Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Preek over Genesis 16: 13m

Dovnload 70.74 Kb.

Preek over Genesis 16: 13m



Datum05.12.2018
Grootte70.74 Kb.

Dovnload 70.74 Kb.


Preek over Genesis 16:13m



Orde van dienst
1. Votum

2. Groet


3. Psalm: 33:9

4. Wet des Heeren / Apost.Gel.

5. Psalm: 51:1 / 70:3

6. Schriftlezing: Genesis 16:1-16.

7. Gebed

Tekst Gen. 16:13m: Gij, God des aanziens.


Verdeling van de preek:

1. Op een doodlopende weg (van zelfverlossing en zelfverheffing)

2. Op de terugweg dankzij God die naar ons omziet (‘Lachai RoÏ)
8. Inzameling der gaven

9. Psalm: 143:7, 9, 10

10. Prediking

11. Psalm: 6: 8, 9

12. Dankgebed

13. Psalm: 32:5, 6

14. Zegenbede.

* * *
U hebt het allemaal al wel eens meegemaakt, dat u met uw auto een straat inreed en opeens niet verder kon. Een hek, een sloot, weilanden. Geen doorverbinding naar het punt waar u naartoe wilde. Een doodlopende weg dus. En teruggereden naar het begin van die weg, gaf u uw ogen nog eens goed de kost.



En jawel, daar stond het bord dat u over het hoofd had gezien: een bord met een verticale balk en een rode dwarsbalk bovenaan: doodlopende weg.
Een gewaarschuwd mens geldt voor twee. En wie zijn hoofd niet gebruikt…
Abram en Hagar zijn in de geschiedenis die ons wordt beschreven in Gesis 16 ook op zo’n doodlopende weg, een weg waarvan zij hadden kunnen weten, dat die niet tot het gewenste doel leidde. En hun dwaling komt hen duur te staan. Een uur van onbedachtzaamheid kan maken, dat men jaren schreit.
Wat is het geval? Tien jaar is Abram nu al in het hem door God beloofde land. En tien jaar lang heeft de Heere hem laten wachten op een kind. Altijd weer was het: ‘Het komt goed, Abram; nog even geduld. Kan je Mij dan niet vertrouwen?’
Maar wachten duurt altijd lang. Abram en Saraï zijn inmiddels ook tien jaar ouder geworden. En een vrouw krijgt toch zeker, als ze 75 is geworden, niet meer een kind? Vgl. Gen. 17:17. Bovendien is al een en andermaal vastgesteld, dat zij onvruchtbaar is; en dus uitgeschakeld. ‘De Heere had haar baarmoeder gesloten’ (Gen. 16:2). Abram zelf is ook inmiddels 85 geworden (Gen. 16:16). Geen wonder toch, dat zij beiden de moed gaan opgeven. ‘Wat God beloofde, zal wel waar zijn. Maar niet door mij.’ Zo zal Saraï gedacht hebben.

Treffend schrijft Flavius Josephus: ‘Uiterst verdrietig, dat zijn vrouw kinderloos bleef, bad hij vurig, dat God hem een zoon mocht schenken. Daarop vermaande God hem, goedsmoeds te blijven. Was niet alles ten goede gekeerd bij zijn vertrek uit Mesopotamië? Waarom zou hij dan nu bekommerd zijn over de instandhouding van zijn geslacht?’ Zie Joodsche Oudheden of geschiedenis der Joden, eerste boek, hoofdstuk 10, par.4 in: Al de werken van Flavius Josephus, Bewerkt door dr. W. A. Terwogt (met een aanbevelend woord van J. J. van Oosterzee; Dordracht 1873; blz.16).


1. Op een doodlopende weg (van zelfverlossing en zelfverheffing)
Vandaar dat ze op een dag tegen Abram zegt: ‘Ik geloof, dat ik het weet’. Sarai ziet een mogelijk begaanbare weg. Maar of het Gods weg is, dat kan ze niet zeggen. Het zou ook wel eens de weg van het vlees kunnen zijn. Zeker, dat moet ieder mens zich bij alles wat hij onderneemt, maar blijven afvragen.
‘Weet je wat je doet, Abram? Denk eens aan mijn slavin Hagar. We hebben haar – als een cadeautje van Farao - meegekregen in Egypte, toen we daarheen gevlucht waren vanwege de honger. Zou het ook kunnen zijn, dat het kind dat de Heere ons beloofde, een kind zal zijn, door jou verwekt bij haar. En zegt ons de wet niet, dat dit kind dan een wettig kind is van jou en mij? Doe het maar, Abram. Wellicht is dat Gods weg.
De Kanttekeningen van de Statenvertaling zeggen: ‘…Sarai aan eigen lijfsvrucht wanhopende, en nochtans naar het beloofde zaad hartelijk verlangende, vergeet zichzelve zover, dat zij, zonder God te vragen, haar man raadt door dit middel, dat wel in dien tijd algemeen, maar tegen de eerste instelling des huwelijks strijdig was, de vervulling van Gods belofte te verzoeken.’
Wat een idee. Een noodsprong. In één woord: een zelfgekozen weg waarop Gods zegen niet kan rusten. Verregaande voorbarigheid. En zal Abram daar ‘ja’ tegen zeggen? Moet Saraï zichzelf zo wegcijferen ter wille ven de vervulling van Gods belofte? Misschien zal zij uit Hagar gebouwd worden. Ja misschien. Maar dat is wat anders dan zekerheid des geloofs.

Dr. Hoedemaker schrijft: ‘Dat God Zijn eigen belofte, op Zijn eigen tijd, langs Zijn eigen weg zou vervullen, kwam niet bij haar (Saraï) op. Zij moest het heil der mensen zelve uitwerken, meende zij.’ Uit Dr.Ph. J.Hoedemaker, Lessen uit de heilige Schrift, Derde jaargang, 10e aflevering. J. H. van Dam; juni 1902; blz.59.


Helaas gaat Abram op Saraï’s voorstel in. Hij neemt het heft in eigen handen. Hij gaat God voor de voeten lopen. Hoewel hij naar een woord van Calvijn ‘niet door wellust tot dit huwelijk is verlokt.’
J. Calvijn, Genesis I; uit het Latijn vertaald naar de uitgave van Baum, Cunitz en Reuss, door S. O. Los. Middelburg 1900; blz.334. Calvijn schrijft ook, dat Saraï ‘van haar huis geen bordeel, noch van haar dienstmaagd een hoer wilde maken; ook wilde zij niet de verleidster zijn van haar man’ .En Kohlbrugge schrijft in zijn Schrifverklaringen: ‘Het was geen vleselijke lust, die Abram ertoe bewoog, Hagar ter vrouw te nemen.’
En niet lang daarna is het zover. Hagar wordt zwanger en baart een zoon: Ismaël. Kortom een misstap. Wel niet uit hartstocht, maar wel uit kleingeloof. Een herhaling van de zonde van het paradijs, waar een vrouw (Eva) de aanleiding werd voor de zonde van Adam. Nee, Abram twijfelt niet aan het dát van God belofte, maar wel aan het hóe. En in dit alles gaat Abram dan zijn eigen weg. Dat is het bedenken van het vlees. De weg van de zelfwerkzaamheid. Abram gaat God een handje helpen.
Gemeente, laten we niet op Abram neerkijken. Want wij zijn allemaal van huis uit geen haar beter dan hij. ‘Al hebben wij …lang en standvastig in het geloof gestaan, toch moeten wij dagelijks God vragen, dat Hij ons niet in verzoekingen leide.’ Aldus J. Calvijn, a.w. blz. 337. Een gevaar dat ons allen bedreigt: ‘Doe het zelfver’ te worden.
Hoedemaker schrijft: ‘Wat al offers bracht Roomsche werkheiligheid en Farizeeuwse eigengerechtigheid’ (a.,w., blz.59).
Ik denk aan jou, jongen die op dit moment samen met mij luistert naar de boodschap van Genesis 16. Diep in je hart hunker je naar de Heere. In gemeenschap leven met de God van Abram, dat wil je graag. Gods nabijheid ervaren, dat is je hoogste verlangen. De vervulling ervaren van de belofte dat je Gods kind mag zijn, je door de Heere reeds bij de heilige doop gegeven. Maar de Heere is voor jouw gevoel o zo ver weg. Je bent innerlijk onrustig, van dag tot dag. Zou God Zijn genade vergeten? Je staat wel onder een heilige belofte, de belofte van Christus, het beloofde Kind, dat de weg naar Gods Vaderhart voor zondaren vrijmaakte in Zijn zoen- en kruisverdiensten. Ja, maar intussen heb je er geen zekerheid over, dat God jouw God is.
Hoe komt het ooit zover? Weet je wat je doet? Je gaat aan het werk. Je gaat je leven tot in de puntjes verbeteren. Je doet geen dingen waarvan je ook maar enigszins denkt, dat het verkeerd is. Je doet je best om goed en vroom te leven. Je bidt, soms urenlang. Je zwerft van de ene kerk naar de andere. Je leest je Bijbel stuk. Maar het vreemde is, dat de onrust daardoor niet uit je hart wegraakt. Je wordt veeleer leger en kouder.
Ik heb raad voor jou, beste jongen. Ik nodig je uit om eens naar Abram te kijken. Lijk jij niet sprekend op hem? Probeerde Abram ook niet om zijn eigen zaken bij God zo te regelen, dat daarin Gods belofte kon worden vervuld? Abram bedacht op voorstel van Saraï een weg om God te helpen Zijn belofte waar te maken. De weg van de zelfwerkzaamheid en zelfverlossing.

Welnu, zo vergaat het ook jou, als je uit eigen krachtsinspanning jezelf bij God denkt te veraangena-men. Heilig, steeds heiliger. En intussen word je steeds onrustiger. Want je komt altijd tekort.


Nu, dit is de weg van het ongeloof. Je wilt niet uitgeschakeld zijn en uitgewerkt. Om het te zeggen zoals de ouden het vaak zeiden: Je wilt niet als een goddeloze gerechtvaardigd worden.
De apostel Paulus heeft daar later ook over geschreven in zijn brief aan de Galaten. Daar drong immers de gedachte de gemeente binnen, dat men eerst besneden moest zijn, wilde men ervoor in aanmerking komen kind van God te zijn. Eerst de wet, dan het Evangelie.

En juist in dit verband wijst Paulus dan de Galaten op Hagar. Hij stelt haar tegenover Saraï. De dienstbare tegenover de vrije. Hagar is het symbool van de doe-het zelver. Zij vertegenwoordigt de weg van het Jodendom, van het Jeruzalem – nu. De weg van de Sinaï, van het doen van de werken van de wet, waardoor de mens zich een weg baant naar Gods Vaderhart. Een doodlopende weg.


Nu, leren we hieruit, dat wij ons met alles wat we hebben en zijn nooit aangenaam kunnen maken bij God. Als we dat denken, overschatten we onszelf. En we onderschatten het werk van Christus. Want in feite verijdelen we met ons hollen en draven het kruiswerk van Christus.
Maar, gemeente, laten we er nu eens op letten, hoe de Heere Abram en de zijnen van hun dwaalweg terughaalt. Hij laat Abram en Saraï helemaal vastlopen. God maakt Zijn ongenoegen kenbaar over Abrams handelwijze. Want Hagar is nog maar net in verwachting, of ze laat het Saraï onverbloemd merken, dat zij zich de meerdere van haar meesteres voelt. En dat loopt dan vervolgens natuurlijk helemaal in het honderd in de relatie tussen die twee.

Een man met twee vrouwen. Zo is t’ wel meer in de tijd van het Oude Testament, hoewel polygamie onder de verdraagzaamheid van God zelfs bij de aartsvaders en de koningen van Israël voorkwam. Duidelijk is echter steeds, dat dit niet was naar Gods oorspronkelijke bedoeling.


Volgen wij de geschiedenis van Genesis 16 nog even op de voet. Saraï steekt haar mening niet onder stoelen of banken. Ze voelt zich vreselijk verongelijkt. Ze is veracht in Hagars ogen. ‘Als niet komt toe iet, kent iet zichzelven niet’ (Hoedemaker, a.w.p 59v).
Kohlbrugge schrijft in zijn Schrifverklaringen: ‘Ja! heeft Hagar misschien gedacht, ik ben wijs en verstandig (want dat menen alle wettische mensen van zichzelf), ik zal nu hier in dit gezin eens alles in orde brengen en recht zetten, want wat zou die oude, treurige, ziekelijke vrouw! (Saraï) die weet immers van niets, en is niet op de hoogte van haar tijd!
Kan de Heere zo iets gedogen? Diep gekrenkt en grimmig brengt ze het Abram onder ogen. ‘Mijn ongelijk is op u’ (vs.5). Het ongelijk dat mij is aangedaan, ligt voor uw rekening.
‘‘Sara was een vrouw. Niet, dat alleen de vrouw gewoon is de schuld op een ander te werpen. Dat is de mensch eigen. Maar wat de man verzwijgt, spreekt de vrouw uit…’ (Hoedemaker, a.w.. blz.60).
En Abrams antwoord? ‘Wel’, zegt hij, ‘Hagar is toch jouw slavin; je doet met haar maar wat goed is in je ogen.’ En dan zet Saraï Hagar flink op haar nummer en vernedert haar. En vervolgens is Hagar op een dag opeens spoorloos verdwenen. Wij zouden zeggen: Ze kiest eieren voor haar geldt. De toestand in Saraï’s tent is voor haar onhoudbaar geworden. In de nacht stapt Hagar op. Ze kan ’t niet langer uithouden. Weg van hier! Terug naar Egypte, haar geboorteland, haar ‘roots’. Begrijpelijk? Of is het een dwaze keus: Abram vaarwel zeggen, in Egypte moeder worden en daar wellicht een man zoeken die een vrouw met een buitenechtelijk geboren kind wil hebben?
Hagar gooit haar hoofd in de wind. Ze is bezig zich te verharden; ze is verbitterd. Begrijpelijk. Want had Saraï zelf Abram niet aangemoedigd om bij Hagar een kind te verwekken? Is de verontwaardiging over zo’n huichel-achtig gedrag niet alleszins verstaanbaar? Mensen die de God van Abram zeggen te kennen, kunnen zo gemakkelijk anderen voor het hoofd stoten en kwalijk behandelen.
Zeker, maar wat Hagar presteert, is ook niet iets om over naar huis te schrijven. Ze verheft zich boven haar meesteres. Ze kijkt minachtend op Saraï neer. Dat is in één woord gemeen. Calvijn verwijt haar zelfs ‘een slaafse geest en ontembare woestheid’ (a.w. blz. 340). Daardoor maakt ze zichzelf in het gezin van Abram tot een onuitstaanbaar mens. Het wordt gewoon met de dag onmogelijker om nog in vrede samen te wonen. Daarom gaat Hagar op een goed moment er gewoon vandoor. Een zelfgekozen weg. Een doodlopende weg. Hagar ‘stootte de kribbe om waaruit zij had gegeten’ (Kohlbrugge in zijn Schriftverklaringen).
En als God het niet verhoed had, zou ze haar eigen ondergang tegemoet zijn gegaan. Daar loopt het dan op uit, als een mens zelfgekozen wegen bewandelt en er zich nog op verheft ook.

Wat zou er van haar terechtgekomen zijn, als ze op haar dwaze weg was verder gegaan? Alleen de donkere, snikhete, gevaarvolle woestijn in.


Hagar bevindt zich op haar beurt dus net als Abram ook op een doodlopende weg. Het was toch niet fraai van haar om zich boven haar meesteres te verheffen. En het was ook zeker een dwaze weg die ze bewandelde: weg uit Abrams gezelschap; terug naar de wereld waaruit ze getrokken was. Wellicht straks de echtgenote van een Egyptenaar die haar kind op de koop toe zou nemen. Zij had beter kunnen bedenken, hoe goed het was geweest te behoren tot ‘een gezin, waar God werd gevreesd, waar zij dagelijks des Heeren Heilig Woord hoorde, en de schoonste gelegenheid had de ware prediking te vernemen. Zij had het dus zo goed, als zij het verlangen kon’ (Kohlbrugge in zijn Schriftverklaringen).
Helaas, afgunst en jaloezie speelden de hoofdrol. Het komt in de beste families voor. En zo kan het ook wel zijn, dat er een meisje of een vrouw vanmorgen hier is, die zich bevindt op de doodlopende weg van Hagar.
Zich verheffen boven anderen. Anderen de loef afsteken. Spotten met de kinderloosheid van een gezinslid. Je plaats niet kennen tegenover anderen; zich aanmatigend gedragen. En dan vervolgens boos de deur uitlopen. De wereld in. Breken met alles wat herinnert aan de God van Abram. Ze zoeken het maar uit. Ik ga er vandoor. Je in eigenzinnigheid verwijderen van de dienst van Abrams God…?!
2. Op de terugweg dankzij God die naar ons omziet (‘Lachai RoÏ)
En dan opeens die verrassende vraag van de Engel des Heeren bij een put in de woestijn Sur. ‘Hagar, slavin van Saraï, waar komt u vandaan en waar gaat u heen?’ Ze voelt zich gearresteerd. Ze moet voor de dag komen, het eerlijk opbiechten, dat ze op de vlucht is voor haar meesteres Saraï. En dan krijgt ze het bevel om op haar schreden terug te keren en zich te onderwerpen aan Saraï.
Dat is het wonderlijke van Gods doen met Hagar. Het is, als zij op een rustplaats - bij een bron - een ogenblik tot zichzelf is gekomen. We lezen in ons tekstgedeelte, dat de Engel des Heeren haar vindt bij een waterfontein in de woestijn op de weg van Sur.1 Wie is die engel des Heeren? Hij is wel genoemd: de Oudtestamentische voorbode van Christus. Met andere woorden: Hagar wordt opgevangen door Gods ontfermende handen.
‘De engel des Heeren dien wij in steeds duidelijker trekken in de Heilige Schrift geteekend vinden en in wien wij later Jehova zelf, de Godheid onderscheiden van God en toch zelf God, den Hemelschen Middelaar des Verbonds, den leidsman Israëls, den komenden Christus, zullen herkennen’ (Hoedemaker, a.w., blz.62). J.Calvijn (a.w. blz.340) schrijft, dat ‘de Engel een menselijk lichaam had, waarin de tekenen van hemelse heerlijkheid kenbaar waren.’ En Kolhbrugge in zijn Schriftverklaringen: ‘De Engel is niemand anders dan onze later in het vlees gekomen Heere Jezus Christus’. De Kanttekeningen van de Statenvertaling: ‘Dat is, het hoofd der engelen, de Heere Christus, die daarom ook HEERE genoemd wordt, vs.13, en Gen. 18:26,33; Richt. 6:14, en Richt. 13:19,22.
Laat je terechtbrengen. Hoor wat de engel des Heeren tegen Hagar zegt. ‘Waar komt u vandaan en waar gaat u heen?’ Vragen die ook ons op het geweten gebonden worden. Je gaat er vandoor? Waarom? Was het zo slecht bij je ouders thuis? Waar ga je heen? Weet je het wel zeker, dat je je gelukkig zult voelen, als je straks een prooi wordt van jongens en mannen die hun lusten aan jou bevredigen willen? Heb je er nooit over nagedacht, dat je ook voor eeuwig verloren kunt gaan?
Hagar moet op haar schreden terugkeren en zich onderwerpen aan haar meesteres. Onthoud die boodschap. Het is zeker niet de gemakkelijkste weg om terug te keren van een doodlopende weg. Het is zeker moeilijk om te erkennen: Ik ben op een vluchtweg, bij God en Zijn dienst vandaan; ik zit fout; ik heb zelf al die ellende door mijn optreden over mij gehaald. Maar deze erkentenis is wel nuttig en heilzaam. Keer ermee tot uzelf in. Uit zichzelf zou Hagar nooit op haar schreden zijn teruggekeerd. Zij zou geredeneerd hebben: Als ik naar de tent van SaraÏ terugkeer, krijg ik ervan langs, eerste klas. Ik moet ervoor boeten. En zo zijn er allerlei schrikbeelden die ons verhinderen op onze schreden terug te keren. Maar als Gods Geest ons verootmoedigt, buigen we het hoofd en maken rechtsomkeert.
Vindt u uzelf in Hagars gedrag terug? Wees de minste, van God en alle mensen.
Ik zet het alles nog even voor u op een rij. Er was onvrede voor Abram, doordat hij, de vader van alle gelovigen de weg van het vlees ging: een doodlopende weg. Er was onheil voor Hagar, doordat zij zich onttrok aan het gezag, aan het leven in de tent van Saraï: een doodlopende weg. Maar hoe wonderlijk toch brengt de levende God hier alles terecht. De Engel des Heeren berispt Hagar niet alleen. Hij spreekt haar ook moed in en belooft haar ‘met vriendelijke en vaderlijke uitnodigingen’ (Calvijn, a.w., blz. 342) iets geweldigs. Dat zal het haar gemakkelijker moeten maken om terug te gaan. ‘Zij ontvangt een belofte voor haar en voor haar kind, een grote schone belofte, maar met een voorwaarde er bij: Eerst moet gij u verootmoedigen, en dan wil Ik uw roem groot maken ‘(Kohlbrugge in zijn Schriftverklaringen).
Zij zal een zoon baren. Ismaël moet hij heten: God verhoort. Vgl. Gen. 17:20; 21:17. En hij zal de stamvader van een groot volk worden, het volk van de Ismaëlieten/ Arabieren.

Maar Hagar moet daar niet alles van verwachten. Want haar zoon zal een woudezel van een mens zijn. Ontembaar als de ‘onager’ (= een kleine wilde ezel). Een oorlogszuchtig mens. Een mens zo vrij als een vogel, vogelvrij dus. Vgl. Gen.21:20; Job.39:5-8 (8-11). Zijn hand zal tegen allen zijn en de hand van allen tegen hem. Een vechtersbaas. En hij zal wonen tegenover al zijn broeders. Vgl. Gen.25:18.


Vol verwondering roept Hagar uit: U bent de God Die naar mij omziet. En zij mag het beamen en zeggen: Ik heb Hem dus gezien die naar mij omgezien heeft (vs.13). Onvergetelijke plek: de plaats waar God naar een mens omziet. Beër Lachai-Roï, dat is: put van het omzien ofte wel: de put van Hem Die leeft en mij ziet.
Tussen Kades en Bered. Verloren in alle opzichten. We horen niet eens, dat Hagar om God roept. Maar toch voorziet de Heere in de nood van haar hart en leven. Zo worden wij gevonden door God Die ons niet is vergeten.
Hagar krijgt te horen, dat haar nageslacht zal delen in de rijke belofte van de Heere voor Abram en Saraï. In Genesis 17:20 lezen we zelfs van een uitermate talrijk nageslacht; van twaalf vorsten die uit Ismaël zullen voortkomen; God zal hem tot een groot volk maken.

M.Henri schrijft: ‘Hij, die de Alziende is, is ook de Eeuwig-levende, Hij leeft en ziet ons. Zij die genadiglijk toegelaten worden tot gemeenschap met God en tijdige hulp en vertroosting van Hem ontvangen, moeten aan anderen vertellen, wat Hij gedaan heeft voor hun ziel, ten einde hen aan te moedigen om Hem ook te zoeken en op Hem te bouwen. Gods genadige openbaringen van Zichzelf aan ons moeten in eeuwige gedachtenis bij ons blijven, en nooit vergeten worden.’


Vergeten we niet, gemeente, dat ook het volk van de Arabieren een plaats heeft in Gods raadsplan. Maar Hagar moet tegelijk weten, dat haar zoon, kind van de zelfverlossing niet het heil der wereld zal betekenen. Dat heil ligt in de aan Abram en Saraï beloofde bloedeigen zoon, in Izak, in Izaks grote Zoon, de Heere Jezus Christus. Wij moeten er met al het onze tussenuit vallen.
Gij God des aanziens. Dat mag overblijven. Ook voor een slavin als Hagar.
‘Hij ziet aan. Wat? Niet Hagars geloof, niet hare voortreffelijkheid, zelfs niet haar gebed, want in hare diepe neerslachtigheid, dacht zij niet aan de mogelijkheid, dat God met haar bemoeienis zou maken, maar, haren nood. Dat blijft dus over als eenen grond van hoop in moedelooze oogenblikken, wanneer wij niets in onszelven, weten te vinden, waarom God genade zou bewijzen. Hij ziet onze ellende aan.’ (Hoedemaker, a.w., blz.70).
Ook voor u die zich op een doodlopende weg bevindt, die van Abram of die van Hagar. U kunt terecht bij die God die omziet naar het schaap dat onbedacht zijn herder verliest. Lever uzelf maar aan Hem uit. Lever de wapens waarmee u zich in ongeloof en zelfverheffing van uw hart tegen God verzet maar in. Verwonder u erover, dat de Heere raad weet, als u ten einde raad bent. In Saraï’s tent en in de woestijn Sur. Laat al dat streven om zelf een weg ter ontkoming uit te denken, maar varen. Is het soms niet groot genoeg, dat de Heere naar u omziet?
Hagar moest leren buigen. Saraï moest zich schamen voor de raad die zij haar man gegeven had om het bed te delen met een slavin. Zo zijn ze er allemaal schuldig bij komen te staan.

En toen heeft God tenslotte Zijn belofte waar gemaakt. Want enige tijd later is Izak geboren. En toen is het weer misgegaan in de tent van Saraï. Maar dat zullen we nu niet behandelen.


Belangrijk is, dat we het leren om op hoop tegen hoop te steunen op Gods beloften, dat we terugkeren van al onze zelfgekozen wegen en ons verwonderen over Gods opzoekende zondaarsliefde.
Hoedemaker schreef: ‘Hagar had het aan zichzelven te wijten, dat zij met hardheid bejegend en met schande overladen en vernederd werd. Zoo gaat het met een mensch, die zichzelven verhoogt. Hij wordt vernederd. Onze zonden worden onze beulen’ (a.w. blz.61).
Abram en Saraï, maar ook Hagar hebben het moeten ondervinden. Wat overblijft is: de triomf der genade. De Heere gaat Zijn eigen aanbiddelijke weg. Die weg loopt via Golgotha: het offer van Gods Zoon tot verzoening van al onze zonden. Daar heeft de Heere naar ons omgezien als nooit tevoren. En daar mag u zich over verheugen, mensen. De gerechtigheid die Christus Jezus voor u verwierf, is voor eeuwig genoeg. Kohlbrugge schrijft in zijn Schriftverklaringen: ‘O laat ons dan in verbrijzeling en ootmoed des harten naar het kruis heen gaan, en om genade aanhouden, ten einde het voor waarachtig te houden, te midden van al onze twijfelingen en ongeloof: wij hebben met een almachtige en getrouwe God te doen, die alles heerlijk daar zal stellen, te Zijner tijd! Weet gij, wat de slotsom is geweest van de ervaringen van alle waarachtige kinderen Gods? Hij handelt niet met ons naar onze zonden, en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden! ‘




En als dan weldra Hagar weer aanklopt bij Saraï en Abram, vindt ze daar een gastvrij onthaal.2 Als wij zelf van het Godswonder op de been blijven, dan staan we niet boven een slaaf of slavin. Dan vergeven we elkaar de misdaden. Dan mag er ook liefde zijn onder elkaar. Dan worden geschonden relaties tussen een man en zijn vrouw, tussen een meesteres en haar slavin in ere hersteld. Treffend zien we dat later voor ons in de brief van Paulus aan Filémon, waarin een weggelopen slaaf Onésimus en zijn heer Filémon elkaar als broeders in Christus mogen begroeten. In Christus wordt zo zelfs ook dynamiet gelegd onder het instituut van de slavernij.
Dr. A. van Selms verwijst in zijn commentaar op Genesis (Genesis deel I; serie ‘De prediking van het Oude Testament’; Nijkerk 1967, blz.230) naar de grote 18e eeuwse hervormer William Wilberforce. Van hem is bekend, dat hij, gedreven door de liefde van Christus, pleitte in het Britse ‘House of Commons’ voor de afschaffing van de slavenhandel. J. Calvijn (a.w., blz.341) schrijft: ‘De slavernij was destijds zeer hard, en wij hebben de Heere te danken, dat die ruwe behandeling is afgeschaft’. ‘Intussen moet men wel de wettige machten onderworpen zijn.’
Een heerlijk geheim: zo’n gezinsleven. Daar staat niet de een boven de ander. Dan gunnen we elkaar maar het liefste de volle zaligheid. Daar zien we iets van in Handelingen 2, waar ook de Arabieren genoemd worden onder hen die door Gods Geest worden ingewonnen voor Koning Jezus.
Hoe heerlijk zal het zijn, gemeente, als Jood en Arabier, als u en ik straks mogen delen in het grote heil, dat God bereid heeft in Abram en in het hem beloofde Kind. Dan bewandelen we geen doodlopende wegen meer. Dan teren we allen eeuwig op Gods genade in Christus. Soli Deo Glorie: God alleen de eer.
Amen



1 Voor Sur zie: Gen.20:1; 25:18; Ex.15:22; 1 Sam.15:7; 27:8.

2 De afbeelding is gekozen uit: Abraham, de aartsvader in XII boeken, gedicht door Arnold Hoogvliet;8e dr.; met Kunstige Printverbeeldingen opgesierd door den Heere Jan Punt; Rotterdam 1766; opnieuw uitgegeven Anno Domini 1968. Alphen a.d Rijn.Ondertiteling: Hagar vernedert zich voor Saraï.





Dovnload 70.74 Kb.