Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Phylum Arthropoda Segmentatie van ledematen en het lichaam

Dovnload 156.9 Kb.

Phylum Arthropoda Segmentatie van ledematen en het lichaam



Pagina1/3
Datum21.09.2017
Grootte156.9 Kb.

Dovnload 156.9 Kb.
  1   2   3

Phylum Arthropoda


  • Segmentatie van ledematen en het lichaam

  • Lichaam bedekt door harde schaal of skelet

  • Soepele verbindingen tussen de skeletplaten zodat het dier kan bewegen

  • Insecten, schaaldieren en spin-achtigen



Classis Hexapoda

(= Insecta)



      • Algemeen

        • Meeste soorten hebben op een of ander tijdstip in hun leven 6poten

        • Variëren sterk

        • Lichaam uit 3delen: kop, borststuk (thorax) en achterlijf (abdomen)

        • Kop draagt antennen

        • Thorax draagt 3paar poten

        • Gewoonlijk vleugels op thorax

        • Ongeveer 1miljoen insecten gekend

          1. Biologie van de insecten: factoren verantwoordelijk voor numerieke overwicht

  • Hoornachtige skelet

  • Geringe afmetingen

  • Aanpassingsvermogen

  • Vliegvermogen

  • Gedaanteverwisseling tijdens het leven

      • Skelet:

  • Hoornachtige chitine

  • Doelmatige bescherming

  • Door het vochtverlies te beperken zijn ze in staat geweest vochtige omgevingen te verlaten

      • Afmeting:

  • Tamelijk kleine dieren

  • Van 1/4mm tot 30cm in lengte

  • 1/2mm tot 30cm in breedte

  • Lichamen altijd slank (bv vlinder,…)

  • Gering wegens ademhalingsmechanisme: overal door lichaam loopt systeem van fijne kanaaltjes of buisjes (=tracheeën) die aan lichaamsopp uitmonden in stigmata. Lucht via stigmata naar binnen en weefsels nemen zuurstof uit lucht op in fijne vertakkingen van tracheeën. Verse zuurstof via diffusie via tracheeën naar binnen. Maar diffusie is langzaam proces en alleen doeltreffend in kleine dieren waar afstand waarover diffusie moet plaatsvinden, klein zijn.

  • Kleine afmeting is voordeel voor uitbreiding van insecten want daardoor kunnen ze op zeer kleine plekjes leven en ecologische niches bezetten, ongeschikt voor grotere dieren

  • Hebben weinig plaats en voedsel nodig en kunnen daardoor in grote aantallen op beperkte plaatsen voorkomen

      • Aanpassingsvermogen:

  • Lijkt haast onbegrensd

  • Alleen zee is nog niet door insecten veroverd

  • Kaken, in werkelijkheid gewijzigde ledematen, zijn zo aangepast dat ze uiteenlopende soorten voedsel, zowel vloeibaar als vast kunnen verwerken

      • Vliegvermogen:

  • Onder ongewervelden zijn insecten de enige die kunnen vliegen

  • Spinnen en andere dieren kunnen zich op wind laten meedrijven maar hebben geen vleugels en kunnen bewegingen niet richten

  • Zeer belangrijke factor in uitbreiding

  • Kunnen aan aanvallers ontsnappen, gemakkelijker partners vinden, nieuwe terreinen en voedselbronnen vinden waar ze hun nakomelingen achterlaten

      • Gedaanteverwisseling tijdens het leven:

  • Belangrijke rol in hun talrijkheid

  • 2verschillende stadia verschillend voedsel nuttigen: bepaald gebied kan meer insecten onderhouden

  • + snelle en overvloedige voortplanting= insecten succesrijk

    1. Bouw van de insecten

      • Kop:

      • 6segmenten zijn ondeling geheel versmolten en vormen samen vrij taai kapsel

      • Vele groeven/suturen in kopkapsel maar komen niet noodzakelerwijs overeen met de grenzen van oorspronkelijke segmenten en sclerieten, waaruit kop is opgebouwd is

      • Geen inwendige kaken

      • Ledematen van kopsegmenten zijn gewijzigd ten dienste van het vangen en eten van voedsel

      • Bijten en kauwen wordt door deze uitwendige monddelen uitgevoerd alvorens het voedsel in mond komt

      • Wnr insecten onvoorzichtig opgepakt worden: bijten met mandibels

      • Labrum, Mandibels, maxillen, labium, hypopharynx

      • Maxillen houden voedsel vast terwijl mandibels het voedsel stuksnijden

      • Palpen van maxillen voorzien van zintuigorganen en betrokken bij het vinden van voedsel en bepalen van eetbaarheid

      • Labium of onderlip ontstaan uit versmelting van 2maxilla-achtige aanhangsels en heeft functie die overeenkomt met die van de maxillen

      • Hypopharynx: verbonden met afvoergangen van de speekselklieren, klein tongachtig orgaan

      • Hypopharynx goed ontwikkeld bij bloedzuigende soorten

      • Labrum of bovenlip is enkelvoudige structuur, ontstaan uit enkele plaat geheel voor aan de kop, vormt afdakje over het gedeelte waar mandibels het voedsel vermalen

      • Soms draagt labrum aan onderzijde een kleine leb, epifarynx

      • Bijtende monddelen: meeste lagere ordes van insecten bv; kakkerlakken, sprinkhanen, libellen, … en enkele van hoger ontwikkelde ordes bv: kevers en wespen

      • Zuigende monddelen: aangepast aan vloeibaar voedsel bij vlinders, wantsen, vliegen, muggen, vlooien en paar andere insecten. Vooral maxillen en labium

      • Grote verscheidenheid in zuigende monddelen bv: slanke roltong van vlinders, scherpe en borende snavel van wantsen en zuigsnuit van vliegen

      • 1paar antennen bij bijna alle insecten en bij meerderheid van jonge insecten

      • Antennen bij het ruiken, tastzin en manier waarop ze in dit opzicht gebruikt worden bv: vlinder♂ zoekt ♀via geurstof

      • Antennen opgebouwd uit segmenten, aantal varieert

      • Thorax

  • 3segmenten: prothorax, mesothorax, metathorax

  • Elk segment draagt paar poten en als er vleugels aanwezig zijn→ op meso- en metathorax (nooit op prothorax)

  • Meso- en metathorax vaak versmolten tot pterothorax en 2samengestelde segmenten zijn niet altijd gemakkelijk te onderscheiden

  • Voorvleugels op mesothorax > achtervleugels→ mesothercale segment> metathoracale segment

  • Coxa/heup: basaal segment van poot

  • Trochanter/knie: klein segment dat aan femur vastzit

  • Femur/dij: grootste segment van de poot

  • Tibia: langer dan femur en draagt vaak aantal stekels

  • Tarsus: draagt 1-5segmenten/voetleden en pretarsus, laatste draagt 2klauwtjes en kleine lob/arolium

      • Vleugels:

  • -ptera= vleugels

  • Gewoonlijk 2paar

  • Op meso- en metathoracale segment

  • Nooit vleugels op prothorax

  • Membraneus uitgroeisel van integument

  • 2vleugelparen kunnen in bouw overeenkomen of verschillend zijn

  • apterygota, primitieve springstaarten en franjestaarten: hebben nooit vleugels gehad zolang ze bestaan

  • insecten die secundair ongevleugeld zijn

  • achtervleugels gereduceerd tot kolfjes voor evenwicht

      • abdomen:

  • in principe uit 11segmenten

  • 11e is altijd klein en bij hogere insecten afwezig

  • Door versmelting kunnen sommige afwezig lijken

  • Elk abdominaal segment heeft dorsaal tergum en ventraal sternum, pleurale sclerieten aan zijden ontbreken

  • Enkele abdominale segmenten1 bij Apterygota

  • Aanhangsels van segment 8en9 zijn omgevormd tot genitaliën en hebben te maken met copulatie en het leggen van eieren, bouw van de organen is vaak erg belangrijk om nauw verwante soorten uit elkaar te houden

  • Genitaliën zijn gewoonlijk erg klein en worden vaak in lichaam teruggetrokken

  • Genitaliën bij vrouwtjes uitgegroeid tot opvallende legboor2 of ovipositor

  • Cerci: ontspringen aan het laatste abdominale segment, kunnen lang en slank zijn of kort en dik (bv. sprinkhaan)

  • Bij meeste hogere insecten ontbreekt cerci

  • Bij sommige insecten is dorsale scleriet van 11e segment verlengd tot epiproct

    1. inwendige bouw:

    • spijsverteringskanaal is eenvoudige buis van mond naar anus en draagt groter of kleiner aantal uitzakkingen

    • oesophagus/slokdarm: bij zuigende insecten is er vaak gespierde farynx/keelholte

    • oesophagus komt uit in zeer variabel, dunwandig gedeelte, krop, waar voedsel wordt opgeslagen

    • spiermaag waar voedsel gedeeltelijk wordt afgebroken. Goed ontwikkeld bij soorten die vast voedsel gebruiken maar bij vele anderen nauwelijks te onderscheiden

    • middendarm die geen cuticulaire bekleding heeft, waar spijsverteringsenzymen worden geproduceerd en waar enig opname van het voedsel plaats vind

    • opp van middendarm vergroot door caeca of blindzakken

    • buizen van Malpighi markeren scheiding tussen middendarm en einddarm en dienen voor excretie. Goed voorzien van tracheeën en liggen vrij in het bloed waaraan zij afvalproducten onttrekken

    • einddarm bekleed met cuticula en opp vaak geplooid. Hier wordt voedselopname voltooid en water wordt opnieuw opgenomen in tamelijk bolvormige ruimte aan het einde

    • bloedvatenstelsel betrekkelijk weinig vaten, meeste bloed in grote holten en stroomt vrij om het lichaamsorganen. Holten vormen samen het haemocoel die echte lichaamsholte/coeloom bij arthropoda vervangt

    • belangrijkste bloedvat omvat het hart en aorta en loopt over grootste deel van lichaam in lengte vlak onder dorsale lichaamswand

    • hart is aan achterzijde gesloten en ligt in ruimte die met bloed gevuld is. Hart trekt ritmisch samen van achteren naar voren en door hele kleine klepjes, bekend als ostia, wordt bloed naar binnen gezogen. Deel van bloed gaat weer naar buiten via uitlaatklepjes en laterale vaten en rest stroomt door aorta en in de kop

    • eenvoudige vaten in vleugeladers en in de poten, maar rest van circulatie vind plaats onder lage druk in bloedholten

    • bloed tot 75% van lichaamsgewicht van insect bestaat uit plasma en cellen(voor opruiming en vervoert groot deel van afgewerkte kooldioxide)

    • ademhaling vindt plaats door systeem van luchtbuizen, tracheeën, die in alle delen van het lichaam doordringen en naar buiten toe uitmonden via stigmata(kunnen naar behoefte gesloten en geopend worden)

    • in principe 10paar stigmata, maar aantal is vaak gereduceerd

    • tracheeën in werkelijkheid instulpingen van de lichaamswand en derhalve bekleed met cuticula die niet overal even dik is maar die lange spiraalvormige richels langs buizen vormt en zo steun geeft

      • als stigmata open→ diffunderen zuurstof via tracheeën. Is voldoende voor behoeft van kleine of trage insecten. Grotere insecten vergroten hun zuurstofvoorraden door vorming van luchtzakken3 en ademhalingsbewegingen.

      • Elke trachee eindigt in een kleine, stervormige ruimte of cel, waarvan de vertakkingen uiterst kleine buisjes vormen =tracheolen4

      • Via uiteinde van tracheolen diffundeert zuurstof in weefsels

      • Hoeveelheid zuurstof is afhankelijk van de activiteit van de insecten

    • Vele in water bewonende larven ontvangen zuurstof door diffusie vanuit het water

    • Meeste aquatische volwassen insecten dragen onder dekschilden of tss haren op andere delen van het lichaan een luchtbel. Lucht in contact met stigmata en qua ademhaling bevindt het insect zich dus als het ware in lucht. Concentratie van luchtbel wordt in stand gehouden door diffusie van zuurstof uit het water en zo krijgt insect extra zuurstof. Maar toch wordt luchtbel na tijdje kleiner en moeten ze af en toe naar opp om nieuwe lucht in te slaan.

    • Weinig volwassen waterbewonende insecten die met fysische kieuw permanent lucht uit water blijven happen. Lichaamsopp is bedekt met zeer fijne waterafstotende haren waardoor heel dun luchtlaagje wordt vastgehouden, dat in verbinding staat met stigmata. Haren verhinderen verlies van gassen en zodoende werkt luchtlaagje als permanente fysische kieuw. Zuurstof diffundeert voortdurend de luchtlaag in ter compensatie van het verbruik door het insect= plastron-ademhaling

    • Zenuwstelsel van insecten beter ontwikkeld dan bij welk ander ongewerveld dier, uitgezonderd bij inktvissen

      • Hersenen in kopgedeelte en omgeven vaak de oesophagus geheel.

      • Van hersenen naar achteren loopt dubbele zenuwstreng onder darmkanaal, met ganglia en dwarsverbindingen in elk segment

      • Ganglia van bep segmenten bv thoracale segmenten zijn vaak groot en thoracale ganglia kunnen zelfs versmelten tot structuur die groter is dan de hersenen→ werken als ‘plaatselijke hersenen’ en verzorgen activiteiten in hun onmiddellijke omgeving maar kunne bestuurd worden door de hersenen die coödinatiecentrum vormen

    • Zintuigen:

      • licht- en reukzin

      • tastprikkels waarneembaar over groot deel van lichaam, vooral op poten en antennen waar gevoelige haren in verbinding staan met zenuwvezels

      • smaakzin goed ontwikkeld

      • smaakreceptoren niet beperkt tot gebied rond mond. Vaak aan hun tarsen

      • warmte+ vochtigheid

    1. ontwikkeling van insecten

    • meeste insecten leggen eieren, sommige jongen

    • beschermd door taaie schaal en 1of meer inwendige membranen→ kunnen uiteenlopende omstandigheden overleven

    • wnr jonge insect klaar om ei te verlate→ eet zich een weg naar buiten of laat eischaal door spierbewegingen barsten

    • apterygote, primitieve insecten:

      • komen uit ei in vorm die sterk lijkt op volwassen dier, afgezien van grootte en ontbreken van voortplantingsorganen

    • pterygote insecten:

        • metamorfose veelingrijpender proces waarbij ontwikkeling van vleugels en nieuwe opbouw van gehele lichaam zijn betrokken

        • vanwege harde skelet ken insect niet geleidelijk groeien

        • moet in rukken groeien waarbij het elke keer skelet afwerpt als het te strak wordt

        • binnenste lagen worden verteerd en nieuwe, ruimere bekleding afgezet onder oude huid

        • door spierbeweging of opname van lucht of water zwelt insect op, splijt oude huid en kruipt er uit

        • insect blijft opgezwollen tot nieuwe huid hard is geworden en dan maakt dier ruimte voor volgend proefstadium door lucht of water te laten ontsnappen. Tijdens het verharden van huid verstopt insect zich

        • vervelling/ecdysis tussen 1-50keer in insectenetend, gemiddeld tss 4-10keer

        • ontwikkeling vleugels:

      • bij lagere insecten: ontwikkelen vleugels zich geleidelijk aan buitenzijde van lichaam en worden bij iedere vervelling groter, totdat ze volledig ontwikkeld zijn. Jonge stadia= nymfen

exopterygota: vleugels buiten het lichaam ontwikkelen

      • vlinders, kevers, vliegen, …: jonge stadia= larven leven vaak van heel ander voedsel dan volwassen insecten en bezetten volledig verschillende ecologische niches. Larve ondergaat dramatische verandering. Ruststadium5 is nodig!! =pop (pupa). Vleugels ontwikkelen zich binnen het lichaam en aan buitenkant pas zichtbaar in popstadium

endopterygota

ontvouwen van vleugels veroorzaakt door pompen van het bloed in vleugels waardoor zij zich kunnen strekken, sommige insecten kunnen onmiddellijk uitvliegen, anderen moeten paar uur wachten tot vleugels hard zijn



    • volledig volwassen insect staat bekend als imago



Orde Dictyoptera (>gr: dictyon=net . netvleugels)

(=kakkerlakken en bidsprinkhanen)



    • kleine, middelgrote of grote insecten

    • afgeplat

    • 2paar vleugels: voorste paar leerachtig en plat over rug gehouden in rust

    • Antennen zijn lang en slank

    • Poten zijn lang en tamelijk stekelig

    • Duidelijke cerci

    • Kakkerlakken hebben groot schildvormig pronotum dat naar voren uitsteekt en grootste deel kop bedekt, geen springpoten, dekschilden raken elkaar midden op rug en overlappen elkaar niet, geen cerci

    • Bidsprinkhanen worden herkend aan hun sterk vergrote en gestektelde voorpoten

Onderorde Blattodea

(=kakkerlakken)



    • Hoofdzakelijk tropische groep en meeste kakkerlakken in België zijn ingevoerde soorten die hier slechts onder kunstmatige omstandigheden kunnen leven

    • 3algemene soorten

        • Oosterse kakkerlak (Blatella orientalis)

        • Amerikaanse kakkerlak (Periplaneti americana)

        • Duitse kakkerlak (Blatella germanica)

    • Over hele wereld verspreid door handelsactiviteiten van de mens. Oorspronkelijk uit warmere delen van de wereld

    • Voelen zich thuis in warenhuizen, keukens, brouwerijen, … → warmte en eten

    • Alleseters, in vrije natuur dood dierlijk materiaal waarschijnlijk hoofdvoedsel

    • Vallen elkaar in gevangenschap niet aan en doden elkaar niet om te eten

    • Nachtdieren die zich overdag schuilhouden op moeilijk bereikbare plaatsen zoals achter betimmeringen,onder vloeren, in ventilatiebuizen

    • Dragen ziektekiemen maar geen vast verband tussen bep soort kakkerlak en bep ziekte

    • Kakkerlakken van Europa tamelijk klein en onopvallende insecten

    • 3soorten in Nederland en België. Leven tussen vegetatie in verschillende biotopen

    • 3500 gekende soorten

    • Kop is hypognaath6en vrij primitief van vorm met weinig specialisaties

    • Eenvoudige bijtende kaken sterk getand in verband met omnivore dieet van deze dieren

    • Antennen lang

    • Samengestelde ogen goed ontwikkeld

    • Zelden ocellen

    • Gewoonlijk 2paar vleugels

    • Voorvleugels leerachtig van structuur en overlappen elkaar in het midden op de rug en beschermen onderliggende vliezige achtervleugels

    • Vleugeladering met grote aantal takken van de radius

    • Groot schildvormig pronotum dat naar voren uitsteekt en kop bedekt

    • Monddelen algemeen, omnivoor, weinig specialisaties

    • Meeste kakkerlakken kunnen vliegen, maar schijnen het niet graag te doen en zijn in wezen grondbewonende insecten

    • Poten niet omgevormd tot springpoten maar betrekkelijk lang en slank→ snelle renners

    • Tarsen dragen 5leden

    • Abdomen eindigt in paar korte maar goed zichtbare cerci

    • Geen uitwendige legboor

    • Eieren in kleine beursvormige paketten=oothecae(mv)

    • 12-50eieren per ootheca

    • Elke soort heeft eigen variatiebreedte en gemiddelde aantal eieren

    • Nymfen lijken op wormpjes als ze juist uit ei komen

    • Wnr nymfen in buitenlucht→ werpen huid af en komen tervoorschijn als kleine kakkerlakjes

    • Gedaanteverwisseling is zwak, 5-12 vervellingen afh van soort

    • Enkele maanden tot nymfe volwassen is maar varieert per soort


Orde Isoptera( gelijke vleugels)

(Termieten)



  • Kleine tot middelgrote insecten

  • Met/zonder vleugels

  • Bijtende monddelen

  • Lichaam is zacht en bleek en draagt korte cerci

  • Vleugels zijn lang en smal en voorste aders zijn opvallend verdikt

  • Beide vleugelparen zijn gelijk

  • Insecten leven in kolonies met aantal verschillende kastes

  • hoofdzakelijk tropische insecten

  • Slecht 2van 2000 bekende soorten zijn inheems in Europa

  • Worden vaak witte mieren genoemd wegens bleke kleur

  • Veel verschillen tussen termieten en echte mieren

  • Monddelen lijken op die van kakkerlakken met taaie bijtende kaken

  • Sommige soorten eten grassen en zwammen, maar meeste eten hout en richten grote vernielingen aan

  • Soldaten en de voortplantingskaste krijgen voedsel uit 2e hand nadat het ten dele verteerd is door werkers en eveneens sommige van de jonge stadia

  • Voedsel door werkers opgebraakt/ ten dele verteerde propjes uitwerpselen, welke opgegeten worden

  • Hout is niet gemakkelijk te verteren en termieten steunen hierbij geheel op leger van 1celligen of bacteriën in hun ingewanden, die taaie cellulose afbreken

  • Jonge termieten vangen microorganismen met het voedsel dat ze van werkers ontvangen

  • Kopkapsel is enige dat hard is bij termieten, huid van rest van lichaam is zacht en min of meer doorschijnend

  • Kop is groot en tamelijk langgerekt/peervormig in soldatenkaste maar afgerond in andere kasten

  • Samengestelde ogen zijn altijd aanwezig in voortplantingskastes, maar kunnen in andere kastes sterk gereduceerd of afwezig zijn, vooral in soorten die onder grond blijven

  • Pronotum van thorax is duidelijk afzonderlijk te zien en vorm ervan is van belang voor indeling van deze insecten

  • Als vleugels aanwezig→ allemaal gelijk

  • Vleugels zijn lang, smal en hebben verdikte voorrand

  • Vleugels in rust gewoonlijk voorbij top van het abdomen

  • In alle kastes kort paar cerci aan abdomen

  • Termieten verschillen van mieren en andere insecten in feit dat + 50%mannetjes en 50%vrouwtjes zijn

  • Koning en koningin oorspronkelijk van primaire reproductieve kaste en aanvankelijk gevleugeld

  • Lichaam zwaarder gesclerotiseerd

  • Primair productieve termieten komen in bep seizoenen uit nest en leven korte tijd in open lucht op zwakke vleugels

  • Vliegen uit buurt van eigen nest waarna vleugels afbreken

  • Als tegengestelde geslachten elkaar tegenkomen graven ze bruidskamer→ begin nieuwe kolonie

  • Leven samen tot wel 50 jaar

  • Paren vele malen en koningin kan zeer groot worden (tot 10cm) doordat abdomen opzwelt door eieren

  • In begin groeit kolonie traag, maar na tijdje gaat het sneller

  • Meer primitieve families hebben kleine kolonies

  • Meer ontwikkelde families kunnen 1miljoen insecten bevatten

  • Werkers talrijkst in kolonie7:

      • zorgen voor koninklijk paar, verzorgen eieren en jongen, verzamelen voedsel, geven soldaten eten, bouwen en onderhouden het nest

      • Arbeidersklasse van meer primitieve termieten bestaat uit juveniele insecten van verschillende leeftijd en geen bepaalde werkerskaste

      • Merendeel van werkende juvenielen worden nooit volwassen, maar kunnen indien nodig veranderen in soldaten of voortplantingsvormen
  1   2   3


Dovnload 156.9 Kb.