Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Plaatselijke regeling t b. v het leven en werken van de Gereformeerde Kerk

Dovnload 213.37 Kb.

Plaatselijke regeling t b. v het leven en werken van de Gereformeerde Kerk



Pagina1/2
Datum31.10.2017
Grootte213.37 Kb.

Dovnload 213.37 Kb.
  1   2






Plaatselijke regeling

t.b.v.

het leven en werken

van de

Gereformeerde Kerk

(met wijkgemeenten)

van

Capelle aan den IJssel
Samenstelling van de Algemene Kerkenraad - pag 3

De werkwijze van de Algemene Kerkenraad - pag 5

Besluitvorming van de Algemene Kerkenraad - pag7

Vermogensrechtelijke aangelegenheden, Kerkrentmeesterlijk - pag 9

Vermogensrechtelijke aangelegenheden, Diaconaal – pag 11

Vermogensrechtelijke aangelegenheden, Algemeen – pag 13

Overige taken van kerkrentmeesters en diakenen – pag 14

Aantal en grenzen van de wijkgemeentes - pag 19

Overige bepalingen – pag 20
Deze plaatselijke regeling is vastgesteld door de Gereformeerde Algemene Kerkenraad op
20 juli 2006 en is formeel vanaf 1 september 2006 van kracht.

(Opmerking: in deze regeling zijn ordinantieteksten opgenomen in kaders in kleine letters, steeds op even pagina’s).



Samenstelling van de algemene kerkenraad

ord. 4 art. 9 Wijkkerkenraden en algemene kerkenraad


1. Elke wijkgemeente heeft een wijkkerkenraad.

Een gemeente met wijkgemeenten heeft naast wijkkerkenraden een algemene kerkenraad.

Op de wijkkerkenraad en de algemene kerkenraad zijn de artikelen 6 tot en met 8 van overeenkomstige toepassing.

2. Elke wijkkerkenraad wijst aan de hand van een door de algemene kerkenraad op te stellen rooster uit zijn midden een of meer leden voor de algemene kerkenraad aan, met dien verstande dat in de algemene kerkenraad ten minste twee predikanten, vijf ouderlingen, van wie er twee tevens kerkrentmeester zijn, en drie diakenen zitting hebben. Wanneer de algemene kerkenraad meer leden telt, dient de verdeling van de zetels over de ambten zo veel mogelijk dezelfde verhouding aan te houden.

Ambtsdragers met een bepaalde opdracht kunnen boventallig door de algemene kerkenraad aangewezen worden uit de ambtsdragers van de gemeente of verkozen worden uit de stemgerechtigde leden van de gemeente, met dien verstande dat het aantal boventallige leden ten hoogste een derde deel is van het totaal aantal leden van de algemene kerkenraad.


Ord. 4, art. 6

1. Elke gemeente heeft een kerkenraad.

2. De kerkenraad wordt gevormd door de ambtsdragers van de gemeente.



  1. Met het oog op de vervulling van de door de kerkenraad te verrichten taken stelt de kerkenraad het aantal ambtsdragers vast met dien verstande dat in de kerkenraad alle ambten aanwezig zijn en wel naast de predikant ten minste twee ouderlingen die niet tevens kerkrentmeester zijn, twee ouderlingen die tevens kerkrentmeester zijn en drie diakenen.

  2. In een gemeente met minder dan 300 leden kan de kerkenraad een kleiner aantal ambtsdragers vaststellen, met dien verstande dat alle ambten aanwezig zijn en in de plaatselijke regeling – met medewerking en goedvinden van het breed moderamen van de classicale vergadering, na in daarvoor in aanmerking komende gevallen de evangelisch-lutherse synode te hebben gehoord – is voorzien op welke wijze de in de ordinanties genoemde taken worden verricht.

  3. Wanneer de helft van het aantal ambtsdragers ontbreekt of buiten functie is, bepaalt het breed moderamen van de classicale vergadering na overleg met de nog functionerende ambtsdragers en na in daarvoor in aanmerking komende gevallen de evangelisch-lutherse synode te hebben gehoord, op welke wijze de in de ordinanties genoemde taken kunnen worden verricht.

6. De kerkenraad kan bepalen dat en in hoeverre zij die in de gemeente in een bediening zijn gesteld, als adviseur aan de vergaderingen van de kerkenraad deelnemen.

7. De kerkenraad kan predikanten die met bijzondere opdracht aan de gemeente verbonden zijn en dienstdoende predikanten die lid zijn van de gemeente benoemen tot lid van de kerkenraad.


§ 1. Samenstelling van de Algemene Kerkenraad

Artikelen plaatselijke regeling

1.1. Aantal ambtsdragers

De Algemene Kerkenraad bestaat uit de volgende ambtsdragers, die volgens rooster door en uit de wijkkerkenraden zijn aangewezen:




Ambt

Aantal

Predikanten

2

Ouderlingen

4+2 *

Ouderlingen-Kerkrentmeester

2

Diakenen

4

Totaal

12+2*


* Vier ouderlingen vanuit de wijkgemeenten en twee ouderlingen met een bijzondere opdracht. Het aangewezen zijn van ouderling met een bijzondere opdracht geldt voor de periode tot oktober 2008. De voorzitter en secretaris van de Algemene kerkenraad zijn aangesteld tot voornoemde datum met deze bijzondere opdracht. Mocht de invulling van deze posities voor 1 oktober 2008 komen te vervallen dan zullen deze niet meer worden ingevuld.
De leden van de Algemene Kerkenraad nemen zonder last of ruggespraak deel aan het werk van de Algemene Kerkenraad in het belang van de centrale gemeente, maar houden daarbij wel rekening met de belangen van de wijkgemeente die hen heeft afgevaardigd.
Indien meer ambtsdragers beschikbaar zijn dan er plaatsen in de Algemene Kerkenraad zijn, zal er volgens een schema van vertegenwoordiging worden gewerkt.
Daarnaast kan de Algemene Kerkenraad besluiten adviseurs toe te voegen aan de vergadering.


De werkwijze van de algemene kerkenraad

Ord. 4, art. 8. Werkwijze


1. De kerkenraad komt ten minste zes maal per jaar bijeen.

2. De kerkenraad kiest jaarlijks uit zijn midden een moderamen bestaande uit ten minste een preses, een scriba en een assessor. In het moderamen hebben ten minste een predikant, een ouderling, een ouderling-kerkrentmeester en een diaken zitting. Indien de kerkenraad minder dan twaalf leden telt, hebben in het moderamen ten minste een predikant, een ouderling of een ouderling-kerkrentmeester en een diaken zitting.

3. Het moderamen heeft tot taak het voorbereiden, samenroepen en leiden van de bijeenkomsten van de kerkenraad, de uitvoering van die besluiten van de kerkenraad waarvoor geen anderen aangewezen zijn, en voorts, onder verantwoording aan de kerkenraad, het afdoen van zaken van formele en administratieve aard en van zaken die geen uitstel gedogen.

4. De kerkenraad kan zich in zijn arbeid laten bijstaan door commissies die door hem worden ingesteld en die werken in opdracht van, onder verantwoordelijkheid van en in verantwoording aan de kerkenraad.

5. De kerkenraad stelt telkens voor een periode van vier jaar een beleidsplan op, na daarover overleg gepleegd te hebben met het college van kerkrentmeesters, het college van diakenen en met alle daarvoor in aanmerking komende organen van de gemeente.

Elk jaar pleegt de kerkenraad met dezelfde colleges en organen overleg over eventuele wijziging van het beleidsplan.

Nadat de kerkenraad het beleidsplan of een wijziging daarvan voorlopig heeft vastgesteld, wordt dit in de gemeente gepubliceerd. De kerkenraad stelt de leden van de gemeente in de gelegenheid hun mening over het beleidsplan of de wijziging kenbaar te maken. Daarna stelt de kerkenraad het beleidsplan of de wijziging vast.

6. De kerkenraad maakt een regeling voor zijn wijze van werken, waarin in ieder geval wordt geregeld:

het bijeenroepen van zijn vergaderingen, de agendering, de wijze waarop de gemeente wordt gekend en gehoord, de toelating van niet-leden van de kerkenraad tot zijn vergaderingen en het beheer van zijn archieven.

7. De kerkenraad neemt geen besluiten tot het wijzigen van de gang van zaken in de gemeente ten aanzien van:

- het beantwoorden van de doopvragen door doopleden;

- het toelaten van doopleden tot het avondmaal;

- het verlenen van actief en passief kiesrecht aan doopleden;

- de wijze van de verkiezing van ambtsdragers;

- het zegenen van andere levensverbintenissen dan een huwelijk van man en vrouw;

en ter zake van:

- de aanduiding en de naam van de gemeente;

- het voortbestaan van de gemeente;

- het aangaan van een samenwerkingsverband met een andere gemeente;

- de plaats van samenkomst van de gemeente;

- het verwerven, ingrijpend verbouwen, afbreken, verkopen of op andere wijze vervreemden van een kerkgebouw;

zonder de leden van de gemeente daarin gekend en daarover gehoord te hebben.

Het kennen en horen dient in elk geval plaats te vinden in de vorm van een beraad in de gemeente indien het beraad in de desbetreffende ordinantie is voorgeschreven.
Ord. 4, art. 9

2. …



Indien preses en/of scriba als boventallige leden verkozen worden door de algemene kerkenraad blijven zij, in afwijking van het bepaalde artikel 8-2 gedurende hun gehele ambtstermijn in functie.

3. Ter bespreking van voor de gehele gemeente van belang zijnde aangelegenheden roept de algemene kerkenraad een vergadering van alle ambtsdragers van de gemeente bijeen.



4. De verdeling van de taken en bevoegdheden over enerzijds de algemene kerkenraad en anderzijds de wijkkerkenraden wordt aangegeven in een door de algemene kerkenraad in overleg met de wijkkerkenraden vast te stellen regeling, met dien verstande dat de taken en bevoegdheden van de wijkkerkenraden alles omvatten wat tot de taken en bevoegdheden van de kerkenraad behoort, met uitzondering van datgene wat nadrukkelijk wordt toevertrouwd aan de algemene kerkenraad, waaronder, voor zover in de orde van de kerk niet anders is bepaald:

  • het overleg met de wijkkerkenraden over de taak en de samenwerking van de delen in het geheel van de gemeente en de uitvoering van het werk dat in dat overleg aan de algemene kerkenraad wordt toevertrouwd;

  • het treffen van voorzieningen ten behoeve van de gemeente in haar geheel, waar dat nodig is om recht te doen aan de binnen de gemeente voorkomende kerkelijke verscheidenheid;

  • de vermogensrechtelijke aangelegenheden;

  • datgene wat te maken heeft met de rechtspositie van de predikanten en de gesalarieerde medewerkers.



§ 2. De werkwijze van de Algemene Kerkenraad (AK)


    1. De AK vergadert tenminste 6 (=zes) keer per jaar.




    1. De vergaderingen van de AK worden tenminste 10 dagen van te voren bijeengeroepen door het moderamen, onder vermelding van de zaken, die aan de orde zullen komen
      (de agenda).




    1. Naast de reguliere vergadering kan het moderamen een extra vergadering van de kerkenraad bijeen roepen. Tenminste twee leden van de AK kunnen gezamenlijk aan het moderamen een dwingend verzoek doen toekomen een vergadering bijeen te roepen, onder vermelding van agendapunt en overlegging van bijbehorende stukken. Indien het moderamen besluit niet op het verzoek in te gaan, is het moderamen verplicht alle leden te informeren over het verzoek en de reden(en) om geen vergadering te beleggen.




    1. De uitnodiging voor een niet-reguliere vergadering dient tenminste zeven (7) dagen tevoren, met agenda, aan alle leden van de AK te worden verzonden.




    1. Van de vergaderingen wordt een schriftelijk verslag opgesteld, dat in de eerstvolgende vergadering door de AK wordt vastgesteld.




    1. In de eerste vergadering van elk kalenderjaar kiest de AK zijn moderamen. De vergadering kiest, onder leiding van de oudste der aanwezige predikanten, ten minste een predikant, een ouderling, een ouderling-kerkrentmeester en een diaken. In goed overleg zal worden gestreefd naar een vertegenwoordiging van elk der wijkgemeenten in het moderamen.




    1. In de gevallen dat de Kerkorde voorschrijft, dat de AK de gemeente kent in een bepaalde zaak en haar daarover hoort belegt de AK een bijeenkomst met de (betreffende) leden van de gemeente, die wordt aangekondigd in KerkNieuws, dat voorafgaande aan de bijeenkomst verschijnt en afgekondigd op tenminste twee zondagen, die aan de bijeenkomst voorafgaan. In deze berichtgeving vooraf maakt de AK kenbaar over welke zaak hij de gemeente wil horen.




    1. De AK kan besluiten dat gemeenteleden en andere belangstellenden als toehoorder tot een bepaalde vergadering toegelaten worden.




    1. Aan het begin van elke vergadering tekent iedere aanwezige de presentielijst onder vermelding van naam en vertegenwoordigd orgaan.




    1. Bij verhindering de vergadering bij te wonen dient ieder lid tevoren de scriba hieromtrent te informeren en aan te geven of en wie er als vervanger zal optreden.




    1. Het lopend archief van de AK berust bij de scriba van de AK, met inachtneming van de verantwoordelijkheid van de het college van kerkrentmeesters voor de archieven van de gemeente uit hoofde van Ord. 11-2-7 sub g.



Besluitvorming van de algemene kerkenraad

Ord. 4, art. 5 Besluitvorming


1. In alle kerkelijke lichamen worden besluiten steeds na gemeenschappelijk overleg en zo mogelijk met eenparige stemmen genomen.

Blijkt eenparigheid niet bereikbaar, dan wordt besloten met meerderheid van de uitgebrachte stemmen, waarbij blanco stemmen niet meetellen.

2. Stemming over zaken geschiedt mondeling tenzij om schriftelijke stemming wordt gevraagd. Staken de stemmen, dan vindt herstemming plaats. Staken de stemmen weer, dan is het voorstel verworpen.

3. Stemming over personen geschiedt schriftelijk.

Wanneer er niet meer kandidaten zijn dan er verkozen moeten worden, kan mondeling worden gestemd als niemand van de aanwezige leden tegen mondelinge stemming bezwaar maakt.

Indien één kandidaat wordt voorgesteld en de stemmen staken, vindt herstemming plaats. Staken de stemmen weer, dan is de kandidaat niet verkozen.

Indien er meer kandidaten zijn dan er verkozen moeten worden, zijn van hen verkozen diegenen op wie de meeste stemmen zijn uitgebracht en die de meerderheid van de uitgebrachte stemmen hebben behaald, tot het aantal vacatures dat vervuld moet worden.

Indien voor een vacature geen van de kandidaten een meerderheid heeft behaald, vindt een herstemming plaats tussen de twee kandidaten die de meeste stemmen behaalden.

Staken de stemmen, dan vindt herstemming plaats. Staken de stemmen weer, dan beslist het lot.

4. Geen besluiten kunnen worden genomen indien niet ten minste de helft van het aantal leden van het kerkelijk lichaam ter vergadering aanwezig is.

Wanneer in een vergadering het quorum niet aanwezig is, kan ten aanzien van een op die vergadering ingediend voorstel een besluit worden genomen op een volgende vergadering die ten minste twee weken later wordt gehouden, ook wanneer dan het quorum niet aanwezig is.


§ 3. Besluitvorming van de Algemene Kerkenraad (AK)


  1. In vergaderingen van de AK wordt zo veel mogelijk op basis van consensus besloten. Indien geen consensus kan worden bereikt wordt er besloten op basis van meerderheid van uitgebrachte stemmen, waarbij blanco stemmen niet meetellen.




  1. Indien op basis van meerderheid van stemmen wordt besloten, heeft iedere aanwezige gelijk stemrecht volgens het schema onder 1.1 op pagina 3, waarbij aan ieder genoemde vertegenwoordiger één stem wordt toegekend.




  1. In die gevallen zoals vermeld in Ord 4, Art 8.7 (de aanduiding en de naam van de gemeente, het voortbestaan van de gemeente, het aangaan van samenwerkingsverbanden, de plaats van samenkomst van de gemeente, het verwerven, ingrijpend verbouwen, verkopen of anderszins vervreemden van gebouwen) zal pas worden besloten indien er tijdens de vergadering een tweederde meerderheid van stemmen bestaat.




  1. Stemmen over personen geschiedt schriftelijk, behalve als over de te kiezen personen overeenstemming bestaat en geen van de aanwezigen bezwaar heeft tegen verkiezing bij acclamatie.




  1. In principe wordt er mondeling gestemd, behalve als iemand verzoekt om schriftelijke stemming.




  1. Zowel bij mondelinge als schriftelijke stemming geldt dat bij gelijke stemming het voorstel opnieuw in stemming wordt gebracht. Indien dan weer geen meerderheid ontstaat is het voorstel verworpen.




  1. Geen stemming vindt plaats, indien niet tenminste de helft van het aantal leden (=quorum) aanwezig is tijdens de vergadering.




  1. Indien in een vergadering het quorum niet aanwezig is, kan ten aanzien van de geagendeerde voorstellen geen besluit worden genomen. Hetzelfde voorstel kan dan op een volgende vergadering, tenminste tien (10) werkdagen later, opnieuw in stemming worden gebracht zonder inachtneming van het quorum.

§ 4.1. De vermogensrechtelijke aangelegenheden – kerkrentmeesterlijk


Artikel 4. Vermogensrechtelijke aangelegenheden van gemeenten met wijkgemeenten


2. In een gemeente met wijkgemeenten vormen de kerkrentmeesters die lid zijn van een wijkkerkenraad tezamen met de andere kerkrentmeesters die benoemd zijn door de wijkkerkenraad, de wijkraad van kerkrentmeesters. De kerkrentmeesters die lid zijn van de algemene kerkenraad, vormen tezamen met de kerkrentmeesters die daartoe op gezamenlijke voordracht van de wijkraden van kerkrentmeesters door de algemene kerkenraad zijn benoemd, het college van kerkrentmeesters.

Ord. 11, art. 2 Het college van kerkrentmeesters


1. De ouderlingen die in het bijzonder zijn aangewezen tot kerkrentmeester vormen tezamen met de kerkrentmeesters als bedoeld in lid 3 het college van kerkrentmeesters.

2. Het college van kerkrentmeesters bestaat uit ten minste drie leden.

De meerderheid van het college van kerkrentmeesters bestaat uit ouderlingen-kerkrent­meesters.

3. De kerkrentmeesters die geen ouderling zijn, worden door de kerkenraad uit de leden van de gemeente benoemd nadat hun namen zijn voorgedragen aan de gemeente om haar goedkeuring te verkrijgen. Zij kunnen in de gemeente niet tegelijkertijd een ambt dragen.

4. Ten aanzien van de kerkrentmeesters die geen ouderling zijn, is van overeenkomstige toepassing hetgeen voor ambtsdragers bepaald is ter zake van de zittingstijd, de mogelijkheid bezwaar te maken tegen de benoeming, het opzicht en de behandeling van bezwaren en geschillen.

5. Het college van kerkrentmeesters wijst uit zijn midden een voorzitter, een secretaris en een penningmeester aan.

De voorzitter is een van de ouderlingen-kerkrentmeester.

Het college van kerkrentmeesters draagt er zorg voor dat de boekhouding en het middelenbeheer niet in één hand zijn.

6. Indien aan de besluitvorming van het college van kerkrentmeesters minder dan drie leden deelnemen, is een besluit van het college slechts rechtsgeldig,

a. wanneer, bij deelname door twee kerkrentmeesters, één ambtsdrager, daartoe aangewezen door de kerkenraad, aan de besluitvorming heeft deelgenomen en

b. wanneer, bij deelname door één kerkrentmeester, twee ambtsdragers, daartoe aangewezen door de kerkenraad, aan de besluitvorming hebben deelgenomen.

7. Het college van kerkrentmeesters heeft tot taak:

a. het in overleg met en in verantwoording aan de kerkenraad scheppen en onderhouden van de materiële en financiële voorwaarden voor het leven en werken van de gemeente door:

- het meewerken aan de totstandkoming van het beleidsplan, de begroting en de jaarrekening van de gemeente overeenkomstig het bepaalde in ordinantie 4-7-1 en het bepaalde in de artikelen 6 en 7;

- het zorg dragen voor de geldwerving;

- het zorg dragen voor het beschikbaar zijn van ruimten voor de eredienst en de andere activiteiten van de gemeente;

en voorts

b. het beheren van de goederen van de gemeente;



c. het verzorgen van het, in het beleidsplan en de begroting geformuleerde, personeelsbeleid;

d. het zorgdragen voor de arbeidsrechtelijke aangelegenheden van hen die krachtens arbeidsovereenkomst bij de gemeente werkzaam zijn op niet-diaconaal terrein;

e. het fungeren als opdrachtgever van kosters en beheerders van gebouwen en ander beherend en administratief personeel dat op arbeidsovereenkomst in dienst van de gemeente werkzaam is;

f. het bijhouden van de registers van de gemeente, het doopboek, het belijdenisboek en - indien aanwezig - het trouwboek; g. het beheren van de archieven van de gemeente;

h. het beheren van de verzekeringspolissen.

Met het oog op deze taak kan de ouderling-kerkrentmeester worden vrijgesteld van

- het toerusten van de gemeente tot het vervullen van haar pastorale en missionaire roeping en


  • de herderlijke zorg.

8. Het college van kerkrentmeesters blijft bij het beheren van en beschikken over de aan hem toevertrouwde vermogenrechtelijke aangelegenheden van de gemeente binnen de grenzen van het door de kerkenraad vastgestelde beleidsplan en van de door de kerkenraad vastgestelde begroting.

9. De volgende rechtshandelingen behoeven vooraf de instemming van de kerkenraad:

- het verkrijgen, bouwen, ingrijpend verbouwen, uitbreiden of restaureren, verhuren, bezwaren, verkopen of op andere wijze vervreemden en afbreken van een gebouw of een orgel, beide in gebruik ten behoeve van de eredienst of anderszins van belang voor het leven en werken van de gemeente;

- het aangaan van verplichtingen waarin niet bij vastgestelde begroting is voorzien;

- het aanvaarden van erfstellingen of schenkingen onder last of voorwaarde; - het oprichten van of deelnemen aan een stichting;

- het voeren van processen voor de overheidsrechter en het aangaan van overeenkomsten om geschillen op een andere wijze tot een oplossing te brengen.

10. De kerkenraad neemt alleen in overleg met het college van kerkrentmeesters beslissingen op niet-diaconaal terrein waaraan voor de gemeente financiële gevolgen verbonden zijn welke niet bij vastgestelde begroting zijn voorzien.

Ord. 11, art. 5. Rechtspersoonlijkheid en vertegenwoordiging


1. De gemeente heeft rechtspersoonlijkheid.

De gemeente wordt in vermogensrechtelijke aangelegenheden van niet-diaconale aard vertegenwoordigd door de voorzitter en de secretaris van het college van kerkrentmeesters tezamen. Het college van kerkrentmeesters wijst voor elk van beiden uit zijn midden of uit de kerkenraad een plaatsvervanger aan.

3. In alle andere aangelegenheden wordt de gemeente vertegenwoordigd door de preses en de scriba van de kerkenraad tezamen. De kerkenraad wijst voor elk van beiden uit zijn midden een plaatsvervanger aan.
§ 4.1. De vermogensrechtelijke aangelegenheden

kerkrentmeesterlijk

4.1.1. Het college van kerkrentmeesters (CvK) bestaat uit vier (4) leden.


4.1.2. Het CvK kiest uit haar midden een voorzitter, een secretaris en een penning­meester. Van de vier kerkrentmeesters zijn er twee (2) lid van de Algemene Kerkenraad.
4.1.3. Het CvK wijst een administrateur aan. De administrateur woont de vergaderingen van het college bij en heeft daar een adviserende stem. Op hem is het bepaalde in Ord. 4-2 betreffende de geheimhouding van toepassing
4.1.4. De penningmeester is bevoegd betalingen te doen namens de gemeente met inachtneming van het door de Algemene Kerkenraad vastgestelde beleidsplan en de begroting, tot een maximum van € 500 ( vijfhonderd Euro) per betaling. Voor betalingen boven dit bedrag zijn voorzitter en penningmeester gezamenlijk bevoegd. Bij afwezigheid of ontstentenis van de penningmeester treedt de voorzitter op als diens plaatsvervanger.

4.1.5 Het CvK moet kennis hebben van alle commissies en groepen, binnen en buiten de wijkgemeenten, die een eigen financiële boekhouding voeren, en/of over een eigen giro en bankrekeningen beschikken en waarvan de werkzaamheden worden gecontroleerd door de wijkkerkenraden dan wel de Algemene Kerkenraad Alle relevante gegevens moeten jaarlijks aan de administrateur beschikbaar gesteld worden om ze in een geconsolideerde jaarrekening op te kunnen nemen. Voor zover commissies of groepen binnen één wijkgemeente werkzaam zijn, zijn de kerkrentmeesters van die wijk verantwoordelijk voor de tijdige levering van die gegevens


4.1.6. Overeenkomstig Ord. 11-4-3 heeft het CvK de volgende taken aan de wijkraad van kerkrentmeesters toevertrouwd:

  1. De wijkraden van kerkrentmeesters en diakenen verrichten het normale kerkrentmeesterlijk en diaconale werk in de wijkgemeente.

  2. De zorg voor het kerkgebouw en de goede gang van zaken tijdens kerkdiensten


Vermogensrechtelijke aangelegenheden – diaconaal

Artikel 4. Vermogensrechtelijke aangelegenheden van gemeenten met wijkgemeenten


4. In een gemeente met wijkgemeenten vormen de diakenen die lid zijn van een wijkkerkenraad, de wijkraad van diakenen. De diakenen die lid zijn van de algemene kerkenraad, vormen tezamen met de diakenen die daartoe op gezamenlijke voordracht van de wijkraden van diakenen door de algemene kerkenraad zijn benoemd, het college van diakenen.


Ord. 11, art. 3. Het college van diakenen


1. De diakenen vormen tezamen het college van diakenen. Het college van diakenen bestaat uit ten minste drie leden.

2. Het college van diakenen wijst uit zijn midden een voorzitter, een secretaris en een penningmeester aan. Het college van diakenen draagt er zorg voor dat de boekhouding en het middelenbeheer niet in één hand zijn.

3. Indien aan de besluitvorming van het college van diakenen minder dan drie leden deelnemen, is een besluit van het college slechts rechtsgeldig,

a. wanneer, bij deelname door twee diakenen, één ambtsdrager, daartoe aangewezen door de kerkenraad, aan de besluitvorming heeft deelgenomen en

b. wanneer, bij deelname door één diaken, twee ambtsdragers, daartoe aangewezen door de kerkenraad, aan de besluitvorming hebben deelgenomen.

4. Het college van diakenen heeft tot taak:

a. het in overleg met en in verantwoording aan de kerkenraad scheppen en onderhouden van de materiële en financiële voorwaarden voor de door de gemeente te verrichten diaconale dienst door:

- het meewerken aan de totstandkoming van het beleidsplan, de diaconale begroting en de diaconale jaarrekening overeenkomstig het bepaalde in ordinantie 4-7-1 en het bepaalde in de artikelen 6 en 7;

- het zorg dragen voor de geldwerving ten behoeve van de diaconale arbeid van de gemeente;

en voorts

b. het beheren van de goederen van de diaconie;

c. het verzorgen van het, in het beleidsplan en de diaconale begroting geformuleerde, personeelsbeleid;



d. het zorgdragen voor de arbeidsrechtelijke aangelegenheden van hen die krachtens arbeidsovereenkomst bij de diaconie werkzaam zijn;

e. het fungeren als opdrachtgever van hen die op arbeidsovereenkomst in de gemeente op diaconaal terrein werkzaam zijn;

f. het beheren van verzekeringspolissen.

5. Het college van diakenen blijft bij het beheren van en beschikken over de aan hem toevertrouwde vermogensrechtelijke aangelegenheden binnen de grenzen van het door de kerkenraad vastgestelde beleidsplan en de door de kerkenraad vastgestelde begroting.

6. De volgende rechtshandelingen behoeven vooraf de instemming van de kerkenraad:

- het aangaan van verplichtingen waarin niet bij vastgestelde begroting is voorzien;

- het aanvaarden van erfstellingen of schenkingen onder last of voorwaarde;

- het oprichten van of deelnemen aan een stichting;



- het voeren van processen voor de overheidsrechter en het aangaan van overeenkomsten om geschillen op een andere wijze tot een oplossing te brengen.

7. Het college van diakenen is bevoegd diaconale steun te verlenen aan personen, organen, kassen, fondsen, instellingen en rechtspersonen in binnen- en buitenland.

Uitsluitend in zeer bijzondere gevallen, zulks ter beoordeling van het regionale college voor de behandeling van beheerszaken en nadat ter zake toestemming is verkregen van dit college, kan het college van diakenen besluiten diaconale gelden beschikbaar te stellen voor niet-diaconaal werk van de gemeente.

8. De kerkenraad neemt alleen in overleg met het college van diakenen beslissingen waaraan voor de diaconie van de gemeente financiële gevolgen verbonden zijn welke niet bij vastgestelde begroting zijn voorzien.




Ord. 11, art. 5. Rechtspersoonlijkheid en vertegenwoordiging


2. De diaconie van de gemeente heeft rechtspersoonlijkheid. Het college van diakenen is het bestuur van de diaconie.

De gemeente wordt in vermogensrechtelijke aangelegenheden van diaconale aard vertegenwoordigd door de diaconie. De diaconie van de gemeente wordt vertegenwoordigd door de voorzitter en de secretaris van het college van diakenen tezamen. Het college van diakenen wijst voor elk van beiden uit zijn midden of uit de kerkenraad een plaatsvervanger aan.



§ 4.2. De vermogensrechtelijke aangelegenheden – diaconaal



      1. In het College van Diakenen hebben alle wijkdiakenen zitting

      2. Het College wijst uit zijn midden een penningmeester aan, die belast wordt met de boekhouding van het College.

      3. Voor alle betalingen zijn alleen het dagelijks bestuur (voorzitter, penningmeester en secretaris) gezamenlijk bevoegd.

      4. Het college van Diakenen heeft op dit moment geen specifieke taken aan de wijkraad van diakenen toevertrouwd buiten wat in de ordinanties en dit reglement al is vastgelegd.


4.3. De vermogensrechtelijke aangelegenheden – algemeen


Ord. 11, art. 6. De begrotingen en het collecterooster


1. Elk jaar plegen het college van kerkrentmeesters en het college van diakenen met de kerkenraad en met alle daarvoor in aanmerking komende organen van de gemeente overleg over de in samenhang met het door de kerkenraad vastgestelde beleidsplan op te stellen begrotingen en het collecterooster van het komende kalenderjaar.

2. Vóór 1 november dienen het college van kerkrentmeesters en het college van diakenen hun ontwerpbegrotingen bij de kerkenraad in, vergezeld van een door hen in onderling overleg opgesteld gemeenschappelijk ontwerpcollecterooster.

3. Indien de kerkenraad wijzigingen wil aanbrengen in de ontwerpbegrotingen overlegt hij met het betrokken college over de voorgenomen wijziging. Indien over de wijziging geen overeenstemming wordt verkregen, vraagt de kerkenraad bemiddeling van het regionale college voor de behandeling van beheerszaken. Eerst na bemiddeling van het regionale college neemt de kerkenraad een definitief besluit.

4. Nadat de kerkenraad de begrotingen voorlopig heeft vastgesteld, worden deze in samenvatting in de gemeente gepubliceerd en tevens gedurende een week in haar geheel voor de leden van de gemeente ter inzage gelegd. De kerkenraad stelt de leden van de gemeente in de gelegenheid hun mening over de begrotingen kenbaar te maken op de wijze die in de regeling voor de wijze van werken van de kerkenraad is aangegeven. Daarna stelt de kerkenraad de begrotingen en het collecterooster vast.

5. Indien een kerkenraad wijzigingen wil aanbrengen in de vastgestelde begroting is het bepaalde in lid 3 en 4 van overeenkomstige toepassing.

Ord. 11, art. 7. De jaarrekeningen


1. Het college van kerkrentmeesters en het college van diakenen leggen elk jaar vóór 1 mei hun ontwerpjaarrekeningen over het laatstverlopen kalenderjaar aan de kerkenraad voor.

2. Deze jaarrekeningen worden in haar geheel of in samenvatting in de gemeente gepubliceerd en tevens gedurende een week in haar geheel voor de leden van de gemeente ter inzage gelegd. De kerkenraad stelt de leden van de gemeente in de gelegenheid hun mening over de jaarrekeningen kenbaar te maken. op de wijze die in de regeling voor de wijze van werken van de kerkenraad is aangegeven.

3. Daarna stelt de kerkenraad de jaarrekeningen vast, hetgeen strekt tot decharge van de kerkrentmeesters respectievelijk de diakenen inzake het door hen gevoerde beheer, tenzij de kerkenraad een voorbehoud maakt, of het regionale college voor de behandeling van beheerszaken nader overleg wenst.

4. Elk jaar wordt vóór de vaststelling van de jaarrekeningen de financiële administratie van de gemeente en van de diaconie gecontroleerd door een door de kerkenraad aan te wijzen certificerend accountant of twee andere onafhankelijke deskundigen.


§ 4.3. De vermogensrechtelijke aangelegenheden – algemeen
4.3.1. Vóór 1 oktober dienen de wijkkerkenraden na overleg met de wijkraden van kerkrentmeesters en diakenen de door hen vastgestelde wijkbegroting in, met afschrift aan het CvK c.q. diakenen.

De wijkbegrotingen worden door de Algemene Kerkenraad c.q. colleges van kerkrentmeesters en diakenen opgenomen in de begroting van de gemeente. Indien de Algemene Kerkenraad dan wel een van de colleges bezwaren heeft tegen een wijkbegroting treden zij in overleg met de wijkkerkenraad en de wijkraden teneinde de bezwaren weg te nemen.


4.3.2.

Vóór 1 april dienen de wijkkerkenraden na overleg met de wijkraden van kerkrentmeesters en diakenen de door hen vastgestelde wijkjaarrekening in, met afschrift aan het CvK c.q. diakenen.

De wijkjaarrekeningen worden door de Algemene Kerkenraad c.q. colleges van kerkrentmeesters en diakenen opgenomen in de jaarrekening van de gemeente. Indien de algemene kerkenraad dan wel een van de colleges bezwaren heeft tegen een wijkjaarrekening treden zij in overleg met de wijkkerkenraad en de wijkraden teneinde de bezwaren weg te nemen.
4.3.3. De gemeenteleden worden in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken over begroting en jaarrekening.
Voor de vaststelling dan wel wijziging van de begroting en voor de vaststelling van de jaarrekening worden deze stukken in samenvatting gepubliceerd in het KerkNieuws.

De volledige stukken kunnen gedurende een week worden ingezien. Bij de publicatie worden tijd en plaats vermeld.

Reacties kunnen tot drie dagen na het einde van de periode van ter inzage legging worden gestuurd aan de scriba van de algemene kerkenraad.
Elke wijk heeft de verplichting om in een meerjarenbegroting aan te tonen dat de wijk voldoende draagkracht heeft om het pastoraat in die wijk op een acceptabel niveau te kunnen houden. De wijk zal in eerste instantie zelf zonodig alle maatregelen nemen om aan deze eis te kunnen voldoen. In laatste instantie zal de AK uiteindelijk beslissen over het voortbestaan van een wijk als andere maatregelen geen effect gesorteerd hebben om binnen de wijk voldoende draagkracht te vinden om het pastoraat op een acceptabel niveau te kunnen houden.
§ 4.4. Overige taken van kerkrentmeesters en diakenen
In deze paragraaf worden nog een aantal vermeldingen van de kerkrentmeesters en de diakenen in de Ordinanties bij de Kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland genoemd, bedoeld om een indruk te geven van de taken, die in de Kerkorde zijn toegedacht aan het College van Kerkrentmeesters resp. diakenen en die in de vorige paragrafen van het model nog niet zijn genoemd.

A. Kerkrentmeesters




  1   2

  • 1.1. Aantal ambtsdragers
  • Ord. 4, art. 8. Werkwijze
  • Ord. 4, art. 5 Besluitvorming
  • Artikel 4. Vermogensrechtelijke aangelegenheden van gemeenten met wijkgemeenten
  • Ord. 11, art. 2 Het college van kerkrentmeesters
  • Ord. 11, art. 5. Rechtspersoonlijkheid en vertegenwoordiging
  • Ord. 11, art. 3. Het college van diakenen
  • Ord. 11, art. 6. De begrotingen en het collecterooster
  • Ord. 11, art. 7. De jaarrekeningen

  • Dovnload 213.37 Kb.