Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Peter de geitenhoeder in de bergen

Dovnload 22.4 Kb.

Peter de geitenhoeder in de bergen



Datum31.07.2017
Grootte22.4 Kb.

Dovnload 22.4 Kb.

Peter de geitenhoeder in de bergen

Psalm 23:1 … de HEERE is mijn Herder …

Hoog in de bergen ligt een klein dorpje. Het is een typisch bergdorpje, kleine huisjes met grote schuren van ruwe, zwart geteerde balken. Er wonen misschien maar honderd mensen in het dorpje. In het dorpje zijn geen winkels, maar dat is ook niet nodig, want de mensen zorgen zelf voor alles wat ze nodig hebben. Ze verbouwen graan en groenten, ze hebben één of twee koeien voor de melk en voor het vlees hebben ze wel een paar varkens. En als er echt iets nodig is, dan kunnen ze altijd nog naar de stad gaan en daar kopen wat ze nodig hebben. Natuurlijk gaan ze ook naar de stad om bijvoorbeeld de groenten die ze verbouwd hebben te verkopen of om kaas te verkopen.

De vader van Peter gaat ook regelmatig naar de stad. Hij heeft een kudde geiten en van de melk die de geiten geven, maakt moeder heerlijke geitenkaas, die vader dan op de markt in de stad kan verkopen. Peter zorgt voor de geiten. ’s Morgens gaat hij naar de stal, eerst de geiten melken en daarna brengt hij de geiten naar de wei. De wei is tegen de berghelling, als de geiten daar staan, maakt Peter de stal schoon. Het hooi ververst hij en hij zorgt ervoor dat de drinkbak weer gevuld wordt met lekker, fris water uit de bron, dat achter het huis ligt.


Als dat allemaal is gedaan, gaat hij met de geiten de bergen in. Ja, Peter is al negen en een hele goede geitenhoeder! Hij weet precies de plekjes te vinden waar jong gras groeit en lekkere sappige distels. Daar zijn de geiten dol op.

Peter heeft het geitenhoeden van z’n vader geleerd. Lezen en schrijven kan hij niet, in het kleine dorp is immers geen school, daarvoor moet je naar de stad en dat is veel te ver om elke dag naar toe te gaan en bovendien, schoolgaan kost veel geld en dat kunnen vader en moeder wel beter gebruiken. Nee hoor, alles wat Peter moet weten, kan hij van vader leren. Die heeft het weer van zijn vader geleerd. Dat geldt ook voor moeder. Haar moeder heeft haar geleerd hoe ze moet koken en wassen en nog veel meer. Moeder zal straks Peter z’n zusje, Anne, als ze groter is, ook alles leren wat zij moet weten om een goede huisvrouw te zijn.

Vandaag is Peter vroeg opgestaan, de geiten staan in de wei en fluitend mest hij de stal uit. Straks gaat hij een heel eind de bergen in met de geiten. Peter heeft er echt zin in. ’t Is mooi weer, de zon staat hoog aan de hemel en als je naar de toppen van de bergen kijkt, dan zie je de zon schitteren in de sneeuw die op de toppen van de bergen ligt.
Maar kom, niet dromen, doorwerken zoveel te eerder kan hij weg.

Om negen uur is Peter klaar. Snel gaat hij het huis in om z’n moeder en zusje gedag te zeggen. Vader is al om zes uur naar de stad gegaan, met een handkar vol heerlijke geitenkazen. Als Peter in de keuken komt, heeft moeder net een flinke stapel boterhammen gesmeerd en ingepakt, want het zal wel een hele poos duren voordat Peter weer terug is in het dorp.

Met de stapel boterhammen en een fles water in de rugzak gaat peter op stap met de geiten. Hij heeft ook een dikke stok bij zich. Dat loopt gemakkelijker. Als hij een paar uur gelopen heeft, komt hij bij een stuk berghelling waar de geiten spontaan beginnen te mekkeren. Hier groeit prachtig vers groen gras. Er staan ook een paar bomen en Peter gaat lekker in de schaduw zitten. De geiten hebben allemaal een bel om hun nek, dus als ze te ver weg zouden lopen, kan hij hen gemakkelijk weer vinden. Maar het gras ziet er zo smakelijk uit, dat hij zich daar voorlopig geen zorgen over hoeft te maken. Hij heeft zelf ook trek gekregen en zet gretig zijn tanden in de boterhammen die moeder heeft klaargemaakt.

Peter kijkt eens om zich heen. Wat is de natuur toch schitterend! De hoge bergen, de groene weiden, de sneeuw … echt het is allemaal prachtig. Terwijl hij zo zit te dagdromen, hoort hij plotseling een stem achter hem, die zegt: ‘zo herder, hoe heet jij? David?’. Peter kijkt om, hij ziet een oudere man, hij heeft een grijze baard en een groen hoedje op zijn hoofd. ‘Nee, meneer, ik heet Peter en geen David, dus ik denk dat u iemand anders zoekt’.


De oudere man schiet in de lach, hij zegt: ‘nee, mijn jongen, ik ben niet opzoek naar iemand, maar toen ik jou daar zo zag zitten, bij al je geiten, moest ik even aan koning David denken.’
‘Koning David?’ zegt Peter, ‘wie is dat? Wij hebben toch helemaal geen koning, wij hebben een keizer’.

‘Dat klopt,’ zegt de oude man, ‘maar ik bedoelde koning David van het volk Israël, heb jij daar nog nooit van gehoord?’ ‘Nee,’ zegt Peter ‘ik heb daar nog nooit van gehoord.’


‘Ik zal je ervan vertellen, maar eerst zal ik je zeggen wie ik ben’ zegt de oude man. ‘Noem mij maar opa Pijp’ en terwijl opa Pijp dit zegt haalt hij uit de zak van z’n jasje een pijp en tabak te voorschijn. Op z’n gemak stopt hij zijn pijp, steekt hem aan en gaat gemakkelijk naast Peter tegen de boom zitten.
‘Vertel me eerst eens, Peter, waar kom jij eigenlijk vandaan?’ Peter vertelt waar hij vandaan komt en het gezicht van opa Pijp begint te grijnzen. ‘Dat is ook mooi,’ zegt hij. Laat ik nu net op weg zijn naar jouw dorp. Ik heb daar een kamer gehuurd en ben van plan om jongens en meisjes zoals jij een beetje les te geven in lezen en rekenen, maar ik wil jullie ook graag van God vertellen en Wie Hij is. Daar hoort ook David bij.’
Peter wist niet wat hij hoorde: lezen, rekenen … hij had er wel eens heel voorzichtig naar gevraagd bij vader, maar die had altijd gezegd dat Peter alles wat hij moest weten van hem kon leren.
Peter was even onder de indruk van wat de oude man zei. Maar meteen dacht hij aan de kosten, leren kost geld en geld hebben ze niet zoveel. Voorzichtig begon hij erover tegen opa Pijp. ‘Ja, meneer, eh, opa Pijp, ziet u, eh, het lijkt me geweldig om te kunnen lezen, maar leren kost veel geld en dat hebben wij niet…’
De oude man lachte en zei: ‘Peter, als ik het nu helemaal voor niets doe, wil jij dan mijn eerste leerling zijn?’ Peter kon zijn oren niet geloven. De oude man wil er geen geld voor hebben, hoe kan dat nou? En hij, Peter z’n eerste leerling? Natuurlijk dat is toch prachtig! Maar … vader en moeder moeten het natuurlijk wel goed vinden.
‘Dat spreekt vanzelf’ zei opa Pijp, ‘je ouders moeten het goed vinden.’

‘Ik zal je trouwens eerst vertellen wie Koning Davids was’ zei de oude man ‘dat had ik je nog beloofd’. Koning David was net als jij een herder, toen hij op een dag door Samuël gezalfd werd tot koning over het volk Israël. Koning David had al op jonge leeftijd de Heere God in de Hemel leren kennen en hij kreeg ook de belofte dat er eens uit zijn geslacht de Messias, de Verlosser, geboren zou worden. De Messias, de Heere Jezus, is ook honderden jaren na Koning David geboren. In een stal in het plaatsje Bethlehem. Maar weet je wat nou zo wonderlijk is? Die Zoon van David, was ook Gods Zoon en hij is in deze wereld gekomen om te lijden en te sterven voor de zonden van Zijn kinderen.


Ja, Peter, ik kan me voorstellen dat het allemaal heel moeilijk in je oren klinkt, maar ik zal je er nog veel meer van vertellen, want als jij deze Heere Jezus ook leert kennen, dan pas ben je echt gelukkig, want dan heb je vrede met die God die alles geschapen heeft. Kijk eens om je heen. Zie je die machtige bergen? De groene weiden? De sneeuw? De dieren? Alles heeft God gemaakt, geschapen.’

Peter heeft stil geluisterd en nee hij begrijpt er nog niet veel van wat die oude man allemaal verteld, maar hij hoort wel in zijn stem dat de man er vol van is, hij vertelt met zo’n enthousiasme, zo geestdriftig, je moet wel geloven wat hij zegt.

De oude man staat op. ‘Peter,’ zegt hij ‘ik ga verder, want voordat ik in het dorp ben, duurt het nog wel even’. Zullen we afspreken dat je morgenavond je eerst les krijgt? Als je vader en moeder het goed vinden?’ Dat speken ze af.

De rest van die dag was Peter er helemaal vol van. Zou zijn grote wens om te leren lezen dan toch uitkomen? Toen hij die avond laat met de geiten weer thuiskwam en hij de dieren in de stal had gebracht en verzorgd, ging hij snel naar binnen in huis. Vader was al een hele poos thuis en zat onderuitgezakt te dutten in zijn stoel. Moeder was bezig met wat naaiwerk en Anne lag al op bed. Moeder keek op toen Peter binnenkwam. ‘Jongen,’ zei ze ‘je hebt het uitgehouden, het is al heel laat.’ ‘Ja, moeder, dat klopt zei Peter, maar ik ben ook zo’n eind geweest met de geiten. En moeder weet u, er kwam een oude man, die heet opa Pijp en die komt in ons dorp wonen en dat gaat hij jongens en meisjes leren lezen en ik mag zijn eerste leerling zijn, als u en vader het goedvinden.’


‘Rustig eens,’ zei moeder ‘je praat zoveel en vlug, dat ik er niets van heb begrepen’. Ga eens even rustig aan tafel zitten, dan zal ik je eten opscheppen en vertel dan nog eens.’
Moeder schept een best bord eten vol. Ja, als Peter zo’n hele dag weggeweest is, lust hij best wat. En terwijl Peter eet, vertelt hij het hele verhaal. Vader is inmiddels ook wakker geworden en luistert aandachtig mee. ‘Zo, zo’ zegt hij ‘zo, zo, dus die opa Pijp, komt hier in ons dorp om de jongens en de meisjes onderwijs te geven.’ ‘Ja,’ zegt Peter ‘mag ik vader?’ ‘Jawel,’ zegt vader ‘maar, je werk mag er niet onder lijden en … als je knapper wordt dan ik, dan wil ik ook naar die opa Pijp.’
Oh wat was Peter blij. Hij kon er bijna niet van slapen. Morgenavond, zou hij voor het eerst les krijgen, naar school gaan, dat was ongelooflijk en vader en moeder vonden het direct goed. Eindelijk viel Peter in slaap.

De volgende morgen ging Peter zoals gewoonlijk eerst de geiten verzorgen. Vandaag zou hij niet met de dieren op pad gaan. Hij ging met vader mee naar de grote stad. Daar was jaarmarkt en dan was het altijd zo druk, dat vader best een handje extra kon gebruiken. Nadat de geiten verzorgd waren, vader en Peter de kar volgeladen hadden met kazen, gingen ze beide op pad.


Het was een flinke wandeling. Soms ging het over smalle weggetjes, langs steile afgronden, de kar paste maar net op de weg. Dan ging het weer door een stukje bos, maar eindelijk kwamen ze in de grote stad. Onderweg hadden vader en hij over van alles en nog wat gekletst, over hoe het zou zijn als Peter straks kon lezen, dan zou hij vader kunnen voorlezen, dat zou fijn zijn!
Maar nu ze in de stad zijn, vertelt vader. Hij wijst Peter aan wat er allemaal voor bedrijvigheid is in de stad. Waar de dokter woont en waar de apotheek is, daar kun je medicijnen halen. En nog veel meer dingen wijst vader aan. Eindelijk komen ze op een groot plein. Hier wordt de jaarmarkt gehouden. Vader en Peter stallen hun kazen en kuiken met melk uit. Nu maar wachten op de mensen en dan hun waren aanprijzen.
Na een paar uurtjes zijn ze helemaal uitverkocht. Ze hebben goede zaken gedaan en flink wat geld verdiend. Nu nog even snel wat boodschappen voor moeder doen, zij had nog wat garen nodig en een paar lappen stof en dan gauw terug naar huis. En vanavond gaat Peter naar opa Pijp.

Na een voorspoedige terugreis komen ze weer veilig aan in hun eigen dorpje. Ze vertellen aan moeder hun belevenissen en na het eten gaat Peter op pad naar opa Pijp. Omdat het maar een klein dorpje is en alle mensen elkaar kennen, is het niet zo moeilijk om uit te vinden waar de oude man zijn intrek heeft genomen. Als Peter om de hoek komt, ziet hij de man al zitten op een bankje voor het huis in de avondzon. Genietend van z’n pijpje.


Toch een beetje verlegen komt Peter dichterbij en zegt: ‘Hallo, opa Pijp, hier ben ik dan.’ Verheugd kijkt de oude man op. ‘Hallo, Peter, fijn dat je er bent.’ De oude man staat op en wenkt Peter dat hij met hem mee moet komen. In de ruimte die de oude man heeft gehuurd staan niet zoveel meubels. Er staat wel een tafel met een stuk of zes stoelen erom heen. De man vraagt of Peter z’n ouders het goed vonden dat hij wat les krijgt. Peter vertelt wat zijn vader heeft gezegd. De oude man lacht er hartelijk om en zegt dat Peter zijn vader van harte welkom is om ook wat te leren. Hij biedt Peter wat te drinken aan en pakt vervolgens een dik zwart boek. ‘Peter’ zegt hij ‘ik zou het heel fijn vinden als jij dit boek over een poosje zelf zou kunnen lezen.’ Weet jij wat dit voor boek is?’ Peter schudt zijn hoofd. Hij heeft geen idee wat dat voor een boek is, het ziet er wel indrukwekkend uit, met die zwart leren omslag. De oude man zegt: ‘dit is een Bijbel. De Bijbel is het Woord van God. De Heere God heeft dit laten opschrijven, zodat wij mensen kunnen lezen wat God wil. Ik heb je daar gisteren al iets van verteld. En net als jij een herder bent, is de Heere Jezus dé Goede Herder, Die voor Zijn schaapjes zorgt.’ De oude man verteld van de schepping, van de zondeval, maar ook van Gods belofte, van het Kind in de kribbe van Bethlehem. In korte tijd vertelt hij aan Peter de hele heilsgeschiedenis. Peter heeft met open mond geluisterd, wat is dat mooi, wat is die God machtig. Wat zou hij die God graag leren kennen. De oude man glimlacht. ‘Peter, als je die God kent, als je een schaapje van Zijn kudde mag zijn, dan pas ben je echt gelukkig. Weet je, ik zal je een tekst uit de Bijbel leren. Een tekst die je heel gemakkelijk kunt onthouden, maar die ook heel belangrijk is. Geef je hand eens?’ Peter geeft zijn hand en terwijl opa Pijp de woorden zegt, wijst hij bij elk woord een vinger aan. Hij begint bij Peters duim: de, bij zijn wijsvinger: Heere, bij zijn middelvinger: is, bij zijn ringvinger: mijn en bij zijn pink: Herder. De Heere is mijn Herder. ‘En’ zegt de oude man ‘als je de Heere leert kennen, als je weet dat je echt een schaapje van Zijn kudde bent, knijp dan maar iets harder in je ringvinger: de Heere is MIJN Herder.’

Zo gaan de weken voorbij, Peter gaat zo veel hij kan op bezoek bij opa Pijp. Hij leert lezen, schrijven, rekenen een klein beetje aardrijkskunde, maar boven alles vertelt de oude man hem uit Gods Woord. Bijbelse geschiedenis. Peter geniet ervan. Ook thuis vertelt hij wat hij heeft geleerd, vader en moeder laten hem maar begaan. Ze vinden wel dat Peter veranderd, vroeger kon hij nog wel eens driftig zijn of uitvallen tegen zijn zusje, maar hij is rustiger, milder geworden sinds hij bij de oude man komt.

De winter doet zijn intrede. Het wordt kouder en de eerste sneeuwvlokken zijn al gevallen. Peter gaat er nu niet opuit met zijn geiten. Het is veel te koud voor de beesten en ze zouden kunnen vallen op de besneeuwde en bevroren berghellingen. In deze periode doet Peter klusjes rond het huis. Hij helpt vader met het houthakken voor de kachel en natuurlijk gaat hij vaak naar opa Pijp.
Peter kan al heel aardig lezen. Hij heeft van opa Pijp een Bijbel gekregen en daar leest hij veel in. Hij vindt het prachtig, de geschiedenissen, de wonderen die de Heere Jezus gedaan heeft, Peter vindt het verhaal van de Goede Herder ook altijd heel mooi om te lezen en iedere keer als hij uit de Bijbel gelezen heeft, bid hij heel eerbiedig tot de Heere of hij ook een schaapje mag zijn van de grote kudde van de Heere Jezus.

De winter is streng. Het sneeuwt bijna elke dag en er ligt een dik pak. Buiten is het ook heel koud en op een dag is vader ziek. Vader is nooit ziek, maar nu ligt hij te rillen in bed. Moeder heeft bouillon gemaakt, maar vader blijft het maar koud hebben. Het duurt dagen. Hij moet ook hoesten en moeder kijkt heel bezorgd, ze is bang dat vader een longontsteking heeft. Dan moet hij medicijnen hebben, maar die worden alleen bij de apotheek in de grote stad verkocht. Wie moet die gaan halen? Peter ziet de bezorgdheid van zijn moeder, want al is hij pas negen jaar, hij heeft dingen heel snel in de gaten. Hij vraagt aan moeder wat er toch is, ze kijkt zo bezorgd. Eerst probeert moeder haar zorgen te verbergen, maar Peter houdt aan. En dan vertelt moeder dat ze denkt dat vader een longontsteking heeft, dat is heel gevaarlijk en eigenlijk moet hij medicijnen hebben, maar wie moet die gaan halen? ‘Dat kan ik toch doen?’ zegt Peter. ‘ik ben vaak genoeg met vader naar de stad geweest, ik weet de weg en vader heeft me ook wel eens verteld waar die apotheek is.’ Moeder kijkt nog wat bedenkelijk, maar als ze vader hoort hoesten, zegt ze: ‘vooruit dan maar, maar doe wel heel voorzichtig!’ Ze smeert boterhammen en doet die samen met een fles drinken in een rugzak, die ze Peter meegeeft. Ook geeft ze hem geld voor de medicijnen.


Peter doet zijn jas aan, zijn sjaal om en zijn muts op. Hij heeft zijn stevige schoenen aangetrokken en vertrekt. Helemaal alleen naar die grote stad. Moeder wuift hem na. Het is een flinke wandeling en ondanks de kou, geniet Peter van alles wat hij ziet onderweg. Natuurlijk moet hij ook telkens aan vader denken en in zijn hart rijst een gebed tot God in de Hemel of Hij zijn vader wil beter maken.

In de stad aangekomen heeft Peter de apotheek al snel gevonden. Hij verteld wat zijn vader heeft en zegt dat zijn moeder denkt dat vader een longontsteking heeft. Volgens de apotheker klinkt het inderdaad als een longontsteking en hij maakt de medicijnen voor Peters vader klaar.


Even later staat Peter weer buiten en kan hij de terugweg weer aanvangen. Hij kijkt naar de lucht en ziet dat die betrokken is, donkere wolken komen over de bergtoppen drijven. Brrr, denkt Peter, dat betekent sneeuw. Vlug doet hij zijn rugzak op zijn rug en begint aan de terugweg. Hij moet eerst een stuk door het bos en dan volgt een stuk langs een waterval. Daarna komt een smal pad met een diep ravijn ernaast. Als Peter het bos uitkomt, dwarrelen grote sneeuwvlokken in zijn gezicht. Het is echt heftig gaan sneeuwen. Hij huivert, maar moet door. De lucht is nu helemaal donker en het sneeuwt zo hard dat Peter maar een paar meter voor zich uit kan kijken. En dan gebeurt het, Peter hoort een geweldig hard geluid, het lijkt wel alsof het onweert, maar dat kan niet. In het volgende ogenblik wordt hij bedolven onder een lawine van sneeuw.

In het dorpje kijkt moeder telkens naar buiten. Het is donker geworden en de sneeuwwolken zijn binnengedreven. Ze kijkt bezorgd naar buiten, waar blijft Peter toch. Het is heel wonderlijk, maar kort nadat Peter was vertrokken, ging het iets beter met vader. Hij hoest minder en ook de koorts is verminderd. Hè, waar blijft Peter toch, hij had al lang terug kunnen zijn. Dan komt er iemand langs die verteld dat er een lawine naar beneden is gekomen en dat de weg naar de stad volledig is versperd. Moeder vertelt dat Peter naar de stad is en dat ze hem eigenlijk al terug had verwacht. De man die het nieuws had gebracht, kijkt bezorgd. Hij zegt tegen moeder dat hij met een paar andere mannen en honden zal gaan zoeken naar Peter.


En even later gaat er een groepje mannen met een paar honden op pad. Ze hebben touwen en schoppen meegenomen. Je weet maar nooit… Als ze bij smalle pad langs het ravijn aankomen, zien ze dat de weg behoorlijk is versperd. Ze speuren de omgeving af, de honden lopen snuffelend door de sneeuw. Dan begint één van de honden te blaffen. De mannen gaan er naar toe en zien dat hij een muts heeft gevonden. Ze herkennen het als de muts van Peter. Dan moet hij dus hier ergens onder de sneeuw bedolven liggen. Ze zoeken verder en even later hebben ze hem gevonden. Peter is meegesleurd door de sneeuwmassa. Hij heeft de lawine niet overleefd.
Voorzichtig nemen ze zijn lichaam mee naar hun dorpje. Het verdriet is groot, maar er is ook iets bijzonders. Peter houdt met zijn rechterhand de ringvinger van zijn linkerhand omklemd. Deze is niet los te krijgen, zo strak zit de hand omzijn vinger geklemd.
Het verdriet bij de ouders van Peter is groot en ook de mannen zijn er verslagen van als er in eens een oude man naar het lichaam van Peter loopt. Het is opa Pijp. Hij kijkt naar de handen van Peter en hij begrijpt wat dit wil zeggen: De Heere is zijn Herder.


Dovnload 22.4 Kb.