Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Portfolio opdracht 1: Minitrampoline springen

Dovnload 2.41 Mb.

Portfolio opdracht 1: Minitrampoline springen



Pagina1/2
Datum29.06.2018
Grootte2.41 Mb.

Dovnload 2.41 Mb.
  1   2




Portfolio opdracht 1: Minitrampoline springen


Niveau

1 (groep 1 – 2)

Kernactiviteit

Minitrampoline springen, veren en eruit springen

Arrangement

Afzetvlak: een kastdeel, 10 centimeter hoger dan de trampoline.

Springvlak: een fitnesstramp of zwiepplank.

Landingsvlak: twee matten.


Opdracht

Spring vanaf het kastdeel op de trampoline, spring vijf keer op en neer en land daarna op de mat.

Niveau in uitvoeringswijze

Zorg : Kan niet direct springen na de insprong.

1: Komt tijdens het springen los van de trampoline en landt veilig op de mat.

2: Komt tijdens het springen in balans en ruim los van de trampoline.

3: Springt hoog uit de trampoline en landt veilig.



Hulpverlening

Schuift matten terug als dat nodig is.

Zorgt voor een veilige leeromgeving/situatie.



Aanwijzingen

Harder afzetten in de trampoline.

In het midden van de trampoline springen.






Niveau

2 (groep 3 – 4)

Kernactiviteit

Minitrampoline springen met verhoogde aanloop

Arrangement

Aanloopvlak: twee banken.

Afzetvlak: een lage schuine minitramp.

Landingsvlak: een dikke mat.

Beveiliger: leerkracht.



Opdracht

Loop aan over de banken, zet met twee benen af in de minitrampoline en land op de mat.

Niveau in uitvoeringswijze

Zorg: Springt niet in balans en valt vaak bij de landing.

1: Springt vanuit een rustige aanloop met beide benen tegelijk in de minitrampoline, verkrijgt een korte zweeffase en landt veilig op de mat.

2: Kiest tempo van aanlopen zo dat het zweven meer omhoog is dan naar voeren en compenseert in de zweeffase balansverstoringen.

3: Loopt in een hoog tempo aan, springt ruim naar de minitramp toe, zweeft hoog en in balans.



Hulpverlening

Helpt als beveiliger bij de landing de springer door deze zo nodig vast te pakken.

Zorgt voor een veilige leeromgeving/situatie.



Aanwijzingen

Betere aanloop nemen (sneller of langzamer).

Goede been voorzetten met aanloop zodat je goed in de trampoline belandt.

Beter afzetten (harder of zachter).

Niet afremmen voordat je op de trampoline belandt.





Niveau

3 (groep 5 – 6)

Kernactiviteit

Minitrampoline springen met makkelijke trucs.

Arrangement

Aanloopvlak: twee banken.

Afzetvlak: een lage schuine minitrampoline.

Landingsvlak: een dikke mat.

Beveiliger: een goede medeleerling of de leerkracht.



Opdracht

Loop aan over banken, zet af in de minitrampoline, voer tijdens de zweeffase een truc uit en land op twee benen op de mat.

Mogelijke makkelijke trucs: Handen meebewegen, klappen in handen, wiebelen met achterwerk.



Niveau in uitvoeringswijze

Zorg: Kan een eenvoudige truc niet uitvoeren.

1: Springt vanuit een rustige aanloop met beide benen tegelijk in de trampoline, voert tijdens een korte zweeffase een eenvoudige truc uit en landt veilig op twee benen.

2: Past aanloopsnelheid aan de sprong aan, voert tijdens de hoge zweeffase een eenvoudige truc uit en corrigeert balansverstoringen.

3: Springt ruim naar de minitrampoline toe, voert tijdens de hoge zweeffase goed in balans een eenvoudige truc uit.



Hulpverlening

Schat het eigen niveau in met betrekking tot de keuze van de trucs.

Helpt een sprong van de springer van normaal niveau te beveiligen door de springer bij de landing vast te pakken.



Aanwijzingen

Betere aanloop nemen (sneller of langzamer).

Goede been voorzetten met aanloop zodat je goed in de trampoline belandt.

Beter afzetten (harder of zachter).

Niet afremmen voordat je op de trampoline belandt.

Goed in balans blijven.





Niveau

4 (groep 5 – 6)

Kernactiviteit

Minitrampoline springen met moeilijke trucs.

Arrangement

Aanloopvlak: twee banken.

Afzetvlak: een lage schuine minitrampoline.

Landingsvlak: een dikke mat.

Beveiliger: een goede medeleerling of de leerkracht.



Opdracht

Loop aan over banken, zet af in de minitrampoline, voer tijdens de zweeffase een truc uit en land op twee benen op de mat.

Mogelijke moeilijke trucs: benen spreiden of hurken, karatebeweging.



Niveau in uitvoeringswijze

Zorg: Kan een eenvoudige truc niet uitvoeren.

1: Springt vanuit een rustige aanloop met beide benen tegelijk in de trampoline, voert tijdens een korte zweeffase een eenvoudige truc uit en landt veilig op twee benen.

2: Past aanloopsnelheid aan de sprong aan, voert tijdens de hoge zweeffase een eenvoudige truc uit en corrigeert balansverstoringen.

3: Springt ruim naar de minitrampoline toe, voert tijdens de hoge zweeffase goed in balans een moeilijke truc uit.



Hulpverlening

Schat het eigen niveau in met betrekking tot de keuze van de trucs.

Helpt een sprong van de springer van normaal niveau te beveiligen door de springer bij de landing vast te pakken.



Aanwijzingen

Betere aanloop nemen (sneller of langzamer).

Goede been voorzetten met aanloop zodat je goed in de trampoline belandt.

Beter afzetten (harder of zachter).

Niet afremmen voordat je op de trampoline belandt.

Goed in balans blijven.




Niveau

5 (groep 7 – 8)

Kernactiviteit

Minitrampoline springen met verlaagde aanloop en trucs.

Arrangement

Aanloopvlak: de grond (lengte 6 – 8m).

Afzetvlak: schuine lage minitramp.

Landingsvlak: dikke landingsmat.

Beveiliger: medeleerling of leerkracht.



Opdracht

Loop aan over de grond, zet af in de minitrampoline, gevolgd door een hoge rechtstandige sprong en land in stilstand op de mat. Je kiest zelf welke truc je uitvoert tijdens de zweeffase.

Niveau in uitvoeringswijze

Zorg: Kan vanaf de grond niet veilig inspringen in de minitrampoline.

1: Springt vanuit een rustige aanloop met beide benen tegelijk in de trampoline, voert tijdens de zweeffase een truc uit en landt veilig op de twee benen.

2: Past aanloopsnelheid aan de sprong aan, springt ruim naar de minitrampoline, ondersteunt de sprong goed met armbewegingen, voert tijdens de hoge zweeffase in balans een truc uit en landt in stilstand op twee benen.

3: Loopt in een hoog tempo aan, springt vlak naar de minitrampoline, voert tijdens een hoge zweeffase in balans een moeilijke combinatietruc uit en landt in stilstand op twee benen.



Hulpverlening

Beveiligt als hulpverlener geconcentreerd een serie sprongen achter elkaar.

Aanwijzingen

Betere aanloop nemen (sneller of langzamer).

Goede been voorzetten met aanloop zodat je goed in de trampoline belandt.

Beter afzetten (harder of zachter).

Niet afremmen voordat je op de trampoline belandt.

Goed in balans blijven.





Niveau

6 (groep 7 – 8)

Kernactiviteit

In groepsverband een show maken met minitrampoline springen met verlaagde aanloop en trucs.

Arrangement

Aanloopvlak: de grond (lengte 6 – 8m).

Afzetvlak: schuine lage minitramp.

Landingsvlak: dikke landingsmat.

Beveiliger: medeleerling of leerkracht.



Opdracht

Maak een groepje van vier leerlingen en maak met dit groepje een show van de geoefende trampoline sprongen. Je kiest samen 3 sprongen die je allemaal tijdens deze show uitvoert. Ook zorg je ervoor dat je er een echte show van maakt door eventueel muziek erbij te gebruiken.

Niveau in uitvoeringswijze

Zorg: Kan vanaf de grond niet veilig inspringen in de minitrampoline.

1: Springt vanuit een rustige aanloop met beide benen tegelijk in de trampoline, voert tijdens de zweeffase een truc uit en landt veilig op de twee benen.

2: Past aanloopsnelheid aan de sprong aan, springt ruim naar de minitrampoline, ondersteunt de sprong goed met armbewegingen, voert tijdens de hoge zweeffase in balans een truc uit en landt in stilstand op twee benen.

3: Loopt in een hoog tempo aan, springt vlak naar de minitrampoline, voert tijdens een hoge zweeffase in balans een moeilijke combinatietruc uit en landt in stilstand op twee benen.



Hulpverlening

Beveiligt als hulpverlener geconcentreerd een serie sprongen achter elkaar.

Aanwijzingen

Zorg voor een goede samenwerking binnen het groepje.

Zorg ervoor dat iedereen in je groepje de sprongen kan uitvoeren, dus ga niet voor te moeilijk.

Zorg ervoor dat leerlingen die naar de show kijken feedback geven.

Betere aanloop nemen (sneller of langzamer).

Goede been voorzetten met aanloop zodat je goed in de trampoline belandt.

Beter afzetten (harder of zachter).

Niet afremmen voordat je op de trampoline belandt.

Goed in balans blijven.




Bronnen:

Basisdocument bewegingsonderwijs voor het basisonderwijs – Chris Mooij



Portfolio opdracht 2 blok 1 bewegingsonderwijs
Ringenzwaaien


  • Omschrijf jouw eigen niveau m.b.t. ringenzwaaien. Wat kun je voordoen?

Wij kunnen t/ m kernactiviteit ringzwaaien met halve draai en afsprong voordoen. Dit is een kernactiviteit voor groep 7 en 8.


  • Vergelijk dat niveau met niveau 3 van groep 7-8. Zijn er tekorten? Benoem deze.

Het niveau 3 is ‘Maak vlotte halve draaien aan het einde van de voorzwaai en zwaai daarna hoger door. Laat de ringen los op het dode punt en landt volledig in balans.’ Wanneer we kijken naar ons eigen niveau komen er wel een aantal tekorten naar voren. Een aantal van die tekorten zijn: Het volledig in balans zijn en het tempo van het zwaaien.


  • Bij het ringenzwaaien met halve draaien zijn er een aantal dominante factoren (factoren die van grote invloed zijn op het lukken of mislukken) Noem 3 van deze factoren.

  1. Het tempo van het zwaaien.

  2. De hoogte van de ringen.

  3. Veilige werksfeer.




  • Kijk nu naar de halve draai. Wat bepaalt het lukken? (m.a.w. welke tips kun je kinderen geven?) Noem er 2 en vermeld waar je deze tips vandaan hebt.

  1. Harder afzetten tegen de vloer.

  2. Ritmische afzet op de grond.




  • Als je de kinderen laat afspringen, doe je dat dan in de voor- of achterzwaai?

In het dode punt van de achterzwaai.


  • Wat wordt bedoeld met en omschrijf de volgende 2 vak begrippen: strekhangzwaaien, dislokeren.

Strekhangzwaaien: De stekhangzwaai is eigenlijk gewoon ‘het zwaaien aan de ringen’. De duimen moeten altijd om de ringen heen zijn. Bij deze beweging let je op:

  1. Einde voorzwaai ‘kommahouding’.

  2. Op de grond ‘Twee stappen’.

  3. Einde achterzwaai ‘kommahouding’.

Dislokeren: Dislokeren is het uitvoeren van bepaalde ring- of trapezezwaai oefeningen.


  • Je wilt aan groep 8 een les ringenzwaaien geven. Omschrijf 3 leervoostellen van eenvoudig naar steeds moeilijker. Het is daarbij de bedoeling dat de eerste 2 leervoorstellen door (bijna) iedereen kunnen worden uitgevoerd. Het derde leervoorstel is waarschijnlijk slechts haalbaar voor de betere ringenzwaaiers.

  1. ‘Pak de ringen vast en laat je een opzetje geven door een medeleerling. Zwaai twee keer naar voren en verminder vaart op de mat door af te slepen.’

  2. ‘Pak de ringen vast en laat je een opzetje geven door een medeleerling. Zwaai twee keer naar voren en maak een halve draai in en uit, en maak een afsprong op de mat.

  3. ‘Pak de ringen vast en maak zelf vaart. Zwaai twee keer naar voren en maak een halve draai in en uit, herhaal dit en maak een afsprong op de mat.’

Bronnen:


http://www.meesterharald.nl/documenten/blok3/leskaart%20strekhangzwaai%20in%20de%20ringen.pdf

Basisdocument bewegingsonderwijs voor het basisonderwijs


Trapezestok schommelen en zwaaien


  • Beschrijf en teken een arrangement waarbij je met kinderen van de middenbouw gaat schommelen m.b.v. trapezestokken.

Kernactiviteit

Trapezezwaaien vanuit een aanloop

Arrangement

Twee ringenstellen

Per ringenstel één trapezestok

Bank schuin oplopend op kastdelen, circa 1 meter voor ophangpunt ringen

Twee kasten, vier of vijf delen, ongeveer 100 cm hoog

Drie matten als loop- en landingsvlak, aansluitend op de bank

Zwaaigebied afbakenen met pionnen

Bank als wachtplaats

Per trapezestok: één zwaaier en drie wachters

Twee opstellingen


Opdracht

‘Loop rustig naar voren, kom tot steun op de trapezestok. Zwaai in steun heen en weer op de trapeze. Na de derde achterzwaai spring je af op de mat.’

Niveau

Zorg: Komt niet tot een veilige steunbalans, zwaait nauwelijks en met gebogen armen. Beëindigt al vroeg de zwaai.

1: Komt vanuit een korte aanloop tot een goede steunbalans en zwaait rustig. Landt veilig na de inzet van de voorzwaai op de matten.

2: Komt vanuit een lange snelle aanloop tot een goede steunbalans en zwaait hoog. Landt veilig op de matten.

3: Komt met een opsprong tot zwaaien in steun en zwaait hoog. Kan tijdens de afsprong eerst de benen hoog naar achter opzwaaien, daarna afzweven en de stok loslaten voor de landing.



Reguleringsdoelen

Houdt zich aan de veiligheidsafspraken bij het zwaaien.

Houdt zich aan de veiligheidsafspraken bij het wachten tot de eigen beurt.



Kan de eigen bewegingsmogelijkheden goed inschatten.


  1   2

  • Portfolio opdracht 1: Minitrampoline springen
  • Bronnen

  • Dovnload 2.41 Mb.