Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Preek over 1 Sam. 17: 45

Dovnload 93 Kb.

Preek over 1 Sam. 17: 45



Pagina1/2
Datum28.10.2017
Grootte93 Kb.

Dovnload 93 Kb.
  1   2





Preek over 1 Sam. 17:45

Orde van dienst
1. Votum en groet

2. Psalm: 35:1, 13

3. Wet des Heeren/ Apost.Gel.

4. Psalm: 25:3 / 118:8

5. Schriftlezing: 1 Sam.17:40-51

6. Gebed


7. Tekst/ thema/ punten:
David daarentegen zeide tot de Filistijn:Gij komt tot mij met een zwaard en met een spies en met een schild; maar ik kom tot u in de Naam van de Heere der heirscharen,de God van de slagorden van Israël Die gij gehoond hebt (1 Sam.1­7:45).
1. Goliath, toen en nu

2. David, Davids Zoon en u
8. Inzameling der gaven

9. Psalm: 68:1, 2

10.Prediking

11.Psalm: 20:4

12.Dankgebed

13.Psalm: 108:1, 7

1­4­.­Z­e­g­e­n­b­e­de.
* * * *

1. GOLIATH TOEN EN NU
Daar komt hij weer. En daar staat hij dan. Op gehoorafstand van het Israëlitische leger, in het Terebintendal 1 : de Filis­tijn Goliath van Gath. Zijn donderende stem verlamt van schrik. ‘Kom op, als je durft. Wie wil er met mij vechten? Man tegen man. Als hij het wint, zullen wij Filistijnen voortaan jullie knechten zijn.’
‘Wie durft?! In de Naam van jullie God. Wie is Hij eigenlijk. Laat Hij tonen, wat Hij waard is.’
En dan doet reus Goliath nog een paar stappen dichterbij. Vloekend en tierend en honend.

Heel Israël siddert. Wie zou niet vrezen voor zo’n vreselijke kerel? Bijna drie meter lang. Denk het u in. Als hij hier voor de kansel zou staan, zou zijn hete adem in mijn gezicht blazen.

En dan zijn soldatenuitrusting (helm, pantser en scheenplaten): ruim tachtig kilo zwaar. Zijn spies, waarvan de schacht is als het rondhout van een weefgestoelte en de punt van tien kilo ijzer.2

Wie doet hem wat? Wie? Is daar dan niemand onder al die dui­zenden van Israël die het niet langer hebben kan, dat de God van Israël wordt gehoond? Koning Saul? Hij durft niet. Hij stelt er zijn leven niet voor in de waagschaal. Davids grotere ­broers dan? Ook zij wagen het niet.


Maar zie, wie loopt daar dan toch opeens op die vloekende reus Goliath af? David, een jongen in een herderskiel. Meer niet. Geen ondoordringbaar harnas als van Saul om zijn borstkas. Geen vlijmscherp zwaard in de hand. Alleen een slinger en een paar gladde stenen, zojuist in een droge beekbedding opge­raapt. En waar is zijn schild om al de vurige pijlen van die boze man te kunnen afweren? Ook dat ontbreekt. Alleen diep in zijn hart de vaste zeker­heid, dat God Israël verlossing zal brengen door hem, een jonge man die kort te voren temidden van zijn broeders gezalfd was tot de toekom­stige koning van het Godsvolk.
Moet dat kleine kereltje met die grote vent gaan vechten? Is dat geen vermetelheid, zoals Eliab Davids oudste broer al zei. ‘Waaghals’, zullen alle andere broers van David gedacht hebben, toen deze zich aandiende om kampvechter te zijn met reus Goliath.
En dan gaat het gebeuren. Goliath schreeuwt nog één keer: ‘Ben ik een hond die met de stok van een herder ervan langs krijgt? Vechten met zo’n kerel­tje? Dat is geen partij voor mij’.
Maar voordat het duel begint, krijgt Goliath eerst nog wat te horen. Voordat deze grootmond voor­goed gaat zwij­gen, wordt hem het oordeel aange­zegd. Hoor, wat David hem toevoegt: ‘Gij komt tot mij met een zwaard en met een spies en met een schild; maar ik kom tot u in de Naam van de Heere der heirscha­ren, de God van de slagorden van Israël Die gij ge­hoond hebt..De Heere zal u besluiten in mijn hand.. De ganse aarde zal weten, dat Israël een God heeft en deze ganse vergade­ring zal weten, dat de Heere niet door het zwaard, noch door de spies verlost; want de krijg is des Heeren. Die zal ulieden in onze hand geven' (1 Sam. 17:45vv).


En dan doet die kleine rossige her­ders­jongen een stap vooruit. Hij had ooit ter bescherming van zijn kudde gevochten met een leeuw en met een beer. Zou hij dan nu niet durven strijden met een vijand van de kudde van God daar voor hem, die schreeuwer die rond­gaat als een brie­sende leeuw, zoekende wie hij kan verslinden?


Goliath wordt woest. De aarde dreunt, als hij een paar passen in de richting van David doet. Maar nog voordat hij zijn spies kan opheffen, voelt hij opeens een afschuwelijke pijn in zijn hoofd. Een klein steentje, opgeraapt op de droge bedding van een beek­ en behendig naar hem toe geslingerd door de her­ders­jongen David, zinkt in zijn doldrieste hoofd. 3
Hij valt ter aarde. Hij kan niet eens meer brullen als een leeuw. Als een logge, grom­mende beer kromt hij zich. Bewusteloos ligt hij daar. En binnen enkele secon­den staat David op zijn reuzen­lichaam en onthoofdt hem. Welk een overwinning! Wat een schaam­te voor die reus: gedood door een steen­tje van een herders­jongen.
Een kindersversje zingt: David nam een steen en Goliath viel om.

De paniekzaaier is niet meer. Zijn mond vloekt niet meer. De Filistijnen vluchten weg. De God van Israël heeft Zijn almacht getoond.


Gemeente, de geschiedenis van Davids strijd met de reus Goli­ath is ons al verteld vanaf onze kleu­ter­leeftijd.

Laat ons proberen achter de schermen van dit ver­haal te kij­ken. De Flistijnen zijn onder oud-Israël altijd de oer-vijan­den ge­weest die het volk van God constant de voet dwars zetten en het recht van dit volk op het beloofde land betwistten. Het volk van God heeft op aarde nooit veel rust gekend, ook niet in het land van de rust.4


Maar kijk nu eens goed. Ziet u achter al die aan­vechtingen van dit volk van de kant van de volkeren rondom niet het woeden van de grote tegenstan­der van God, de satan? Goliath in het kwadraat, geduch­te tegenspeler van de Heere. Hij voert wat in zijn schild reeds van het begin van de mensheidsgeschiedenis op de aarde: een plan de cam­pag­ne om Gods volk, Israël en de ge­meente van de aardbodem weg te vagen, om Gods plannen met Zijn uitverkorenen en met de bestemming van de wereld, Zijn schepping te versto­ren.
Hij is altijd al in de weer geweest om Gods heils­plan te barricaderen. Als deze Goliath zijn zin zou hebben gekregen, zou er geen Abraham zijn geko­men, geen volk der belofte, geen Messi­as, geen Zalig­maker der wereld, geen nieuwe schepping straks.
Achter het woeden der volkeren rondom Gods uitver­koren Israël zit dit satanische werk. 'Waarom woeden de heidenen en beden­ken de volken ijdelheid? De koningen der aarde stellen zich op en de vorsten beraadslagen te samen tegen de Heere en tegen Zijn Gezalfde...' (Ps. 2:1, 2).
Laat ons proberen achter de schermen te kijken.
De strijd met reus Goliath is onverminderd doorge­gaan, de eeuwen door. Er is altijd satanswerk geweest. Ontken het bestaan van de grote tegenstan­der van God niet. Steek niet als een struisvo­gel de kop in het zand, alsof er geen gevaren zijn. Houd Goliath in de gaten.


  • 1) Hierbij denk ik allereerst aan de benarde positie van het volk Israël in onze dagen. Alles spitst zich toe om dit volk van de aardbodem weg te vagen. Het mag niet wonen in het land dat God aan Abraham en zijn nakomelingen beloofde, al is het amper groot genoeg om vijf tot zes miljoen Joden een veilig bestaan te bieden. Reus Goliath gaat nog steeds hevig te keer tegen Gods volk, tegen Gods Raad met Israël. De Palestijnen lijken het recht te hebben om oppermachtig te zijn in het land van Gods belofte. Goliath steekt de kop op. Hamas schreeuwt: Dood aan alle Joden.




  • 2) In de tweede plaats. Ook nu gaat de vijand reus Goliath met zijn aanvallen op Gods gemeente onverminderd door. Leven wij niet in het laatst der dagen? Vlak voor de weder­komst van de Heere Jezus? Dagen waarin de satan is ontbonden en in al zijn hevigheid tekeer gaat?! Hij heeft nog slechts een kleine tijd. We zijn blind, als we het niet zien. Lees Openbaring 20.

Het zijn de dagen waarvan 2 Thessalonicensen 2 ons zegt, dat de mens der wetteloosheid zegeviert. Alle remmen moeten los. In de kerk ook waar hij op de troon zit: één en al aanpassing aan de geest der eeuw.

‘Wij hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers der we­reld, der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke booshe­den in de lucht’ (Ef. 6: 1­2). Reus Goliath. De antichrist heet hij in het Nieuwe Testament. Hij openbaart zich ook in het type mens van de eindtijd. De mens die met een beroep op de vrije meningsuiting meent te kunnen spotten met God en godsdienst. De mens die tegenspeler van God is geworden in alle opzich­ten.



Hoor het gebral van reus Goliath:

  • Ik ben baas in eigen buik. Ik wil alleen mijzelf ten wet zijn (auto­noom). Ik doe wat goed en ple­zie­rig is in mijn eigen ogen. Ik respecteer geen fat­soensnormen. Ik leef voor harts­tocht, geld en macht. Ik ben niet be­vreesd voor God, noch voor de dood, ook niet voor de hel.




  • 3) In de derde plaats. U kunt reus Goliath tegenkomen in de litera­tuur en echt niet alleen maar in prikkellectuur en pornobladen die de homoseksualiteit warm aanbeve­len. U kunt kennis met hem maken op uw beeld­scher­men (internet) een enkele meter bij u vandaan. De schreeuwer met zijn ver rei­kend stemge­luid. Die zo goed is in de presentatie (PR), in de recla­me. De mens der schaamte­loosheid, die alles uit het verle­den op zijn kop zet en doet alsof er vóór hem nooit een mens op aarde rondliep die iets verteld heeft wat waar was.




  • 4) In de vierde plaats. U kunt reus Goliath aantreffen op de zetels van rege­rings­personen die zorgdragen moeten voor regel­geving op soci­aal terrein en in de onderwijs­wereld. U zou er uw pet voor willen afzet­ten. Want het is allemaal technisch knap en kwalita­tief van hoog niveau. En alleen wat groot is, telt mee. Intussen is het met de beschermwaardigheid van het leven bijster slecht gesteld (abortussen zonder getal; euthanasie).

We gaan de helling af met een enorme vaart. De mens is gevangene geworden van zijn eigen kunnen en ken­nen. Een spiraal waar we niet meer uitkomen. Het omge­keerde van carrière.


  • 5) In vijfde plaats. Reus Goliath, de supermens, hij doet een paar stappen dichterbij. Hij komt uw huiskamer binnen via de moderne communi­catiemiddelen. Zijn spies is als het grote hout van een weefgestoelte, met een punt van 10 kilo ijzer.

  • Een zedenbedervende nachtfilm op de t.v.;

  • Spamberichten die ongewenst in uw emailpostbox worden gedropt, met hun aanbiedingen van perverse seksualiteit;

  • Reclame’s in de dagbladen die suggereren, dat er arti­kelen zijn, die het leven nog comfortabeler maken dan het al is. Het is daardoor, dat de geest van materia­lisme, van heb­zucht en gulzigheid, van consumeren en zich amuse­ren die zich toch al zo breed gemaakt heeft onder ons, de overhand neemt.

  • Een voetbalwedstrijd op zondag;




  • 6) In de zesde plaats. Goliath komt pal voor je te staan. Ik denk aan onze jongeren. Aan jou, meisje van zeventien of achttien. Je bent de laatste tijd niet meer als te voren. Er is een grote onvrede in je hart gekomen. Je hebt wellicht deze dagen bij een open graf ge­staan en je afge­vraagd: Waar is mijn leven goed voor? Je zou zo graag willen weten, dat de Heere ook jouw zonden heeft verge­ven. Daar bid je dagelijks om: vrede met God; leven in Zijn gemeenschap: zinvol, doelbe­wust. Maar je voelt je nog steeds onrustig en je bent zo alleen.

En dan opeens is daar een reus als Goliath. Er is wat voor hem te halen bij jou. Die jongen met wie jij de laatste tijd in aanraking komt. Hij doet aan God noch gebod. Hij ziet er aantrekkelijk uit. Dat wel. Hij schijnt jouw een­zaamheid te kunnen door­breken en je onrust te kunnen wegnemen. Maar als het over de Heere gaat, glimlacht hij alleen maar even of hij zegt spot­tend: ‘Ach, sprookjes!’ Hoe kom je los uit Zijn greep?


En jij, jongen. Op je vijftiende al is daar een omwenteling in je leven gekomen. Toen je die ern­stige operatie moest onder­gaan. Je werd ter nauwer nood gered van de dood. Daarna kon je niet meer overweg met je vrienden uit de wereld. Je bad je hart leeg aan de voeten van het kruis. En de Heere gaf je een vrede die alle verstand te boven gaat. ‘De Heere is mijn her­der, mij zal niets ontbre­ken’ Ps. 23:1). Als David.

En dan opeens is hij daar: reus Goliath. Naast je op de kan­toorkruk of in de klas op school. Spottend met God en gods­dienst. Iemand die vloekt en roept: ‘Hé, vrome, kan jij niet meer la­chen?’ Het snijdt door je ziel. Spot en hoon: ‘Weg met al dat vrome gedoe’. In zijn ogen lijkt een chris­ten een mens die zich levend gaat begra­ven.




  • 7) In de zevende en laatste plaats. Reus Goliath doet nog een stap dichterbij. U kunt hem tegenkomen op de bodem van uw eigen hart.

U, man/ vrouw, u maakt nogal eens gebruik van uw binnen­kamer. Maar tijdens het bidden of Bijbel­lezen is daar soms zo maar opeens dat vloeken in uw binnenste. Of die Godon­terende en helse verzoe­kingen tot ontucht. Of die opstandige gedach­ten: waarom gaat God met mij zo'n diepe weg? De duivel heeft vele invalspoorten om bij ons binnen te komen. De meest geschikte invalspoort voor hem is: onge­loof, levend op de bodem van ons hart (vijandschap tegen God).

Van Johyn Bunyan wordt verteld, dat hij zelfs op de kansel opeens in zijn binnenste een stem hoorde zeggen: ‘Vloek Chris­tus’.


Maar dan nu echt genoeg over Goliath.
2. DAVID, DAVIDS ZOON EN U
Hoe zal een mens zich tegen dat alles te weer stellen? Wat moeten wij ermee aan? Ik vraag u in alle ernst: Aan welke kant staat u?

Bezie de dingen eens vanuit de positie van David. Drie dingen daarover.




Saul stelt David voor om Goliath tegemoet te gaan met diens eigen soldatenpak aan, als een geharnaste strijder. Saul zet David een koperen helm op zijn hoofd en trekt hem zijn pantser aan. Maar daarin kan David reus Goliath niet tegemoet. Hij gaat in zijn her­derskiel.
De goede strijd van het geloof is niet te voeren in het harnas van Saul. Niet met vleselijke wapenen van mense­lijke kracht, maar in Godsvertrouwen alleen. Niet in eigen kracht. Niet door kracht of geweld.
Niet de menta­liteit van ‘wie doet me wat; denk niet gering van mij’. Niet de mentaliteit van de grootmond: ‘Ik zal het hem be­taald zetten’. De goede strijd van het geloof is niet het waagstuk van een jeugdige overschat­ting (alsof wij de wereld van vandaag op morgen even veranderen kunnen).
Er zijn geharnaste strijders - misschien ook onder ons - die de harde en schreeu­werige con­fronta­tie zoeken. Ze gaan voor niemand opzij. Ze komen graag in het nieuws. Tegen de vloekende wereld - menen zij - moet men een vuist maken. Ze trommelen graag een menigte mensen bij elkaar. Want dan weet de buitenwacht tenminste ook, dat ze er mogen zijn.
Er zijn geharnaste strijders - misschien ook onder ons - die goed ingepakt zitten in het harnas van de aloude waarheid, die vechten voor de zuivere leer. Maar het zit aan de buitenkant. Het is geen zaak van hun hart.
Lever die wapens a.u.b. in.
Kijk naar David. Hij gaat in zijn herderskiel de reus Goliath tegemoet. Hij strijdt met open vizier. Hij heeft niet eens een vizier. Alles is vizier. Kwetsbaar van alle kanten. Niet gedekt, noch van voren noch van achteren. Alleen gedekt door de hand van Zijn almachtige God.
Zo hebben Gods strijdbare helden altijd gestreden. Zij hebben alle uiterlijke pracht en praal van zich afgelegd. Ze hebben hun leven niet geacht. Ze beoogden Gods eer.
Daar ligt ook de kracht van de boodschap die ik u mag brengen, gemeente. Wees een mens in alle aanvechtbaarheid en kwetsbaarheid, aangewezen op genade alleen. U en ik, wij hebben niet maar wat helpende genade nodig. U en ik zijn goddelozen in onszelf. Wij kunnen alleen maar wat zijn, als God ons vrijspreekt van onze schuld. Dat diepe besef van het bederf van ons hart, van onze onwil en van onze onmacht tot enig waar geestelijk goed, dat maakt ons kwetsbaar van alle kanten. Toch kunnen wij alleen zo de goede strijd strijden.
Daar wij van onszelf alzo zwak zijn, dat wij niet een ogenblik zouden kunnen bestaan en daartoe onze doodsvijanden, de dui­vel, de wereld en ons eigen vlees niet ophouden ons aan te vechten; zo wil ons toch staande houden en sterken door de kracht van Uw Heilige Geest, opdat wij in deze geestelijke strijd niet onderliggen, maar altijd sterke weer­stand doen, totdat wij eindelijk ten enenmale de overhand behouden’ (Heid. Cat, zondag 52, antwoord 127 over de bede uit het Onze Vader: Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze).5
  1   2


Dovnload 93 Kb.