Aan passagiers van uit opeenvolgende trajecten bestaande vluchten moet compensatie worden betaald bij instapweigering wegens aan de luchtvaartmaatschappij te wijten vertraging van de eerste vlucht

De compensatie bij instapweigering ziet niet alleen op gevallen van overboeking, maar ook op gevallen betreffende andere redenen, met name operationele redenen

De verordening inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers1 verleent bepaalde rechten aan luchtreizigers die vanaf of naar een in een lidstaat gelegen luchthaven vertrekken. Een „instapweigering” wordt daarin omschreven als een weigering van een luchtvaartmaatschappij, tegen de wil van passagiers, om hen te vervoeren hoewel zij zich op tijd met een bevestigde boeking voor instappen hebben gemeld. Volgens de verordening kan de maatschappij echter in een aantal gevallen deze weigering rechtvaardigen. Buiten deze gevallen hebben passagiers recht op onmiddellijke compensatie, terugbetaling van het ticket of een alternatieve vlucht naar hun eindbestemming en verzorging tijdens het wachten op de volgende vlucht.

G. Rodríguez Cachafeiro en M. R. Martínez-Reboredo Varela-Villamor hebben elk bij de luchtvaartmaatschappij Iberia een vliegticket van A Coruña (Spanje) naar Santo Domingo gekocht. Dit ticket bestond uit twee vluchten: de vlucht A Coruña-Madrid en de vlucht Madrid Santo Domingo. Zij hebben hun bagage rechtstreeks voor hun eindbestemming ingecheckt aan de balie van Iberia in de luchthaven van A Coruña, waar zij de instapkaarten voor de twee opeenvolgende vluchten hebben ontvangen.

De eerste vlucht heeft een vertraging van 1 uur en 25 minuten opgelopen. Omdat Iberia verwachtte dat deze twee passagiers door deze vertraging hun aansluiting in Madrid zouden missen, werden hun instapkaarten voor de tweede vlucht geannuleerd. Ondanks deze vertraging hebben de twee passagiers zich bij aankomst in Madrid aan de boardinggate gemeld toen de maatschappij de passagiers de laatste keer opriep, maar het personeel van Iberia heeft hen niet aan boord laten gaan omdat hun instapkaarten waren geannuleerd en hun plaatsen aan andere passagiers waren toegewezen. Zij hebben tot de volgende dag gewacht om met een andere vlucht naar Santo Domingo te reizen en hebben hun eindbestemming met 27 uur vertraging bereikt.

Van mening dat Iberia zonder geldige reden hen niet aan boord had laten gaan, hebben de betrokken passagiers bij de Spaanse rechter een vordering ingesteld tot veroordeling van de luchtvaartmaatschappij om aan elk van hen 600 EUR compensatie te betalen, waarin de verordening voorziet voor vluchten buiten de Gemeenschap van meer dan 3 500 kilometer. Tijdens de procedure heeft Iberia betoogd dat dit geval geen „instapweigering” was maar een gemiste aansluiting – die geen recht geeft op compensatie –, aangezien de passagiers niet wegens een overboeking maar wegens vertraging van de voorgaande vlucht niet aan boord mochten gaan.

In deze omstandigheden wenst de nationale rechter van het Hof van Justitie te vernemen of het begrip „instapweigering” uitsluitend ziet op gevallen waarin de vluchten van bij het begin zijn overboekt, dan wel of dit begrip kan worden verruimd tot andere gevallen.

In zijn arrest van heden is het Hof van oordeel dat het begrip „instapweigering” ziet op gevallen van overboeking, maar ook op gevallen betreffende andere redenen, met name operationele redenen.

Deze uitlegging volgt niet alleen uit de formulering van de verordening, maar eveneens uit de doelstelling ervan, te weten luchtreizigers een hoog beschermingsniveau te bieden. Ter vermindering van het te hoge aantal passagiers die tegen hun wil niet aan boord mochten gaan, heeft de Uniewetgever immers in 2004 een nieuwe verordening vastgesteld die aan het begrip instapweigering een ruimere strekking heeft gegeven zodat het begrip thans geldt voor alle gevallen waarin een luchtvaartmaatschappij weigert een passagier te vervoeren. Derhalve zou een beperking van het begrip „instapweigering” tot gevallen van overboeking in de praktijk de aan passagiers geboden bescherming aanzienlijk verminderen, doordat zij elke vorm van bescherming zouden verliezen, ook al bevinden zij zich in een niet aan hen te wijten situatie zoals overboeking – wat zou indruisen tegen het doel van de wetgever.



Voorts bepaalt de verordening de gevallen waarin een instapweigering gerechtvaardigd is, zoals een instapweigering om redenen die verband houden met gezondheid, veiligheid of beveiliging, of ontoereikende reisdocumenten. Het Hof is van oordeel dat een instapweigering, zoals in casu, niet kan worden gelijkgesteld met deze redenen, aangezien de reden voor deze weigering niet toerekenbaar is aan de passagier. Integendeel, deze weigering is in ieder geval te wijten aan de luchtvaartmaatschappij. Zij heeft immers hetzij de vertraging van de door haarzelf uitgevoerde eerste vlucht veroorzaakt, hetzij verkeerdelijk verondersteld dat de passagiers zich niet op tijd voor instappen op de volgende vlucht zouden kunnen melden, hetzij tickets verkocht voor opeenvolgende vluchten waarvoor er niet voldoende overstaptijd was. Het Hof is bijgevolg van oordeel dat een luchtvaartmaatschappij de gevallen waarin zij op legitieme gronden mag weigeren een passagier aan boord te laten gaan, niet aanzienlijk mag uitbreiden – wat zou indruisen tegen het doel van de verordening. Derhalve is een instapweigering om operationele redenen een ongerechtvaardigde weigering die grond is voor de bij de verordening verleende rechten.



NOTA BENE: De prejudiciële verwijzing biedt de rechterlijke instanties van de lidstaten de mogelijkheid, in het kader van een bij hen aanhangig geding aan het Hof vragen te stellen over de uitlegging van het recht van de Unie of over de geldigheid van een handeling van de Unie. Het Hof beslecht het nationale geding niet. De nationale rechterlijke instantie dient het geding af te doen overeenkomstig de beslissing van het Hof. Deze beslissing bindt op dezelfde wijze de andere nationale rechterlijke instanties die kennis dienen te nemen van een soortgelijk probleem.



Voor de media bestemd niet-officieel stuk, dat het Hof van Justitie niet bindt.

De volledige tekst van het arrest is op de dag van de uitspraak te vinden op de website CURIA.

Contactpersoon voor de pers: Stefaan Van der Jeught (+352) 4303 2170

Beelden van de uitspraak van het arrest zijn beschikbaar via "Europe by Satellite" (+32) 2 2964106


1 Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (PB L 46, blz. 1).

www.curia.europa.eu

  • PERSCOMMUNIQUÉ nr. 125/12
  • Aan passagiers van uit opeenvolgende trajecten bestaande vluchten moet compensatie worden betaald bij instapweigering wegens aan de luchtvaartmaatschappij te wijten vertraging van de eerste vlucht

  • Dovnload 14.24 Kb.