Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Preek over 1 Sam. 16 : 7b Orde van dienst

Dovnload 80.48 Kb.

Preek over 1 Sam. 16 : 7b Orde van dienst



Datum14.10.2017
Grootte80.48 Kb.

Dovnload 80.48 Kb.





Preek over 1 Sam.16 : 7b




Orde van dienst

1. Votum en groet

2. Psalm: 89 : 9

3. Wet des Heeren/ Apost.Gel.

4. Psalm: 51 : 3 / 32 : 4

5. Schriftlezing: 1 Sam.16 : 1 - 13

6. Gebed

7. Tekst/ thema:

Want de mens ziet aan wat voor ogen is, maar de Heere ziet het hart aan (1 Sam.­16 : 7b).
Verdeling van de preek:


  1. De zalving van David te Bethlehem

  2. De mens ziet aan wat voor ogen is

  3. Maar de Heere ziet het hart aan

  4. Communiceren van hart tot hart

8. Inzameling der gaven

9. Psalm: 139 : 4, 7, 8, 14

10.Prediking

11.Psalm: 40 : 4

12.Dankgebed

13.Psalm: 131 : 1, 3

1­4­.­Z­e­g­e­n­b­e­de.


* * * *

1. De zalving van David te Bethlehem
De profeet Samuël is in Bethlehem. Door God daarheen gezonden om een koning over Israël te zalven. Heeft Israël dan geen koning? Ja zeker, Saul; geweldig van gestalte. Maar deze is niet oprecht voor God. Hij is geen goede leidsman van zijn volk. Daarom gaat God aan zijn koning­schap een einde maken.
Samuël wordt naar het herdersdorp Bethlehem gestuurd, naar het gezin van de veeboer Isaï. Daar organiseert hij een offermaal­tijd. In het geheim. Want Saul mag het niet weten. Alleen Isaï is op de hoogte. Zijn zonen ook? Zij zijn voor de offermaaltijd geno­digd. Binnen deze God-gewij­de gemeenschap zal de koning Israëls door God Zelf worden aangewezen en met Zijn Geest bekwaamd.
Eén voor één komen ze voorbij; in nette pakken. Stuk voor stuk flinke kerels.
En dan gaat het gebeuren. Eliab komt eraan. De oudste. Hij eerst. Rijzige gestalte. Sterke handen aan zijn lijf. Een prachtkan­didaat voor het koning­schap: representatief, imponerend voorko­men (een koning moet zijn figuur mee hebben).
‘Eliab’, zegt hij, terwijl hij Samuël de hand drukt. De pro­feet tast in zijn zak naar de oliehoorn met zalfolie. Daarmee zal hij de man naar Gods hart aanstellen.
Maar opeens laat Samuëls hand de oliehoorn los. Er is een stem in zijn hart die hem afmaant om te doen wat zijn ogen zeggen, dat hij doen moet. Samuël, mens...zie niet aan wat voor ogen is. De Heere kijkt dieper. Hij kijkt ernaar, hoe iemand er van binnen uitziet. God ziet het hart aan.
De tweede: Abinadab...Je zou zeggen...Nee, ook die is het niet. Dan Samma, de derde. Maar het blijft steeds stil in Samuëls binnenste. Ook bij de vierde, de vijfde, de zesde en de zeven­de. Dan is alles voor­bij. Is zijn missie naar Bethleh­em dan een vergis­sing? Of is Samuël al te be­vreesd, dat hij weer een soort Saul zou kiezen?
Samuël, doe maar wat u deed in uw jongste ja­ren, toen u bij Eli in Silo’s heiligdom sliep. Zeg: ‘Spreek, Heere, want uw knecht hoort’. Laat God het zeggen. Als onze wegen doodlopen, wijst Hij een nieuw spoor.
Zijn dit al de zonen van Isaï? Nee. Er is nog een achtste, de jongste. Die past op de schapen in de velden van Efrata. Hij hoeft er toch niet bij te zijn? ‘Halen’, zegt Samuël. Niemand mag worden overgesla­gen. Daar komt hij dan: gezonde blosjes op de wangen, stralende ogen, spiegels van een godvre­zend hart, knap van aanzien.

Ogen­blikkelijk luidt het Woord des Heeren in Samuëls hart: ‘Sta op, zalf hem; want deze is het’ (2 Sam.16 : 12b).




De jongen knielt neer. Samuël giet de hoorn met heilige zalf­olie leeg over zijn hoofd. Het hele huis ruikt ernaar. Ieder­een staat verwonderd te kijken. En het meest verwonderd zal David zelf zijn geweest. Hij koning van Israël? Bij be­sluit van de Alwetende en Almachtige.


Ik heb bij ene held voor Israël hulp be­schoren,

hem uit het volk verhoogd; hem had Ik uitverko­ren.

‘k Heb David, Mijne knecht, Mijn gunste­ling gevonden,

en hem met heil’ge zalf aan Mij en ‘t rijk verbonden.

(Ps.89­ : 9)
Straks is de herdersknaap weer terug bij zijn schapen. Voorlo­pig blijft alles nog even bij het oude. David wacht op Gods tijd en intussen zingt hij het hoog­ste lied: ‘De Heer’ is mijn Herder...’. Een psalm die liefelijk is en harten treft. Koning/ dichter/ musicus.
Luisteren we vanmorgen in het bijzonder, ge­meente naar wat we lezen in 1 Sam.16 : 7b: ‘Want de mens ziet aan wat voor ogen is, maar de Heere ziet het hart aan’. Dat is het doorslag­ge­vende in de verkiezing van David als koning van Israël.
2.De mens ziet aan wat voor ogen is.
Dat eerst. Waar kijkt een mens al niet naar.
Ogen heeft een mens om mee te kijken. Dat spreekt vanzelf. Onze ogen zijn als de lens van een fototoestel dat gericht wordt op een be­paald voorwerp of persoon.
Hoewel wij alle kanten op kunnen kijken, zien wij vaak toch heel veel dingen niet: dingen die ons niet inte­resseren, waar we geen belang bij hebben. De meeste mensen zien de kleine dingen over het hoofd. De meeste mensen kijken slechts naar de buitenkant en zo oordelen ze ook, vaak heel oppervlakkig. Zij nemen de dingen zoals ze zijn, denken ze. Maar eigenlijk nemen ze de dingen, zoals die zich aan hen voor­doen. Ze doen geen moeite om de kern van een zaak op te zoe­ken.
Zo gaan we ook met onze medemensen om. Niet echt geïnte­res­seerd in wat zij in hun diepste wezen zijn. Wij volstaan met hen van de buiten­kant te bezien. Met de gretige blik van iemand die wat van die anderen wil halen (Spr.­28 : 22; de man van een boos oog). Daarom luiste­ren we ook soms maar half. We communiceren niet van hart tot hart, maar opper­vlakkig.
Dat verraadt onze instelling. Onze ogen zijn de spiegels van onze ziel.

‘De kaars van het lichaam is het oog’ (Matth.6 : 22; Luk.11 : 34). Door onze ogen straalt ons innerlijk licht uit; en vanuit die belichting zien we de dingen en de mensen om ons heen. En zoals wij naar andere dingen/ mensen kij­ken, zo willen we maar ook het liefst zelf beoordeeld worden.


Liever geen open boek voor de ander. Een groot scherm om ons heen. Afblij­ven. Niet binnenkomen zonder klop­pen. Laat me a.u.b. mezelf blijven. We worden niet graag door de blikken van een ander be­spied of uitgekleed. We zouden dan wel eens lelijk tegen kunnen vallen. We laten ons niet van binnen bekijken. Het liefst zitten we maar met Adam achter één of ander struikgewas.
De mens kijkt naar wat voor ogen is.
Onze voorkeu­ren zijn geba­seerd op uiterlijke kenmerken. Wij beoordelen onze naaste op dingen waarmee die zich aan ons voor­doet. Maar verkij­ken we ons zo niet verschrikkelijk op elkaar en beoor­delen wij elkaar daarmee dan niet heel ver­keerd?
Denk nog even aan de geschiedenis van 1 Sam.16. Zelfs de pro­feet Samuël liep gevaar grote be­oordelingsfouten te maken, doordat hij op ui­terlijke gestalten afging. En lopen wij dat gevaar dan soms niet?
De mens ziet aan wat voor ogen is. Enkele voor­beelden.


  • De rijzige gestalte van een voornaam man, gekleed in een pak van de duurste mode. ‘Klei­der machen Leute.’ Geld als water. Een paleis van een huis. Vrienden zonder getal, met wie hij grote tuinfeesten houdt.




  • Een meisje dat haar figuur mee heeft en door haar make-up en door haar in het oog lopend gedrag de aandacht trekt. Het oog wil wat. Halve naakt­heid boeit. Zij avonturiert maar wat. Aan een goede metgezel met wie zij zegen­rijk door ‘t leven zou kunnen gaan, denkt zij niet di­rect. Die heeft zij niet op het oog. Ze houdt van wisselende contacten. Ze beseft niet, dat wanneer zij uit het oog is, ook meteen uit het hart is.




  • De geleerde die een x aantal titels voor zijn naam heeft. Hij doet door zijn kennis iedereen paf staan. Een ideaalbeeld voor leergierigen; die zouden ook wel graag zo’n status berei­ken!




  • Een uiterst vrome vrouw die een voorbeeld is van kerkelijke meelevendheid, van sociale bewo­genheid, van ingetogenheid. Zo precies in haar handel en wandel, zo perfect dat zij haast niet over een dwarsliggend strootje durft te stappen.

De mens ziet aan wat voor ogen is. Naar ‘de begeerlijkheid des vleses en de begeerlijkheid der ogen’ (1 Joh.2 : 16a). En zou dat het niet zijn, waardoor ook wereldgroten vaak grote delen van de wereld in hun ban hebben en fana­tieke massa’s om zich heen?

De mens ziet aan wat voor ogen is. Dat is de optiek van de mens. Hij kijkt naar wat ‘super’ is.
Maar eigen­lijk heeft hij zijn ogen in zijn zak. Hij kijkt niet achter de schermen. Hij beseft niet, dat alles, hoe schoon ook, eenmaal ver­gaat. ‘Relin­quenda’ - moet verlaten worden.
3. Maar de Heere ziet het hart aan
Maar hoe oordeelt nu de Heere? We lezen in de tekst: ‘Maar de Heere ziet het hart aan’. De Heere gaat niet af op de uiterlijke gestalte. Niet van Eliab, van Samma..., niet van u en van mij. Hij ziet aan wat daarachter schuilgaat. Hij kijkt naar het hart van David, de kleinste die nog niet meetelt.
De Heere kijkt naar het hart. Het hart is het (bestuurs)cen­trum van ons leven, het centrum van onze gedachten, gevoelens en wilsuitingen.
Dat is voor de Heere niet verborgen. Het is voor Hem niet te ver­bergen wat er leeft in ons hart. Hij kijkt dwars door al onze vermeende grootheid heen, door al de confectiepakken van onze zelf­gemaakte vroomheid, door de krokodil­lentranen van ons zelfmedelijden.
Kom er eens mee onder de ogen van God. Wat blij­ft er van al die zogenaamde voornaamheid en def­tig­heid van onze buitenkant over, als Gods Geest ons door­grondt? God ‘heeft geen vleselijke ogen; Hij ziet niet, gelijk een mens ziet’ (Job 10 : 4). Zijn ogen zijn ‘een vlam vuurs’ (O­penb.1 : 14; 19 : 12).
En wat treft deze God al niet in uw en mijn hart aan?!
Kunt u het hebben, dat God als een hemelse en alwetende Inter­nist u op dit punt onder­zoekt? Of bent u er niet in geïnteresseerd, hoe de Schepper van uw leven tegen u aankijkt? Kunt u ‘t wel volhouden, dat u niet verantwoordelijk bent voor wat u denkt en zegt en doet? Leeft u normloos/ waardeloos?
De Heere wil u in deze ogenblikken onder vier ogen spre­ken. Hij roept u achter het struikge­was van­daan. Hij wil het weten, hoe het met uw hart gesteld is. Hij keert u binnenste buiten.
Het kan zijn, dat u reeds lange tijd onrustig bent. U hebt pijn in uw hartstreek. Maar wan­neer gaat u ermee naar de dok­ter? Als ‘t niet meer te houden is. Als al uw poeders en pillen niet meer helpen. Niet als u in uw huisapotheek nog vol­doende lapmiddelen hebt, die u nog niet tot uw herstel hebt aangewend.

Zo is het ook geestelijk. U bent onrustig, opge­jaagd. U loopt steeds tegen uw geestelijke kwalen aan, uw boezemzonden die u niet kunt over­winnen, uw gevoel van nooit bevredigd te worden, al hebt u wat uw hart begeert (het bezit van de zaak is het einde van 't vermaak).


Maar waarom zou u eigenlijk nog één dag langer bezig blijven om uzelf aan uw eigen haren uit de put te trekken? Waarom zou u geen hulp zoeken bij een vakbekwaam iemand? Waarom niet naar een hulp­verlener toe? Dat kan iemand zijn van de Stichting Eleos. Het kan uw eigen man of vrouw zijn. Het kan een buurman, een vriend zijn.
Spreek u uit tegen hen. Laat hen eens in uw hart zien. ‘Verberg geen kwaad dat in u wordt ge­vonden’ (Ps.32 : 3 ber.). O, dat verborgen kwaad!
Maar wat moet u vooral doen? Laat naar u kij­ken. Kom over de drempel bij de hemelse Inter­nist. Zeg Hem waar de pijn zit. Laat de Heere in de binnenka­mer van uw bidvertrek uw hart onder­zoeken. Laat het röntge­n­appa­raat van Gods Woord u door­lichten. ‘Heere, Gij doorgrondt en kent mij...’ (Ps.139 : 1b). Tot op de bodem. Tot daar waar ik mezelf een raadsel ben.
U wordt wellicht weerhouden door de vrees, dat deze Arts een dode­lijke kwaal bij u ontdekken zal. Maar zeg eens: is er dan voor uw gevoel nog wel redden aan? De Heere ziet het hart aan. Wij verkeren onder Zijn al­ziende ogen.
'k Wil mijn misdaan die U tergen,

niet verbergen;

ik bedek voor U die niet.

(Ps.38:18)


Dan gaan de schellen van de ogen. U bent een open boek: een bedrieger, een schijnheilige; niet meer één van de braafste en netste mensen. U kunt uw stand niet langer ophouden. U bent ‘naakt en geo­pend voor de ogen van Hem met Wie u te doen hebt’ (Hebr.4 ­: 13). In ieder geval geen mens meer met oogkleppen op, wel een mens met ‘een balk in eigen oog’ (Matth­.7 : 3vv; Luk.6 : 4­1v­).

Een wonder, dat u nog niet - net als de rijke man in Jezus' gelij­kenis - uw ogen moet op­slaan, zijnde in de pijn' (Luk.16: ­23). Een mens die ‘twee ogen heeft, maar in het helse vuur gewor­pen’ (Matth.1­8 : 9; Mark.9 : 47).


Voor uw gevoel: ‘uitge­stoten van voor Gods ogen’ (Jona 2 : 4) en ‘afge­sne­den van voor Zijn ogen’ (Ps.31 : 2­3a). U kunt alleen nog een beetje zin­gen:
Ik hef mijn handen naar den hogen;

Mijn ziel is voor Uw alziend’ ogen

gelijk een dor, een dorstig land,

dat sedert lang ligt uit te drogen,

verkwijnend in die doodse stand.

(Ps.143:6 ber.)


Ik heb u wat te vragen? Ik vraag u, waar u met dit alles moet blijven? ‘Waar zou m’, o Heer’, Uw oog u niet zien?’ (Ps.139 : 4 ber.)
Ik heb u wat te zeggen. Het staat in de tekst. ‘De Heere ziet het hart aan.’ Dat moest Samuël weten. Was er soms iemand in Isaï’s huisgezin, wiens hart oprecht was voor God en van wie niet gezegd behoefde te worden, dat hij verwerpelijk was voor God? Een man naar Gods hart die Hem behagen kon en Israëls koning kon zijn?
David!? Ja. Maar omdat hij genade vond in Gods ogen. Niet omdat hij zo'n beste was. Dat heeft zijn latere leven wel bewezen. Denk aan zijn zonde met Bathséba. Denk aan Psalm 51:
't Is niet alleen dit kwaad dat roept om str­af,

neen, ‘k ben in ongerechtigheid geboren.

Mijn zonde maakt mij ‘t voorwerp van Uw to­ren

reeds van het uur van mijn ontvang’nis af.

(Ps.51:3 ber.)
God zag het hart van David aan. Een hart dat oprecht was gemaakt door Zijn Geest. Een hart dat had leren steunen op Gods beloften. Een hart waarin ruimte was gemaakt voor de beloofde Davidszoon, Jezus Christus.
Gemeente, zo alleen kunnen wij aanzienlijk zijn in Gods ogen. Als het ons in waarheid om de levende God te doen is gewor­den. Als wij leren hangen aan Zijn lippen. Als de grote Da­vidszoon door Zijn Geest in ons mag wonen. Hij is de man naar Gods hart.
Naar de mens gesproken niet om aan te zien. Geen gedaante noch heerlijkheid om Hem te bege­ren. Maar in het oog van de Vader aanzienlijk. De Heere ziet het hart aan van deze Davidszoon. Gods oogappel. ‘Ik heb gevonden David, de Zoon van Jesse; een man naar Mijn hart Die al mijn wil zal doen' (Hand.13 : 22).
‘De Vader heeft Hem liefgehad, vóór de grond­legging der we­reld’ (Joh.17 : 24). Want toen reeds heeft Hij Zich bereid ver­klaard om de wil van de Vader te gaan doen.
Mijn ziel, U opgedragen

wil U alleen behagen,

mijn liefd' en ijver brandt;

ik draag Uw heil’ge wet

die Gij de sterv’ling zet

in ‘t binnenst ingewand.

(Ps.40 : 4 ber.)
Zie daar het enig Adamskind, de grote Davids­zoon die God onder ogen kan komen. Hij heeft in de volheid van de tijd de wil van de Vader volkomen volbracht; in dadelijke en lijdelijke gehoor­zaamheid.
De Heere ziet het hart aan. Hij zag om naar iemand die Borg kon zijn, naar iemand die Ko­ning van Israël zou kunnen zijn. En Hij heeft hem gevonden. Jezus Christus.
Ik bied Hem u aan. U hebt er maar Eén nodig die voor u betalen wil. Hier is Hij. Er is geen tweede Koning die zo zegenrijk en machtig re­geert als Hij. Hier in Gods huis zijn de ogen des Heeren nacht en dag open om u te zoeken, te trekken, te bege­nadigen. U bent op de beste plek waar een mens kan wezen om rust te vin­den voor uw benauwde hart. ‘Ik zal raad geven, Mijn oog zal op u zijn’ (Ps.32 : 8b).
De Heere ziet het hart aan. Dat wil zeggen, dat Hij u gaarne aanziet in Zijn Zoon. Schuil ach­ter Hem weg en u zult zich geborgen weten, met heel uw hebben en houden.
Het moet voor de kleinste uit Jesse’s huisgezin toch wel iets bijzonders zijn geweest: hij vond genade in Gods ogen. En zo zult u ‘t ook bele­ven, als u in Christus God behagen mag. ‘Toen was ik in Zijn ogen als één, die vrede vindt’ (Hoog­l.8 : 10b). ‘Uw ogen zullen de Koning zien in Zijn scho­on­heid’ (Jes.33: 17a).
Durft u het te geloven? Mag ik u aanmoedigen om dat te doen? Hoor wat de Heere zegt. ‘Op deze zal Ik zien, op de arme en versla­gene van geest en die voor Mijn woord beeft’ (Jes.66 : 2).
Hij troost het hart, dat schreiend tot Hem vlucht;

dat ongeveinsd, in ‘t midden der ellenden

zich naar Gods troon met Zijn gebeên blijft wenden.

(Ps.14­5 : 6 ber.)


Wij kunnen ‘t meestal niet bekijken, of het waarheid bij ons van binnen is. Maar Hij laat het wel merken, als Hij iemand tot Zich ziet komen, die het in waarheid om Hem begonnen is; het is Zijn eigen werk; dat zal Hij niet ver­achten. Zeg dan met David: ‘Mijn ziel zal groot geacht worden in de ogen des Heeren’ (1 Sam.26 ­: 24m).
De Heere ziet het hart aan. Nog één ding tot slot.
4. Communiceren van hart tot hart
Samuël moest leren om met de ogen van de Heere te kijken. Dat was voor hem - een begenadigd kind van God - niet eens voor de hand liggend. Natuurlijk moest Samuël omkijken naar iemand met leiderscapaciteiten; iemand die representa­tief zou kunnen zijn als koning van Israël. Maar de ‘affaire’ Saul moest hem intus­sen ge­leerd hebben, dat een nieuwe kandidaat voor het koning­schap er één moest zijn, die de vreze des Heeren kende.
Ook gelovigen moeten nog dagelijks leren zich niet op dingen en mensen te verkijken. Ook zij maken gemakkelijk verkeerde keu­zes. Dan gaan zij meer op het uiterlijke af dan op het inner­lijke, meer op het mooie en indruk­wekkende dan op het integere. Daarover sprak ik in het begin van de preek. Laat ons dan nu een conclusie trekken. Laat ons uit het alles leren om met elkaar te communiceren van hart tot hart. Ik roep u tenslotte op: ‘Maak een verbond met uw ogen’ (Job 31 : 1a).

Vraag God om ‘verlichte ogen van uw verstand’ (Ef.1 : 18). Ga van hart tot hart om met elkaar.


Een voorbeeld.


  • Er zijn een achttal sollicitanten voor een leidinggevende functie in uw bedrijf, op uw school, in uw kerke­lijke gemeen­te. En u zit in de commissie die de gesprekken met de gegadigden voert en hen toetst op het punt van hun ge­schikt­heid. Van u wordt gevraagd, dat u daar straks, als er iemand benoemd moet worden, uw oordeel over kunt geven.

Wat doet u? U kijkt naar de be­haal­de diploma's, naar de kle­ding die de sollicitant(e) draagt, naar zijn of haar haardracht, naar zijn of haar optreden, naar de manier van antwoorden op de vragen die u stelt. Best belangrijk. In dat alles proeft u iets van de persoon in kwestie.

En in het beraad in de commissie van aanbe­ve­ling daarna zegt u: ‘Hij/ zij moet het naar mijn idee worden’. Mag ik u vragen: wat zijn precies uw motieven daarvoor? Hebt u ook geprobeerd om in het hart te kijken?
De Héere ziet het hart aan. Hij beproeft harten en nieren. Hij de rechtvaardige God (Ps.7 : 10b; Jer.11 : 20a o.a.).
Natuurlijk bent u geen hartenkenner. Toch zou u er goed aan doen om te proberen achter de schermen te kijken: naar de attitude, de gees­te­lijke instelling van de sollici­tant. Is het iemand die uiterst des­kundig is, maar tege­lijk hoogst beschei­den? Of is het iemand die in feite alleen geld wil verdienen of mis­schien een erebaan­tje zoekt? Heeft die persoon ook hart voor de zaak? Kan hij in goede collegialiteit ook stap­jes terug doen voor anderen? Bederft hij soms de werksfeer door een slecht voorbeeld in zijn levenswandel?
Misschien is de persoon in kwestie wel bid­dend het sollicitatie­gesprek ingegaan, omdat hij wist, dat zijn handi­cap hem wel eens parten zou kunnen spe­len? Het zou wel eens kun­nen zijn, dat u hem precies moet heb­ben.

De Héere ziet naar het hart en met het hart. U ook?


Een ander voorbeeld.


  • Je bent dertig jaar. Steeds druk geweest met studeren, met je baan. Maar nu wordt het dan toch wel tijd, dat je eens gaat denken aan een ‘partner’. Misschien zijn er wel acht in je omgeving te vinden, die belang­stelling voor je hebben en met wie je wel in zee zou kunnen gaan. Maar....je stelt je eisen hoog. Het moet iemand zijn, die bij je past, dezelfde interesses heeft, een persoonlijkheid is...

Moeilijk om te kiezen. Als God nu maar eens tegen jou wilde zeggen wat Hij tegen Samuël zei: ‘Deze is het’. Maar zo gaat het niet. Hoe dan wel?
Probeer door alle uiterlijkheden heen te kij­ken,door de schijn van knapheid, door de façade van status, geld en goed. Laat de Heere je keus bepalen. Kom met de zaak onder de ogen van God. Probeer naar het hart te kijken. Zet je oog­kleppen af. Zoek iemand die de Heere vreest.
De Héere ziet het hart aan. Ik kan ook zeggen: Hij kijkt met het hart.

Voor een zinvol en geslaagd huwe­lijks- en ge­zinsleven is het van het hoogste belang, dat je samen de Heere vreest, samen kunt bidden, samen je in kunt zetten voor een door God opge­dragen taak. Verschillen en onaangepastheden behoeven dan niet zo’n strui­kelblok te zijn, dat je levenslang blijft aarzelen.


Nog één voorbeeld.


  • De gemeente die naar Christus’ Naam genoemd is, is een li­chaam. En een lichaam heeft ledematen: voeten, handen, oren, ogen. Zij functioneren niet los van elkaar. Maar toch heeft elk lid­maat een eigen bijdrage aan de opbouw van het lichaam.

Zo is het dan ook met het oog. Stel, u bent zo’n oog. U kunt scherp zien, kritisch ook. U signaleert ernstige gebreken bij gemeentele­den: in leer en leven. Daar bent u nu eenmaal ‘oog’ voor. Dat is goed. U bent een echte ‘verspie­der’: kijken naar wat er mis gaat om u heen; kijken naar wat God met mensen voorheeft.


Maar mag ik u vragen: kijkt u ook naar het hart? En met uw hart? Wat voor hart klopt er in de persoon van de voorganger van de gemeente? Waar ligt de liefde van zijn hart, als hij preekt, ook al doet hij dat niet zoals mensen het graag heb­ben? Wat kan er hui­zen in het hart van die jongen naast u op de kerk­bank met zijn dure nike-schoenen waarmee hij zijn schoolkame­raden de ogen kan uitsteken. En bij die vrouw daar­ ginds in de kerk? U hoeft geen harte­ken­ner te zijn om te zien, dat zij huwe­lijks­pro­blemen heeft.
De Héere ziet het hart aan.

Kijk naar het hart en ontdek de schreeuwende armoede om u heen. Zet al uw (gekleurde) bril­len af. Ga niet eindeloos voort als een paard met oogkleppen op.


Enige tijd geleden waren mijn vrouw en ik in de Elisabeth-kirche in Marburg (Duits­land).

Die kerk is genoemd naar Elisabeth, dochter van de Hon­gaarse koning die op 12-jarige leeftijd huwde met de Thüringse land­graaf Ludwig IV, spoedig daarna weduwe werd en de laatste jaren van haar leven al haar bezit­tingen uit­deelde aan armen en zieken.
Ze stierf op 17 novem­ber in 1231; 24 jaar oud. Een kort­stondig leven. Maar ze keek naar het hart, niet naar uiter­lijke schoonheid, rijkdom, eer en macht. Alle roem is uitge­slo­ten.
Jezus zei: ‘De kaars des lichaams is het oog; indien dan uw oog eenvoudig is, zo zal uw gehe­le lichaam verlicht wezen; maar indien uw oog boos is, zo zal uw gehele lichaam duister zijn’ (Matth.6 : 22, 23a). Het oog dat door Gods Geest verlicht is, werkt als een ‘zoeklicht’. Het zoekt naar het hart van de zaak, naar het hart van de naaste. Opdat hij bij u werkelijk op verhaal kan komen.

En zo mag u - door genade – zijn: een man/ vrouw naar Gods hart.



Amen.


Dovnload 80.48 Kb.